XXI
Reading edition
Een Fiasco
't Was op een Maandag namiddag, den laatsten Maandag in November, dat ik een grooten gecombineerden Krijgsraad der Federale Officieren onder de breede schaduwen van een mimosaboom bij ons veldhospitaal (Pepworth's woonhuis) zag bijeenkomen. De Vrijstaters waren daar van het westen en het zuiden; de Transvalers van het noorden, het oosten en het zuidoosten van Ladysmith. Generaal Schalk Burger, de plaatsvervanger van den Commandant-Generaal, nam den eerestoel in. Er was een groote schare van ernstige mannen. Zij gevoelden het allen: iets moet er gedaan worden, en dat terstond. Generaal Prinsloo en Generaal Erasmus waren daar met een twintigtal Commandanten en Veldkornetten. De rustelooze, onversaagde »pushfull” Staatsprocureur was natuurlijk ook tegenwoordig, vol geest en leven en energie, en Majoors Erasmus en Wolmarans van de Staatsartillerie bleven niet achterwege.
Ik zat op een lekkeren leuningstoel bij de vriendelijke gastvrije tent van »Burke's Ambulance”, waar ik pas een goed ontbijt had genoten, en bemerkte spoedig, dat er groote dingen op 't spel stonden. Uren lang werd er geredeneerd. Er broeide iets in 't gras onder dien historischen boom. Wat zou het wezen?—Mijn vriend, Kapitein Bosman, lag krank in het Hospitaal, maar ik gevoelde mij gedrongen om hem te verlaten, en het »groot geheim” te gaan opsporen. Eenige dagen later kwam ik er achter: er zou een groote, algemeene aanval op Ladysmith schijnbaar plaats vinden, maar de Platrand was het eigenlijk doelwit, waarop alles zou uitloopen. De sleutel tot Ladysmith zou eindelijk in onze handen vallen! Dit vernam ik slechts op den avond voor de bestorming zou gebeuren en ik maakte mij voor wat groots en heerlijks gereed.
Lang voor de heete zon het hoofd boven de oosterkim verhief, waren wij—de heer Oerder en ik—in den zadel onzer patente bicycles. Als een pijl uit een boog vlogen wij op onze bouwvallige ijzeren rossen over het open veld naar Lombard's Kop. Wij waren enkel opgewondenheid. Nu of nooit!—dachten wij. Vandaag zullen wij een gevecht zien. Welk eene kans voor schilder en schrijver! Hoe prachtig zullen wij alles van de voorste punt van Lombard's hoogen Kop gadeslaan—daar op »Gun Hill”, waar onze Long Tom zijn langen nek vooruit steekt! Voort! Er wordt gevochten vandaag! Laat de bicycles maar janken en kraken—wat geven wij om zulke kleinigheden van morgen?
Hé! Daar staan onze Lijdenburgers al, achter een klipkopje verscholen, aan den weg tusschen Pepworth's en Lombard's. Sht.... Ze hebben een Pom-pom met vier flinke muilen bespannen bij zich, voor eenige ontwikkeling en verwikkeling, of wat men die dingen ook noemt, gereed. Doodstil, kant en klaar staan zij daar het psychologisch moment ongeduldig af te wachten.
Wij snellen ze voorbij, ongestoord: men acht ons waarschijnlijk tot de depêche-rijders van Daniël Theron te behooren.
Onder aan den voet van den nek (pas) tusschen Lombard's Kop en Gun Hill laten wij onze wielen bij het Artilleriekamp van Majoor Erasmus, en stappen haastig naar de kanonnen. Er is een vrij goede weg daarheen gemaakt en 't was geen kwart uur loopens. Boven gekomen, gingen wij naar onzen ouden vriend van Pepworth's Hoogte, Long Tom, die in den slag van Modderspruit in den open muil door een Armstrong bom getroffen werd,—gelukkig van ter zijde, anders was de wond heel wat ernstiger dan thans nog zichtbaar is. Onze »zuigeling” is in den nacht heel stilletjes hier gebracht en opgesteld, terwijl Luitenant de Jager er een groote, lange boomstam in zijne plaats te Pepworth's Heuvel laat prijken. Achter de sterke en hooge borstwering van grond en steenen voor Long Tom vervaardigd is er ook ruimte voor een groot gat, dat de Artilleristen er in de aarde gegraven hebben. Er worden granaten en granaat-kartetsen in volmaakte veiligheid geborgen en—ook whisky wordt daar soms gedronken, zooals thans het geval is.
»Goeden morgen”—roepen de jolige kornuiten ons uit het gat toe. »Wil jullie 'n zoopje hebben?”
»Heel graag, kerels; goeden morgen ook. Hoe gaat het?”
't Is nog vóór zonop, maar 't is oorlogstijd, en er wordt zelden van dat gevaarlijke vocht onder onze burgers gezien en nog zeldzamer ons aangeboden. Dus—prosit burgers!
Na nog een paar haastige woorden gewisseld te hebben, daalden wij de punt van den heuvel een vijftig treden lager af en zaten wij daar Ladysmith te bekijken. De ondervinding op Pepworth's heuvel had mij geleerd, dat het onder en vóór de lijn van het kanonvuur verre weg het veiligste is. Open en onverschillig zaten wij daar onder een overhangende rots, overtuigd dat de Engelsche kanonniers bij dien tijd de afstanden goed kenden, en geen veldglas een paar menschen daar tegen het ruwe bergfront aan zou kunnen ontwaren. De hitte zou spoedig ondragelijk worden en wij hadden schuiling noodig, terwijl wij het een en ander bekeken en schetsten.
't Was een heerlijk panorama aan onze voeten ten toon gespreid. Ladysmith en de Platrand waren duidelijk te zien, alsook het Intombi Kamp voor de gewonden, zieken en niet-vechtenden. Maar—
Boem—dondert het boven onze hoofden. Weg vloog de 85 lb. ijzeren vogel. Wij konden hem de stille morgenlucht hooren doorklieven. Wij keken opwaarts! ja, een dikke, witte wolk stond er boven het fort, waarachter Long Tom schuilde. Ongelukkig kon hij zijne tegenwoordigheid niet verbergen: zijn kruit verraadde hem. Verbeeld u, lezer, 18 zware ponden kruit, groote zwarte kruitsteentjes, werden hem in de ingewanden gestopt en dan—»Boem! Hier ben ik!” riep hij luidkeels al de Britsche kanonnen toe..... »Raak mij als jullie kunt!” 't Was puur bravado, echter, want Long Tom was slim genoeg om na elk schot onmiddellijk achter zijn schans te duiken. 't Was bijna onmogelijk om hem te beschadigen door kanonvuur; daarom deed Generaal Hunter het geen twee weken later (9 December) op een andere wijze (worse luck!).
Eene vlam schiet er uit het fort, dicht bij het klooster, op eene hoogte bij de stad gebouwd—en in een oogwenk gonst het schreeuwend ijzer over onze hoofden schram over Long Tom henen. 't Is het antwoord van het lang scheepskanon, dat geweldig, snel en goed schiet. Een tweede bom wordt in de wallen vóór Long Tom begraven. Uitslag: stof, kleine steentjes gruis, en nog eens stof. Verder niemendal. Het monster brult afgrijzelijk en schiet raak ook, maar cui bono? Was giebt's? Stof, niets dan stof.
Van »Surprise Hill”, rechts van het Pretoria-commando, dat dien dag eene demonstratie of schijnaanval moest doen, doet onze Howitzer ook zijne plicht, en zelfs het kleine bergkanonnetje ten noorden der stad blaft samen met de grootere oorlogshonden. Links van de Platrand, van ons oogpunt beschouwd, betimmert Luitenant Groothaus het Engelsche Colt kanon, dat het davert en kraakt, en hoog boven allen uit doet Long Tom No. II zijn diepe basstem van Bulwana's Kruin trillen. Majoor Wolmarans is daar aan 't roer, en hij doet altoos goed werk. Luitenant de Jager lacht een grooten langen lach, terwijl de matrozen zijn boomstam met dure granaten begroeten. Zoodra niet, echter, is zijn ruse de guerre ontdekt, of hij laat zijn Fransch Kanon en Howitzer aan 't koor deelnemen.
Het rumoer is verschrikkelijk en wij zitten met onze veldkijkers op den Platrand te turen, groote dingen verwachtende.
Ai!.... tap, tap, tap—tek, tek, tek, tek, tek—daar rechts, boven de stad. De begeerige maar ongelukkige Pretorianen zijn al weer aan den gang met de Mausers en Martini's. Ze zijn het naast van allen aan de Engelsche scherpschutters, en »sniping” over en weêr is daar dagelijks aan de orde. Zij »maken maar bang” van daag. 't Is slechts om de aandacht van het zuiden af te trekken. Eenige weken geleden nog lagen zij daar onder bij het treinspoor een ganschen dag (sommigen hunner wakkerste jongkerels) achter de miershoopen in de brandende zon te bakken. Zij konden noch naar voren, noch naar achteren. De avondschaduwen vielen op de arme drommels, eer zij meer dood dan levend uit hun benauwde positie verlost raakten. Vandaag echter, lachen zij over het afgeloopen gevaar, terwijl zij van achter hun steenen muren de bandeliers leegschieten.
Tek—tek—tek—tak—tak—tak.... zonder einde aan de noordzijde. Stilte aan den kant van Generaal Burger. Boem—kraak—whirr—shuut, en allerlei onder- en bovenaardsche geluiden boven onze hoofden en op de hoogten. Het woedend sissen en spatten der granaatscherven vlak boven ons bij onze kanonnen, was vooral huiveringwekkend en het gedonder van Long Tom oorverdoovend. De Balon-captif steeg ten hemel uit de rivierwallen en bosschen ten zuiden der stad en wij meenden toen stellig, dat er iets ernstigs gaande was, maar geen geweerschot werd van de zuidzijde vernomen. Wat moest dat beduiden? Waar blijven de bestormers?
Voor afwisseling mikte Long Tom een paar maal op den ballon. Roode stofwolken stegen er uit de dichte bosschen, maar verder ging alles zijn ouden, tragen gang. De zon was reeds een uur op en het begon reeds warm te worden daar op de rotsen. Het bombardement werd vervelig en hield eindelijk geheel en al op, behalve boven op Bulwana.
Op den Platrand heerschte een doodsche stilte!
Wij gingen weer op naar onze kanonnen en vonden Kolonel Trichard daar, boos, teleurgesteld en zwijgend!
Alzoo liep de groote algemeene bestorming van den Platrand af! De berg had voor de honderdste maal in de wereldgeschiedenis niets dan muizen gebaard, en dat wel met veel omslag en moeite.
Ik was erg uit mijn humeur over al dat praten en praten en nog eens praten, zonder meer, en toen eenige mannen in mijne nabijheid aan 't pochen gingen, viel ik hen in de rede met een vinnig:
»Doet iets—wat praat jullie zoo veel!” Een paar kerels gingen kort daarop henen, zonder een woord te uiten, en ik was de zaak reeds lang vergeten, toen mijne aandacht door een vijftig of meer ruiters getroffen werd. Zij verlieten den voet van Gun Hill en reden op een stap de vlakte der Kliprivier in. Na een half uur rijdens verdeelden zij zich in twee groepen en verdwenen zij geruimen tijd in de dichte doornboomen, die daar welig tieren. Aller aandacht werd van toen af in de richting van Helpmalkaar Heuvel getrokken. De ruiters gingen blijkbaar daarheen. Was het Fort op den top des heuvels verlaten, of scholen er Lee Metfords achter de vele schietgaten?—We hielden den adem op en zwegen. Plotseling knetterden de geweren in de schijnbaar verlaten vlakte. Er was niets in het fort te zien, maar, er werd ongetwijfeld daar geschoten. Wat gebeurde er? Wat was er van onze waaghalzen geworden?—Het antwoord kwam spoedig in den vorm van een boel jagende ruiters. Zij kwamen in vollen galop naar Lombard's Kop terug. Of de Lee Metfords en Maxims dreunden! Of onze Howitzer niet blij was, om een paar welgerichte bommen in 't midden en tegen de wallen van 't fort te spuwen. Hier komen de wilde jagers aan: sommigen zonder hoed. Anderen komen er achterna te voet aangehold. Later bleek het, dat de heeren Boshof en Maynard—die er met ons aan 't praten waren—een boel Ieren en anderen (Jack Hinton, de roekelooze Engelsch-Transvaler was er ook onder) bij malkaar gekregen had, en dus op een verkenningstocht naar het »verlaten fortje” gegaan waren. Zij kwamen op een paar Engelsche paardenruiters af, die zij uit hun zadels lichtten door kleine Mauserpillen en werden onmiddellijk daarop door een hagelstorm van kogels uit 't fortje begroet. Het fort was »very much alive” zei Jack Hinton! Menig Ier liet er een hoed achter en sommigen hunner konden niet gauw genoeg hun paarden bestijgen, vandaar de gedwongene voet-race. Een ambulancewagen snelde naar het vermeende slagveld, maar er was geen gewonde of doode te vinden. Het fraaiste van het heele kluchtspel was dit: dat geen officier die vagebonden gelast hadden het zaakje te ondernemen, maar de heeren Boshof en Maynard mij gaarne met eene daad wilden verrassen!
Eenige weken later werd het andere raadsel mij eerst opgelost. De burger-officieren in de nabijheid van den Platrand hadden een eigen private vergadering gehad en waren tot het besluit gekomen: om niets te doen! Zij stemden in de minderheid in den bewusten grooten Krijgsraad hierboven genoemd; op hen viel het gevaar van de bestorming—zij bleven dus eenvoudig in hunne tenten. Het waren Transvaalsche en Vrijstaatsche officieren—het was een schandaal een fiasco tegelijk; niet werd er echter in de zaak verder gedaan. Er werd ook gezegd, dat Generaal Prinsloo en Generaal Joubert beide tegen de bestorming waren, maar voor de waarheid hiervan kan ik mij niet borg stellen. Het andere, treurige, akelige heb ik van de beste bronnen vernomen.
Commentaar is onnoodig.
Ik heb dit feit, echter, met opzet prominent voor de aandacht gebracht, omdat het een helder licht werpt op de ontzaglijke moeilijkheden van oorlog voeren met een volks-leger. Wie kan zich een denkbeeld vormen van de taak, die onze voormannen op de schouders drukte? Wie kent de onderlinge jaloesie en naijver en wederkeerige verachting van elkander, die helaas! maar al te dikwijls onder onze Officieren gevonden werden? Zij waren de kinderen der Voortrekkers, de groote doch zeer menschelijke Helden, die hun die treurige erfenis nalieten.
Indien dit nu met »het groene hout” geschiedde, wat van »het drooge”? Wat van de gewone burgers? De brilliante schrijver, G. W. Steevens, de student der menschelijke natuur bij uitnemendheid teekent onze boeren aldus af:—
»Zij zijn groote, gebaarde mannen,—los van leden, onverschillig omtrent hunne kleeding,—die hun kleine paarden op een pas-gang (»rocking-chair canter”) rechtop en gemakkelijk berijden. Hun ongekamde, ruwe, door de zon gebrande gelaatstrekken en blauwe oogen drukken trage goedaardigheid, bedaarde standvastigheid en sluimerend vuur uit. Zij vragen om nieuws in zacht, lispend Hollandsch, als door eene vrouw gesproken; maar de trage heerschzuchtigheid in hunne manieren doorstralend bestempelt ze als vrije mannen.”
Ja! zij waren »vrije mannen”. Goddank voor den edelen vrijheidszin, de liefde voor onafhankelijkheid, die ook van de vaderen geërfd is. In oorlogstijd, echter, moet de gewone burger niet al te vrij zijn. Hoe kan er een behoorlijk, georganiseerd geheel zijn, als de leden, die dat geheel moeten vormen, geen tucht of discipline willen verduren?
't Is weer de oude, oude waarheid: elke deugd heeft hare eigene ondeugd, als men niet ervoor oppast! Elke lichtstraal vormt eene schaduw. Onze Boeren, gelijk alle andere menschen, hadden de schaduwzijde hunner bijzondere kracht, de fout hunner eigenaardige individualiteit, de beperking aan hun eigendommelijk karakter verbonden. Zij waren zeer vrij, al te vrij, veel te vrij voor de behoeften van een leger. De edele geest van onafhankelijkheid en gelijkheid werd ons ten vloek en ten val.... voor een tijd!
Krachtige persoonlijkheden als Generaals Cronjé, de la Rey, de Wet en Botha hebben veel door woord en daad bijgedragen, om den al te vrijen geest der burgers te beteugelen. Hun voorbeeld en ook dat van vele ernstige en invloedrijke mannen werkte als een krachtige zuurdeesem, tegen het dreigend gevaar van bederf en verrotting. Maar het was vooral door bittere, duurgekochte ondervinding, dat de overgeblevene burgers wijsheid leerden. De wreede, meedoogenlooze marsch der gebeurtenissen verwerkte het prachtige »ruwe materiaal” tot de beste commando's, die de wereld ooit aanschouwd heeft, tot keurbenden, die de Thebaansche phalanxen in bewegelijkheid en gevaarlijkheid overtroffen.