← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXIV

Reading edition

Een Schitterende Week

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, hoe donker het voor de Republikeinen tegen het einde van November uitzag. Zij hadden hunne eenige kans, om den toevoer van versche troepen naar hunne grenzen aftesnijden, laten voorbij gaan. Zij waren te langzaam in hunne bewegingen, anders konden zij de Britsche hulptroepen bij de zee reeds den weg versperd hebben. De spoorwegen door de twee Koloniën konden zij in bezit genomen, en alzoo het oorlogstooneel, voor jaren althans, van hunne landpalen verplaatst hebben. Dit werd echter niet gedaan, alhoewel het onverwachte ultimatum ongetwijfeld daartoe de gelegenheid gaf. Het ontbrak hun in die dagen aan den noodigen moed, om het initiatief op zulk een groote schaal te nemen. Zij vreesden het onbekende te zeer. Zij bleven om Kimberley en Ladysmith hangen, alsof er geen groote operaties mogelijk waren, eer die steden veroverd waren. Wat mannen als Rechter Hertzog en Commandant Kritzinger later met eenige honderden waagden, zou niemand met even zoo vele duizenden in de eerste weken des oorlogs ondernomen hebben. Alzoo wonnen de Engelschen het ééne noodige: Tijd. Generaal Buller kwam en ging met zijne hoofdmacht naar de Tugela; Lord Methuen rukte op Kimberley aan; Belmont en Graspan liepen slecht voor ons af; Generaal Joubert keerde teleurgesteld van de Mooirivier naar Colenso terug, en eene vlaag van moedeloosheid en somberheid greep de stoutste harten aan.

Mannen als Generaal de la Rey en Generaal Cronjé gingen Lord Methuen, echter, onverschrokken in den weg staan, en Generaal Botha nam vroolijk de wacht op de Tugela onder zijne zorg. Het bloedig en lang gevecht te Modderrivier toonde duidelijk aan, dat de Boer geenszins den moed verloren had. Het beleid van een de la Rey wekte vertrouwen op; de bloote naam van een Cronjé bracht wonderen te weeg. Nieuwe burgers stroomden naar Cronjé's vaandelen te Magersfontein, en de moed, het moraal, de vastberadenheid der Federalen werd bij den dag beter en sterker.

Op de hoogten bij de Stormberg Junctie stond commandant Olivier met een commando Vrijstaters en Koloniale rebellen (onder Commandant Swanepoel) de komst van Generaal Gatacre van het zuiden aftewachten.

Op alle punten, dus, waren de Boeren tot hun aloude tactiek teruggekeerd: zij stonden namelijk den vijand in posities, door henzelven uitgezocht, aftewachten; zij namen een zuiver defensieve houding aan. Van ouds af aan waren zij in de kunst van zelfverdediging geoefend en bedreven. Tegen Moselekatze en Dingaan hadden zij in 1836 en 1838 reeds hunne kracht in deze getoond. 't Was hun eigenlijk element. Vandaar dat het hun zoo zwaar viel, om van die vastgewortelde methode aftewijken, totdat jongere en geheel nieuwe Leiders ze later daarin voorgingen.

Niemand wist, echter, dat de Boer zulk een meester op defensief gebied was, als de onvergetelijke week, die met 10 December aanving, openbaarde. Op Laing's Nek had de Engelschman er een klein proefje van gehad; thans zou hij de volle maat ervan drinken. De »verachte, domme, ongeleerde” Boer gaf Generaal Gatacre op Zondagmorgen, den 10den December 1899, een Stormberg-nederlaag ter gedachtenis—den dag daarop kreeg Lord Methuen een Magersfontein-beker te drinken—en op Vrijdag, 15 December, verloor Generaal Buller met zijn 21,000 man, 30 veldstukken en 16 zware scheepskanonnen niet slechts den slag, maar ook tien kanonnen te Colenso!

De gansche wereld stond verbaasd! Engeland verstomde! De Boer was vereeuwigd!

Het kan zijn, dat een Europeaan over eenige eeuwen te Pretoria of Bloemfontein zal staan—God verhoede het!—en zijn reisgezel aldus mag toespreken:

»Hier hebben wij een der regeeringszetels van een uitgestorven volk: het volk der Boeren. Ze waren een eenvoudig en ongeletterd volk, zeer godsdienstig, zeer gehecht aan hun land, hartstochtelijk verkleefd aan hunne onafhankelijkheid en vrijheid. De grootste en rijkste goudmijnen der wereld werden, ongelukkig voor dat volk van boeren binnen hunne landpalen ontdekt. Een stroom van vreemdelingen vloeide hun land binnen. De meesten dezer waren Engelschen, en er bestond reeds lang tevoren eene wrijving tusschen Boer en Brit in Zuid-Afrika. Geen wonder, dus, dat het nieuwe en het oude element der bevolking het op den duur met elkander niet vinden konden. Zij wantrouwden elkaar! Het kwam later tot een samenzwering tegen de Boeren, waaruit de verradelijke inval van zekeren Jameson geboren werd. De spanning werd daardoor grooter dan immer te voren. Eindelijk ging de Imperiale Engelsche Regeering zich met de Uitlander-kwestie bemoeien, en.... de groote Oorlog ontstond, die den Boer zijn land, zijne onafhankelijkheid en later ook zijn volksbestaan kostte”..... Maar na een korte pauze, zal de denkbeeldige spreker er gewis ook dit bijvoegen:—

»Zij waren een dapper volk, die Boeren! Lang en hardnekkig hielden zij het tegen de overmacht van het Britsche Rijk vol. In ééne week versloegen zij drie Britsche legers: te Stormberg, Magersfontein en Colenso! Nooit werden de Britsche wapenen zóó vernederd, als door die eenvoudige veeboeren. Zelden, indien ooit, heeft de wereld zulk eene volharding tot het bittere einde toe, zulk een edelen strijd voor de vrijheid aanschouwd. Al zijn de Boeren ook als een apart en zelfstandig volk van het wereldtooneel verdwenen, hunne naam is en blijft onsterfelijk.”

Wat ook de uitslag van den langen strijd zij, de burgers der twee Republieken van Zuid-Afrika kunnen den Engelschman fier in 't aangezicht zien. 't Is eene eer een Transvaler of Vrijstater te zijn, of te zijn geweest. Geen Hollandsche Afrikaner, die zelfrespect heeft, zal zich ooit kunnen schamen, dat het bloed der Boeren hem in de aderen vloeit.

En toch.... en toch.... is het uiterst jammer, dat deze overwinningen niet op een ander vreemd volk, dat onze kusten kwam aanvallen, door Boer en Brit te zamen behaald zijn. De Engelsche en Hollandsche elementen in Zuid-Afrika moeten te zamen één groot en sterk volk vormen, zal er iets van ons land terecht komen. Te zamen moeten wij leven en werken, eten en drinken, muziek en geschiedenis maken. Wederkeerige haat spelt en voorspelt slechts onheil, achteruitgang en ellende op elk gebied. Och! dat wij liever schouder aan schouder, zij aan zij, hand aan hand tegen een vreemde mogendheid hadden gestreden! Dan waren wij in den warmen gloed des oorlogs tot één patriotisch geheel samengesmolten. Geen Slachtersnek of Majuba, geen Jameson-inval of Kieswet zou ons van elkander hebben kunnen scheiden, indien wij gezamenlijk een vreemden indringer van onzen dierbaren, nationalen bodem geweerd hadden.

Die hoop is, echter, nu verijdeld. Van verzoening, samenwerking, wederkeerige achting tusschen de twee groote blanke rassen van onzen zuidhoek is er thans nauwelijks sprake. De hel dreigt dagelijks den hemel uit ons schoon maar ongelukkig land te verdringen.

Ziet! toen Sir George White in den trein te Durban stapte, op weg naar Ladysmith, riep een opgewondene schare hem toe: »Remember Majuba!” Dit wordt ons door Creswicke in zijn uitgebreid werk over den oorlog met blijkbaar welgevallen medegedeeld. Nu hebben de lieve dames en heeren—wij noemen de dames vooraan, niet slechts beleefdheidshalve, maar omdat zij altoos in zulke zaken boven de heeren uitmunten—van Natal een »tweede Majuba” te betreuren. 't Is wel jammer voor hen, maar er is niets aan te doen. Het feit blijft. Der geschiedenis kan men niet sh-t-t-t toeroepen. Eene daadzaak kan niet gearresteerd en levenslang verbannen worden!

Toen Generaal Buller voor de Residentie van den Gouverneur te Kaapstad afstapte, weerklonk het »Avenge Majuba! Avenge Majuba!” uit duizenden kelen. Dat vertelt dezelfde Engelsche schrijver ons, zonder eenige blijken van afkeuring. Mogelijk, gilde hij mee—als een echte »loyale” van de twintigste eeuw. Welnu, die goede lieden van de Kaapstad kregen een Colenso en Magersfontein in ééne week, om te herkauwen en te wreken.

De Boeren zijn ook geen Engelen—evenmin als zij Engelschen zijn. Wij hebben meer dan een—van de Britsche troepen als »die vuil natie” of »die vuil goed”, of »die verd...e rooinekke” hooren spreken, en ook andere ronde, Homerische uitdrukkingen hooren bezigen. Nooit echter hebben wij een geroep om wraak, als door Creswicke te boek gesteld, in de Republieken gehoord, of van zoo iets vernomen. Hunne nederlagen, zoowel als hunne overwinningen, werden bijna stilzwijgend ontvangen! Zij zijn phlegmatische, kalme, ingetogene menschen, in den regel; hunne zenuwen worden niet door het lezen van sensatiewekkende romans en nieuwsbladen en »penny weeklies” geprikkeld en verzwakt; zij houden niet van luidruchtige vertooningen, van fakkeloptochten, straatrumoeren, klokkengelui en vlagwaaierij. Zelfs na Colenso was Pretoria dood stil! Er was geen uitbundig gejuich en feestvreugde en dronkenschap: men ging ter kerke, om Gode de eer en den dank voor de overwinning te brengen.

De »loyale” Queenstowners hebben ook een groot ophef over Generaal Gatacre gemaakt, en meer dan één heeft gewis den mond volgehad van de »dirty Boers” en de »b—y Dutch”. Wij gelooven, echter, niet, dat zij ooit »Avenge Stormberg!” tot wapenkreet later gebruikt hebben, want hun held is daar het mikpunt der wereldbespotting geworden. Elkeen, zoo wel Brit als Boer, moet medelijden hebben met den armen Generaal, die met zijn leger zeven uur lang in den nacht ronddwaalde, om onverwachts tusschen zijne vijanden te land te komen. In plaats van aantevallen, werd hij aangevallen; en toen zijn voetvolk een heuvel wilden bestormen, werden zij door hun eigene batterijen in den rug beschoten! Arme drommels! Geen wonder, dat er ruim zes honderd stuks op het slagveld werden opgetild—waarvan velen aan 't slapen waren. Zij waren uitgeput, verward, moedeloos en vooral »disgusted” over den gekken afloop der onderneming. Of de Vrijstaters en de Koloniale Rebellen zich niet over het kluchtspel verbaasden!

Ongelukkige Gatacre. Aan persoonlijke dapperheid en lichamelijke energie ontbrak het hem niet, maar wel aan gezond verstand en een gelukster. Twee kanonnen verloor hij te Stormberg—de acht kanonnen, te Sanna's Post, door Generaal Christiaan de Wet later genomen, werden ook op zijne rekening gesteld. Hij kreeg zijn congé, hij moest van het oorlogstooneel verdwijnen.

»Waarom ging hij ons dan op een Zondag morgen aanvallen?”—zal een Boer van den echten stempel eraan toevoegen. »Hij kon nog wel een dag langer gewacht zijn. Geen wonder, dat het met hem zoo slecht afliep.”

Dienzelfden Zondagnamiddag, zegt Conan Doyle, zond Lord Methuen zijn beroemde Schotsche Regimenten uit, om halfweg naar Cronjé's posities te Magersfontein te marcheeren. Om één uur den volgenden morgen zetten zij hun noodlottigen tocht—hun via dolorosa—voort. Gansch onverwachts kwamen ook zij onder het Mauser-vuur der Boeren en »700 man beten het stof in omtrent vijf minuten” (volgens Doyle). Generaal Wauchope, hun aanvoerder, werd doodelijk getroffen—eene paniek ontstond er onder de geoefende troepen—de eerste aanval was totaal mislukt. De Transvalers en Vrijstaters vochten dien dag als leeuwen, en Methuen met zijn 14,000 man kon zijn weg niet door dien levenden muur naar Kimberley doorbreken.

Later bezoeken wij het slagveld en spreken met Generaal Cronjé en anderen erover.

Bepalen wij onze aandacht wat langer bij de schitterendste, hoewel geenszins de zwaarste der Boerenoverwinningen: die van Colenso, op Vrijdag 15 December behaald.

Om dezen roemrijken slag te verstaan en te waardeeren, moet men weten, hoe moeilijk het ging, om den Boschkop of »Hlangwane” door onze mannen behoorlijk bezet te krijgen. Het fijne van de gansche geschiedenis is voor den Boer in dit ééne feit gelegen. Wij gingen in die dagen juist Generaal Meijer bezoeken, die nog te zwak en ongesteld was, om naar het front terug te keeren. Hij zat op zijn stoep te Pretoria en ons gesprek was bijna uitsluitend tot dien »Boschkop overkant der rivier” beperkt. De Generaal leefde als 't ware in den geest aan de Tugela bij zijn vriend en krijgskameraad, Louis Botha. Hij vertelde mij van de vele telegrammen, die er heen en weer over dien Boschkop gewisseld waren en nog werden. Hij zelf had aan Commandant Jozua Joubert van Wakkerstroom geseind, om persoonlijk zich voor het behoud dier gewichtige positie in de bresse te stellen—en later vond ik uit, dat gemelde Commandant dien eerepost met Commandant Muller van Standerton verdedigde. Ik vond ook later uit, hoe moeielijk het ging, om tot eene aannemelijke regeling omtrent de bemanning van dien gevaarlijken post te geraken. De opgewondenheid onder de officieren bij de Tugela moet zeer groot geweest zijn. Ja, het kwam zóó ver, dat op den Woensdagnacht vóór den slag er slechts één veldkornet met zijne manschappen op den Kop bleef. Zijn naam dient aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het was Veldkornet Strijdom van Zoutpansberg. Had Buller dat geweten! In plaats van 1000 man, slechts een 50 of 60 op den sleutel tot de Tugela!

Wat zeg ik? Is Hlangwane niet ook de sleutel tot Ladysmith? Is dat niet later duidelijk gebleken? Toen Buller Hlangwane had, kon zelfs de Pieter's Hoogten niet tegen een flankaanval van den linkerkant (der Boeren) verdedigd worden. Zoo komt het mij althans voor. Maar ik kan in deze wel dwalen. Hoe het ook zij: Hlangwane was de sleutel tot de Tugela. Al onze overige posities beteekenden niets zonder het behoud van dien heuvel. De rivier schoot zoo diep naar het noorden in, dat de kop feitelijk achter de lijn der voornaamste heuveltjes en kopjes van ons centrum lag. Een paar kanonnen op Hlangwane—en wij moesten naar de groote bergranden tusschen Colenso en Pieter's terug!

»Die kop kan onmogelijk worden opgegeven”, seinden Generaal Botha en Generaal Burger. Kolonel Trichard was hetzelfde oordeel toegedaan. Generaal Erasmus evenzoo. Uit zijn ziekbed te Volksrust smeekte Generaal Joubert de burgers, om die positie toch niet in de handen des vijands te laten vallen. Van Pretoria telegrafeerde President Kruger, dat indien wij dien kop opgaven, wij alles konden opgeven. De ijverige, patriotische Staatssecretaris deed ook wat hij kon, om de officieren in deze moed in te praten. Aller aandacht was, vooral gedurende de laatste dagen, kort voor den aanval, op dit ééne groote punt gevestigd.

»Maar”—zegt iemand—»waarom was het dan zoo zwaar, om die positie te bezetten?” Omdat de kop zoo hoog en droog over de rivier lag, zonder eene brug zelfs achter den rug, waarlangs men in tijd van nood kon retireeren, en daarbij zoo ver van al onze andere posities was verwijderd. Men moet weten, dat vele boeren niet zwemmen kunnen, en de meesten hunner niet in staat zijn over zulk een breeden stroom te zwemmen. Gelijk Kolonel Carleton's duizend man zouden zij daar op dien boschkop heel gemakkelijk kunnen worden ingesloten, indien het met de onzen slecht afliep. Als in een groot vinknest hing men daar hoog in de lucht, en dat wel aan den verkeerden kant der rivier! Dat was alles behalve prettig voor den gewonen burger. De Commandanten en Veldkornetten keken elkander schuin aan, en elkeen dacht bij zichzelven: »Waarom moet juist ik en niet hij, of hij op dien Eifeltoren gaan klimmen?” Alzoo liep de toren bijna leeg, terwijl Buller met zijn 21,000 man elk oogenblik kon aanstormen.

Generaal Botha werd bijna radeloos; maar, gesteund door de vele krachtige telegrammen uit Pretoria en van Volksrust, en onder den indruk van het gewicht der zaak, riep hij nog een laatsten krijgsraad op den Donderdag vóór den slag bijeen. Daar werd toen uitgemaakt, (door het lot, werd ons verteld!) welke veldkornetschappen daarheen zouden gaan. Alzoo stonden er duizend dapperen dien Donderdagnacht weer op Hlangwane, met twee flinke Commandanten aan hun hoofd. Den volgenden morgen vielen de Engelschen eerst ons rechtervleugel en toen ons centrum en linkervleugel—op dien historischen heuvel—met geweld aan, om op elke punt met zwaar verlies te worden teruggeslagen. Ter elfder ure dus werd de sleutel tot de Tugela en Ladysmith door onze burgers goed en ferm aangegrepen en tegen alle aanvallen verdedigd. Later wierp de Z. A. S. M. er een stevige brug over de rivier tegenover de Tugela, en het was slechts uit gebrek aan manschappen, dat Generaal Botha tegen het einde van Februari die positie niet kon behouden.

Slag bij Colenso.
Slag bij Colenso.

Onze voornaamste posities tegenover Colenso waren: een klein heuveltje,—met een fort erop, kort te voren door de Engelschen verlaten—vlak tegen de rivier aan, waar de gebrokene spoorwegbrug gelegen was. Daar achter en op scholen de Krugersdorpers en een kleine afdeeling Johannesburgsche Politie. Dat was links van den spoorweg naar het zuiden loopend. Aan den rechterkant van de lijn was er een tweede heuveltje en verder rechts vinden wij de voornaamste punten door ons centrum bezet: de Rooi-Randjes, zoo als de Boeren ze noemden. Het waren twee lange heuvels, die evenwijdig van elkander naar de rivier afliepen, en een derde, die ietwat hooger was en dwars tegenover en achter de anderen. Daarop waren er steenen muren gestapeld en een groot commando burgers uit verschillende districten namen daar hunne stelling in, vooral in de voorste twee randjes. Op den achtersten rand waren er 2 Krupps, 1 Howitzer en 1 Pom-pom gesteld. Dat was al het grof geschut voor ons centrum! Op Hlangwane was er niet eens een Pom-pom, volgens de informatie mij gegeven. Dan was er ook bij de Wagenbrug een klein kopje, door ons bemand.

Rechts van de »Rooi-Randjes” liep het groote wagenpad naar Ladysmith. Er was een wijde, effene vlakte van eenige mijlen, eer men weer schuiling kon vinden. Zoo groeven eene afdeeling Heidelbergers en de Swazieland Politie zich lange slooten van oost naar west. Deze was de eerste maal, dat er in Natal door onze burgers zoodanige grachten gemaakt werden. Het experiment beantwoordde uitmuntend—evenals te Magersfontein—en werd later meermalen beproefd. Dan volgde er een heuvelrand ook door de Zoutpansbergers bezet, en een Fransche snelvuurder werd ver naar achteren op een bergtop, ter bescherming dier posities gesteld. De Ermelo-burgers vormden onzen rechtervleugel. Zij maakten gebruik van eenige kopjes, die er in de breede vlakte waren en van de voorpunt van een grooten bergrand, waarop er ook een Creusot geplaatst werd.

Het verslag van 't gevecht door den heer Tobias Smuts—later tot Generaal gekozen—opgesteld, zal nu wel duidelijk zijn. Het luidt als volgt:

Colenso, 22 Dec. '99.

Den Weled. Heer N. Hofmeijr, Pretoria.

Waarde Heer en Vriend!

Op uw verzoek zend ik U een verslag van het gevecht van 15 Dec. j.l. Gij moet in aanmerking nemen, dat ik mij daartoe niet in staat acht, toch wil ik trachten U zoo nauwkeurig mogelijk de toedracht van de zaak te beschrijven en U de feiten, die mogelijk eenige historische waarde mogen hebben, naar waarheid weertegeven, voorzooverre ik er ooggetuige van geweest ben. Daar gij zelf hier waart en onze posities gedeeltelijk in oogenschouw hebt genomen, vlei ik mij met de gedachte, dat mijn beschrijving voor U wel verstaanbaar zijn zal. Als U erin slaagt, daaruit eenige informatie te kunnen putten, en ik alzoo zal hebben bijgedragen tot het weergeven van de ware feiten, tot nut en leering van ons nageslacht en tot de juistheid onzer geschiedenis, zal ik mij voor mijne moeite volkomen beloond achten. Ik sluit hierbij eene schets van het terrein, die gij beschouwen moet, als komende van iemand, die van schetsen geen idee heeft.

De ochtend van 15 December brak aan met alle teekenen, die een verschrikkelijke hitte voorspellen. Zelfs bij het aanbreken van den dag was het warm en er woei niet de minste wind. Het was als de stilte, die een zwaren storm voorafgaat. Die storm zou echter op dezen gedenkwaardigen dag geen wind, regen of hagelslag, maar een regen van bommen en kogels onder het gedonder van kanonnen zijn. Toen het nog schemerde, en het bloote oog op een afstand niets kon bekennen, zag ik door mijn kijker een lange, breede, bruine streep uit het vijandelijke kamp komen. Spoedig maakten wij uit, dat het de vijand was, die op ons aanrukte. Dit werd natuurlijk door allen, uit al onze posities opgemerkt. Allen namen hunne posities in slooten en achter steenen en schansen. Eenieder trachtte een veilige schuilplaats te vinden, vanwaar hij ook tegelijkertijd den vijand zou kunnen beschieten. In der haast werden er ook nog steenen op elkander gestapeld en om vijf uur waren allen gereed zich te verdedigen. De hitte was zeer drukkend. De vijandelijke liniën ontplooiden zich. Van uit de dichte drommen ontsponnen zich lange, bruine streepen, die alle dunner en dunner werden, naarmate zij ons naderden. Overal op de vlakte stonden groote troepen paarden en ruiters en overal kwamen er batterijen grof geschut te voorschijn, als reusachtige slangen, die dood en verderf voorspellen. De batterijen namen hunne stellingen in en het voetvolk stormde op de rivier aan. Hun rechtervleugel ging op den Boschkop, overkant der rivier, af; het centrum op Colenso; de linkervleugel op onze posities hooger op langs de rivier, alwaar de Tugela een groote bocht maakt. De laatste bestond uit zestien regimenten, ondersteund, of liever gedekt door twee batterijen.

Te halfzes bulderden de kanonnen en brak het geknetter der klein-geweren los. De bommen vielen als hagel op sommige onzer posities, voornamelijk op die tegenover Colenso. Het scheen soms of de kopjes letterlijk aan brand stonden. Zij waren geheel in rook en stof gehuld. In al onze posities heerschte er intusschen een doodsche stilte. Men zag niemand. Men hoorde niets. Op het eerste kanonvuur des vijands werd niet geantwoord. Dit bracht den vijand in den waan, dat wij onze posities verlaten hadden. Zij waren in elk geval blijkbaar in de war, omtrent de linie door ons ingenomen. Zelfs de posities onzer kanonnen konden zij niet ontdekken. Deze was, mijns inziens, de beste tactiek, die onze officieren hadden kunnen volgen. Deze was ook de reden, waarom de Engelschen hunne kanonnen zoo dicht onder onze Mausers waagden. Generaal Botha verdient allen lof voor de kalme en vastberadene wijze, waarop hij erin slaagde de ongeduldige burgers lang genoeg tegen te houden.

Toen het juiste oogenblik echter gekomen was, lieten de burgers de Mausers kraken en de kanonnen begonnen tegelijk te bulderen—en zij joegen dood en verderf in des vijands gelederen. Onbeschrijfelijk zijn de indrukken van dat oogenblik op den toeschouwer. Overal op de vlakte over de rivier kon men het stof, door de Mauserkogels opgeworpen, zien—even als sprinkhanen, die opvliegen. De soldaten vielen overal neer. Zelfs op lange distanties doodden de Mauserkogels, die te hoog gericht waren, van de achterste vijanden. Nergens konden zij zich bergen. Gingen zij liggen, dan waren de granaat-kartetsen uit de Fransche stukken daar, om ze weer op te jagen. Stormden zij nader, dan velden de Mausers ze bij dozijnen neer. Toch gedroeg de vijand zich dapper. Keer op keer stormden zij hunne gesneuvelden en gewonden voorbij. 't Is waarlijk een wonder, dat menschen zich voor zulk een slechte zaak kunnen laten doodschieten. Het moet gezegd worden: de troepen stormden door dood en verderf heen op eene wijze, een betere zaak waardig. Toch was het vuur zelfs voor de dappersten te hevig. Herhaalde malen trachtten zij de rivier te bereiken, maar slechts weinigen zijn zoo ver gekomen, dat zij den prachtigen stroom zien konden. Weldra was de geheele bocht, die de rivier bij onze positie maakt, met dooden en gewonden bezaaid.

Ondertusschen was de hitte ondragelijk geworden. De zon stond hoog en hare stralen schoten onmeedoogend op ons neer. Het moet verschrikkelijk geweest zijn voor de vechtenden, en vooral voor de gewonden, om zich zoo dicht bij het heerlijke water te zien en toch niet in staat te zijn een droppel te krijgen, om hun lijden te verzachten en hunnen dorst te lesschen. Ik ben er van overtuigd, dat er vele gewonden omkwamen aan dorst en bloedverlies. Een der gevangenen verklaarde later, dat hij naar een kogel, die hem den dood mocht brengen, gesmacht had.

Op deze punt en ook op den rechtervleugel begon de vijand te half tien ure te retireeren, onder bedekking van zijn geschut, terwijl het centrum te Colenso nog wanhopige pogingen deed, om de kanonnen, die door de onzen »vrijgeschoten” waren, terug te krijgen; maar tevergeefs. Zij moesten hunne kanonnen, hoe ongaarne dan ook, prijsgeven, om hun leven te redden. Zelfs de Artilleristen moesten zich in een sloot verbergen, alwaar zij ook na den slag gevangengenomen zijn.

Diegenen van den vijand, die zich te ver naar voren gewaagd hadden, moesten het bij hun terugkeer duur vergelden. Zoodra zij opstonden, werden zij door de meedoogenlooze Mausers weer neergeveld. Ongeveer drie- à vierhonderd bleven stil op het slagveld liggen, om, onder bedekking van het Roode Kruis, een veilig heenkomen te zoeken. Dit heeft velen hunner echter niet gebaat, aangezien onze burgers hunne plannen maar al te goed doorzagen. Het was ook bij dit terugtrekken, dat de vijand, in den waan verkeerend dat het onze menschen waren, die door de rivier op hen aanstormden, zijn eigene soldaten met kanonnen neermaaiden. In 't eerst begrepen wij niet, waarom zij op hun eigen volk schoten. Het geval deed zich aldus voor: eene batterij, die hun linkervleugel ondersteunde, was ver naar achteren teruggevallen. De tweede batterij, dicht bij onze positie, trachtte de terugtrekkende troepen te dekken, door een vreeselijk vuur op de Zoutpansbergers te richten. Wij dachten voor een oogenblik, dat zij allen verpletterd waren. Maar hier heeft onze God weer treffend zijne almacht getoond. Hoewel er bijna geene schuilplaats was, kreeg toch niemand zelfs eene schraap. Wij openden toen vuur op deze batterij met onze geweren, gesteund door het Fransche stuk, dat achter ons op den berg stond. Wij konden het zelf niet gelooven, dat de Mausers hunne artillerie zouden bereiken, toch was het zoo en namen zij de vlucht. Toen zij nu weer tot stilstand kwamen, zagen zij hun eigene troepen voor vijanden aan en ontdekten hunne vergissing niet, vóór zij een heelen boel hadden nedergeveld.

Van onze zijde namen de volgende commando's deel aan 't gevecht:—Standerton, Wakkerstroom, Krugersdorp, Heidelberg, Middelburg, een deel van Vrijheid, de Swazieland-Politie, Zoutpansberg en Ermelo [ook een deel van de Johannesburg-Politie—Schrijver]. Het getal onzer mannen bedroeg ongeveer 2000 tot 2500.

Te ongeveer één ure in den namiddag was deze gevreesde aanval afgeslagen en trok de vijand op alle punten terug. Neemt men het verlies des vijands in aanmerking, [± 900 dood en gewond; ± 250 prisoniers—volgens Doyle] dan was deze bepaald de grootste slag ooit door ons geleverd. Aan den anderen kant kan ik echter niet zeggen, dat er aan onze zijde hard gevochten werd. In de eerste plaats duurde het gevecht niet erg lang, en in de tweede kon eene menigte van ons er niet eens aan deelnemen, terwijl een groot deel slechts op lange afstanden kon schieten. Ook was ons verlies weinig [slechts 7 dooden!—Schrijver] en moeten wij ons met verbazing afvragen: »Hoe is 't mogelijk?” Op die vraag is er slechts een antwoord: »Bij God, op Wien wij ons vertrouwen vestigen, is alles mogelijk.” Niet door onzen moed of ons beleid werd deze prachtige overwinning behaald. Laten wij onzen God, die onze voorouders reeds zoo wonderbaarlijk beschermde, de eere geven. Zonder zijne hulp was het ons onmogelijk den overmachtigen vijand terug te slaan. Ik vertrouw, dat gij U dit ook tot plicht zult rekenen in uw voorgestelde geschiedenis onze jeugd hierop in 't bijzonder te wijzen.

En wat was nu de uitwerking van de vijandelijke kanonnen, met hun helsche projectielen en gevreesde lyddiet-bommen. Ik erken, dat ik U daaromtrent eene opinie geef, die niet door velen gedeeld zal worden. Mijne beschouwing is, dat indien onze vijand op zijne kanonnen blijft vertrouwen, hij maar gerust naar huis kan gaan. Om een fort te demoraliseeren, of een stormenden vijand te verpletteren mogen de kanonnen hun nut hebben, maar om gedetermineerde Afrikaners, die trachten hunne lichamen zooveel mogelijk te bergen, uit hunne posities te verdrijven, zijn zij zonder uitwerking, altoos natuurlijk onder de beschermende hand des Heeren. Onze vijand begrijpt niet, dat wij het beter achten om voor ons land in levende lijve te strijden, dan ons aan de vernielende projectielen bloot te stellen.

Onze burgers gedroegen zich allen goed, en onze Artillerie bewees al weer, dat zij voor geen andere behoefde onder te doen....

Met beste groeten,

Uw Vriend,

T. Smuts.

Onmiddellijk na dezen merkwaardigen en zelfs wonderlijken slag, seinde Generaal Botha aan President Kruger:

»De God onzer voorvaderen heeft ons heden een schitterende overwinning gegeven.

Beleefd verzoek ik de Regeering per proclamatie een algemeene Biddag te proclameeren en Hem te loven en te danken, die ons de overwinning gaf.”

Nooit zal ik den indruk dezer woorden vergeten, toen zij door Ds. H. Bosman, van Pretoria, van den kansel werden voorgelezen. Niet slechts op »Dingaan's Dag”, den dag na de overwinning, maar ook op den volgenden Zondag werd er overal in de twee Republieken bij al de lagers gebeden en gedankt. Gode werd al de eere voor de drie onvergetelijke overwinningen gegeven. Er werd feest gevierd—met ontbloote hoofd voor den troon der genade.

Vergelijk deze feestelijkheid met de uitbundige tooneelen, die er overal in de steden en dorpen van 't Britsche Rijk, na het ontzet van Kimberley en Ladysmith en Mafeking voor het aangezicht van de zon en de maan werden bloot gelegd! Vergelijk de waardige mannelijke, kalme houding onzer Boeren voor het aangezicht van God en mensch, bij die van het Londensche publiek toen de »City Imperial Volunteers” van 't front terugkeerden! Let op deze schilderij—en op gene!!!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings