XXX
Reading edition
De Slag van Magersfontein
Op een dag zaten wij met Generaal Cronjé en eenigen zijner adjudanten op het hoogste kopje van Magersfontein, waarop hij elken morgen vroeg ging, om Lord Methuen's kamp te bestudeeren. Ons wagentje stond in eene kloof, achter dien bewusten kop. »Daar, onder die doornboomen, daar—hij wees met den vinger op eene plaats, onder aan onzen voet, links of oost van de voorpunt der Magersfonteinrandjes—kwam ik met mijn zeven Adjudanten op de Bergschotten vroeg in den morgen af. Het was heel onverwachts. Een van de kerels dacht, dat het struisvogels waren—je weet immers hoe snaaks die menschen gekleed zijn,—maar ik wist, dat zij Schotten waren en riep uit: ‘Schiet, kerels! Schiet hulle!’ Zóó sprong mijn lijfwacht van de paarden en begon terstond op hen te vuren. Spoedig knetterden de geweren van alle kanten: zóó begon de slag van Magersfontein.”
De plaats, waar deze interessante episode voorviel, was werkelijk voorbij het voorste kopje van onze Magersfontein-posities! Vóór dat kopje was er eene sloot, die door een klompje Kroonstadters, Hoopstadters en Potchefstroomers bezet was, maar de voorpunt der Schotten was voorbij die gevaarlijke positie in de duisternis gekomen, zonder het zelf te weten. Hadden hunne Officieren geweten, waar zij zich dien morgen vroeg bevonden, konden zij door links te zwenken de »Magerfontein Randjes” van de oostzijde hebben genomen, en alzoo achter ons centrum gekomen zijn. Daartoe echter, kon het onder de omstandigheden onmogelijk komen, daar zij blijkbaar »als dwalende schapen” op Cronjé's lijfwacht aanlandden, niet wetende, dat zij te midden van en ten deele zelfs voorbij de Boeren-posities waren. Zulk een vreemd voorspel tot een gevecht vindt niet dikwijls plaats. De Engelschen kenden het terrein hoegenaamd niet, of mogelijk meenden zij, dat de Boeren de voorste randjes en de groote opene vlakte tusschen de randjes en de Modder-Rivier verlaten hadden. Toen Lord Methuen daags tevoren eene batterij veldstukken en een zwaar scheepskanon op de randjes en kopjes liet donderen, kwam er geen antwoord terug. Tevergeefs gonsden en sisten de granaten in elk hoekje en scheurtje; tevergeefs verbrijzelden de lyddiet-bommen de groote klippen; het bleef alles doodstil op die rotsige randjes. En rechts van die randjes—van Engelsche zijde beschouwd,—waar er zulk een prachtige, ruime opening was voor zijne groote macht, om den marsch naar Kimberley voort te zetten, daar zou geen Boer het wagen, om hen den weg te versperren. Natuurlijk niet, meende de fiere Engelschman, daartoe zijn zij te bang; in het open veld vechten zij nooit! Zoo zond hij Generaal Wauchope met een geheele Brigade Hooglanders, om vlak bij de oostelijke punt der randjes voorbij te marcheeren en alzoo tegen het breken van den dag de Boeren uit de achterste heuvelen, of, wie weet, uit de Scholtznekhoogten, goed zes mijl verder naar Kimberley, te verdrijven.
Hoe het ook zij: vóór Generaal Wauchope wist, dat hij binnen onze liniën was, begon Generaal Cronjé's zeven onverschrokken Transvalers op de voorste gelederen te schieten, en—ergste van al!—uit de opene vlakte aan zijne rechterhand sprongen er duizende vlammen uit de geduchte Mausers. Daar in het open veld, zonder sloot of wal of doorndraad of eenige andere schuiling, dan de dunne, lage doorn-boomen en vaalboschjes, die er in overvloed aanwezig waren, lagen de »bange boeren” den vijand af te wachten. Al dat geschrijf in Engelsche boeken over de grachten en draadomheining, en wat niet al, die ons het voordeel te Magersfontein bezorgden, is klinkklare onzin. Slechts voor een paar vooruitstekende kopjes waren er op dien dag slooten gegraven! Eén enkele, gladde draad hing er slapjes aan een aantal palen—zoowat 50 of 60 treden vóór die slooten geplant, maar elders was er geen. De Engelschen kwamen er nooit mede in aanraking, volgens mijne informatie—ook beteekende die draad totaal niets, volgens de getuigenis mijner eigene oogen. Paarden mogen erover struikelen bij nacht, maar menschen stellig niet.
Toen er schuin achter en rechts (oost) van de voorste kopjes gevuurd werd, begon men ook uit de slooten de dichte drommen van het vijandelijk voetvolk gewaar te worden, en groot was de slachting der arme Schotten in de eerste vijf minuten. »Als schapen waren zij ter slachting geleid.” Geen Boer, die kennis van zaken heeft, zal het den dapperen Schot ooit kwalijk nemen, dat hij dien vroegen morgen retireerde, zoo snel als mogelijk. Zijn geheele aanval was een »blunder”, slechts een weinig beter dan die van Generaal Gatacre bij Stormberg.
Laat ons nu bij Cronjé op dien hoogsten top aan de oostzijde der randjes, wat naar achteren, blijven zitten, en verdere ontwikkeling van den slag gadeslaan. De Schotten liggen meestal plat op den grond, achter de vele »boschjes”, die er vooral links van de kopjes in 't opene plein te zien zijn. Met hun kleine graafjes—die tegelijk als pikken dienst doen—maken zij zich gaten in den grond, waarin zij kunnen liggen schieten. Er is zoo veel laag hout in de vlakte, dat zij de Boeren nooit te zien krijgen; maar het scherpere oog van den Boer weet gedurig zijn man te vinden en te treffen. Zoo wordt er heen en weer onophoudelijk in het schemerlicht met de geweren geschoten. Onze kanonnen blijven doodstil. Er zijn twee Vrijstaatsche en een Transvaalsche Krupp, alsmede twee Pom-poms en een handmaxim op het vecht-terrein. Op order van den Generaal blijft het grof geschut zwijgend den loop van zaken afwachten. Zij zijn er op de kopjes en één Pom-pom is dicht bij den spoorweg gesteld, alwaar de Generaal den hoofdaanval der Engelschen verwachtte. Daar schuilen de Potchefstroomers van Wijk Gatsrand en Wijk Vaal Rivier, en de Ventersdorpers en de Bloemfonteiners onder Fourie (later Generaal geworden), klaar om den spoorweg met hun bloed te behouden. Nog verder rechts zijn er Ladybranders uit het verre oosten van den Vrijstaat en Zoutpansbergers uit het uiterste noorden der Transvaal. Die allen zijn toegesneld in de ure des gevaars; waar is onze Homerus om ze te bezingen?—zij vormen den rechtervleugel van Cronjé's macht. Zij hooren het gevecht, maar kunnen er ongelukkig niet aan deelnemen. De spoorlijn werd ongebruikt gelaten. Geen gepantserde trein zelfs kwam er opdagen.
Tegen zonsopgang beginnen de Engelsche kanonnen ons linkercentrum aantetasten. Er zijn er ongeveer 24 veldstukken, waaronder ook eene batterij Howitzers, die lyddiet spuwen. De randjes en kopjes, waarvoor de Kroonstadters, Hoopstadters, Potchefstroomers en Klerkdorpers zich in de bresse stellen, worden verschrikkelijk met ijzer en lood, en geelen lyddiet begoten. Toen vonden de burgers bij ondervinding uit, hoe goed het plan beantwoordde, om op een afstand van de rotsige heuveltjes in slooten te blijven. De weerkaatsende bomscherven en kogels konden ze daar geen kwaad doen. Die op of achter de lage randjes scholen, hadden het veel zwaarder, dan die er vóór en dus nader aan den vijand waren. Vandaar dat er na den slag en ook te Colenso en Paardenberg en Poplar Grove zoo veel aan grachten-graven door de Boeren gedaan werd. Op onze burgers in de opene vlakten kunnen de kanonnen niet schieten, daar de gebrokene Schotsche Regimenten er vóór hen op den grond liggen, tusschen onze scherpschutters en de Engelsche kanonnen. Daar verre, voor ons linkervleugel, trachten eenige Engelsche kanonnen de slooten bij de randjes te enfileeren. Mogelijk vonden de Boeren het zeer onaangenaam, want na dien tijd zijn al de slooten voor de randjes gegraven.
Zoodra het aan Generaal Cronjé volkomen duidelijk is, dat de Engelsche machten uitsluitend op zijn linkervleugel aandringen, begint hij zijn Reserve-Corpsen met effect te gebruiken. Hij had er namelijk een 600 paardenruiters, (rijdend voetvolk) uit bijna al de commando's gekozen, en ver van de vechtlinie, achter de randjes wachtten zij ongeduldig op het psychologisch moment om toe te schieten. Daar vliegt Vecht-Generaal Andries Cronjé, met een paar honderd ruiters, van achter de bedekking der heuvelen uit, dwars over het open veld, om zich bij onzen linkervleugel te voegen. De ballon staat hoog in de lucht; de Engelschen zien hem uit de verte; de kanonnen mikken op zijne dapperen. Voort snelt hij—de onverschrokkene, die tegelijk de zachtaardigste van alle Generaals mag heeten—onder den kogelregen door. De paarden worden in de eene of andere holte, of achter een damwal of kleine verheffing van den schijnbaar gelijken bodem gelaten, en de mannen kruipen naar voren met de Mausers in de vuist.
Ook Lord Methuen stuurt natuurlijk versterkingen in die richting: hij heeft er volk te over. De Grenadier-Garde en vijf compagnieën Yorkshire Lichte Infanterie (volgens Conan Doyle) worden in de richting der Modderrivier gezonden, waarop onze linkervleugel rustte. Zij versterken daar de wankelende rijdende infanterie en lanciers, die te voet, gelijk de Boeren, daar onder en achter de doornboomen liggen te schieten.
Wederom laat Cronjé een compagnie van zijn reserveruiterij van achter de randjes over de opene vlakte jagen. 't Is Veldkornet Coleman, van Bloemfontein, die vooraan gaat en zij laten zich door de bommen en granaatkartetsen en het scheepskanon geenszins afschrikken.
Ons linkervleugel bestaat uit mannen van Wolmaransstad, onder Commandant Potgieter, van Lichtenburg (Comt. Vermaas), kleinere klompjes Fauresmithers en Boshoffers (onder waarnemende Commandanten) en de Bloemhoffers onder Commandant Tollie de Beer. Zij kregen het bitter zwaar daar in 't open veld. Haastig worden er steenen, waar die te vinden zijn, opgeraapt en in hoopjes gestapeld ter schuiling; maar de burgers zijn niet in Natal, waar de overaltegenwoordige Kaffer-kraaltjes en muurtjes zoo goed te pas komen. Groote steenen zijn hier zeer schaarsch tusschen de kopjes en de rivier. De groote vlakte, waarop de vijandelijke legers tegenover elkander plat op den grond liggen (!) heeft echter den vorm van een lange, breede, nauwelijks van ons standplaats merkbare deining, waarvan de Engelschen de eene zijde en de Boeren de andere zijde in veilig bezit hebben. Zoodra een der beide partijen echter te ver naar voren gaat, wordt de aarde met bloed bevlekt. De menigte mimosa's en vaalboschjes zijn echter het voornaamste kenmerk van het vechtterrein daar links. Die daar op den grond ligt, ziet niets en wordt ook niet licht gezien. De Boeren kruipen echter gedurig nader, hoe langer de strijd duurt. Ze worden al moediger, naarmate zij den toestand van zaken begrijpen.
Nog eens stort zich een groote klomp ruiters uit de richting van Scholts Nek op den Engelschen linkervleugel af. Het gaat over een lange, opene vlakte. De granaten en lyddietbommen kunnen ze echter vandaag niet keeren. De Boer vecht zoo als nooit tevoren in den oorlog. 't Is Vecht-Generaal Ignatius Ferreira, van den Oranje Vrijstaat, die zich in de hitte des strijds, tegen elf uur, bij onze gelederen aansluit. Van 't verre Ladybrand is hij daarheen gesneld. De President heeft hem pas in de plaats van Vecht-Generaal Prinsloo (van Bloemfontein) gesteld en met roem heeft hij zich met zijne mannen beladen. Op hem (even als op Generaal Andries Cronjé) zijn de volgende woorden, op Louw Wepener bedoeld, zeer toepasselijk:
Aan het hoofd dier dappre helden Staat een man van vrees bevrijd, Maar ook teêr en zacht als zelden Harten kloppen in den strijd. (N. Hofmeyer, kijkjes in onze geschiedenis).
Nog een laatste, wanhopige poging gaat de ongelukkige Methuen wagen, om de schaal naar zijnen kant te doen overslaan. Er is nog één regiment Hooglanders: de Gordons. Zij staan er bij de kanonnen, die zoo na als mogelijk naar onze linien geschoven zijn, omdat ons geschut nog altijd zwijgt. Tegen één uur komen ook de Gordons nader. Zij willen de slooten vóór ons linker-kopje bestormen en den dood hunner broeders wreken. Volgens Conan Doyle kwamen zij tot 400 treden van onze posities, hetwelk zeer te betwijfelen is; maar er was geene kans om verder te komen. Ons geweervuur wordt al heviger. Ons linkervleugel komt al meer naar voren. De geheele Schotsche Brigade is in doodsgevaar. Zij vreezen te worden omsingeld en afgesneden van hun kamp. Daar gaat de heele boel op den loop: Argylls en Sutherlands, Seaforths en Black Watch, met de onverwinnelijke Gordons incluis! Zij snellen er heen, alsof de Duivel ze jaagt. Bij de kanonnen blijven de Gordons staan, maar de overigen zijn niet te keeren, eer zij een goede »mijl achter den rug hebben” (volgens Doyle), zulk eene paniek heeft de Mauser verwekt.
Ach! waarom schieten onze fraaie Krupps toch niet? Wat is het met de Artilleristen vandaag? Wat doet Majoor Albrecht? Welk eene kans, om de Britsche kanonnen af te nemen! Indien de Krupps hunne koperen keelen nu open doen, daar van de voorste kopjes, dan wordt het gansche Britsche leger gedemoraliseerd niet alleen, maar de Artillerie-paarden bijten gewis in het stof. Ze zijn geen 2000 treden van onze kanonnen. Schiet! kerels! schiet! Laat de Krupps kraken en de kogels kletteren—dan kan geen mensch of dier het bij de drie batterijen Armstrongs uithouden. Dan kruipen de dappersten onder de burgers voorwaarts, en—eer de avond valt zijn de stukken onzer. Neen—de doodsche stilte op de kopjes duurt voort. Eerst toen de gansche Britsche macht tegen vijf uur terugtrok, begon een Vrijstaatsche Krupp aan het kogel-orkest meê te doen. Zóó goed mikte onze Vrijstaatsche Sergeant, dat hij een gansch stel paarden vóór een kanon wegschoot, en ook een kanonwiel buiten gevecht stelde.
»Someone had blundered.”
De Artilleristen vertelden mij, dat zij orders hadden, om niet te schieten. Die bevelen zijn nooit herroepen. Vandaar hun zwijgen, totdat de Engelschen terugtrokken.
Toen ik den Generaal daaromtrent raadpleegde, zeide hij:
»De kanonnen waren zoo gesteld, dat zij niet op het eigenlijke vechtterrein konden werken.”
Er waren omtrent 3000 Transvalers en 2000 Vrijstaters in die dagen aan het Magersfontein front, dat tien of twaalf mijl breed was. Maar er werd slechts over eene breedte van vijf mijl gevochten, zoodat velen onzer burgers niet aan den strijd konden meedoen. Van onze burgers sneuvelden er ongeveer 70, terwijl er over de 100 gewond werden. Lord Methuen telde bijna 1000 dooden, gewonden en vermisten (volgens Doyle). Er werden zoowat 100 Schotten dien dag gevangen genomen. Het getal zou veel meer geweest zijn, maar de Kroonstadters wisten niet recht, wat zij met hunne prisoniers doen moesten—zoo lieten zij ze minus hunne wapens weer naar de hunnen terugkeeren.
»Maar waar zijn de Skandinaviërs?” vroeg men elkander na den slag af, en niemand wist, waar hunne positie dien dag was en wat er van hen geworden was. Ik heb velen gevraagd, om mij de juiste plaats aantetoonen, waar de ongelukkige, dappere mannen van het kille Noorden zich voor onze zaak opofferden, maar niemand kon het doen. »Daar ergens, vóór in de vlakte, tusschen de Modderrivier en de randjes, maar heel ver naar voren, moesten zij dien nacht geweest zijn.” In de duisternis van den morgen kwam het voetvolk op ze af. Zij werden geheel binnen de vijandelijke liniën door de aanstroomende Schotten overweldigd. Gelijk de opkomende vloed bij de zeekust snellijk al de lagere klippen bedekt, totdat er slechts één groote trotsche rots de kruin tusschen de schuimende wateren omhoog houdt—de golven klotsen ertegen aan met donderend gedruisch, maar de rots blijft nog lang zichtbaar, totdat het hooggetij erover heen stroomt en de onstuimige zee alleen te zien is—zóó ging het met het Skandinavische Corps. Daar ginds, midden in eene zee van vijanden, werden zij verpletterd. Zij sloegen met de geweerkolven wanhopig om zich heen, die tachtig mannen, toen zij zich te midden van de Seaforths bevonden; maar weinigen zijn aan het wreede noodlot ontkomen. Later zal er gewis een standbeeld ter hunner eere op het bloedig slagveld opgericht worden.
Hun Veldkornet Flygare is ook daar gevallen. Te Mafeking sneuvelde zijn broeder, en hij seinde daarop aan diens echtgenoote:
»Gustav is als een held gestorven.... Ik treur, maar zal zijn dood wreken. Ik zal nooit rusten, tot ons onherstelbaar verlies gewroken is.”
Voortvarende, heftige strijder! Hij was niet te beteugelen. Zijne dapperheid en toorn brachten hem tot het gevaarlijk besluit, om ver vóór onze vechtlinie den verwachten aanval des vijands te trotseeren. Zijn lot was als dat van een Hector, die vóór de poort van Troje alleen de komst van Achilles bleef afwachten.
»Mijns is de wrake,” spreekt de Heer, »Ik zal het vergelden”.