XXVIII
Reading edition
Aan de oevers der Modderrivier
Twee rivieren van Zuid-Afrika zijn door den vreeselijken oorlog met onsterfelijkheid bekleed. Had men eenig mensch vóór den tijd gevraagd, aan welke stroomen er vooral zwaar zou gevochten worden, hij had gewis de Oranje en daarna de Vaal genoemd. Dat zijn immers de twee grensrivieren der Republieken. »Waar zouden de Federalen meer bloed kunnen vergieten, dan juist daar?”—zou elkeen gevraagd hebben. Ook deze profetie, zooals bijna elke voorspelling in verband met den Anglo-Boeren Oorlog, zou door de feiten worden gelogenstraft. Het zijn de Tugela en de Modderrivier, die door den krijg met roem beladen zijn.
Bijna drie maanden vochten Buller en Botha aan de schilderachtige boorden der Tugela; bijna vier maanden streden Boer en Brit op de vlakke velden langs de Modder. Eerstgemelde getuigt van Colenso, Spionkop, Pontdrift of Vaalkrans, en de Pieter'shoogten; laatstgemelde herinnert aan de gevechten bij de Twee Rivieren, Magersfontein, Klipdrift, Paardenberg, Poplar Grove en Abramskraal. Gelijk de Trojaansche Xanthos en de Romeinsche Tiber zullen die twee stroomen door alle eeuwen heen in geschiedenis en lied en storie leven.
Laat ons eenige oogenblikken bij de oevers der Modderrivier, zoo als zij in de maand Januari 1900, er uitzagen, vertoeven. Mijn vriend Oerder heeft er eene reeks van interessante teekeningen van allerlei tooneelen in zijne portefeuille, die veel sprekender en welsprekender dan mijne »pen- en inktschetsen” zijn—hij bleef er een anderhalve maand lang rondkijken, peinzen en teekenen, maar waar is mijn Fidus Achates nu? Hij is verre van mijne hulp verwijderd. Het heugt mij nog, hoe dikwijls hij in die dagen mij toeriep: »Dit is een ideaal leven!” Ik zie hem nog zitten op het voorste bankje van ons gezellig wagentje, starende en steeds starende en altoos door starende en niets doende. Neen; ik vond spoedig uit, dat hij wel degelijk iets, ja veel deed. Hij zag. Hij trachtte te zien. Hij wilde de natuur in hare wonderlijkheid, hare schoonheid, hare »God-grootheid” (zoo als Louis Couperus ergens zegt) omhelzen. Hij wilde een of ander treffend tooneeltje, eer het voor eeuwig voorbijvloog, verschalken, om het later op het sprekend doek te vertolken. En dan: de lagers, tenten, paarden, muilen, zadels, zadelzakken, opgebonden dekens, waterflesschen, kleederen en allerlei oorlogstuig—hoe heeft hij die dingen, niet bekeken en doorkeken? En de Mensch, hetzij Boer of Bokkie, vrouw of kind, werd door hem zwijgend bestudeerd. Vooral »typische koppen”—zoo noemde hij ze—werden door hem gezocht en ook gevonden en—in den zak gestopt (op papier).
Week na week wachtten wij daar aan de Modderrivier voor de ontknooping van het geheimzinnig drama aan de westergrens en dikwijls redeneerden en verschilden wij over het levensdoel, dat ons het verkiezelijkst toescheen. 't Was erg warm in die dagen en half geeuwend en half ernstig, sprak hij eens den wensch uit, om gelijk een schaap te mogen worden.
»Een schaap!”—riep ik lachend uit.
»Ja, een schaap!”—herhaalde hij dood kalm, zonder den minsten zweem van een glimlach.
»Hoe zoo?”
»Wel, kijk eens”—vervolgde hij—»het dier eet en drinkt en slaapt en—staart de natuur den ganschen dag lang aan. Waar is er een gelukkiger bestaan te vinden? Ik heb niets zoo lief als de natuur en wordt nooit moede van haar aantezien. De menschelijke hartstochten en bepeinzingen, werkzaamheden en worstelingen om te bestaan trekken af van de natuur, sluiten het oog voor hare schoonheid. Ik wil deel van de lieve natuur worden gelijk een schaap.”
Mijn goede vriend had blijkbaar ook, gelijk zoo vele kinderen dezer eeuw, kennisgemaakt met:
»The heavy and the weary weight Of all this unintelligible world.”
Wat mij betreft: de Mensch was steeds mijn hoofdstudie, de mensch en den oorlog—arma virumque cano.
De toevallige uitingen van Burgers en Burger-officieren, Depêche-rijders, Adjudanten, Secretarissen, Geneesheeren, Hospitaal-nurses, en mannen van 't Roode Kruis of het Informatie-Bureau waren mij vooral welkom. Ik zocht tot de waarheid en de werkelijkheid der dingen door te dringen—een moeilijke taak, ja eene hopelooze. De volle waarheid kan op geen punt door menschenkinderen gevonden worden, en niet het minst in verband met oorlogsfeiten. Het eigen ik van spreker en hoorder speelt ongemerkt een voornamen rol in de indrukken, die men meêdeelt en ontvangt. Dan, hoeveel van een gevecht, bijvoorbeeld, kan door iemand, die zich in de hitte er van bevindt, gezien en begrepen worden? Kruimkens, slechts eenige weinige stukjes en brokjes, op zijn best genomen, kunnen zelfs door Generaals of Commandanten worden meêgedeeld. In één woord: met den besten wil der wereld kan geen mensch het koren uit de kafhoopen, oorlogspraatjes, telegrammen en verslagen uitziften en oppikken. Niet dat er met bewustheid en opzet onwaarheden worden opgedischt. Verre daarvandaan. De zaak is eenvoudig deze: »alle menschen zijn leugenaars” nolens volens. Wij kunnen het niet helpen. Het oog is te blameeren, zoowel als brein en hart. 't Is ons zelfs geographisch onmogelijk om den werkelijken gang van een grooten slag te bespieden. Voeg er dan nog bij onze nationale vooroordeelen, onzen familietrots, onze politieke sympathieën en antipathieën, onze geliefkoosde opinies en bekrompenheden, ons gebrek aan oordeel en critisch talent en boven en vóór alle dingen: de zelfzucht, die ons doet zien, wat wij zoo gaarne wenschen te zien en het oog sluit voor wat ons onaangenaam en hinderlijk is,—en wie durft beweren, dat hij een volkomen open en eerlijk oog voor de naakte werkelijkheid bezit, en haar alleen door pen of penseel of woord afschildert? Een ware geschiedenis van eenig volk of eenigen oorlog is en blijft een onverwezenlijkt ideaal, een onvervulden droom—de wanhoop aller eeuwen. Gelukkig de man, die met Darwin durft zeggen: »Nooit ben ik, ter wille van den roem, een duimbreedte van de waarheid afgeweken.” Hij zal zich onder allen tegenstand en tegenspoed met de woorden van Carlyle kunnen troosten:
»Laat iemand met oprechten ernst zijne gedachte, zijne gevoelens, den werkelijken toestand van het eigen hart uitspreken; en andere menschen—zoo vreemd zijn wij allen door den band van sympathie aan elkander samengestrengeld—moeten en zullen op hem acht geven.”
Van Olifantsfontein gingen wij naar Brakdam, eene boerenplaats, waar de heeren Anderson en Williams (zwager van President Steyn) een soort van Commissariaat-depôt voor de Vrijstaatsche lagers op kleine schaal regelden. De plaats grensde aan de Modderrivier en lag ongeveer een uur rijdens van 't groote lager van Generaal Cronjé. Het was ons spoedig duidelijk geworden, dat de groote vraag in die gewesten voor ons zou zijn: hoe onze twee groote, lijvige paarden in goede conditie te houden! Dank zij gemelde heeren, hebben wij van tijd tot tijd er eenige zakken kaf en mielies gekregen, een onschatbaar voorrecht boven vele duizenden. Dat zaakje werd door mijn ouden vriend, den heer Williams, spoedig beklonken. Den naam der plaats wordt echter om andere redenen genoemd. Generaal French zou juist in de nabijheid van Brakdam door de rivier, als een pijl uit een boog, in 't midden van Februari schieten. Ja, in dezelfde »drift”, waar wij een heerlijk bad in die dagen genoten—te voet van de plaats naar de rivier wandelend—drenkten zijne ruiters hun dorstige paarden, toen zij Kimberley gingen verlossen. Zonder het in de verste verte te droomen, wandelden wij een geheelen dag op dien historischen bodem rond, en van een roodachtigen heuvel, tusschen de hoeve en de wateren der Modder, zaten wij langen tijd het tooneel voor ons intedrinken.
Er waren er niet minder dan drie Vrijstaatsche lagers voor ons ten toon gespreid—één aan gene, twee aan deze zijde der rivier—schilderachtige groepjes tenten en wagens, en sierlijke rookkolommen langzaam ten hemel stijgend. Rondom de lagers heerschte de woestijn. Slechts bij en op de rivierwallen was er iets groens te zien. Wij blikten overal rond, en zoo ver als 't oog kon zien aan alle kanten was de aarde woest en ledig. De »vaalboschjes” waren inderdaad vaal, ziekelijk, bleek-blauw, stoffig, treurig om te aanschouwen. Geen sprinkhaan zou op dat armoedig kreupelhout azen, laat staan een paard of muil. Gras was er geen: dat wil zeggen, gras dat groen en eetbaar was. Hier en daar zag men eenige lange, gele, uitgedroogde scheuten het hoofd amechtig ten hemel beurend, of er mogelijk een droppel waters mocht nederdalen! Nooit heb ik zulk een kale, God-verlatene landstreek gezien. Wij waren inderdaad op de zoomen van de gevreesde Kalahari. Arme paarden! Arme burgers! Zij konden noch vooruit, noch achteruit. Daar op de barre, meêdoogenlooze, brandende aarde hielden zij de wacht op Methuen—die nooit zou opdagen. Gelijk de koude den grooten Napoleon meer kwaad deed dan de Russen, zoo putte de droogte de krachten van Cronjé meer uit dan de Engelschen. »Zielloos wreed” was de Natuur al de lange maanden, die onze burgers aan de boorden der Modder, aan den uitgebreiden Magersfontein-front en rondom Kimberley moesten doorbrengen. Mensch en dier verzwakten, demoraliseerden, verkwijnden. De Engelschen hadden volop geld en onuitputtelijke bronnen. De troepen klemden zich vast aan den voedenden spoorweg. De Boeren moesten met een paar handen vol mielies 's morgens en 's avonds voor hunne onmisbare paarden tevreden zijn—er waren niet half genoeg wagens, om de groote commando's van het noodige te voorzien, en de weg tusschen Edenburg of Bloemfontein in de uitgeputte, behoeftige lagers was lang en zwaar. De Engelsche tactiek aan de uiterste westergrenzen van het vechtterrein was meesterlijk na Magersfontein. Zij lieten ons als 't ware aan ons lot over—aan droogte en aan den Tijd, »den Meester van alle dingen”, zoo als Napoleon gewoon was te zeggen.
't Land was stof, de velden smachtten, 't Gras werd hooi, de beek was droog, Plant en boom verloor zijn' krachten, Kwijnde, dorde voor ons oog, Alles zonk voor 't zonnevuur,— Goede vader der natuur. Feith.
Aangenaam was het mij ook Generaal de la Rey op den stoep der woning te Brakdam te mogen vaarwel zeggen, eer hij met zijn adjudanten en zijn secretaris (Advokaat Ferreira, die Advokaat De Wet was opgevolgd) naar Colesberg snelde, om zijne krachten met die van French te meten: twee van de knapste en beste Generaals, die er in den oorlog zijn opgetreden—mannen, die elkander volkomen waardig zijn. Nooit vergeet ik, hoe Generaal de la Rey, de man van ijzeren wil, de Spartaan onder een volk van Spartanen, den dood van zijn oudsten zoon (Adriaan, een mijner leerlingen—een jongen van pas 19 zomers) betreurde. Hij had den jongeling lief, innig lief. Te Modderrivier, waar de »Twee Rivieren” elkander ontmoeten, daar trof een bomscherf den dapperen zoon, die in zijns vaders armen te Jacobsdal stierf. Zelf reed de Generaal met zijn stervend kind van het bloedig slagveld in den nacht naar het dorp. Wat beteekende hem al den krijgsroem, dien hij behaald had? Niets en minder dan niets, in vergelijking met het verlies, dat hij daar moest lijden.
»Na alles, na al dien langen strijd,”—stortte hij zijn hart aan mij uit (want wij kenden elkander reeds lang)—»moest ik nog mijn zoon ook afgeven!”
Met zijn algemeen beminden Veldkornet, J. Coetzee van Lichtenburg, was het nog veel meer tragisch afgeloopen. Zijn zoon (ook een Gymnasiast) sneuvelde te Graspan (of Rooilaagte); de vader viel te Magersfontein. Twee broeders, bijwoners op de plaats van den Veldkornet, bleven ook te Magersfontein in den slag. Zoo ging er op een morgen een Hottentot-dienstknecht met de paarden van de vier dapperen naar de weenende huismoeder terug.
Van Brakdam reden wij naar het groot lager van Generaal Cronjé, dat geen driehonderd treden van de rivierwallen gelegen was. 't Was een reusachtig Boerenkamp, het grootste, dat er ooit in den oorlog bij de vechtliniën betrokken werd. Het getal wagens kan ik niet opgeven. Zij vormden een grooten driehoek, met eene opening of poort bij elken hoek. Drie veldsmederijen hadden het dagelijks druk met paarden te beslaan. Twee groote bakovens waren zeer kunstig uit de zachte aarde der rivierwallen uitgehold en leverden heerlijk versch brood voor duizenden monden. Van den morgen tot den avond zag men er tal van burgers in de rivier zichzelven of hunne kleederen wasschen. Sommigen zwommen er vroolijk in de verkoelende wateren rond. In het lager bevonden zich vele honderden burgers, sommigen verbonden aan commissariaat-, post- en telegraafwerkzaamheden, anderen om op de wagens te passen of zich te komen verschoonen, na eene week in de vuile Magersfontein-posities te hebben gezeten. Er bestond eene regeling, waarbij de burgers in de slooten en gaten tegenover Methuen's leger elkander bij de lagers aan de Modderrivier en omgeving met dat doel aflosten. Voor het eerst zag ik ook een aantal Boerenvrouwen aan 't front. Zij leefden er in de wagens, dikwijls met kinderen bij zich. De bejaarde, zachte, goedhartige vrouw van den generaal woonde met haar gemaal in een ronde tent, in 't midden des lagers gesteld. Haar nemen wij het evenmin kwalijk als Mevrouw Piet Joubert, dat zij haar man vergezelde. Maar 't is erg jammer, dat men ook andere burgervrouwen toeliet, om daar op het gevaarlijk terrein hun mans te komen bezoeken en bij hen te blijven. Later vonden wij tot onze verbazing uit, dat bijna al de Commandanten en Veldkornetten rondom Kimberley hunne vrouwen bij zich hadden, en dat vele burgers hun voorbeeld volgden. De lange rust na Magersfontein, het »beleg-spel” om Kimberley, werkte zeer nadeelig op mensch en dier. Velen vergaten er, dat er een oorlog met het machtige en het rijke Engeland gevoerd werd. Zij aten en sliepen en dronken koffie—totdat French met zijn vijfduizend ruiters plotseling op hun horizon verscheen.
Er waren ook edele vrouwen en jonge dochters bij het groote lager, die wij niet ongenoemd kunnen voorbijgaan: Mevrouwen Neethling, van Klerksdorp, en Ameshof, van Pretoria, met haar flinke helpsters. Mevrouw Neethling was de gade van den Landdrost van Klerksdorp en stond aan 't hoofd van een Transvaalsch Veldhospitaal, waarvoor zij de noodige fondsen gecollecteerd had. Van het begin des oorlogs tot kort voor den val van Pretoria bleef zij werkzaam in 't veld. Mevrouw Ameshof was een Nederlandsche dame, de bekende echtgenoote van den ex-Rechter, die, ter wille van het geweten, zijn hooge en eervolle betrekking neerlegde. In wind en weêr, regenstormen en zomerdroogte deelden zij het lot der burgers. Of zij zware toeren hebben doorgestaan! Vroolijk, gastvrij en dienstvaardig deden zij, wat zij konden, om kranken en hongerigen, neerslachtigen en stervenden te helpen. Zij zullen haar loon gewis ontvangen—niet in geld en goed, maar in de liefde en de liederen van het Hollandsch sprekend volk van Zuid-Afrika.
Het grootste figuur aan de oevers der Modder in die dagen was Generaal Piet Cronjé. Zijne reputatie was toen ten toppunt gestegen. In den Vrijheidsoorlog had hij zich een naam te Potchefstroom verworven; de Jameson-inval verhoogde zijn roem; Magersfontein zette er de kroon op. Assistent-Commandant Christiaan De Wet werd eerst ná dien slag naar Magersfontein gezonden, om Cronjé, als Vecht-Generaal, bijtestaan. Niemand wist toen, wat er in dien stillen, kalmen, eenvoudigen man stak. Generaal de la Rey had toen nog geene kans gehad, om zijn buitengewone krijgstalenten te openbaren. De ster van Generaal Botha was toen pas te Colenso boven den gezichteinder verschenen en de Boeren aan de westergrenzen kenden hem niet. Voor hen dus, was Cronjé de groote man, de beste Generaal, die wij hadden, de held bij uitnemendheid. Wat President Kruger op politiek gebied was, dat was Generaal Cronjé op krijgskundig terrein in het oog der burgers in 't algemeen. Hij was de Achilles van het leger. Zijn bloote naam wrocht wonderen op het gemoed en den geest der burgers. Zijne tegenwoordigheid bezielde de wankelende harten met verschen moed. Zijn geloof, zijn zelfvertrouwen, zijne persoonlijke dapperheid was zóó groot, dat hij anderen onwillekeurig met zich meesleepte. Alzoo kwam het, dat hij den brillianten slag van Magersfontein won. De geschiedenis toont op vele bladzijden, hoe dat het geloof, het vertrouwen, de verbeeldingskracht des menschen de grootste wonderwerkers in de wereld zijn. De komst van Cronjé naar de Modderrivier tegen het einde van November mag een keerpunt in den oorlog heeten. Hij redde den Vrijstaat—voor eenige maanden althans. Hij hield Lord Methuen bij de Modderrivier, en Kimberley bleef omsingeld. Dit alles was het gevolg van zijn grooten naam en zijn aanstekelijken moed. Geen wonder dat zijn gevangenneming te Paardenberg ook een crisis in den oorlog mag genoemd worden. Mannen als de fiere, krachtige, godsdienstige Cronjé openen en sluiten epochen in de geschiedenis van oorlogen. Te Modderrivier begon ons schitterendst hoofdstuk in den strijd tegen Engeland, te Paardenberg werd het geëindigd.
Niemand denke echter, dat hij zijne commando's als door een tooverroede regeerde en tot gehoorzaamheid bracht. Hij droeg een korte »karrewats” bij zich, die hij wel degelijk op een of ander tragen schouder in den slag van Modderrivier heeft toegepast. Een veldkornet klaagde bij mij, dat hij er onschuldigen zoowel als schuldigen meê »inspireerde”! Zijn gewone geaardheid te Pretoria was zacht en vriendelijk; maar op commando was hij enkel officier. Hij wilde gehoorzaamd worden. Hij wilde orde en regel en tucht hebben. Alles moest naar zijn zin geschieden. Wee den man, die hem in de wielen reed. Kinderlijk en ootmoedig moest men hem volgen, tegenstand en critiek waren hem een gruwel en een steen des aanstoots.
Eens hoorde ik hem iemand, die van hem verschilde, en al redeneerend het woordje »maar” gedurig gebruikte, toeroepen:
»Ik hou niet van het woord »maar”. Ik wil geen »maar” hebben. Jij moet tegen mij niet »maar” zeggen”!
De episode was nog al klassiek.—Zegt Shakespeare niet ergens in een van zijn Drama's: »but me no buts”?
Op eene andere gelegenheid zag ik een burger van middelbaren leeftijd in zijne tent komen, met een »verlofbriefje” (zooals hij het noemde), om naar huis te gaan. Het briefje was van een Commandant en moest natuurlijk eerst door den Generaal bekrachtigd worden, eer de man naar zijne woning kon gaan.
»Waar is jou verlofbriefje?”—sprak de Generaal op zijn zachte wijze.
»Hier, Generaal!”—antwoordde de smeeker eerbiedig, hem een stukje papier toereikend, en een hoopvolle blik toewerpend.
Hij nam het tusschen de vingeren, en, zonder het in te zien, scheurde hij het aan stuk; de stukjes op den grond werpend.
»Daar is jou verlofbriefje!”—voegde hij den verbaasden man met vonkelende oogen toe.
De man verstomde. Men kon eene speld in de tent hooren vallen, zoo stil was het. Niemand sprak er een woord.
»Dag Generaal!”—zei onze teleurgestelde vriend heel eerbiedig, terwijl hij opstond, zijn hoed nam en de tent verliet.
Zulke tooneelen waren een noodzakelijke reactie tegen de losbandigheid en tuchteloosheid in de verlofpest, die onze gelederen decimeerden en demoraliseerden. Vrees is een noodzakelijke factor in de opvoeding van »groote,” zoowel als »kleine kinderen”. Generaal De la Rey, en later ook Generaal De Wet, hadden ook veel moeite in menig kritiek oogenblik met wederspannige burgers en ontrouwe officieren. Ook zij werden gevreesd, zoowel als bemind. Geen Boeren-Generaal echter was zóó gevreesd als Cronjé. Dat wist en gevoelde elkeen, die in het lager kwam, heel spoedig. Hij heerschte zonder vrees of gunst. Hij ontzag geen mensch. Hij alleen was de Baas. Vandaar de bijnaam, Napoleon, die hem werd toegevoegd.
Hij geleek echter veel meer op een Jozua, dan op een Napoleon. Veel van zijn invloed en macht was aan zijn innige godsvrucht, zijn kinderlijke vroomheid te danken. 's Avonds ging hij den vergaderden krijgers geregeld in den gebede voor. In de schemering kwamen de honderden, die er in de lagers waren, voor zijne tent bijeen. Ds. Winter, of Ds. Strasheim, of een andere leeraar las een deel uit Gods Woord, deed een gebed en sprak een kort woord, waarop de Generaal zijn krachtige, heldere, doordringende stem tot den troon der genade verhief. Als er geen predikant in het lager was, trad hijzelve, gelijk een Charl Cilliers of een Paul Kruger vóór hem zoo dikwijls gedaan hadden, voor de schare op. In elk geval kon men 's avonds zijne stem als een zilveren bazuin langs de oevers der Modderrivier hooren klinken, terwijl hij den Allerhoogste om vergiffenis en bijstand smeekte. Uit volle borst zong het volk dan een onzer fraaie Psalmen of Gezangen, terwijl het kinderlijk geloof een stralenkrans om het breedgewelfde voorhoofd van den onverwinnelijken Generaal vlochten.
Men heeft spottend gesproken en geschreven over den vreemden, eigenaardigen, »Oud-Testamentischen godsdienst” der Boeren en over hun »ouderwetsch geloof” zich vroolijk gemaakt. Noem hun godsdienst »Oud-Testamentisch” en hun geloof »ouderwetsch”, als gij wilt, en vraag uzelven dan af: Ligt die Oud-Testamentische godsdienst niet misschien aan den wortel van den heldenmoed en de taaie volharding, door de kern der Boeren ten toon gespreid? Is hun onuitblusschelijke hope op verlossing niet mogelijk in hun ouderwetsch, voorvaderlijk geloof gegrond? Vanwaar komt de onwankelbare standvastigheid van de Boerenvrouwen? De Boeren zijn inderdaad een vreemd, eigenaardig volk, vooral voor de kinderen dezer materialistische en naar geld en genot dorstende eeuw. Zij hebben de gansche wereld door hunne daden verbaasd. Kan zulk een volk geheel en al uitgeroeid of verbasterd worden? Of zal het blijven voortbestaan, tot een Teeken en eene Getuigenis tegen een bedorven en verblind geslacht.