← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XVI

Reading edition

Klein Majuba

Den dag na den Modderspruitslag ging ik met eenige vrienden te voet naar Nicholson's Nek. 't Was weêr een zeer warme zomerdag, en ik had geen paard voor de reis willen vragen, zoo vond ik den weg wat lang en vermoeiend; maar mijn loon was zeer groot. Ik zag een slagveld, waarop er nog geen twintig uur geleden hard gevochten werd. Als type van vele anderen, zal ik het beschrijven. Laat mij zien: wat heb ik er dien dag alles waar genomen, gevoeld, gedacht? Pijnlijke visioenen komen mij voor den geest, te akelig bijna om in woorden ingekleed te worden. Ik zal, echter, trachten om ook het afschuwelijke van den oorlog te teekenen, in de hoop om daardoor ook mijn klein gewicht in de schaal tegen alle oorlogvoeren te doen. Eén oorlog is genoeg voor een leeftijd. Ja, van harte verlang ik naar den nog ver verwijderden dag, waarop de gezamenlijke opinie der opgevoede menschheid zal verklaren: dat het beslissen van verschillen tusschen volkeren door het zwaard, even dwaas en belachelijk als een duel tusschen twee woedende individuën is.

De historische heuvel is op verre na niet zoo hoog als Zwartbooi's Kop, en niet met Majuba in dat opzicht te vergelijken. Hij heeft den vorm van een bekende letter, met den kop naar Ladysmith gekeerd, aldus: . De steel moet men als zeer dik en breed voorstellen. Aan de zuid-, oost- en westzijde is de heuvel tamelijk steil; de steel is veel lager en stijgt regelmatig op van noord naar zuid. Bij den hoek, waar de boog en het handvatsel (of steel) elkander treffen, is het vrij gemakkelijk om den heuvel te beklimmen, hoewel er daar veel meer tijd toe noodig is, daar bij den top. Van de zuidoost zijde heb ik den heuveltop gemakkelijk in twintig minuten tijds bereikt, tijdens mijn tweede bezoek. Van daag echter, zullen wij den langen en gemakkelijken weg gaan, waar langs de gewonden zijn afgebracht tot onder aan den weg, die daar langs naar Ladysmith loopt.

W N b Z O
W N b Z O

De Engelschen occupeerden het grootste deel van den halven cirkel, een gelijke oppervlakte, goed voorzien van losse steenen en ook kleine Kafferkraaltjes en muurtjes. Voor Tshaka en Dingaan het schoone Natal in een bloedbad herschiepen, was het land als bezaaid met Bantu-stammen. Vandaar al die muurtjes op elke hoogte te vinden. Daarmede en daarachter nu, verschansten de Irish Fusiliers en de Gloucesters zich den nacht voor het gevecht. Ook was het plateau met groote ruwe rotsen omkranst, die heerlijke schansen voor scherpschutters aanboden. Ze waren in één woord, in een sterke, hooge, natuurlijke vesting. Water was er wel niet, maar zij hadden hunne gevulde flesschen bij zich, alsook voedsel in overvloed. Hunne bergkanonnen waren uit orde geraakt in den nacht, door het wegloopen van de muilen (hoorden we later), maar zij hadden hunne flinke Lee Metfords met een overvloed van patronen en ook een hand-maxim om te gebruiken.

Vroeg in den morgen zag een patrouille Kroonstadters ze van een naburigen heuvel (»Surprise Hill”, in de richting van Ladysmith, ruim 2,500 yards van de Engelschen). Vandaar uit, echter, konden de Mausers niet veel kwaad doen, nog minder de Martini's. De wakkere Heilbronners besloten toen den berg van de zuidwest- en zuidzijde te bestormen. Later zond Generaal Joubert zijn »staatmakers” onder Commandant van Dam ook daarheen, die zich langs de noordoostzijde opwerkten. »Opwerkten” is precies het rechte woord voor de wijze waarop de Boeren en de Politie een berg bestormen. 't Is geen opklimmen, al wordt er ook hoeveel dood geschoten; geen opstormen, al ziet de vijand ze ook hoe duidelijk; 't is een werk, dat alle krachten van verstand zoo wel als lichaam inspant. Het gaat langzaam maar zeker. Het gaat voorzichtig, maar zij komen er. De vijand ziet ze nooit lang genoeg, om goed te mikken. Als tijgers bekruipen zij hun prooi: elk voor zichzelf, elk op zijn eigene wijze, gebruik makende van elke schuiling en dekking, en gedurig het ééne oog op den vijand houdend, om een scherpschutter aan den grond te nagelen, eer hij zijn gevaarlijk schot kan lossen. 't Is vooral een werk van oog en gezond verstand.

Daar het hier een tweegevecht tusschen Lee Metfords en Mausers gold, en Koning Armstrong aan het orkest niet kon deelnemen, kon er maar één uitslag zijn. De Boer schiet te goed voor den Engelschman. Ook is hij te gauw, te slim, te behendig, te handig, te vernuftig (»resourceful” is het beste woord) voor een gewoon soldaat. Gelijk weleer te Majuba, zoo werd ook hier: (a) den heuvel des nachts door de Engelschen onverwachts in bezit genomen, en (b) door de Boeren weêr in den morgen beklommen, en de Engelschen er afgehaald. Mogelijk is deze de reden, waarom onze menschen die plaats »Klein Majuba” gedoopt hebben. Of, misschien komt de benaming van een navolgende uitdrukking door een Engelschman op dien heuvel gebezigd. Wij komen er zoo bij, lezer.

Volg mij dan eerst op dien Dinsdag morgen naar het plateau, waar de Engelschen verschanst waren. Een groep mannen staan er onder de welkome schaduw van een grooten, breedgetakten doornboom. Wij naderen ze. Het zijn Engelsche Ambulance-menschen; sommigen hunner zijn hooge officieren. Hunne taak is: de stervenden onder den boom te verzamelen. Er zijn er goed een stuk of achttien daar op den grond liggend: de meesten hunner reeds gestorven, sommigen stervende. Een jongeling van geen zeventien jaar ligt daar naar adem hijgend, zijn naakte borst worstelt pijnlijk om lucht en leven. Zwijgend staren wij allen op den stervende. Helaas! Zoo jong, zoo onschuldig, en—hier gedood door een kogel, ver van zijn huis! Geen medicijn of dokter kan hem redden. 't Is een akelig gezicht, dat aan Lord Byron's woorden herinnert:

O God! it is a fearful thing To see the human soul take wing.

Een officier keert zich naar mij om en wij knikken elkander toe.

»By God! This is worse than Majuba”—bromt hij tusschen de tanden.

Die woorden heb ik aan anderen meêgedeeld en 't is niet onwaarschijnlijk, dat zij aanleiding tot den nieuwen naam van dien heuvel gegeven hebben.

Een ander »Roode Kruis” officier is zoo woedend, dat hij zich aldus in 't Engelsch tegen mij uitlaat:—

»Hoe kan jullie kerels uw Maker te gemoet gaan, na zulk bloedig werk?”

Ik vroeg hem, wat wij ermeê te doen hebben? Regeeringen beslissen over een oorlog: burgers vechten zoo goed zij kunnen. »Their's not to reason why.” Hij spreekt niets meer, waarschijnlijk omdat hij zichzelven eenigszins vergeten had.

Wij verlaten die »plaats der dooden” en nemen eene wandeling al langs den rand des heuvels, waar de groote rotsen en rotsspleten zijn—een waar bolwerk om tegen duizenden aanvallers te houden.

Ook daar was de doodsengel ons voor: achter elk rotsblok, in elke spleet, in elken schuilhoek ligt er een doode. Bijna allen zijn door het voorhoofd geschoten, terwijl zij bezig waren naar den vijand te zoeken of op hem aan te leggen. Wij zien rond, en telkenmale valt het oog op been, of arm, of rug, of hoofd van een in khaki gekleeden persoon, die zijn dood tusschen de klippen vond. 't Is een afgrijselijk tooneel, en toch (vergeef het mij, lezer) gaan wij verder rondom den zoom van die »tweede Majuba”, de lijken tellend. Sedert gisteren namiddag zijn de Engelschen bezig, met verlof van onzen humanen Generaal, de gewonden te vervoeren en de dooden te begraven. Nu nog zijn de Coolie-dragers bezig de zwaar gewonden in de zoogenaamde »doolie's” met hun groene gordijnen, den heuvel af te brengen. Anderen, die lichter gewond zijn, worden door twee man gesteund, terwijl zij den berg afsukkelen. Onder aan den voet des heuvels tellen wij een halfdozijn Ambulance-wagens. En toch tellen wij er dien laten morgen nog een veertigtal lijken op het plateau verspreid!

Zoodanig is de oorlog! Honderden zijn in de kracht en schoonheid der jeugd afgesneden. Zij zijn in de lange grachten, die de reiziger boven op den naamloozen heuvel vindt, geworpen. Achter elk muurtje, achter elke hoop gestapelde steenen, binnen in elke kraal, achter elken grooten boom was er op 30 October 1899 een doode. Ik zag er soms drie lijken naast elkaar in ééne kraal liggend! Brood lag er bij hen en beschuit en »blikjes vleesch”, en patronen, beide geladene en ledige. Maar de kleine Mauser-kogel vond zijn weg overal heen. Aandoenlijk was het bij sommigen het versch bakkersbrood te zien, uitgehold door de vingeren!—de zachtere deelen gegeten, de korst achtergelaten. Een groote, sterke, prachtige soldaat was bezig van den buitensten rand des bergs naar het midden te loopen; een kogel trof hem in het hoofd; hij zonk zielloos neêr—'t was mij alsof ik hem kon zien loopen en vallen, zoo natuurlijk lag hij daar met zijn athletische figuur. Zoo lijkt de oorlog, als de slag voorbij is en de glans er van wordt afgehaald, Lezer! Als gij op Klein-Majuba staat, en uw oog zuidwaarts werpt over de stad, dan ziet gij den grooten Platrand. Ook daarop zijn vele grachten gegraven, maar ditmaal voor Boer en Brit. En daar ginds aan den verren horizon kunt gij den beroemden Spion Kop zien. Daar is het nog doller toegegaan, daar en overal aan de boorden van de Tugela. Hoeveel dapperen zijn daar niet haastig onder de harde, steenachtige aarde gelegd? Waarom? waarom? Nogmaals: Waarom? Kome de schoone dag spoedig,

When every nation, that shall lift again Its hand against a brother, on its forehead Would wear the brand of Cain. (Longfellow).

Den volgenden dag zag ik drie personen in ééne tent bij ons veldhospitaal samen rooken en drinken: Commandant van Dam, Colonel Blake en Majoor Kincaird. De Transvaler was in de heup, de Ier in den arm, de Engelschman (naar het mij voorkwam) in den voet gewond. In elk geval: hij liep kreupel... Vriendelijk werd ook ik binnen genoodigd, om een sigaartje te rooken en op hun aller gezondheid te drinken. Het deed mij denken aan den edelen Hector en den krachtigen Ajax, die elkander eerst goed te lijf gingen, en daarna—elkander heel vriendelijk geschenken gaven (Ilias Bk. VII). Was het ook eene profetie? Zullen de vijanden later onderling vereenigd en verzoend zijn? Zoo zij het!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings