← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXXIII

Reading edition

Koedoesberg

Op den avond van 10 Februari, 1900, bevond ik mij weer bij mijn wagentje in het lager van Generaal Cronjé. Groote dingen waren reeds in de geboorte, maar wij wisten er niets vanaf. De groote storm was nabij, maar wij hadden er slechts nog het voorspel van te Koedoesberg ondervonden.

Of Lord Roberts werkelijk zien wilde, of er kans was, om ons rechtervleugel om te trekken, en alzoo Kimberley te bereiken, dan of hij slechts Generaal Cronjé's aandacht zoo ver mogelijk van zijn werkelijke plannen wilde aftrekken, is mij niet bekend. Indien het laatste zijn doel was, was het een onnoodig verspillen van tijd en krachten. Onze Generaal bepaalde al zijne aandacht op het kamp bij de Twee Rivieren en had geen oog voor den opkomenden orkaan. Indien het eerste zijne bedoeling was, liep het er maar slecht mee af. Zijn dappere Generaal, Hector Macdonald, deed wel goed werk, maar de ruiterij gedroeg zich zeer zwak.

De hitte was ondragelijk in die week (5 tot 9 Februari), en de schermutseling vond ver van ons uitersten rechtervleugel—zegge 25 of 30 mijl van Langberg—plaats. Er was eene drift dicht bij den berg, maar wij hadden niet genoeg manschappen, om die te beschermen. De Ficksburgers, Ladybranders en Stellalanders, die den rechtervleugel vormden, waren nauwelijks voldoende, om de Magersfontein Randjes te verdedigen. Er waren er echter wakkere verkenners, die een oog in 't zeil hielden, en spoedig de tijding naar onze Generaals brachten, dat er een Engelsche macht daar ginds in aantocht was. Laat ons bij wijze van verandering en ook ter wille van den merkwaardige man, die het dicteerde, het Verslag van Generaal De Wet in zijn geheel overnemen. Ik ontving het uit zijne hand in zijne tent op Zondag namiddag, 11 Februari, als eene copij van het telegram, dat hij aan President Steijn verzonden had.

Staatspresident Bloemfontein.

»Vecht-Generaal de Wet Magersfontein.

10.2.'00. Door afwezigheid van de helio en telegraaf was het mij onmogelijk behoorlijk van tijd tot tijd, gedurende het gevecht te Koedoesberg, UH.Ed. op de hoogte van alles te houden. Ik ben heden te Magersfontein terug en wensch UH.Ed. zoo na mogelijk een volledig Verslag te doen van het gevecht.

Zondagmiddag 4 dezer ontving ik van onze westelijke posities bericht, dat een sterke patrouille van den vijand te Twee Rivieren naar Koedoesberg aftrok, toen reeds naar alle vermoeden een sterke macht des vijands daar was. Ik gaf dadelijk order aan Wden Kommandant du Plooy van Midden-Modderrivier, om met eene patrouille van 100 man onderzoek intestellen. Laat dien nacht kwam hij te Koedoesberg aan en bemerkte, dat de vijand in den berg was. Hij deed toen dadelijk rapport.

Ik ging onmiddellijk met 300 man en kwam Maandag namiddag 4 uur te Koedoesberg aan, alwaar ik vond, dat eene overmacht des vijands op de zuidelijke punt des bergs was. De berg is ongeveer 2000 treden lang. De vijand had den berg zeer goed verschanst op de punt, waar hij was. Ook had hij een sterke reserve vlak onder den berg bij de drift aan de overzijde der rivier. Ik bestormde onmiddellijk den berg van de noordelijke zijde op drie punten en vocht onafgebroken door tot half acht namiddag, toen wij tot op de helft van den berg gevorderd waren. De berg is zeer schraal aan posities voor onze burgers, om bij hunne schansen te komen, en daar wij den geheelen dag door gereisd hadden en er gebrek aan water was, was ik verplicht ongeveer een half uur ver van den berg terug te trekken, om water te bekomen.

Dinsdag 6 dezer bleven wij daarover, om versterking en ammunitie en een kanon aftewachten. Dien avond kwam Commandant Cronjé, broeder van Generaal Cronjé, aan, met eene versterking van 200 burgers en een kanon.

Woensdagochtend halfvijf trok ik den berg in met Commandanten Cronjé, Froneman, Visser en den Commandant du Plooy, die deeltjes van andere Commandanten onder zich heeft, namelijk Vrijstaatsche. Commandant Froneman ging met 80 man aan de westzijde langs de rivier op, alwaar hij naar schatting den geheelen dag door tot den avond donker uitnemend dapper vocht met zijn 80 man, bestaande uit Ladybranders en Veldkornet Geijer, van Griqualand-West, met een deeltje zijner burgers.

Wij bevochten den berg en kwamen even ver als Maandagavond van hunne schansen.

Ten halfvijf dien middag trokken ongeveer 800 tot 1000 paardenruiters (bereden infanterie) met 2 kanonnen ten oosten om den berg, waarschijnlijk, om ons op den berg in te sluiten. Ik ging met 36 burgers, daar ik niet meer ter mijner beschikking had, den berg af en was geen tien minuten te vroeg, en schoot met Gods hulp—waarvoor wij nooit genoeg dankbaar kunnen zijn—den vijand onder een hevig kanonvuur terug. Door gebrek aan water trokken wij weder dien avond ongeveer een half uur terug.

Overtuigd zijnde, dat al konden wij den berg nemen, het wegens gebrek aan water onmogelijk zoude zijn hem in bezit te houden, of wij zouden ook den vijand uit de rivier moeten verdrijven—waar hij zich vast gegraven had,—besloten wij toen verschillende posities een half uur ten noorden van den berg in te nemen.

Donderdag 8 dezer vuurden zij slechts eenige kanonschoten van een aanzienlijken afstand op ons af, en Vrijdag, ochtend werden wij gewaar, dat de vijand dien nacht terug gevlucht was naar Twee Rivieren.

Wij gingen over het slagveld rond en vonden nog drie lijken des vijands.

Door de ontferming onzes Gods was ons verlies zeer genadiglijk 3 gesneuveld en 6 gewond, meestal licht; de namen zal ik u later zenden. Het verlies des vijands is onbekend, doch moet aanzienlijk zijn, te oordeelen naar hunne begraafplaats”.

Later. »Re verslag hedenmiddag gezonden gevecht Koedoesberg, kan ik U H.Ed. mededeelen, dat Majoor Albrecht met het kanon kwam en het op de noorderpunt van den berg plaatste, en den tweeden bom midden in hunne schansen wierp. Hij vuurde gedurende den dag onverschrokken door op de schansen, niettegenstaande er bijna onafgebroken met zes kanonnen op hem en zijne mannen gebombardeerd werd. Slechts een zijner mannen werd licht gewond. In het geheel hadden zij 10 kanonnen op onze verschillende posities.”

Dit was het eerste gevecht, waarvan Generaal Christiaan de Wet de leiding had. De Schotten vonden hem een harde noot om te kraken: »Fighting Mac” had zijn Mozes gevonden!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings