← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXVI

Reading edition

Te midden der Rebellen

Tegen drie uur weerklonk er een alarm door het lager; »de Engelschen komen uit de stad.” In een oogwenk was alles in rep en roer. Er werd geschreeuwd en geloopen, om de paarden in handen te krijgen. Haastig werd er opgezadeld en zoo als gewoonlijk, reden eenige burgers lang voor de overigen reeds in de richting der stad weg.

»Bokkie! zaal op die merrie”—het kwam ons voor, dat »Ladysmith” een goed rijpaard zou uitmaken, al was het dan ook braaf vreemd in die dagen, om vrouwelijke paarden op commando te bezigen. Het bleek ook later, dat »Kimberley” meer pijn dan pleizier aan zijn ruiter verschafte, terwijl »Ladysmith” een gemakkelijken gang had.

Zoo ging ik alleen voort, achter de paar kerels aan, die reeds waren vooruit gesneld, op avonturen en nieuwe ondervindingen belust. Na een goed half uur rijdens kwam ik op een heuvelrand, vanwaar de stad goed zichtbaar was, en ik ook eenig kanongebulder kon hooren. Daar ginds in de verte, links van onze posities, tegenover de Winburgers (als ik 't wel heb) werd er dan ook heel blauw à la Kimberley gebombardeerd. Generaal Wessels trok ook met zijne burgers en een Krupp-veldstuk nader naar de stad, maar kreeg geene kans om een schot dien namiddag te lossen. Na het vreeselijk gedreun der scheepskanonnen te Ladysmith, was het mij alsof ik een kinderspel bijwoonde, waarbij er met kanonnetjes gevuurd werd—zoo klein en zwak waren de veldstukken van het garnizoen met »Long Cecil” maakte ik eerst later kennis.

Het veel belovend alarm was op niets uitgeloopen. Mogelijk was de geheele demonstratie slechts bedoeld om het garnizoen van verveling en ennui te verlossen. Zij waren moede van het wachten en steeds wachten op Lord Methuen. Zij waren ziek van al de mooie heliogrammen en berichten, die allen op niets waren uitgeloopen. De belegering ontaardde al meer van onzen kant in een stilzitten, om te zien of de honger niet het werk van de kogels kon doen. Colonel Kekewich gaf ze stellig wat oefening dien namiddag, om ze wat tijdkorting te verschaffen en—wij willen het hopen—een extra lb. vleesch voor hun avondeten te doen verdienen. Arme drommels! Zij kregen destijds slechts ¼ lb. vleesch en 14 ons brood per dag!

Daar het kinderachtige »vuurwerk” afgeloopen was, reed ik recht naar een hoogen heuvel, waar ik een hoop paardenruiters bemerkte. Het was de Generaal met zijn Hoopstadters en Krupp, de plannen van den vijand beloerende, klaar om, waar noodig, toeteschieten. Van middag, echter, was zijne hulp niet noodig, zoo reden wij—het geheele commando—naar een klompje Boeren, die wij op de opene vlakte voor ons zagen. Zij waren omtrent twee mijl nader naar de stad, wat rechts van onze positie, en dus min of meer ten noordoosten van Kimberley. Ik wist niet welke burgers het waren en bekommerde mij er ook niet om. Het begon mij inderdaad te berouwen, dat ik mijn reeds vermoeid paard zoo lang onder het zadel had. Het schijngevecht herinnerde mij ook zoo veel aan dergelijke kluchtspelen te Ladysmith, dat ik eenigszins lusteloos met de Vrijstaters verder ging.

Verbeeld u, echter, mijne verbazing en mijn blijdschap, toen eene schaar van mannen en jongelingen mij daar in 't veld toestormden en omringden, uitroepende:

»Dag! Meneer Hofmeyr! Is Meneer ook hier? Wie het dit ooit verwacht? Wel; wie het dit ooit kon denk? Dag! Dag! Ons is al te blij om ons ou Leeraar weer te ontmoet. Ha! Ha! Ha! Hoe gaat het nog met Meneer? Kan Meneer dan ook schiet? Ha! Ha! Maar hoor! 't Is een pleizier om ons ou Leeraar weer te zien. Goei'n dag! Goe'n dag! Hoe gaat het nog met die vrouw en kinders? Almal wel? Mooi zoo. Ha! Ha! Maar dit 's 'n onverwachte ontmoeting. Wie het dit ooit kon droom? Goei'n dag! Goei'n dag! Welkom! welkom!”

Ach! dat was mij een genot, eene weelde! Onvergetelijk oogenblik mijner rondzwervingen! Zoo wat tachtig mijner oude gemeenteleden—ik was zes jaar predikant te Warrenton, 1884–90—kijken mij in de oogen en groeten mij met de hand en lachen van blijdschap, om hun vriend uit de »goede oude tijden” weer te zien. De band tusschen ons was en is en blijft innig nauw. Wat haalt er in de wijde, wijde wereld bij vriendschap en liefde? Niets! niets.

»Dag Oom Piet! Dag Neef Hansie! Dag Jan! Kerels! ik ben blij om jullie te zien. Ken jullie mij nog? Hoe gaat het? Hoe gaat het? Jullie ziet daar flink uit. Is alles wel thuis? Wat 'n ontmoeting hier in 't open veld bij Kimberley!”

Het was een handdrukken en groeten zonder einde.

»En wat maak jullie almal hier?” riep ik uit, op hun geweers en bandeliers lettend. »Is jullie allen Rebellen?”

Vroolijk antwoordde er een uit den kring:—»Ja! Maar wie hebt ons rebellen gemaakt?”

Ik vroeg hem: »Wie?”

Hij zei met een lach: »Jullie.”

Lezer! denk over dat klein woordje goed na. Er zit veel in. Voor negen uit de tien Rebellen zit alles erin. Zij werden door de tegenwoordigheid der Vrijstaters of Transvalers als 't ware gedwongen, om zich bij onze commando's aantesluiten. Zij konden zich in de meeste gevallen niet helpen. Innig gehecht aan de burgers, die hun eigen bloed in de aderen hadden; hart en ziel één met de Boeren als personen, waren zij toch niet ontevreden met de liberale Regeering, die zij onder de Imperiale Vlag genoten. Maar—zij hadden geene protectie van de zijde der Engelschen. Zij werden onbeschermd door de vluchtende Politie en troepen in hunne huizen achtergelaten. De Boeren kwamen—en zij moesten kiezen tusschen twee besturen. Bleven zij loyaal aan hunne Regeering en Vlag, dan raakten zij natuurlijk in ongenade bij de Boeren Regeering, die over hen feitelijk alles te zeggen had, en op slot van rekening moesten zij huis en akker verlaten en naar de Engelsche liniën trekken. Dat is met vele kolonisten gebeurd: zij waren de »undesireables” bij de Boeren. In deze kan de Brit hun geen verwijt doen: zijn »undesireables” tellen Legio (God helpe de arme drommels!) Wel nu, zulk een offer zal men alleen brengen, als men door en door Engelsch of Engelschgezind is. Dan is er (of behoort er te wezen) een enkele hartstocht in het binnenste, een zelfverterende liefde voor het Britsche Rijk en de Britsche vlag en den Britschen naam, waarvoor geen armoede of ellende of verlies te zwaar weegt. Wij hebben ook allen eerbied voor zulke karakters, al staan zij lijnrecht tegenover ons. Zij volgen hunne natuur, hunnen aard, hunne gezindheid. Zij zijn eerlijk. Zij blijven zichzelven gelijk en getrouw. Hun patriotisme en loyaliteit zijn innig en echt. Vandaar hun enthousiasme, en offervaardigheid. Zulke lieden worden natuurlijk in de hitte des strijds door de tegenpartij gehaat en getergd en mishandeld, dat ziet men aan beide kanten gedurig gebeuren—thans in Zuid-Afrika, en later—waar er ook oorlog mocht gevoerd worden, maar na den oorlog zullen zoodanige oprechte, eerlijke, standvastige en edele karakters elkander wel weten te respecteeren. Alle eere dus dengenen, die ten koste van schade en schande, huis en akker, lijden en armoede, loyaal aan hunne Regeering gebleven zijn.

Maar—laat ons de vraag in alle eerlijkheid voor de rechtbank van het gezond verstand der wereld leggen—kan en mag men zoodanig gedrag van den gewonen Hollandsch sprekenden en Hollandschgezinden Kolonialen Afrikaander verwachten of eischen? Het antwoord van den kalmen denker, van den non-politieken, onpartijdigen menschenkenner kan niet anders zijn dan: »Neen, geenszins!”

Neem de Warrentonners, bijvoorbeeld. Ik ken ze persoonlijk. Zes jaar lang leefde ik in hun midden. Zij hadden destijds niet den minsten haat tegen de Imperiale Regeering. Zij waren hoogst tevreden met hun Verantwoordelijk Bestuur. Hunne kinderen lieten zij in 't Engelsch even veel, zoo niet meer, dan in 't Hollandsch onderwijzen. Zij spraken nooit over een eigene, vrije, republikeinsche vlag. Het ging hun goed en zij waren gelukkig. Hun eenigste klachte was: dat zij tegenover de stedelingen van Kimberley bij de stembus geene kans hadden en dus van te weinig invloed op parlementair gebied waren.

Met de twee Republieken hadden zij, een innige, diepe, natuurlijke sympathie—niet om redenen der politiek zoozeer als om redenen des bloeds. Zij beschouwden de Boeren als een deel van de »Hollandsche Afrikaanders”, die zij gewoon waren »ons volk”, of »onze natie” te noemen. Toen Jameson de Transvaal binnenviel, stonden zij hart en ziel aan de zijde der Republiek. Toen de »League” het tegen den »Afrikaander Bond” opnam, waren zij als van zelven Bondschgezind. En toen de »Game of Bluff” alias de »Gewapende Pressie” tegen de Zuid-Afrikaansche Republiek begon, sympathiseerden zij sterk met het volk, den Volksraad en de Regeering over de Vaal. Maar geen enkele hunner dacht er aan, om tegen zijn wettige Regeering de wapenen op te nemen. Zij sympathiseerden wel met de burgers, omdat deze vleesch van hun vleesch en been van hun been en bloed van hun bloed waren, maar zij waren gelukkig en tevreden onder hun liberale, vertegenwoordigende en verantwoordelijke Regeering, en waren hoegenaamd niet van plan tegen hunne Overheid optestaan en te rebelleeren.

Toen kwam de ongelukkige oorlog en de Boer plantte zijne vlag in hun midden. Hij annexeerde Griqualand West als deel van den Oranje-Vrijstaat—met veel recht nogal, want het land was werkelijk Vrijstaatsch grondgebied, totdat de diamanten te Kimberley gevonden en de grond door de Imperiale Regeering aan den zwakken Vrijstaat ontfutseld werd. De Voormannen der Boeren riepen toen vergaderingen bijeen en spraken de Kolonisten toe. In Natal voerde de Vice-President, Generaal Schalk Burger, het woord; te Colesberg, Burgersdorp, Dordrecht en elders spraken Generaal S. Grobbelaar en H. Schoeman en Commandanten Olivier en Swanepoel enz. de Koloniale Afrikaanders toe; en te Warrenton traden invloedrijke Vrijstaters uit Boshof en elders in deze delikate zaak op den voorgrond. Deze mannen wilden natuurlijk recruten hebben: hoe meer, hoe beter. Dat spreekt vanzelf, want hun getal was zeer klein tegen de legioenen van Engeland. De Kolonisten echter, waren niet zoo gretig om zich bij hen aan te sluiten, als velen denken of dachten. Zij waren natuurlijk bevreesd, dat de zaak een »verkeerden draai” kon nemen, om nu van geen hooger en edeler gewetensbezwaar te reppen.

»Het zal ons gaan zooals bij Slachtersnek!” riep een hunner te Colesberg op eene vergadering »als wij gevangen worden!” (Profetisch woord ten deele!)

Toen werd het aan die menschen voorgehouden, dat zij door de aanhechting van hun land feitelijk burgers der Republiek waren geworden en dus tot krijgsdienst gedwongen konden worden—en vooral werd nog dit er bijgevoegd: Dat de Transvaalsche Regeering plechtig belooft, de Rebellen in een toekomstigen Vrede te zullen insluiten!

Alzoo werden de eerste Rebellen—omtrent 3000 man, zou ik zeggen—uit Bechuanaland, Griqualand West, Colesberg, Burgersdorp, Aliwal Noord, Barkly Oost, Dordrecht, Newcastle, Ladysmith, omgehaald, om den stouten sprong te wagen en hun lot met hun Republikeinsche bloedverwanten en stamgenooten in te werpen. Wij spreken niet van de enkele uitzonderingen, die best mogelijk uit antipathie tegen de Engelschen zich geheel vrijwillig en ongevraagd bij de Federalen aansloten. Wij hebben de Rebellen van die eerste maanden, als een geheel, in 't oog. Zij werden omgehaald, bepraten, tot zwijgen gebracht, beschaamd gemaakt, betooverd, gevleid, bespot, gedreigd, gerust gesteld—al naar den aard van spreker of hoorder!—totdat zij »half gewillig, half onwillig” zeiden:

»Nou toe dan maar,—geef ons geweers! Maar ons reken op jullie belofte, broers!”

Na Stormberg, Magersfontein en Colenso ging het natuurlijk veel gemakkelijker, om »rebellen te maken”. De vrees voor eene verandering van het oorlogsgetij verdween; de hoop op de eventueele zege der Boeren nam geweldig toe. 't Is een treurige waarheid: dat de meeste Adamskinderen zich heel gemakkelijk laten bewegen, om aan den sterksten kant te gaan staan! Velen, die vroeger op twee gedachten hinkende waren, sloten zich na die groote slagen bij de meerderheid aan. Zoo steeg het getal rebellen best mogelijk in Januari 1900 tot 5000.

Het groote feit blijft echter: dat, die zich bij ons aansloten zulks in den regel niet vrijwillig deden. Er was pressie noodig, om ze zoo ver te krijgen. Om het op zijn sterkst uittedrukken: Zij moesten door Proclamaties en Annexaties en Beloften gevangen worden! En om het op zijn zwakst uittedrukken: »Zij waren gewillig om gedwongen te worden”—zoo als één hunner het heel leuk verklaarde.

Op de vraag van een Engelschen Kolonel, hoe het te verklaren was, dat Kolonisten de wapens in die dagen tegen hun milde, liberale, vrije Regeering konden opnemen, heb ik mij eens ongeveer aldus uitgelaten:—

»Zij waren niet zoo anti-Engelsch, als zij pro-Boer waren. Zij waren niet zoo boos op hunne eigene Regeering, als verkleefd aan hun eigen vleesch en bloed. Zij zijn niet zoo zeer tegen den Brit uitgetogen, als door den Boer ingezogen. »Den eene hebben zij niet zooveel gehaat, als zij den anderen liefhadden”, om een bekend Engelsch spreekwoord omtekeeren (»They did not love the one so much, but hated the other more”).”

En dan—voeg er ook aan toe »den strijd om te bestaan”. Honger is een harde tuchtmeester. Armoede heeft geene keuze voor gewone lieden. Er was vleesch en brood en kleeding in overvloed bij de Boerenlagers. Alle armen kregen daar het noodige—mits zij gewapend waren. Ja, zelfs hunne vrouwen en kinderen werden door de Boerenregeeringen ten deele gevoed en gekleed, als zij op commando gingen. Niet slechts te Pretoria en Johannesburg (waar er duizende families door den Staat onderhouden werden), maar overal in de steden en dorpen en zelfs buitenwijken der Republieken werden de huisgezinnen van vechtende burgers zoo veel mogelijk van Staatswege geholpen. En ditzelfde stelsel werd ook in al de dorpen, waar onze vlaggen wapperden, gevolgd.

Welnu, de mensch moet leven. 't Is alles behalve pleizierig om honger en koude te lijden. Ergo: de commando's groeien aan. Er wordt een stad belegerd—»wat een aardig geval!” Men kan er volop te eten krijgen en zelfs cricket spelen. Zwaar werk is er niet: geen »drill” elken dag (wat zeg ik? er is nooit zoo iets), geen »sentry go” of »op en af looperij” (zoo als de Engelsche soldaat moet doen), geen presentielijst (»rollcall”) wordt er ooit gelezen. Slechts eenige uren bij nacht uit de warme dekens om »wacht te staan”. Verder voor mijn paard en mijzelven zorgen. Hoera! Er wordt gevochten van daag. Ik ga mee. 't Is een aardig geval.

Zoo is het gegaan, zoo en niet anders, in den regel. 't Is klinkklare onzin om van een »diepgewortelden haat tegen Engeland en al wat Engelsch is en een groot pan-Afrikaansch komplot, om de Engelschen de zee in te jagen en de Transvaalsche of Vrijstaatsche Vlag met geweld te Kaapstad en Durban te planten”, in verband met het aansluiten der Kolonialen te spreken.

Als die theorie de rechte was, hoe kwam het dan dat er hoegenaamd geen' zweem van een opstand in de Kaapkolonie zelfs na Magersfontein te zien was? Neen, die sleutel past niet op de deur der feiten. Waar de Republikeinsche commando's kwamen en bleven en wortels schoten, daar sloten er Rebellen zich bij ons aan. Daar en niet elders. Deze was de algemeene regel. Persoonlijke aanraking, tastbare indrukken, aanstekelijke gesprekken, gloeiende toespraken, dagelijksche omgang met elkander—het eenigste komplot aan mij bekend. Proclamaties, beloften, overwinningen en, in sommige gevallen ook »de brooden en de vischjes” hebben het mirakel der samenzwering tegen de Britsche vlag teweeggebracht.

Droomen, idealen, gedachten, aspiratien zijn er wel degelijk in menig hart geweest. Wie kan den Australiër beletten, om naar een vrij en geheel en al zelfstandig Australische Republiek te verlangen? Wie zal het den Canadees erg kwalijk nemen, als hij ten gunste van een vrij Canada, onder een eigene vlag en zelfgekozen Hoofd pleit? Het hart is vrij, om te verlangen en te droomen en te hopen. Niemand kan de gedachten en idealen van den Hollandschen Afrikaander aan banden leggen—evenmin als hij »de lieflijkheden van het Zevengesternte” kan beperken. Welke vlag er ook boven ons wappere—het brein blijft altoos ons eigendom, het hart is immer vrij. Goddank! dat de mensch zoo geschapen is! Maar er is een groot verschil tusschen zoodanige droomen en aspiratien en eene samenzwering tegen Engeland. Duizenden menschen kunnen bovenstaande idealen in 't harte koesteren, zonder in 't minst aan eenig komplot of oorlog of geweld te denken, laat staan te willen deelnemen.

Pardon, lezer! Wij zijn onze Voorrede eenigszins vergeten. Wij hebben ons woord min of meer gebroken. Het was niet ons plan, om in dit werk over theorieën te redeneeren. Dan komen wij nooit klaar. Wij wilden slechts het een en ander van de commando's vertellen.

Maar die lieve Warrentonners, mijn oude gemeenteleden, mijn trouwe vrienden, met hun Mausers en Martini-Henri's op den schouder—het waren meestal Martini's, die ze in die dagen kregen, »stomme goed”!—hebben mij van koers gebracht. Zij hebben mij doen peinzen over de mysteriën van het menschelijk hart en het menschelijk bestaan in de ingewikkelde samenleving van ons arm, verdeeld Zuid-Afrika. Wonderlijk, ja vreeselijk is de mensch gemaakt. Wie kent zijn eigen hart, laat staan dat van zijn broedermensch! Wie is tot de diepste roerselen en trillingen van eens anders gemoed afgedaald? Durven wij dan ooit een medemensch haten met een volkomen haat, of verachten met een volkomene verachting?

Arme Rebellen! Ze zijn in vele gevallen de grootste slachtoffers der situatie geworden. Door den Brit werden zij verlaten; door den Boer achtergelaten. Zij werden »in het net eens wreeden noodlots verstrikt”—zouden de ouden gezegd hebben. Die alles weet, zal, al is hij ook de loyaalste onderdaan van Koning Eduard VII, moeten zeggen: »Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom”—den Rebel! Die echter een Transvaler of Vrijstater heet, en dien naam waardig is, zal dat ander treffend woord van David op hem toepassen:

»Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder! Gij zijt mij zeer liefelijk; uwe liefde is mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings