← Table of contents
Verklaring van het stoomwerktuig

VERKLARING DER AFBEELDINGEN,

D. van den Bosch translation

VOORSTELLENDE EENE STOOMMACHINE VAN LAGE DRUKKING MET DAARBIJ BEHOORENDEN STOOMKETEL VOOR EEN VAARTUIG, NAAR DE LAATSTE MEEST VERTROUWDE ZAMENSTELLING.

Een stoomvaartuig bevat gewoonlijk twee gelijke machinen welken te zamen eene hoofd- of wiel-as in beweging brengen, waaraan de roei-wielen of schepraden zijn verbonden, die ter weder zijde van het vaartuig op eenige diepte in het water treden, en rond wentelende, alzoo den drijvende bodem voortstuwen. Elke machine drijft de hoofd- of wiel-as om door middel van eene kruk; de beide krukken zijn in regthoekige rigting tot elkander op de hoofd-as gesteld, zoodat dezelve nimmer gelijktijdig in hoogsten of laagsten stand staan, maar een vierde van eenen omwenteling daarin met elkander verschillen. Beide machinen worden met stoom voorzien, het zij door eenen enkelvoudigen of door een zamenstel van meer dan eenen ketel. In de onderwerpelijke afbeeldingen is het een enkelvoudige ketel voor stoomlevering aan twee gelijke machinen; eene dergelijke en nevens elkander geplaatste machine wordt hier alleen voorgesteld, waarvan de verklaring geheel op de andere toepasselijk is.

Figuur 1. verbeeldt het zij aanzigt van den enkelvoudigen stoomketel en van eene machine. Figuur 2. is de doorsnede overlangs van dien ketel en van die zelfde machine; de roei-wielen of schepraden zijn alleen met gestippelde lijnen in Fig. 1 aangeduid, hetgeen voldoende duidelijk is, en geene verdere uitleg behoeft, de bijgestelde letters en nommers dienen in beide Figuren voor de volgende aanwijzingen:

AAAA stoomketel met in besloten fornuis B'BB; dit fornuis bestaat uit twee nevens elkander gelegene vuurhaarden of vuurplaatsen, waarvan hier slechts eene B', zigtbaar is, en uit twee daarmede afzonderlijk gemeenschap hebbende rookleidingen, waarvan gedeelten bij BB te zien zijn; in de vuurplaatsen wordt de brandstof verbrand, waarvan de overblijvende sintels en asch in de ruimte C door de roosters nedervallen; door de rookleidingen BB stroomt het vlammende gaz of de verhitte rook van de vuren naar den schoorsteen D, waar van hier het onderdeel slechts staat afgebeeld, en met eenen beschermenden mantel omgeven ter beveiliging van het scheepsdek tegen brand; dit onderdeel van den schoorsteen is met deszelfs mantel op den ketel bevestigd, terwijl het bovendeel boven dezen mantel op eenen omgaanden rand van het onderdeel staat, doch geheel onverbonden, ten einde dat bovendeel overboord zoude kunnen vallen zonder dat de vuurstroom uit de rookleiding, eenige schade aan het dek te weeg brengt; een weinig boven den mantel is de schoorsteen met eene draaibaren wartelklep AB voorzien, even als in eene gewonen kagchelpijp, waarmede men den zoogenaamden trek, welken de schoorsteen daarstelt, kan wijzigen of geheel beletten.

Het geheele fornuis is binnen den ketel rondom met water omgeven; men herkent de vereischte hoogte van dat water, door aanwijzing van eenen vlotter of drijver E, welke tot dat einde op eene as beweegt, die buiten den ketel doorsteekt; de herkenning van de waterhoogte geschiedt ook nog door middel van de peilkranen aa; ook is er nog eene glazen buis buiten tegen den ketel geplaatst, die met het inbesloten water gemeenschap heeft, doch die ter voorkoming van verwarring in de afbeeldingen op eene zoo kleine schaal niet is afgeteekend. Ook is hier om dezelfde reden de afbeelding achtergelaten, van eene dier vele toerigtingen, waardoor een watergebrek, onafhankelijk van de bijzondere oplettendheid van den bestuurder of van den vuurstoker, kennelijk gemaakt wordt. Dit wordt aangewezen of door uitstrooming van stoom of heet water, op of vóór het oogenblik, dat watergebrek binnen den ketel bestaat, of door eenig geruisch makend, of sterk in het oog vallend middel, ter bijzondere waarschuwing; welke toerigting in aard of wijze gekozen wordt, overeenkomstig de daarvoor bestaande plaatsgelegenheid.

F is eene op de stoomkap des ketels geplaatste kast, waarin zich twee veiligheidskleppen bevinden; eene dier kleppen is met derzelver onderaan gehangene belading G slechts hier te zien, deze veiligheidsklepkast heeft bovenop, eene opening met ontlastpijp II (hier even als het bovendeel des schoorsteens als afgebroken voorgesteld), waardoor de overvloedige stoom, bij opening van eene of beide veiligheidskleppen ontvliedt; I, I, I is een hefboomtoestel, waarmede eene der veiligheidskleppen, door den bestuurder van de machine, naar willekeur kan geopend worden, door slechts aan de schroevende handkruk b te draaijen; de andere veiligheidsklep, die een weinig meer beladen is, kan niet met de hand geligt worden, is zelfs tot dat einde afgesloten, om alleen uit zich zelve te ligten, wanneer er overvloed of te hoog gespannen stoom bestaat, of ingeval door eenig gebrek stoomontlasting door de eerste verhinderd wordt; c is eene dunne pijp, waardoor het water, dat zich in de veiligheidsklepkast vergaderen mogt, afloopt buiten boord; d is een stoommeter met eenen kleinen, op kwik drijvenden, stijl voorzien, welke de mate der stoomspanning, die binnen den ketel heerscht, op eene nevensgeplaatste schaal aanwijst.

KK spuibuis met kraan, welke door het scheepsvlak gaat, en alzoo met het buitenwater gemeenschap heeft, dient om uit den ketel naar verkiezing water te loozen gedurende of na deszelfs werking, of om den ledigen ketel van water te voorzien; de spuibuis bezit nog eene andere kraan e, waardoor men water door middel van eene nader aan te wijzene handperspomp in den ketel brengen, of denzelven daardoor ontledigen kan.

L mangatdeksel, dat eene opening in de stoomkap des ketels dekt, genoegzaam groot ter doorlating van eenen persoon; dit deksel is met eene luchtklep f voorzien; g is een slikgatdeksel, te openen voor de reiniging des ketels.

M voedingkraan, waardoor de ketel deszelfs voeding met warm water door de machine geniet; deze kraan is naar gelang der behoefte aan voedingwater, met de hand te openen of te sluiten.

N is eene kast, welke eene klep bevat, die door draaijing van het handwiel h geheel of gedeeltelijk opengezet, of gesloten kan worden, hierin vloeit de stoom uit den ketel, en bij geopende klep uit den ketel naar de machinen door de aanverbondene leibuizen O.

PP stoomcilinder met daarin digt sluitenden zuiger kk, waarvan de stang door eene pakkingbos i van het stoomcilinderdeksel opgaat; de stoom vloeit in dezen cilinder boven of onder den zuiger uit de stoomschuifkast l l naar gelang van den stand der daarbinnen beweegbare stoomschuif l l, door den boven of onder stoomdoortogt i' i'. De stoomschuifkast l l wordt met stoom uit den ketel voorzien langs de smoorklep m, welke naar willekeur meer of min opengezet kan worden door middel van het bovengelegen handvat; de toegang van den stoom naar de smoorklep vindt plaats door den hollen band n n welke den stoomcilinder omgeeft, en waarmede de stoomleibuis O is vereenigd.

Bodem en deksel van den stoomcilinder bezitten naar eisch beladene waterkleppen n' n', waardoor toevallig in den cilinder geslagen water zich zelf ontlast.

Boven kleine openingen in het cilinderdeksel zijn kleine kommen, met kranen p p voorzien, geplaatst, waardoor men naar welgevallen, olie of vet tot den zuiger kan doen vloeijen.

De opgaande stoomzuigerstang is aan derzelver top met een dwarsjuk vereenigd, de armeinden van dit juk zijn ter wederzijden van den stoomcilinder beweegbaar verbonden, met zijroeden q, die benedenwaarts, even zoo met de armen van een paar balansen QQ zijn gekoppeld; de stoomzuiger k k door den druk des stooms zich op- of neder bewegende, geeft dus, door tusschenkomst van deze zijroeden q, gelijke beweging aan de balansen QQ.

Voor de rigtige leiding van den top der stoomzuigerstang heeft men de zijroeden q beweegbaar verbonden met het zoogenaamde toestel der evenwijdige of parallele beweging, bestaande uit de straalroeden 22 en de koppelroede 44, die de straalroeden aan kleine beweegbare krukken 33 en de balans verbindt.

Elk paar balansen QQ is bij het einde der tegenovergestelde armen onderling vereenigd door een ander juk r, uit welks midden eene drijfstang R opgaat, waarvan het boveneinde beweegbaar verbonden is met de pen van de hoofdaskruk SS' derwijze, dat de hoofdas S', daardoor kan worden omgevoerd; de kruk TT der wielas wordt door de omwentelende eerste kruk SS' voortgedreven, door tusschenvoeging van een koppellid U, zoodat de buiten boord daaraan verbondene roeiwielen of schepraden, daarmede omdraaijen.

De hoofdas S' is door eene excentriek-schijf VV omvat; om deze schijf is een ring beweegbaar en aan de excentriek-roede W verbonden, welke roede aan het andere einde in eene keep den arm t vat, die op eene beweegbare as bevestigd is; de hoofdas S' de excentriek-schijf VV mede voerende, zal alzoo door tusschenkomst van de excentriek-roede W, den arm t heen en weder bewegen met de daaraan bevestigde as.

Deze laatste as bezit ter wederzijde van de stoomschuifkast eenen arm u, met daaraan beweegbaar verbondene opgaande ligte zijroeden, welker toppen even zoo zijn verbonden met een klein dwarsjuk op den top u' van de stang der stoomschuif, welke stang door eene pakkingbos van het deksel der stoomschuifkast ll uitkomt; op die wijze wordt dan de stoomschuif door middel van de excentriek-schijf VV mede op en neder bewogen; v'v' is het tegenwigt der stoomschuif. De hoogste en laagste standen van de stoomschuif hebben niet gelijktijdig plaats met de hoogste en laagste standen van den stoomzuiger, opdat de stoomtoelating dan eerst plaats vinde, wanneer de stoomzuiger deszelfs hoogsten of laagsten stand bereikt heeft; hiertoe is aan de excentriek-schijf VV op de hoofdas S' eene daarvoor passende rigting gegeven, zoodat de hoogste en laagste standen van de stoomschuif plaats vinden, nadat de stoomzuiger circa een vierde deel van deszelfs slag is gedaald of gerezen. De stand van de excentriek-schijf voor vooruitwerking van de roeiwielen of schepraden niet dezelfde zijnde, als voor achteruitwerking van dezelve, zoo is voor het aannemen van die twee verschillende standen van de excentriek-schijf, de noodige wisselruimte op de hoofd-as gelaten.

Om de beweging van de stoomschuif, en bijgevolg van de machine te doen ophouden, bestaat bij de keep der excentriek-roede W eene klink w, waarmede de bestuurder met de hand de excentriek-roede van den arm t ontkoppelt, en daardoor het op- en neder bewegen van de stoomschuif doet staken, zoodat de stoomzuiger k k de beurtelingsche toelating van stoom mist en gevolgelijk zal stilstaan.

Met den arm t is een lange hefboom of handel x x vereenigd, welke dient, om bij ontkoppeling van den arm t van de excentriek-roede W, aan de stoomschuif zoodanigen stand met de hand te geven, als geschikt is, om de stoomzuiger k k te doen rijzen of dalen, naar gelang men, tot voor- of achteruit werken, de roeiwielen, of schepraden in beweging verkiest te stellen. Dit aanvankelijk in beweging stellen van de machine naar behooren door de hand van den bestuurder plaats vindende, zoo bezorgt deze, door verzetting van de klink w, de weder zamenkoppeling van de excentriek-roede W met den arm t, waardoor het vervolg der beweging in den aangevangen zin uit zich zelf, zal worden onderhouden.

X X is de condensor waarin de stoom uit den stoomcilinder vloeit, om tot water verdikt te worden, door aldaar in aanraking te komen met koud water, dat door het pijptoestel o' o' en de injectiekraan y vloeit; de toevloeijing van het injectiewater wordt geregeld door den bestuurder, want daartoe houdt de injectiekraan eene handkruk z.

Y luchtpomp met insluitenden zuiger, die opslaande kleppen 1, 1 bezit; de luchtpompzuigerstang is even als de stoomzuigerstang met een dwarsjuk verbonden, waarvan zijroeden 2 nedergaan, die met de balansen QQ gekoppeld zijn; zoodat wanneer de stoomzuiger rijst de luchtpompzuiger daalt en omgekeerd. De luchtpompzuiger trekt opgaande het van den stoom en der injectie herkomstige water, met de tevens uit het water ontwikkelde lucht uit den condensor XX door de condensorklep 4, en voert dit op deszelfs kleppen 1,1 in den warm- of heet waterbak Z door de klep 5 van dien bak.

Van het in den warm- of heet waterbak opgevoerde water, wordt door de opening 6 het noodige getrokken, om den ketel voor het verstoomde water weder aan te vullen of te voeden, eene perspomp, waarvan de zuiger of dompelaar door het luchtpompjuk op en neder bewogen wordt (in de afbeeldingen niet zigtbaar, wordende door de luchtpomp bedekt) dient tot dat einde; want pijpen 7,7 zijn daarmede vereenigd, waardoor dat warme water in de gemeenschappelijke pijp 8,8 naar den ketel, door de openstaande voedingkraan M gevoerd wordt; 23 zijn leistangen, die door de armen van het luchtpompzuigerjuk omvat worden, en voor de rigtige leiding daarvan dienen; aan eene dier stangen is de dompelaar van de voedingpomp verbonden, en kan alzoo met het juk op en neder bewegen.

De heet waterbak Z bezit eene verhooging of kolom y ter voorkoming van wateroverstorting, en tegen deze kolom is eene beladene stortklep 9 aangebragt, waardoor het voedingwater weder in den warm waterbak terug valt, ingeval de voedingkraan M aan den ketel mogt gesloten wezen middelerwijl de voedingpomp werkt; de voedingpompzuigers of dompelaars, kunnen door de hand van den bestuurder in of buiten werking gesteld worden, naar gelang de behoefte aan ketelvoeding. Het in den warm- of heet waterbak te veel overblijvende water, ontlast zich buiten boord, door de opening der vloeipijp y, welke opening bij stilstand van de machine door eene klep gesloten kan worden, met aan de schroevende handkruk 10 te draaijen.

12 handperspomp, waarmede de ketel, onafhankelijk van de werking der machine, met koudwater kan gevuld of gevoed worden, door eene (hier slechts gedeeltelijk afgebeelde) pijp r t, die met de kraan e der spuibuis K gemeenschap heeft, of ook kan door deze pomp de ketel, wanneer het noodig mogt zijn, geledigd worden.

13 scheepslenspomp. waarvan de zuiger door eenen der armen van de balansen QQ op en neder bewogen wordt; deze pomp voert het zich in het vaartuig bevindende water op en over boord, en haalt dit uit het voor- of uit het achterschip door pijpen, hier niet geheel afgebeeld; zij kan door de hand van den bestuurder in of buiten werking gesteld worden, 14 is de doorblaaskraan door eene kleine handkruk 15 te openen; geopend zijnde stroomt de stoom uit de stoomschuifkast l l door dezelve in den condensor XX en in de luchtpomp Y, drijft uit beiden door de snuifklep 16 (en soms door de klep van den warm waterbak 5) het daar in zijnde water en de aanwezige lucht: eene uitdrijving, die bij het eerst in beweging brengen der machine altijd moet geschieden.

Op den condensor XX is een manometer of barometer 17 geplaatst; het zich daar in bevindende kwik toont aan in hoe verre de spanning binnen den condensor is verminderd. Tegen den hollen band n n van den stoomcilinder bestaat, een stoommeter 18, om de spanning van den stoom daar binnen gade te slaan, deze stoommeter is even als die aan de stoomkap des ketels; nog bestaat onder aan den hollen band eene aftapkraan 19, waardoor men het daar binnen vergaderde water kan doen afloopen.

Eindelijk ziet men dat de hoofdas S' niet alleen in stoelen op eene stelling wordt gedragen, maar dat ook stoomcilinder, condensor met aanverbondene luchtpomp en warm waterbak, onderling, en met die stelling zijn verbonden; de grondslag van dat geheele verband is in de eerste plaats de fondatie op het scheepsvlak, door middel van goed verzekerde fondatiebouten 20, en ten tweede de hoofd- en wielas-balken 21, die met de stelling goed vereenigd zijn. Deze balken breiden zich ter wederzijden buiten het vaartuig uit, en vereenigen zich aldaar, als uit een ligchaam bestaande, op welke buiten uitbreiding zich stoelen bevinden, waarop de roeiwielen of schepraden dragen.

Aldus de zakelijke deelen van dit gansche stoomwerktuigelijke toestel aangetoond hebbende, zal het niet ongepast zijn, eene korte aanwijzing te laten volgen, hoedanig de machinen in beweging en tot stilstand gebragt worden.

In den stoomketel genoegzame ontwikkeling van stoom bestaande, (herkenbaar aan de stoomontvlieding door de ontlastpijp II der kast van de veiligheidsklep F, waarvan de spanning op den stoommeter d aangewezen wordt) en zich door middel der pijlkranen a a, drijver E of waterpeilbuis verzekerd hebbende dat de ketel met eene voldoende hoeveelheid water gevuld is, zoo begint men met de stoomcilinders en stoomschuifkasten te verwarmen; het geen geschiedt door het openen van de klep in de kast N met het handwiel h; de stoom zal als dan uit den ketel door de stoomleibuizen O in de holle banden n n der stoomcilinders vloeijen, en van daar langs de openstaande smoorkleppen m, in de stoomschuifkasten l l; verwarming opmerkende, zoo beweegt men door middel van de hefboomen of handels x de stoomschuiven eenige malen op en neder (waarvoor de klinken w, natuurlijker wijze zoodanig moeten zijn gesteld, dat geene koppeling van de armen t met de excentriek roeden W bestaat); door die behandeling van de stoomschuiven zal mede stoom in de cilinders vloeijen, terwijl men zich te gelijkertijd van de goede beweegbaarheid der stoomschuiven verzekert; ook zal men de aftapkranen 19 openen, om het water van om de stoomcilinders te doen afloopen; deze bewerking noemt men: de machinen verwarmen.

Genoegzame verwarming plaats vindende, dan stelt men met de hand de stoomschuiven in middenstand, dat is zoodanig dat dezelve de boven en onder stoomdoortogten der cilinders sluiten; als nu opent men met de handkrukken 15, de doorblaaskranen 14, en houdt die zoo lang geopend, tot dat men door de snuifkleppen 16, niets anders dan stoom ziet uitstroomen, zijnde dit het teken, dat al het water met de aanwezige lucht is uitgedreven; deze bewerking wordt doorblazen genoemd. Zoo men dan de stoomschuiven met de hand in zoodanigen stand zet, dat toelating van stoom, op of onder de stoomzuigers plaats heeft, overeenkomstig den zin van omwenteling, welke men aan de hoofd- of wielaskrukken wil geven, dan zullen de machinen dadelijk aanvangen te bewegen; doch daar de armen t van de excentriek-roeden W zijn ontkoppeld, zoo bewegen de stoomschuiven niet mede, daarom verzet men de stoomschuiven nogmaals met de hand, om ééne omwenteling van de hoofdas S te veroorzaken, waarna men de klinken w derwijze verzet, dat zamenkoppeling van armen t en excentriek-roeden W plaats vindt; vervolgens opent men met de handkrukken z langzaam de injectiekranen y, tot zoo verre als met de toenemende snelheid der machinen overeenkomt, die als dan zullen doorwerken; men noemt deze bewerking: de machinen aanzetten, (het laat zich begrijpen, dat ter ontlasting van het overvloedige water, dat de luchtpompzuigers in den warmwaterbakken Z opvoeren, de kleppen der vloeipijpen y door middel der handkrukken 10 moeten opengezet worden).

De machine alzoo tot volle kracht werkende, kan in vermogen of snelheid verminderd worden, door vermindering van stoomtoevoer naar de stoomzuigers en daaraan gepaarde vermindering van injectie water, waarvoor men dan de injectiekranen y en de smoorkleppen m zoo veel zal sluiten, als voor de verlangde vermindering in snelheid voegzaam is.

Om de machine te doen stil staan, sluit men eerstelijk de injectiekranen y, en doet vervolgens, door middel der klinken w, de excentriek-roeden W van de armen t ontkoppelen; want als dan zal de beweging der stoomschuiven en bij gevolg de beurtelingsche toevloeijing van stoom naar de stoomzuigers ophouden.

Bij het tot stilstand brengen van de machine, moet men de stoomschuiven met de hand weder in middelstand zetten, ingeval het ophouden derzelver beweging niet op middelstand heeft plaats gevonden.

Zoo de machine, lang moet stilstaan, opent men langzaam de handelbare veiligheidsklep met de handkruk b, doch wanneer het dadelijk in beweging brengen vereischt wordt (het zij in denzelfden of in omgekeerden zin), is zulks niet noodig, ook niet het zoogenaamde doorblazen, noch het openen der aftapkranen 19.

Deze afbeeldingen zijn op steen gebragt naar eene teekening van 's Rijks Hoofdmachinist, waarin alzoo zijne beproefde wijze van inrigting voorgesteld staat.

Afbeelding op de achterkant van het boekje
Afbeelding op de achterkant van het boekje
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings