§ 63.
D. van den Bosch translation
Voor stoomwerktuigen van lage drukking laat men, gelijk gezegd is, de stoom in vele gevallen tot omstreeks drie vierde van den zuigerslag in den cilinder vloeijen; in § 47 is gezegd, dat men in die werktuigen gewoonlijk met stoom werkt, die op 129 Ned. looden per vierkanten Ned. duim gespannen is, en dat die spanning vermindert tot op 120 looden van wege den tegendruk, welke in den condensor heerscht. Zoodanige met 120 looden drukkende, en op drie vierde gedeelte van den zuigerslag afgesloten wordende stoom, geeft volgens de tafel, met Factoor 0.966 vermenigvuldigd, eene gemiddelde stoomspanning van 115-9/10 Ned. looden per vierkanten Ned. duim. Men ziet dus op welke wijze men met behulp van deze tafel, den gemiddelden stoomdruk door ontspanning veroorzaakt, op den zuiger kan vinden, om alzoo over het effectief vermogen van het werktuig, in verband met de daarvoor noodige hoeveelheid stoom beter te kunnen oordeelen; terwijl de § 49 opgegeven regel alleen voor het vinden van het nominaal vermogen strekt, dat is: van het nabij komend aantal werkende paarden van gemiddelde sterkte, waarvoor dan ook die algemeene regel voldoende is. Maar voor stoomwerktuigen van zoogenaamde middelbare en hooge drukking, is een zoo algemeene regel ter berekening van derzelver nominaal vermogen, niet toe te passen; eensdeels omdat de spanning van den invloeijenden stoom daarin zeer onderscheiden is, en anderdeels omdat de stoomontspanning in deze werktuigen ook veel onderling verschilt, zoodat men voor dergelijke berekening, in het bijzonder, op de eigenlijke spanning van den toegevloeiden stoom en op deszelfs ontspanmaat in den cilinder moet letten, zoo als wij later zullen opgeven.