← Table of contents
Verklaring van het stoomwerktuig

§ 43.

D. van den Bosch translation

Door de opvolgende beurtelingsche toe- en afvloeijingen van den stoom naar en van den stoomzuiger, ontvangt deze laatste de vermogende op- en nedergaande beweging, welke aan de bovengelegene balans medegedeeld, de kruk van het vliegwiel omvoert. Het vliegwiel is van gegoten ijzer en in deszelfs buiten omtrek of velling belangrijk zwaar, waardoor, gelijk gezegd is, aan het geheele werktuig eenen gelijkmatigen gang in beweging gegeven wordt. Het valt in het oog, dat er een stilstand moet plaats hebben telken reize, als de zuiger den top of den bodem van den cilinder genaderd is, dat is bij deszelfs keerpunten, zoodat daardoor de balans met de daaraan verbondene kruk en het vliegwiel, en in het algemeen alle deelen van het werktuig een ondeelbaar oogenblik stil staan; de kruk nogtans, met eenparige snelheid doorgaande, brengt te weeg: dat bij de keerpunten des stoomzuigers, geene schokking plaats vindt. De doorgaande beweging van deze kruk wordt door het voortvliedend vermogen van het vliegwiel te weeg gebragt, en het is klaar, dat, zonder dit, de beweging van het gansche werktuig zoude ophouden, zoodat het vliegwiel hierin te gemoet komt. Wanneer namelijk een ligchaam eens in beweging is, dan heeft het in zich zelf geen vermogen, om die beweging te staken, of om tot den staat van rust over te gaan, en hetzelve zoude onafgebroken met denzelfden graad van beweging aanhouden, indien niet een of andere tegenstand van buiten, die beweging tegenhield. Deze stelling zal voor vele onzer lezers vreemd schijnen, daar wij geen ligchaam in beweging zetten, hetwelk niet na korteren of langeren tijd tot den staat van rust komt. Wanneer wij namelijk eenen kogel met eene zekere kracht over een vlakte voortwerpen, dan is het ons allen bekend, dat het ligchaam, na welligt eenige honderd ellen te zijn voortgerold, eindelijk tot rust komt. Zoo wij intusschen dien kogel, over eene gelijke oppervlakte b. v. over glad ijs werpen, dan zullen wij zien, dat de kogel tot op eenen grooteren afstand zal voortrollen, dan wel over eene oneffene oppervlakte, eer dezelve in rust komt. De oorzaak van dit verschil in den doorgeloopenen afstand bij de twee gevallen bestaat alleen daarin, dat de kogel in het eerste geval op den ruwen grond meer hinderpalen ondervond, dan wel op het gladde ijs, en zoo men in staat ware, om alle oneffenheden van den kogel en het ijs uit den weg te ruimen, dan zou dit voorwerp nog oneindig grooteren afstand afleggen,—ja, zoo de omringende lucht mede geenen tegenstand in den weg stelde, of zoo de mogelijkheid bestond, om dezen tegenstand geheel te vernietigen, dan zou de geringste kracht reeds toereikende zijn, om den kogel eene voortdurende beweging mede te deelen. Dit vermogen der ligchamen, om in den staat van rust, of in die van beweging te volharden, noemt men traagheidkracht, inertie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings