§ 46.
D. van den Bosch translation
Dat wij nu overgaan, om naar de grootte der hoofddeelen het vermogen van het werktuig te bepalen, en de hoeveelheid brandstoffen, welke voor de vereischte hoeveelheid stoom noodig is, mitsgaders: hoeveel water men voor den verbruikten stoom weder in den ketel moet aanvullen, en wat aan koelwater voor de condensatie moet worden geleverd.
Men is gewoon, het vermogen van een stoomwerktuig uit te drukken in paardenkrachten, dat is: in het vermogen van een zeker getal paarden, welke voorondersteld in den rosmolen te werken, hetzelfde werk zouden doen, dat met het werktuig verrigt wordt: maalt men bij voorbeeld 100 mudden graan met het werktuig in een uur tijds, dan zal het vermogen van hetzelve gelijk zijn aan het getal paarden, welke in den rosmolen die zelfde hoeveelheid graan in gelijke tijd vermalen; dat is, gelijk aan zooveel paardenkrachten. Maar dewijl de paarden allen niet even krachtig zijn, heeft men eenen gemiddelden term daarvoor moeten aannemen, welke volgens de ondervinding met het gemiddeld vermogen van een paard overeenkomt. De groote verbeteraar der stoomwerktuigen de Engelsman J. Watt, heeft gesteld, dat een paard van middelbare sterkte 4562-1/3 ned. ponden, eene ned. el hoog kan opvoeren in den tijd van 1 minuut; of hetgeen hetzelfde is, het dubbeld van dit gewigt, een halve ned. el hoog in denzelfden tijd, of ook, zoo men wil, de helft van dit gewigt of 2781-1/6 ned. ponden, twee ellen hoog in eene minuut.
Wat ons derhalve te doen staat, om het vermogen van een stoomwerktuig in paardenkrachten te bepalen, bestaat daarin, dat wij onderzoeken, hoeveel ponden door het werktuig in den tijd van eene minuut een el hoog kunnen worden opgeligt. Hiertoe zal van den kant onzer lezers slechts eene geringe oplettendheid, bij het nagaan van het volgende, vereischt worden.