Sarah Bernhardt.
J. H. van der Hoeven translation
In 1881 had iedereen den mond vol over Sarah Bernhardt, haar "gouden stem" en vooral over haar buitenissigheden. Sarah Bernhardt, luchtreizigster; Sarah Bernhardt, beeldhouwster, Sarah Bernhardt, schilderes. Haar spreekwoordelijke magerte, haar bloed opgeven, haar contractbreuk met het Théâter-Français, de doodkist, waarin zij sliep, leverden stof tot sensatie artikelen aan al de dagbladen van de wereld.
Haar naam had toen reeds een wereldreputatie, iedereen wist over haar steeds iets nieuws op te disschen.
Chef in één der magazijnen van mijn ouders, een dol liefhebber van tooneel en Fransche litteratuur, ontkwam ook ik niet aan de algemeene "rage" en ik kende slechts één verlangen: Sarah te spreken te krijgen! Ik putte mij uit hoe en op welke manier mij dit zou gelukken en kwam tenslotte tot de conclusie, dat de eenige praktische oplossing daarin bestond, haar te Parijs te gaan opzoeken en haar trachten over te halen eenige voorstellingen te Amsterdam te komen geven.
Op goeden voet verkeerend met den ouden heer van Lier, directeur van het Grand-Théâter, bespraken wij dit plan en ook hij hechtte zijn goedkeuring er aan, zoodat ik mij terstond gereed maakte naar Parijs te trekken, waar ik mij verstond met Boucher, den sociétaire van de "Comédie Française" die het monopolie had voor het arrangeeren der kunstreizen, die de leden van het "Huis van Molière" in den vreemde hielden.
Zoowel toen als tegenwoordig waren de sterren van de "Comédie" op de affiches van alle groote schouwburgen in Frankrijk en België te vinden, behalve op de billetten van hun eigen théâter. Van tijd tot tijd creëerden zij een rol in een nieuw stuk, speelden in een klassiek werk of in één of ander repertoire stuk mee, voor de rest traden ze als "gast" op in de provincie, waar de bijvoeging Sociétaire van de "Comédie Française" steeds haar toovermacht op het publiek uitoefende en een grooten toeloop deed verwachten. Onder Perrin gebeurde dit al even vaak als onder de huidige administratie van Jules Claretie, en zonder twijfel zal na het heengaan van dezen eminenten Académicien daar evenmin verandering in komen.[1]
Boucher en ik werden het spoedig eens. De kosten, het repertoire, de gage, de artiesten, die met Sarah voor de twee voorstellingen te Amsterdam zouden meekomen, alles werd per contract besproken en geregeld en er restte mij toen alleen nog de zorg de overwinning voor te bereiden, want dat haar komst voor ons beiden een overwinning zou zijn, daaraan twijfelde ik geen oogenblik.
Eindelijk is de lang verwachte dag der eerste opvoering op komst en 's morgens om zes uur was ik reeds aan de Belgische grens aanwezig om de groote actrice en haar gezelschap op te wachten.
Den vorigen avond tegen elf uur uit Parijs vertrokken, kwam Sarah doodvermoeid uit haar slaapwagen gestapt, sleepte zich naar het douanelokaal en hield telkens voor haar mond een klein batist zakdoekje, dat dan een lichtroode kleur vertoonde. Ik meende toen nog in alle ernst, dat het bloed was en kreeg eerst later de zekerheid, dat die lichtroode kleur het gevolg was van het wrijven langs haar lippen, die onder de pommade zaten.
Jaren achtereen heeft het publiek van heel de beschaafde wereld zich over haar zwakke gezondheid bezorgd gemaakt en vreesde men, dat deze tengere actrice nog eens op de planken zou sterven. Ruim veertig jaar heeft Sarah echter reeds de wereld rondgetrokken, een groot gedeelte daarvan in treinen en op stoombooten doorgebracht, de vermoeiendste rollen gespeeld, vaak tweemaal op één dag, en haar gezondheid heeft er niets van te lijden gehad. Een ander artiest zou reeds lang het bijltje er bij hebben moeten neerleggen, zelfs al deed hij de helft minder dan deze energieke, onvermoeibare vrouw.
's Middags om half één arriveerden wij aan het Centraal Station in Hollands hoofdstad. Het geheele perron stond zwart van de menschen, die getuigen hadden willen zijn van de inkomst van de beroemde Parijsche ster. Met groote moeite banen de schilder Jules Clairin, Angélo, Boucher en ik ons een doorgang om Sarah in de gelegenheid te stellen de wachtkamer te bereiken, die door de zorg van de spoorwegmaatschappij in een fraai ontvangsalon was herschapen.
De burgemeester met eenige leden van het stadsbestuur en vele afgevaardigden van artistieke genootschappen, artiesten en journalisten verdringen zich om Sarah bloemen aan te bieden en hun speechen af te steken.
Sarah krijgt hierbij een flauwtje en zakt op de canapé inéén... Groote consternatie... Het gedruisch van stemmen maakt plaats voor een doodsche stilte. Zij opent de oogen... algemeene herademing... Daarop begeeft men zich naar den voorhal. Daar wachten een landauer met vier paarden "à la daumont" bespannen en een voorrijder, witgepruikt haar op, afgestaan door den heer Carré, den welbekenden circusdirecteur van Amsterdam. Sarah neemt plaats op den achterbank, de heer van Lier en mijn persoontje tegenover haar, en onder luid gejuich rijden wij heen.
Het Stationsplein is afgezet, de schepen op het Damrak hebben de vlag in top, tot op de daken der huizen staan de menschen dicht op een gepakt, terwijl men de plaatsen voor de vensters voor grof geld verhuurd heeft. Een regeerende vorst zou op geen triomphaler intocht aanspraak hebben kunnen maken!
Ons rijtuig werd door vele landauers gevolgd en daarachter vereenigingen met hun banieren, muziek voorop. Van het Station tot vóór den schouwburg in de Amstelstraat hoorde men overal geestdriftige kreten:
Leve Sarah! Leve Sarah Bernhardt! Sarah!..
Op het balcon van het Grand-Théâter had men een orkest geplaatst en toen wij aankwamen speelde het de "Marseillaise".
Sarah richtte zich ontroerd op en riep duidelijk verstaanbaar: "Dank u!" "Dank u!"
Hoewel met Fransch accent klonken deze woorden niettemin Hollandsch. De groote artieste heeft Hollandsch gesproken! Zij heeft blijk gegeven haar afkomst niet vergeten te zijn. Het publiek raakt buiten zich zelf, men dringt op naar ons rijtuig om met de bloemen, waarmee het versierd is, zich te tooien. Men tracht Sarah bij de hand te pakken om er een kus op te drukken. In het gedrang kan men niets onderscheiden en zoo gebeurde het, dat men mijn handen kuste in de meening Sarah hulde te brengen.
Ik zal deze triomphale intocht dan ook nimmer vergeten, te meer omdat zij mijn debuut als "impresario" werd.
Gedurende de groote tournée van Sarah Bernhardt onder mijn leiding door Europa, was ik eens genoodzaakt zelf als acteur te figureeren. Gelukkig is dit malle avontuur bij deze eene maal gebleven.
We zouden te Turijn in het Scribe Théâter voor de zooveelste keer de "Dame aux Camélias" geven. Joliet, de broeder van den "pensionnaire" van de Comédie Française, die de kleine rol van den dokter in het vijfde bedrijf had te spelen, was ziek geworden en moest in het hôtel blijven.
Mme Sarah Bernhardt liet mij bij zich komen en sprak:
—Joliet is ongesteld, de geheele troep speelt in het stuk mee, er is niemand die hem vervangen kan en wij moeten die rol toch bezetten.
—Kunnen we haar niet weglaten, 't zijn maar enkele woorden?...
—Neen, dat wil ik niet, desnoods speelt U haar.
—Ik mevrouw!
—Ja zeker, U, dat blijft zoo afgesproken.
Of ik haar al uitlegde, dat ik nooit voor het publiek gespeeld had, dat ik bij de contrôle moest blijven, dat ik te veel te doen had, het hielp allemaal niets. Ze dreigde zelfs, de voorstelling uit te stellen en dien avond niet te spelen.
Twaalfduizend francs recette teruggeven, dat nooit! Ik trok daarom de stoute schoenen aan, kleedde mij in een langen jas, zette een hoogen cylinder op, liet me een peper en zout baardje plakken, zette een gouden lorgnet op en hield me gereed voor den aanvang.
Vol moed betrad ik het tooneel. Ik nader de stervende Marguérite Gauthier, vat haar hand in de mijne, zie haar aan en spreek zoo duidelijk mogelijk de enkele woorden van mijn rol: "Arme Marguérite!"
Reeds wend ik mij om, toen de smeekende stem van Sarah me terug roept.
—Dokter, ga nog niet heen!
Ik keer naar haar ziekbed terug, neem opnieuw haar pols op en roep uit: "Arme Marguérite!"
Ditmaal meen ik aan mijn plicht voldaan te hebben. Ik zet mijn hoed op, doch voel plotseling dat ik niet weg kan. Sarah heeft mij bij mijn jaspand gegrepen en roept met snikkende stem:
—Blijf toch, dokter, ga niet heen, ik smeek U er om, zeg mij alles, alles!
Wat te doen?
Het zweet staat op mijn voorhoofd, ik voel dat mijn baard zal loslaten en ik weet niets te zeggen. Toch kan ik deze malle situatie niet langer rekken uit vrees, dat het publiek zal merken, wat er gaande is.
Nog eenmaal wend ik mij om, neem Sarah's hand voor de derde maal in de mijne en roep vertwijfeld achtereen: "Arme Marguérite", "arme Marguérite!"
Den volgenden dag waren alle kranten vol lof over de groote Sarah en haar uitstekend gezelschap. Men prees echter geenszins den dokter, die door zijn malle houding het succès van deze prachtige voorstelling bijna in de waagschaal had gesteld.
Om aan het publiek der Vereenigde Staten van Amerika den inhoud der stukken te verklaren, die Sarah op haar tournée zou geven, had men vooruit een uittreksel der meesterwerken van Racine, Corneille, Dumas, Augier, Meilhac en Halévy, bedrijf per bedrijf in het Engelsch vertaald. Deze korte inhoudsverklaringen werden bij groote getale naar de verschillende schouwburgen verzonden en tegelijk met de plaatsen aan de toeschouwers afgegeven. Voor hen die het Fransch niet machtig waren, was dit een groot gemak om toch de opvoeringen te kunnen volgen.
In één dezer plaatsen, waar men voor de zooveelste maal "La Dame aux Camélias" vertoonde, die in Amerika met Camille wordt aangesproken, waaròm, weet ik niet, vond het volgende plaats. De secretaris van onze tournée had zich bij het verzenden van het pakket vergist en in plaats van de brochures van Dumas' tooneelspel, die van Racine's "Phèdre" gestuurd. De bureaulist had er evenmin acht op geslagen en ze overal uitgedeeld.
Het publiek volgde dien avond met gespannen aandacht het stuk, dat wederom een groot succes had en juichte Sarah onbedaarlijk toe. Hoe ongelooflijk het ook moge klinken, niemand had van deze vergissing van de administratie het minste gemerkt en doodkalm het droevige einde van de schoonmoeder van Hippolytus voor de liefdesroman van Marguérite Gauthier opgevat.