André Antoine.
J. H. van der Hoeven translation
Gedurende mijn gansche impresariaat heb ik nimmer een artiest leeren kennen, die meer in zijn kunst opging, vasthoudender zijn weg vervolgde en eigenzinniger was dan André Antoine.
Uit eerbied voor zijn pogen heb ik vanaf de oprichting van zijn "Théâtre Libre" jaren lang zijn artistieke carrière gevolgd en me steeds de grootste opofferingen getroost om hem in staat te stellen zijn eerzuchtige plannen, zijn belangrijke hervormingen ten uitvoer brengen.
Buiten mijn oprechte bewondering, gevoel ik nog steeds voor dit "groote kind", zoo vol idealen, een warme sympathie, want men mòet van hem houden ondanks zijn gebreken, men kàn hem geen kwaad hart toedragen.
Onvermoeid, door niets van zijn ideeën af te brengen, herrijst hij telkens als een phenix uit zijn asch. Tegenspoed schijnt op hem geen vat te hebben. Tien jaar lang heb ik met hem saamgewerkt, vanaf den tijd dat hij als baanbreker der Fransche tooneelspeelkunst, zich vrijmaakte van de ingewortelde traditie, tot aan zijn officieele erkenning van één der eerste Parijsche tooneel leiders.
23 Maart 1892 begonnen wij onze eerste tournée in het Grand-Théâtre te Luik. Waar wij ook optraden, was het publiek op onze hand. De naam van "Théâtre Libre" heeft in het buitenland niemand afgeschrikt. Te Amsterdam, waar wij daarna speelden, was de zaal van het Grand-Théâtre uitverkocht. Onder de twaalfhonderd personen bevonden zich echter maar drie dames. De heeren Van Lier, directeuren van dien schouwburg, verbaasden zich hierover en waren niet weinig verontwaardigd. Het publiek meende zeker een pornografisch schouwspel uit dat verdorven Parijs te wachten te zijn, waarbij de tegenwoordigheid van het zwakke geslacht nu eenmaal niet zou passen. Toch hadden we tijdig den naam van het stuk en van den schrijver geannonceerd: "Blanchette" van Brieux.
Bij het eerste bedrijf bleef de zaal tamelijk koel, men verbaasde zich over den inhoud, bij het tweede hadden wij echter gewonnen spel. Nu men geen onbehoorlijk gegeven te zien kreeg, waarop de meesten gerekend hadden, zonder het waarschijnlijk te willen bekennen, boeide weldra de ernstige uiteenzetting van het drama, dat overigens door Antoine en de zijnen meesterlijk gespeeld werd. Den volgenden avond werd "L'Ecole des Veufs" opgevoerd, een satyriek tooneelspel van Georges Ancey, dat niet minder insloeg. Onze grootste triumf werd behaald met "La Dupe", van den zelfden auteur, die terecht één der meest gevierde schrijvers van het "Théâtre Libre" is geweest. De scène, waarin Antoine zijn vrouw een paar oorvijgen uitdeelt, sloeg wel 't meest in. Antoine verwonderde zich hierover en zei me:
"Het schijnt hier in 't Noorden gewoonte te zijn, een lastige vrouw hardhandig haar ongelijk aan het verstand te brengen. In Parijs hebben wij deze scène nooit kunnen spelen dan onder luid protest."
Het vervolg van onze tournée stelde hem echter in 't ongelijk. Overal, zoowel in Zuid- als Midden-Frankrijk, Zwitserland en Italië hadden we met dit tooneel een even groot succés als in Holland, Duitschland en Oostenrijk.
Te Marseille gaven we "Seul", een stuk in drie bedrijven, van Guinon. In het tweede bedrijf komt een kind voor, dat ter gelegenheid van den jaardag van zijn grootvader een fabel moet opzeggen. Om overal een kind van zes à acht jaar met den troep mee te nemen, ging natuurlijk niet aan. Ik had dus aan alle schouwburgdirecties, waar wij dit stuk hoopten op te voeren, vooruit geschreven om een kind ter plaatse de fabel "Les deux Pigeons" van La-fontaine te laten instudeeren. Tot nog toe was dit overal goed gegaan.
Te Marseille toont men ons vóór het scherm opgaat een allerliefst kereltje.
—Ken je de fabel van buiten, vraagt Antoine hem.
—Ja, meneer.
—Goed zoo. Ga dan maar in den foyer zoolang wat spelen tot het je beurt is, dan laat ik je wel halen.
Het tweede bedrijf is begonnen, het kind komt op en begint.
—Ach, pécaïre!
Nog nooit had men in de omgeving der Canebière zoo'n echt Marseillaansch accent op de planken gehoord. Bij de eerste woorden begint men in de fauteuils te lachen, weldra brult de geheele zaal.
"Deux pigeons s'aimaient d'amour tendre.... Antoine omhelst het kind en zegt:
—Genoeg, ik ben tevreden.
De knaap kijkt zijn grootvader verbaasd aan en begint opnieuw:
"Deux pigeons...."
Antoine hem snel in de rede vallend.
—Het was mooi, houd nu maar op.
Het kind is daarover zeer ontstemd en gaat bedaard voort. De zaal giert het uit.
Dat is te erg!
Antoine ten einde raad, knijpt hem in de arm en fluistert:
—Als je nu niet gauw je mond houdt, kwajongen!
—Nee, ik hou m'n mond niet, pruilt de kleine. Ik heb de fabel geleerd, ik zal haar ook opzeggen.
Er viel niets aan te doen! De fabel werd nogmaals tot het eind voorgedragen tot groot vermaak van het publiek, tot ergernis van grootvader Antoine.
In de maand Maart 1904 keerden wij naar Marseille terug om daar een zestal voorstellingen in het "Théâtre des Variétés" te geven. Evenals twee jaren te voren is alles vooruit besproken.
Nadat wij ons répertoire met "La Fille Elise" en "Boubourouche" vermeerderd en daarvoor Lérand, die nu al jaren een eerste plaats aan den "Vaudeville"-schouwburg inneemt—geëngageerd hadden, begaven wij ons naar Brussel om vandaar uit een nieuwe tournée te beginnen.
Den dag voor ons vertrek was de arme Jeanne Dulac, die bij een petroleumlamp haar handschoenen gewasschen had, te dicht bij 't vuur gekomen. De benzine had vlam gevat en zij bracht het er nauwelijks levend af. Vreeselijke brandwonden bedekten haar lichaam. Zij moest maanden lang te bed blijven.
Het was bij twaalven, toen wij 't ongeval vernamen en wij moesten den volgenden dag om zeven uur verder. Terstond werden maatregelen genomen, haar plaats door een ander te doen innemen. Het gelukte ons Eugénie Nau, zij, die de rol van "La Fille Elise" gecreëerd had, te bewegen haar ongelukkige kameraad bij deze tournée te vervangen.
Van de tien verschillende stukken, die wij te spelen hadden, kende zij slechts die ééne rol. Gedurende de geheele reis moesten wij dus overal repeteeren, zonder oponthoud. Zoodra wij ons in een trein geïnstalleerd hadden, begon men in één der wagons met Mlle Nau de rollen door te nemen. Bij elke halte zocht Gémier, die toen regisseur bij den troep was, van wagen tot wagen de artisten bijeen, die de "wachten" hadden te geven en zoo wisselden zij elkaar af. Overal werd dus vlijtig gestudeerd, in hotels, in wachtkamers, in de tusschenbedrijven, in den foyer en 's avonds na de voorstelling. Geen minuut rust tijdens de twee weken, die wij in Holland doorbrachten. De tien stukken werden dan ook gekend. Antoine en zijn artisten konden met welgevallen op hun reuzenarbeid terugzien, maar aangenaam reizen was het nu direct niet.
Van Konstantinopel naar Italië overstekend, werden wij te Milaan door de eerste auteurs en artisten verwelkomd. Annunzio, Bracco, Traversi, Duse, Zacconi, Novelli woonden verschillende voorstellingen bij en beloonden ons met applaus. Natuurlijk dachten we te Rome prachtige zaken te maken. Helaas, het mocht niet zijn!
Den eersten avond is de zaal van den schouwburg "Valle" door een élite-publiek bezet. We geven "Blanchette", het bekende succèsstuk.
Het eerste bedrijf wordt koel ontvangen. Geen nood, dit waren wij reeds van andere steden gewoon. In het tweede komt echter geen hand op elkaar, in het derde is de zaal reeds over de helft leeggeloopen.
We informeeren terstond naar de reden van dit gebrek aan belangstelling.
Een misverstand! Men was in de meening Parijsche toiletten te zien te krijgen en ons stuk speelde in een boerenmilieu. Om bij het publiek te Rome succès te hebben, hadden wij de medewerking van Paquin of Redfern noodig gehad.
Hoewel ik hierna geen tournée met Antoine meer ondernomen heb, kan de oprichter van het "Théâtre Libre" over onze samenwerking tevreden zijn. Onze voorstellingen in het buitenland hadden te samen, na aftrek der onkosten, het aanzienlijk bedrag van 314,500 francs opgeleverd, een som, die Antoine in staat stelde zijn voor het moderne tooneel zoo interessanten strijd met nieuwe kracht voort te zetten.