← Table of contents
Achter de schermen

Mijn betrekkingen tot Gekroonde Hoofden

J. H. van der Hoeven translation

In December 1882 tijdens mijn "tournée" met Constant Coquelin door Europa, bevond ik mij te St. Petersburg, toen op een goeden dag generaal Richter, intendant bij Czar Alexander III zich aan mijn hôtel vervoegde met het verzoek hem naar het paleis Gatchina te willen volgen. De keizer had namelijk zijn verlangen te kennen gegeven zich persoonlijk met mij te onderhouden over het organiseeren van een voorstelling met Coquelin in zijn winterresidentie.

Bij aankomst werd ik in een zeer eenvoudig gemeubileerd vertrek gelaten, waar spoedig daarop een rijzige gestalte met hoog voorhoofd, droomenden blik, langen baard en met een burgerlijk colbertje aan mij de hand toestak. Het was de alleenheerscher over meer dan honderd zeventien millioen onderdanen in eigen persoon!... Hij presenteert mij een cigaret en ons onderhoud neemt een aanvang. In het kort deel ik hem op zijn verzoek den korten inhoud mee van de stukken, die Coquelin en zijn gezelschap op hun repertoire hebben. Tenslotte merkt de keizer op, die met gekruiste beenen, geheel op zijn gemak naar mij zat te luisteren:

—Meneer Schürmann, ik ben slecht op de hoogte met die verschillenden tooneelstukken. Ik wil liever eerst de keizerin raadplegen of nog beter, ik laat het geheel aan u over, omdat u zelf wel het best zult weten in welke rol Coquelin het meest voldoet en welk stuk ook voor de jeugd past, want ik ben er op gesteld, dat ook mijn kinderen de vertooning bijwonen.

Ik koos "Gringoire" en "Les Précieuses Ridicules" benevens enkele bescheiden monologen. In een gereserveerde loge namen de keizer plaats met rechts van hem de keizerin en links haar zoontje, de toekomstige Czar Nicolaas II in een matrozenpakje; hij was toen ongeveer veertien jaar oud. De zaal bood een schitterenden aanblik, veel uniformen, diplomaten in ambtsgewaad en de dames allen zonder uitzondering gedecolleteerd.

Zijn Majesteit betoonde zich na afloop zeer ingenomen met deze voorstelling en schonk mij een kostbaren ring als herinnering aan dit voor mij onvergetelijk feest.

Minder aangename herinneringen zijn mij van de voorstellingen te Madrid in Maart 1883 bij gebleven. Ik had voor de tournée met Mme Favart van de "Comedie Française" het "Apollo Theâter" gepacht, toen ik bij aankomst vernam, dat de directeur Rocco er met niet minder dan twee en dertig duizend francs van door was gegaan, welk bedrag voor de serie voorstellingen door de high-life in Madrid aan plaatsen genomen was. Wat te doen? De opvoeringen moesten plaats vinden, want ik was deze tournée op eigen risico begonnen. Er schoot mij niets anders over dan vóór den aanvang het publiek van het gebeurde in kennis te stellen.

—Dames en Heeren. Hoewel het bedrag van de genomen abonnementen mij ontvreemd is geworden, voel ik mij verplicht de geleden schade niet op u te verhalen en zullen de aangekondigde voorstellingen gehandhaafd blijven.

Een luid applaus begroette deze woorden en nauwelijks was het eerste bedrijf ten einde of er werd mij verzocht in de loge van den koning te verschijnen. Alphons XII betuigde mij zijn leedwezen met het gebeurde en merkte lachend op, dat dit wel de eerste maal was, dat een impresario door een directeur bedrogen werd, want meestal had het omgekeerde plaats. "Tout est perdu fors l'honneur" heeft reeds één uwer koningen gezegd, laat dit u een troost zijn. Hierop ontdeed zijn Majesteit zich van zijn roset der orde van Isabella de Katholieke en stak ze in mijn knoopsgat.

Het stuk, we speelden "Serge Panine", had den koning maar matig voldaan. Hij beloofde mij echter ook de volgende avonden in den schouwburg te zullen komen. Door Zijn tegenwoordigheid kwam het publiek in grooten getale op, zoodat ik gedeeltelijk weer aan mijn kosten kwam.

Het volgende jaar bezocht de koning op zijn terugreis van Berlijn, waar Wilhelm I hem tot kolonel van een Uhlanen regiment had benoemd, Parijs.

De houding van de Parijzenaars was ditmaal alles behalve vriendelijk. Bij zijn rit van de Gare du Nord door de Rue Lafayette werd zelfs gefluit en gesis waargenomen en het was den koning aan te zien, dat hij zijn politieke verplichtingen verwenschte, die hem ditmaal aan zoo'n onheusche ontvangst blootstelden. Ook ik bevond mij onder de menigte en kon mij bij het hooren van dit gefluit en gesis niet weerhouden "Vive le roi!" te roepen. De koning wendde zich om, scheen mij te herkennen, want een vluchtige glimlach bedankte mij voor mijn moed.

Dat hier moed toe noodig was, bleek mij uit den geweldigen vuistslag die mijn hoogen hoed ver over mijn ooren deed zakken en aan mijn gescheurde en gehavende kleeren.

Toen ik kort daarop Anna Judic naar Madrid begeleidde, waar zij in het Zarzuela-theater als "Mam'zelle Nitouche" optrad, werd ik wederom bij den koning ontboden, die mij terstond de hand toestak.

—Waarde Schürmann, ik dank u voor uw enthousiasten groet in de Rue Lafayette.

—Hoezoo Sire, bent u dat nog niet vergeten?

—Dat kon moeilijk, want u waart de eenige, die mij toen dorst verwelkomen.

Met den voorlaatsten monarch van Portugal beleefde ik een komisch avontuur. Don Luiz was een dol liefhebber van muziek, d.w.z. van zijn eigen spel. Om mij daar een proef van te geven, noodigde zijn Majesteit mij ten paleize, na mij eerst gevraagd te hebben of ik een muziekkenner was.

Op het afgesproken uur liet ik mij aandienen. Hoe groot was evenwel mijn verwondering en spoedig daarop mijn verveling, toen ik een uur lang geheel alleen het gekras op een violoncel moest aanhooren, waarop zijn koninklijke Hoogheid mij meende te vergasten.

—Nu wat zegt u er van, luidde eindelijk zijn vraag.

—Sire, antwoordde ik onomwonden. Als u niet reeds koning van Portugal waart, engageerde ik U terstond als koning der cellisten en samen zouden we goud verdienen.

Dit antwoord scheen bij Don Luiz zoo zeer in den smaak te vallen dat hij mij dadelijk met het officierskruis van den Christus-orde vereerde.

Humbert I, de overleden koning van Italië was geen minnaar van tooneel, waar hij trouwens openlijk voor uit kwam. Toen ik in December 1884 met Mme Judic in den Argentina-schouwburg voorstellingen van "Niniche" gaf, ontving ik een schrijven van den hofintendant, dat zijn Majesteit één der voorstellingen met zijn tegenwoordigheid zou vereeren.

Kwart voor achten stond ik in de vestibule zijn Hoogheid op te wachten. Het werd acht, half negen, negen uur, nog steeds kwamen de rijtuigen niet voor. Eerst om tien minuten na negen verscheen de koning en zijn gemalin.

—Bent u de impresario, is 's konings eerste vraag. Hoe ver staat het met het stuk?

—Men wacht nog steeds op uw Majesteit. Ik dorst niet eerder te laten beginnen.

—Daarmee hebt u verkeerd gedaan. Zoo aangenaam vind ik het niet. In ieder geval zorgt u maar, dat het spoedig afloopt. De koningin om haars gemaals uitspraak eenigszins te verzachten, informeerde naar de verschillende artiesten en gaf dien avond verscheidene malen door applaus haar ingenomenheid met het vertoonde te kennen.

Ook de keizer van Oostenrijk, die tweemaal een voorstelling onder mijn leiding bijwoonde, was niet bepaald wat men noemt een tooneelliefhebber.

De eerste maal in 1881 tijdens de voorstellingen van Sarah Bernhardt in het "Ring Théâter" te Weenen, de tweede maal in 1885 in de Weensche "Musik Verein", toen Mme Patti weigerde een vierde nummer te zingen, voorgevend vermoeid te zijn, niettegenstaande het geestdriftige publiek er haar als 't ware om smeekte.

Franz Joseph had mij bij die gelegenheid opgedragen "la divine sérinette" uit zijn naam te complimenteeren en op mijn beurt drong ik er bij de diva op aan nog een extra nummer te geven.

Zou de keizer haar wel gecomplimenteerd hebben, wanneer hij Patti's antwoord had kunnen hooren?....

—Vraag hem Zaterdag voor mij te zingen, dan zal ik nu voor hem nog iets ten gehoore brengen.

In 1886 gebeurde mij te Kopenhagen het volgende bij mijn tournée met Mme Judic. Vóórdat de voorstelling aanving—de koning had nog niet in zijn loge plaats genomen—werd ik op het tooneel door een bejaard heer aangesproken, die mij allerlei bijzonderheden omtrent het debuut en het repertoire van onze ster vroeg. Plotseling word ik door Mme Judic geroepen.

—Schürmann, zou je me even kunnen helpen?

Excuseer en metéén gaf ik den ouden heer m'n claque over. Ik kom terstond terug.

Haast u maar niet, is zijn lachend antwoord.

Toen ik terugkwam, was hij verdwenen en een veel jongere heer geeft me met een woedend gezicht mijn hoed terug.

—Ik zou een andermaal eerst informeeren tot wien u spreekt. Weet u wel, aan wien u uw hoed te bewaren hebt gegeven? Aan den koning, meneer, aan den koning, die U dit waarschijnlijk zeer kwalijk heeft genomen.

Ik keek leelijk op m'n neus en dorst zijn Majesteit niet meer onder de oogen komen.

In de pauze kwam Christiaan IX wederom op het tooneel. Het eerste wat ik deed was hem mijn verontschuldiging aan te bieden.

—Het is wel, het is wel. Ik moest er zelf om lachen!

Toen ik in 1896 met La Duse Kopenhagen bezocht wist de bejaarde monarch dit voorval van tien jaar geleden zich nog best te herinneren. De koning woonde alle voorstellingen van Eleonora Duse bij, de eerste maal was hij vergezeld van de koningin, den keizer en keizerin van Rusland, den prins en prinses van Wales, den koning van Griekenland, prins Waldemar en den troonopvolger van Zweden.

De thans overleden vorst van Denemarken had zijn bijnaam van "schoonvader van Europa" terdege verdiend. Elk voorjaar kwam de uitgebreide vorstelijke familie in het kasteel Fredensborg bijeen en voor de verschillende regeerende hoofden van Europa was deze rustkuur, vrij van zorg en etiquette aan de familietafel van koning Christiaan steeds een der aangenaamste perioden uit hun leven.

Men stoorde zich hier letterlijk aan niets. De heeren liepen in een huisjasje met slappen hoed of stroohoed door de tuinen en waren aan niets van de Deensche burgerij te onderscheiden, de dames in eenvoudige robes tailleur deden in de stad hun inkoopen of speelden tennis en golf; kortom "des bourgeois en villégiature."

Op een goeden dag waren de heeren ter jacht uitgetrokken zonder gevolg, alleen in gezelschap van hun honden. Het wild bleek nog al schaarsch te zijn, want de jagers waren al heel ver over de velden voortgeloopen, zonder een enkelen fazant te hebben neergelegd. Plotseling begon de lucht te betrekken en brak er een geweldige regenbui los. Nergens in de buurt bleek een schuilplaats te zijn, toen onverwacht een boer kwam aanrijden op een breeden overdekten groentekar. Men houdt hem aan en na eenig praten stemt hij toe de heeren naar de stad te rijden.

Onderweg begint de boer aan het jongmensch dat naast hem op den bok heeft plaats genomen te vragen, waar die heeren toch wel vandaan kwamen, omdat hij hun taal—er werd Fransch gesproken—maar niet kon thuis brengen.

De jonge man—die niemand minder was dan de erfprins van Denemarken—antwoordde: Ik ben één van je landgenooten.

—Waar woont u dan?

—Te Fredensborg.

—Mag ik vragen, wat u daar voor een beroep uitoefent?

—O, niet veel bijzonders, ik ben maar erfprins.

—Hé, dat is toevallig! En die oude heer, achter u?

—Dat is mijn vader, koning Christiaan.

—Dacht ik het niet! En die twee heeren met hun baard.

—Wel dat zijn mijn zwagers, de keizer van Rusland en de koning van Engeland.

—Prachtig! Ik reis in fijn gezelschap, merkt het boertje spottend op.

En die twee anderen in den hoek?

—De oudste is mijn broer, de koning van Griekenland en die jongere, prins Karel.

—En hij, die op de honden past?

—De prins van Zweden.

—Het kan niet mooier! Welnu, laat ik u nu op mijn beurt eens in vertrouwen nemen, maar u moet me beloven het niet over te vertellen, wat ik u ga meedeelen.

—Mijn woord er op.

—Nou moet u eens raden, wie ík feitelijk ben.

—Wel, wie weet!

—Ik ben, maar u moet het niet verder vertellen. Ik ben "Onze lieve Heer."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings