Ibsen.
J. H. van der Hoeven translation
"Hedda Gabler", "Nora" en "Spoken", hetzij door Duse, Agnes Sorma, Suzanne Desprès of Antoine gedurende mijn "tournées" gespeeld, hadden steeds het grootste succes. Geen wonder, dat toen ik mij in 1903 te Christiana bevond, ik van verlangen brandde met den auteur dier beroemde stukken kennis te maken. Ik had vernomen, dat Ibsen eertijds gewoon was tegen half drie in het Grand-Hotel zijn middagmaal te gebruiken, temidden der vele stamgasten en vreemdelingen, niet weinig trotsch den schrijver van zooveel meesterwerken in hun midden te hebben, wiens bronzen konterfeitsel op het plein van het "National Teatret" tegenover dat van Björnsterne Björnson prijkt.
Ik trof het echter slecht. Ibsen kwam al lang niet meer in het Grand-Hotel, omdat de groote schrijver aan het sukkelen was geraakt en zijn kamer moest houden. Nog steeds waren zijn hersenen even gezond als in vroeger dagen, doch zijn gedachten in woorden omzetten scheen hij verleerd en hij sprak geheel andere woorden, dan hij wilde bezigen. Wanneer hij bijvoorbeeld iemand een stoel aanbood, zei hij: "neem een sigaar".
Eerst hadden deze vergissingen hem woedend gemaakt, zeer tot nadeel van zijn gezondheid. Daarom had zijn familie besloten hem zoo weinig mogelijk uit te laten gaan en verboden dat hij bezoekers ontving. Deze afzondering van de wereld had den bejaarden schrijver melancholiek gestemd. Hij, die gewoon was door de menigte toegejuicht te worden, kon zich niet goed aan deze kalmte wennen.
Als bewijs hoezeer hij op publieke hulde gesteld was, diene volgende bijzonderheid.
Zoodra Ibsen een stuk geëindigd had, meldden alle kranten van Christiana met vette letters: "Hendrik Ibsen heeft een nieuw stuk voltooid. Morgen tegen tien uur zal hij het manuscript naar den schouwburg brengen."
Wanneer dan de schrijver den volgenden dag op het vastgestelde uur deftig en met afgemeten passen zijn manuscript opgerold in de rechterhand zich naar den schouwburg begaf, stond het publiek aan weerszijden van den weg "en haie" opgesteld. Zoodra Ibsen zijn stuk afgegeven had en huiswaarts keerde, begonnen de toeschouwers, die tot nog toe zich kalm hadden gehouden luidkeels te juichen. Ibsen wuifde hen met de hand toe en glimlachte zelfbewust zijn roemvollen taak van apostel volbracht te hebben.
Zijn familie had nu het volgende verzonnen om hem van de hulde te laten genieten waaraan hij zoozeer gewoon was. Daar hij zich niet meer in het publiek bewoog, dekte men de tafel vlak vóór het venster van de eerste étage zijner woning, die links van het paleis van koning Oscar II aan den wandelweg gelegen was.
Zoodoende konden de inwoners van Christiania hun afgod aan het middagmaal zien zitten en hiervan was ik op mijn beurt eveneens getuige.
De oude meester zag er nog kranig uit. Zijn hoogrood gelaat werd door zijn sneeuwwitte haren en baard waardig omlijst en men kon hem niet aanzien, dat hij lijdende was. Zijn dochter naderde hem en fluisterde hem iets in het oor: Ibsen stond toen op, wuifde met zijn servet naar het publiek, waarna de gordijnen werden neergelaten. De voorstelling was afgeloopen...