Charles Lebargy.
J. H. van der Hoeven translation
Van dezen beroemden ex-sociétaire van de Comédie Française te Parijs, wel het meest bekend om de steeds wisselende keur en vorm van zijn fraaie dassen, die hij gewoon was te lanceeren, wordt de volgende anecdote verteld.
Op een goeden dag komt een acteur uit de provincie, voorzien van de beste aanbevelingen zich aan het woonhuis van Lebargy in de Rue du Cirque aanmelden, met het verzoek om zijn voorspraak voor een engagement aan het Theater Français.
—Reken niet op mij, waarde vriend, want ik zou je al terstond moeten teleurstellen. Er is bij ons zelfs geen plaats voor de "premiers prix" van het Conservatoire, wier engagement verplicht is. Er zijn er bij ons te veel. U hebt eerste rollen in de provincie gespeeld en nu wilt U daarmee ook te Parijs succes hebben, dat zou bij ons, gesteld dat u aangenomen werd, immers niet gaan.
Probeert u het liever eens bij Sarah Bernhardt, bij Hertz en Coquelin met aanbeveling van den schrijver, in wiens stukken u in de provincies met succes optrad, dat is het eenige wat ik er op weet.
—Dan rest mij niets anders dan afscheid te nemen!
—Inderdaad, doch à propos, wat draagt u daar voor een vreemd soort das!
—Dat is een gloednieuwe, die ik te Montpellier gekocht heb, vóór ik op reis ging.
—Dacht ik het niet! U moet die das zoo spoedig mogelijk afdoen, daarmee zult u nergens hier slagen.
Metéén opent Lebargy een kast, haalt er een doos uit en na eenig zoeken toont hij den verbaasden acteur een felkleurige bonte das.
—La cravate c'est l'homme, le noeud c'est l'artiste! Aan mijn dassen dank ik een groot deel van mijn succes. De keuze van een das is het criterium van den goeden smaak hier te Parijs, denk daar wèl om.
Hierop knoopt Lebargy hem de das om, trekt en plooit net zoo lang, tot hij over zijn werk tevreden is en houdt hem tenslotte een spiegel voor.
De overgelukkige acteur weet niet hoe hij Lebargy bedanken moet.
—U bent me volstrekt geen dank schuldig, onder confraters zijn we dat niet gewoon, maar wel twaalf francs vijftig, want dat is de prijs.
Niettegenstaande onze vriend met zijn das van drie francs vijftig wel zoo ingenomen was, dorst hij uit vrees Lebargy te beleedigen niets tegen zeggen en betaalde gelaten voor een oude das het vierdubbele van wat hij te Montpellier voor een gloednieuwe had moeten besteden.
Als bewijs dat Lebargy zijn waren aard niet verloochende, dient volgende anecdote.
Mijn secretaris Simonot maakte in den winter van 1896 met Lebargy en Mlle Dorziat een tournée door Oostenrijk en Roemenië. Ik zelf kon het gezelschap van Mme Duse niet in den steek laten, zoodat de leiding geheel op Simonet berustte. Telkens moest ik van hem hooren, dat hij niet uitkwam en dat de kosten door hem beraamd niet toereikend waren. Wat was het geval.
Elken avond na afloop der voorstelling riep Lebargy mijn secretaris bij zich en noodigde hem dan uit plaats in zijn rijtuig te nemen, doch zoodra het op betalen aankwam, scheen hij niet voldoende bij zich te hebben en was Simonot genoodzaakt met den koetsier af te rekenen. Ook gebeurde het vaak dat Simonot vroegtijdig bij de kassa aanwezig moest zijn vóór het openen van den schouwburg en geen tijd had te dineeren. Hij haalde zijn schade dan na afloop der voorstelling in en gewoonlijk vergezelde Lebargy hem naar het restaurant.
Met de noodige variaties speelden zich dan de volgende tooneeltjes af.
Nadat de "ober" de spijskaart had gebracht en zijn boekje te voorschijn haalde om de "plats" te noteeren, antwoordde Lebargy geregeld:
—Ik houd meneer maar wat gezelschap, want ik ben niet gewoon 's avonds laat zooveel te eten.
Een omelet wordt opgebracht. Nauwelijks heeft Simonot zijn mes er in gezet of Lebargy roept den kelner.
—Zeg, vriend, breng me eens vlug een couvert.
—Wenscht meneer dan toch te soupeeren?
—Dank je, doe echter wat ik je vraag.
Zoodra hij zijn bord en servies ontvangen heeft.
—Je permitteert, die omelet ziet er zoo smakelijk uit, ik wil er wel een stukje van mee eten.
Na de omelet komt de beurt aan de lamscôtelet met gebakken aardappeltjes.
—Het is gek, honger heb ik niet, maar die côtelet ruikt zoo lekker....
Bij elk gerecht, de zelfde geschiedenis. Zelfs van de kaas en de vruchten ligt weldra de helft op Lebargy's bord.
Zeg, Simonot, nu we zoo heerlijk gegeten hebben, kan je me wel een sigaar en een kop koffie offreeren. Ik heb je nu al zoo lang gezelschap gehouden!... Je weet, zoodra ik een avond vrij ben, inviteer ik je te dineeren.
Dat dit diner lang op zich liet wachten, behoeft na het bovenstaande wel geen betoog.