Louis Bouwmeester.
J. H. van der Hoeven translation
Mijn vriend Boucher, de bekende "sociétaire" der Comédie Française voelde zich na een 15-jarigen tooneeldienst te vermoeid om langer aan het Huis van Molière verbonden te blijven. Reeds lang te voren had hij met mij over zijn afscheidsvoorstelling zitten spreken en naar een nummer, "clou" gezocht, die aan het programma een bijzonder "cachet" zou geven.
Daar ik bij een vorig bezoek te Amsterdam in gesprek met Holland's grootsten tooneelspeler te weten was gekomen, hoe begeerig Louis Bouwmeester was het oordeel van een Parijsch publiek over zijn machtige kunst te vernemen, viel mij op eens in, dat dit een schitterende gelegenheid zou zijn om mijn grooten landgenoot een dienst te bewijzen en tegelijkertijd Boucher aan een trekpleister te helpen, zooals nog nimmer te Parijs vertoond was. Een Hollandsch acteur in het "Théâter Français", optredende in zijn eigen taal.
Boucher, geheel meester over het programma, hoewel zelden buitenlandsche elementen bij zoo'n gelegenheid hun medewerking verleenen, had daar eerst wel ooren naar. Hij kende Bouwmeester persoonlijk niet, had van Got- en Mounet-Sully echter met grooten lof over hem hooren spreken, doch oordeelde het optreden van een Hollandsch acteur, hoe beroemd in eigen land, van weinig aantrekkingskracht voor het Parijsche publiek, vooral wanneer hij een of ander dramatisch gedicht of monoloog in een vreemde taal zou voordragen.
Natuurlijk gaf ik mijn plan niet terstond op en daar ik in ieder geval moest weten of Bouwmeester midden in het seizoen van het "Nederlandsch Tooneel" vrijaf zou kunnen krijgen, de afscheidsvoorstelling zou nl. kort na de Kerstdagen van 1900 plaats vinden, stelde ik mij schriftelijk in verbinding met den directeur-gérant van den Stadsschouwburg, den heer van Korlaar. Plotseling kwam ik op het idée Bouwmeester in z'n schitterrol "Shylock" bij de Parijzenaars te introduceeren, omgeven door de artiesten van zijn eigen troep, die in brokstukken van Shakespeare's meesterwerk dus als 't ware een afgesloten geheel konden vertoonen.
Dit denkbeeld liet mij niet meer los. Boucher wist ik thans geheel voor mijn plan te winnen, vooral toen ik hem meedeelde, dat de geheele Hollandsche kolonie te Parijs zou kunnen opdagen en daar het Nederl. Tooneel het praedicaat "Koninklijk" voert, zouden wij aan de pers volgend "communiqué" kunnen zenden:
"Les comédiens de la Reine de Hollande prêteront leurs secours dans "Shylock, le Marchand de Venise", tragédie de W. Shakespeare," en dan "en vedette" de naam van Louis Bouwmeester!...
Toen ik daarop naar Amsterdam kon seinen, dat de Nederl. gezant te Parijs, Jhr. Ridder de Stuers zich eveneens voor dit kunstevenement interesseerde en den Raad van Beheer met de Hollandsche artiesten in zijn salon aan de Fransche collega's hoopte te kunnen voorstellen, waren alle bezwaren als met een tooverslag uit den weg geruimd en begaven zich de Hollandsche tooneelspelers op Vrijdag 27 Dec. op reis. Reeds hadden de Parijzenaars kennis kunnen maken met den "Shylock" van Novelli, den grooten Italiaanschen acteur, geen wonder dat de belangstelling hoog gespannen was en er voor niet minder dan 22.000 francs aan plaatsen waren genomen.
De voorstelling, die schitterend slaagde werd bijgewoond door den Minister van Schoone Kunsten, den heer Leygues, die na afloop den Nederlandschen gezant verzocht Louis Bouwmeester mee te deelen, dat hij hem de palmen van "Officier d'Académie" verleende. Voorwaar een onderscheiding op het slagveld gewonnen!