← Table of contents
Poëzy

DES NEGERS KLACHT.

Reading edition

Ver van mijn huis en erve, Geslingerd op de zee, Om vreemden rijk te maken, Nam mij de dwingland meê. Voor wat armzalig zilver Kocht en verkocht men mij— Maar, klemt de slavenketen, De zielen blijven vrij!

De onbandige gedachte Zoekt, Blanken! naar het recht, Waarmeê ge uws Meesters doornen Ons om de slapen vlecht. Heeft mij als u geen moeder Gedragen onder 't hart? En vraagt misschien de Liefde Als gij naar wit of zwart?

Waartoe de plant geschapen, Waarvoor ik zwoegen moet? Verschroeit haar, o mijn tranen! Verstik haar, o mijn bloed! Ach, dacht gij 't in, gij meester! Hoe duur uw feestvreugde is, Wat schouders zijn verbrijzeld, Voor 't zoete van uw disch!

Regeert er Éen daarboven, Wiens vonnis ons verwees? Heeft Hij bevel gegeven Te handlen in ons vleesch? Heeft Hij de zweep gevlochten, Den boei zoo vast geschroefd, Die onze kranke leden Tot op 't gebeente groeft?

Hij andwoordt—in de stormen, Die schepen doen vergaan, Die steden en plantaadjes Tot gruizels nederslaan; Hij ziet vergramd Zijn kindren In 't martelbloed vertreên, En dondrende op uw daken, Spreekt Hij Zijn heilig: "NEEN!"

O, bij ons bloed, vergoten In wilde menschenjacht,— Bij 't lijden en de ellende, Waarmeê ge uw vloot bevracht,— Bij 't stijgen van den jammer, Die op uw markten gilt,— Bij 't harte, dat verbroken In duizend boezems trilt,—

Niet langer dus Gods schepsel Beneden 't dier verlaagd, Alleen omdat zijn voorhoofd Uw bleeken tint niet draagt! Gij slaven van uw zilver, Die 't recht der menschheid schent, Toont menschlijke gevoelens Eer gij ze in ons ontkent!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings