DE PRAIRIËN.
Reading edition
I.
Gij gaarden, door de woestenij gekweekt, Gij weiden, onbegrensd en ongeschoren, Wier naam aan Englands trotsche taal ontbreekt! Prairiën, neen! ik zag u nooit te voren; En nu, terwijl mijn oog u overziet, Hoe bruisend stroomt op eens mij 't bloed door de aâren! Gij strekt u uit naar 't eindeloos verschiet, Gelijk een staande zee, wier groene baren Voor eeuwig onbeweeglijk zijn. Maar neen! Op eens herneemt gij de oude vrijheid weder. Gevleugeld trekt de wolkenschaduw heen; De vlakte ontwaakt en wiegt zich op en neder; De lichte hoogten buigen om en om, De donkre diepten golven. Dartel stoeien De windtjens met de bloemen, die alom Als uitgestrooide zonnevonken gloeien; En roerloos zeilt de valk der woestenij Hoog in de lucht op breede wiek voorbij. Gij dartle windtjens! kustet Texas druiven, Gij deedt de Mexikaansche palmen wuiven, Gij volgdet door de Zuider-lustwarand De beekjens, die, Sonoraas klare wellen Ontsprongen, even lustig zeewaards snellen; Maar hebt gij ooit een schooner wonderland Dan dit doorwaaid? 't Heeft niets aan Menschlijk pogen Te danken: 't Is Gods werk! Dezelfde hand, Die ginds den bouw voltrok der hemelbogen, Schiep ook die zee van gras, andre oceaan, Waar eeuw aan eeuw de groene golven gaan, En woud aan woud als eilanden verrijzen, Een archipel van frissche Paradijzen! Die bodem is den hemeltempel waard, En bootst de starren van zijn koepelwelven Met mozaïk van bloemen na!…. Schoone Aard, Hoe lokt gij hier den hoogen hemel-zelven Ter neder, tot hij altijd teêrder blauwt, En eindlijk wegsmelt in uw levend emeraud!
II.
Als ik mijn klepper prikkel met de sporen, Die tot de heupen voortwaadt door het gras, Klinkt mij 't eentonig hoefgestamp in de ooren, Ja, bijna of het heiligschennis was. Wie weet? als we eens der graven rust ontwijdden? Slaapt hier misschien een volk uit vroeger tijden, En is dit stof wellicht der dooden asch, Eens tintelend van leven?—Dat vermelden Die muren, rijzend boven 't eikenwoud, Heenblikkende over de eindloosheid der velden! 't Geslacht, dat eens dit bolwerk heeft gebouwd, Is lang reeds van de moederaard verdwenen. 't Was jong en sterk, en stapelde zijn steenen Reusachtig op, terwijl de westerzon In Griekenland misschien de rots bestraalde, Het voetstuk van het heerlijk Parthenon! Hier droeg de grond hun welig graan; hier dwaalde Hun grazend vee; hier liet de buffelstier Den stuggen nek in 't juk des ploegers klemmen; Hier klonken eens de honderdduizend stemmen Van levenslust en arbeid en vertier. Hier zwierven menigmaal verliefde paren In 't eenzaam rond bij d' avondzonnestraal, Geloften wisslend in vergeten taal, En klanken—wie zal zeggen uit wat snaren Getokkeld, of uit welk welluidend riet Geblazen?—met hun teeder minnelied Meêgevend met de winden!…. Maar daar daagde De Roodhuid op: het oud geslacht verdween, Dat deze muren bouwde. 't Was als vaagde De storm hen weg, en eeuwen achtereen Mocht de Eenzaamheid alreeds hun plaats bekleeden. De wolf zoekt in de wildernis naar buit; De schildpad holt den leêgen bodem uit, Eens overdekt met dichtbevolkte steden. 't Is alles weg—alleen de heuvlen niet, Waar 't oud geslacht zijn beendren achterliet; De hoogten niet, waar ze op de groene zooden Zich bogen voor hunne onbekende goden; De wallen niet, ten bolwerk saamgeprest Voor 's vijands woên: tot straks de Wilde er brulde, De schansen overrompelde, en de vest Met lijkenheuvels van verslaagnen vulde. De gieren schoten in al dichter kring Ter neder op de doôn: wie zou hen storen In 't gruwzaam maal?—Een enkle vluchteling Doordwaalde 't woud, op 't glibbrig pad verloren, Tot de eenzaamheid hem wreeder scheen dan 't graf, En hij zich in des vijands handen gaf. Niet alle vonken van 't gevoel verdoofden: Hij vindt een plaats in schaûw des rieten daks; De onbandige overwinnaars gunnen straks Hem, meerbeschaafde, een zetel bij hun Hoofden. Nu kiest hij uit hun dochtren zich een bruid; Vergeten schijnt wat nimmer werd vergeten, Zijn eerste liefde en menig dierbre spruit, Met heel zijn ras vermoord, in 't slijk versmeten Door 't eigen volk, dat nu de broederhand ontsluit!
III.
Zoo wisselt alles hier! Éen wenk des Heeren, En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch, Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!…. De Roodhuid ook verliet de wildernis, Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen Hij telde—om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid, Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen. Niet langer huist de bever aan dees stroomen: Ver aan de vrije waatren, die nog nooit Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit, Bouwt hij zijn klein Venetië.—Hier loeit Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen Van 't plekjen waar de lichte rookkolom Verkondigt dat de verste jagers wijlen, Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om; Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden!
IV.
Toch leeft altijd de oneindige woestijn. Wie zal haar duizenden bij namen noemen? Insekten, die, niet minder dan de bloemen, Met licht en kleuren overgoten zijn; En vogels, die ter nauwernood nog weten Wat vrees voor menschen is; een slanggebroed, Voortschuivend als een dichtgeschubde keten, Afgrijslijk schoon, in goud en purpergloed! De ranke hinde is schuw naar 't woud gevlogen; Ginds briescht het paard, nog maagd van toom en trens; De bij, veel stouter planter dan de mensch, Met wien zij uit het Oost is meêgetogen, Doorgonst op vliezen vlerkjens wijd en zijd De zonnige savanne en zoekt heur woning: Een eik, als in den gouden fabeltijd, Bergt in zijn hollen stam haar schat van honing. Ik luister lang naar 't welbekend geluid: 't Is of ik reeds de scharen aan zie zweven, Die de eenzaamheid bezielen met nieuw leven. Hoort! dartelende kinderen schaatren 't uit! Daar ruischen meisjensstemmen! Tonen galmen, Als noodde een sabbatsklok tot bede en psalmen! Ik zie de lammren door de klaver gaan; Het schelletjen der hamels doet zich hooren; De boogert kraakt; welluidend ruischt het koren…. Daar waait op eens een frissche wind mij aan, Mij wekkend uit mijn liefelijken waan— En 'k sta weêr eenzaam in de wildernis verloren!