XI.
Reading edition
EENE UIT VELEN.
In betere dagen ontvloog mij de tijd In 't bonte gewemel, der vreugde gewijd; Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend; De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend…. Hoe alles verandert in dagen van rouw: Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw?
De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen! Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alléen! Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin, Heur gunst duurt zóolang als de gunst der Fortuin: Het klokjen gelijk, dat in 't zonnelicht bloeit, Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid!
Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij: Was ik ook veranderd, dezelfde bleeft gij! Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan: Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan: De waschbloem gelijk, die bij 't grauwen der nacht Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht!