IV.
Reading edition
MIJMERING.
O, hoe vaak in den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht En de stem der Herinnering fluistert: Van de smart en de vreugd Eener zalige jeugd; Van de liefde, half schaamrood ontloken; Van de lipjens zoo rood, Nu verbleekt door den dood, En de harten, voor immer gebroken! Dus, in 't uur van den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht, En—de stem der Herinnering fluistert!
2.
Als ik denk aan den kring, Die me als broeder ontfing, Aan de schaar mijner bloeiende vrinden, Nu ter ruste geleid, Of verwelkt en verspreid, Als het najaarsgeblaârt op de winden: O, dan is 't of ik dwaal Door de feestlijke zaal, Nog zoo straks door de vreugde beschenen, Waar geen luchter meer blinkt, Waar geen beker meer klinkt, En de gasten, op mij na, verdwenen! Dus, in 't uur van den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht, En—de stem der Herinnering fluistert!