TWEEDE DEEL. (continued 3)
Reading edition
Den 7.
Na dat ik alle mijne bezoeken bij de Officieren van de bezetting afgelegt had, keerde ik volgens mijne belofte naar Boulgum om aldaar het middagmaal te houden, wanneer Mevrouw Kasloff mij voor haare ouders te Moscou brieven meedegaf.
1788. Maij Den 8. Te Okotsk.
Onmoogelijkheid om rendieren te bekomen en toebereidzelen.
Den volgenden morgen kwam onze boode te rug, dog hij had de Toungoussen niet kunnen agterhaalen, die zich landwaards in verspreid hadden; dus bleef ’er geen hoop meer overig om rendieren te bekomen: echter kwam het mij van belang voor om mijn vertrek niet te vertraagen, dewijl de wegen dagelijks slegter wierden; hoe langer ik wacht, zeide ik tot mij zelfs, hoe moeijelijker het word om het kruis van Yudoma, voor dat de rivieren geheel ontdooijt zullen zijn, te bereiken, en hoe meer ik waagde, van door de overstroomingen te zullen opgehouden worden; vervuld van deeze bedenkingen, viel ik den Heer Majoor op nieuw lastig; het baatte niet om mij alle de onaangenaamheden voortestellen, die ik zou moeten ondergaan, de beletzelen, waar meede ik zou te strijden hebben, de gevaaren zelfs waar door ik zou bedreigt worden, daar het jaargetij reeds te ver voor de sleedenvaart verloopen was; ik meende van mijn verzoek niet te moeten afgaan. Door mijn lang aanhouden overgehaalt, beloofde hij mij eindelijk de noodige beveelen te zullen geeven, ten einde dat mij niets zou verhinderen om twee dagen daar na te vertrekken; alleen voegde hij daar als eene voorwaarde bij, dat zo dra ik mij in groot gevaar zou bevinden, ik als dan aanstonds moest terugkomen: ik was zo verheugt over het verkrijgen van mijne vrijheid, dat ik mij tot alles verbond, wat hij maar begeerde; het overige van den dag wierd besteed met door de stad te wandelen, ten einde daar van een denkbeeld te vormen; verscheiden persoonen van ons gezelschap verzelden mij om mij in mijne naspooringen te regt te helpen.
1788. Maij Den 9. Te Okotsk.
Beschrijving van de stad Okotsk.
De stad Okotsk, die langer als breed is, strekt zich van het oosten naar het westen bijna op een en dezelfde lijn uit; aan den zuidkant ziet men de zee omtrent honderd treeden van deszelfs wooningen; deeze tusschenruimte bestaat uit een zandoever met keizelsteenen bezet: ten noorden bespoeld de rivier Okhota deszelfs muuren; de mond van deeze is ten oosten, namelijk, aan de punt van de landengte, waar op de stad gebouwd is, en die zich vervolgens westwaards verbreed; van binnen heeft deeze hoofdstad niets aanmerkenswaardig; de huizen zijn bijna allen van het zelfde maakzel, het zijn niet anders dan isbas, waar van eenigen ten oosten gelegen, ruimer en beter ingericht dan de anderen, door de Officieren bewoond worden. De Heer Kokh woont in het tegenoverleggende wijk; de deur van zijne plaats komt in de groote straat uit, dewelke door een vierkante ruimte afgedeeld word, alwaar men het huis van den Commandant en de Cancelarij ziet, dat te zamen maar een gebouw uitmaakt; regt tegen over is het wagthuis, en ter slinker zijde de parochie kerk; alle deeze gebouwen maaken geene groote vertooning: eertijds waaren ze binnen eene palissadeering beslooten, waar van naauwlijks eenige overblijfzelen te zien zijn. Eene overgebleeven poort ten westen van het gouvernement toont nog de plaats aan, het geen men de fortres noemt; daar agter is een straat na bij de rivier, en door kooplieden bewoond, welkers winkels gelijkvormig geplaatst beide zijden van de straat beslaan.
1788. Maij Den 10. Te Okotsk.
De haven is niet minder dan ruim; ik zou haar zelfs met dien naam niet bestempelen, indien ik daar niet zeven of agt kleine vaartuigen of galjooten geteld had, waar van sommigen aan de kroon, en anderen aan kooplieden toebehooren, die in Americaansch bontwerk handel drijven; deeze haven is ten oosten, bijna aan het uiterste van de stad, en digt bij de rivier, die dezelve door haare kronkelingen vormt. Op het verzoek van den Heer Hall, scheepsluitenant, ging ik op de werf twee kleine vaartuigen bezichtigen, die men bezig was te vervaardigen voor den togt, tot ontdekkingen geschikt, en aan den Heer Billings toevertrouwt. Het scheepsvolk, de soldaaten en de arbeiders waaren met groote kosten herwaards gezonden; allen werkten zij met den meesten iever aan deeze uitrusting [161], welke na mijne gedagten aan de Keizerin vrij wat kosten zal.
Vertrek.
De Heer Kokh had volgens zijne belofte in alle de toebereidzelen tot mijn vertrek voorzien; des avonds van den 10. waaren mijn zes sleeden gelaaden en voorgespannen; terstond nam ik afscheid van den braaven Majoor, en de Officieren, die mij bij het vaarwel zeggen, derzelver wensch om mij wedertezien vernieuwden.
Mijn gevolg was met twee man vermeerderd, die mij voor stuurlieden op de rivier Yndoma moesten dienen; niettegenstaande de slegte wegen reisde ik echter den gantschen nagt door, want ik ondervond welhaast, dat men mij deswegens een naauwkeurig bericht gedaan had; ik vond dezelve met water vervuld, en op sommige plaatzen, voornamelijk in de bosschen, liepen onze honden tot den buik ’er door; de wind was geduurig zuidelijk en de lucht zeer bezet; alles duide aan, dat de dooij voortgang zou hebben.
1788. Maij Den 11.
Na de rivier Okhota overgereeden te hebben, bereikte ik echter zonder eenigen ramp het dorp Medvejé-goloije, of het beerenhoofd, vijf en veertig wersten van Okotsk gelegen, en bewoond door Russen en Yakouters. Ik kwam daar met het aanbreeken van den dag, dog mijne honden waaren zo vermoeid, dat ik besloot om aldaar dien dag en zelfs den volgenden nagt te verblijven, dewijl ’er geen nieuw voorspan in deeze plaats te verkrijgen was.
1788. Maij Den 12.
Gevaarlijke overtogt.
Ik dagt den volgenden morgen mij naar Moundoukan te begeeven, omtrent twintig wersten van het voorige dorp afgelegen; ter halver weg weigerde een gedeelte van ons voorspan langer dienst te doen; niettegenstaande onzen weerzin begaven wij ons echter op eene rivier, die ons een gemaklijken weg scheen aantebieden; naauwlijks waaren wij eenige treden voorwaards gereeden, of een onverwagt gekraak deed zich onder onze sleeden hooren; een oogenblik daar na gevoelde ik mij zagtjes ingezonken, een ysschots ondersteunde mij; deeze brak op nieuw en de schaatzen van mijne slêe raakten meer als voor drie vierde gedeelte onder water; tevergeefsch trachte ik ’er uittekomen, de minste waggeling zou mij meer voorwaards in het water gestort hebben. Gelukkig was deszelfs diepte maar vier voet; door veel arbeids gelukte het mijn gevolg om ’er mij uittehaalen, dog zij, welken mij te hulp kwamen, hadden die bijna ter zelfder tijd noodig; wij moesten de een den ander de hand geeven om weer op het land te komen; want ik wilde, doof voor de vertoogen van mijne geleiders, mijn weg vervolgen; de sneeuw smolt echter zo spoedig, dat onze honden door het water plompten zonder voorwaards te geraaken, zij vielen de een op den ander afgemat neder.
Voorstel van een mijner wegwijzers.
Onder mijne leidslieden bevond zich een sergeant, dien de Heer Kokh mij tot meerdere zekerheid meedegegeeven had; daar hij voor zeer onverschrokken en als een man van ondervinding bekend stond, beschouwde ik hem als mijn compas en beveiliger: het oog onophoudelijk op hem vestigende, sloeg ik alle zijne beweegingen, en zijne houding gaade, en tot hier toe scheen hij mij eene onverzettelijke gerustheid te bezitten. Onder alle de murmureeringen van mijne andere medgezellen was ’er uit zijn mond geen ekel woord gekomen; hij had zelfs geene vertooning die eenige verbaasdheid aanduide, doen blijken. Ik moest natuurlijk deeze stilzwijgendheid voor eene afkeuring der vrees, die men mij trachtte inteboezemen, en deszelfs gerust gelaat voor eene aanmoediging, om mijn weg te vervolgen, houden; nimmer verwonderde ik mij meer, dan wanneer ik dien man eensklaps zag stilhouden, te kennen geevende, dat hij niet verder zou gaan. Ik ondervroeg hem, ik drong hem om zich nader te verklaaren. „Te lang heb ik reeds gezweegen, antwoorde hij mij; teruggehouden door mijne eigen-liefde, door niet gerekend te willen worden minder kloekmoedigheid te bezitten, heb ik telkens uitgestelt om u mijn gedagten meedetedeelen weegens de gewaagde onderneeming, welke gij wilt ter uitvoer brengen; dog hoe meer ik uwe stoutmoedigheid bewonder, des te meer vind ik mij verplicht om voor te komen, dat dezelve u niet in onoverkomelijke rampen stort, en ook om u de gevaaren en de hinderpaalen van allerlei aart voor oogen te houden, die op iederen tred voor u zullen ontstaan; reeds ontdoen zich de meeste rivieren van het ijs; wanneer gij uw oogmerk, het geen ik echter niet geloof, bereikt om ze overtekomen, meent gij dan, dat gij niet in weinig tijds verrast, en door de overstroomingen zult ingeslooten worden? Waar in zal dan uwe toevlucht bestaan? mogelijk om een schuilplaats op een berg of in een bosch te zoeken: zult gij dan gelukkig genoeg zijn om ’er een aantetreffen? Zult gij even als de inwoonders van deeze streeken[162], in diergelijke omstandigheden, u zelven een hut op de kruin van een boom vervaardigen, om daar vijftien dagen te verblijven, tot dat het water afgeloopen zal zijn? Wie zal instaan, dat het zelve niet vooraf tot uwe schuilplaats toe zal steigeren, dat het u niet met den boom, die u draagt, zal wegsleepen? zijt gij eindelijk verzekert, dat de voorraad uwer levensmiddelen u geduurende dien tijd voor gebrek zal kunnen behoeden? Indien dit kort voorstel van de rampen, die u wachten, niet voldoende is om u afteschrikken, zo gij aarzelt mij te gelooven, vertrekt dan, gij zijt daar meester van, ik heb mij van mijn plicht omtrent u gekweeten, staa mij toe, dat ik u verlaat”.
Ik keer te rug.
Dit onverwachtte voorstel, de schrikkelijke voorspelling, welke het zelve behelsde, liet niet na om indruk op mijn geest te maaken; daar op doordenkende, gevoelde ik dat ik niets beters kon doen dan aanstonds naar Okotsk te rug te keeren, van waar ik nu maar vijfenvijftig wersten verwijderd was.
1788. Maij Den 13.
Den zelfden avond tot Medveje-golova te rug gekomen, bleef ik daar tot den volgenden namiddag ten vier uuren; van daar, tot aan de rivier Okhota, ondervond ik geen andere onaangenaamheid, dan dat ik zeer langzaam vorderde; dog wanneer wij ze moesten overtrekken, hadden wij op nieuw gevaar en angst uittestaan. Ik beken, dat ik in die van mijn volk deelde: ik durfde de breedte van de rivier niet meeten[163], nog het spoor van mijne slêe uit het oog verliezen; de beweegbaarheid van het ijs, het welk de stroom van alle kanten ophefte, deed mij vreezen, dat het zelve onder het gewicht van zo veel reizigers zou bezwijken; ieder oogenblik scheen het mij toe, dat de afgrond zich onder den een of ander van ons opende. Eindelijk, wanneer wij den oever bereikt hadden, telden wij elkander onderling, om ons te overtuigen, dat wij niemand verlooren hadden, en de blijdschap, dat wij aan dit laatste gevaar ontkomen waaren, verschafte ons vleugelen om het overige van den weg tot aan Okotsk afteleggen, alwaar wij op den middag van den 14 aankwaamen.
1788. Maij Den 14. Te Okotsk.
Verblijf te Okotsk.
Een zo spoedige terugkomst deed den Heer Kokh en de andere Officieren in het eerst met mij schertzen, een ieder herinnerde mij, dat hij het mij voorspeld had, dog ik was minder verlegen over de dwaasheid mijner onderneeming, dan wel wanhoopend over deszelfs nutteloosheid. Ik berekende met aandoening, dat mijn verblijf in deeze stad mogelijk wel een maand zou duuren; door de treurigste denkbeelden bestormt[164], had ik veel moeite om de blijken van vreugde en vriendschap, die mij zo rijkelijk toegezwaait wierden, te beantwoorden; het goed onthaal, dat ik van alle kanten genoot, verschafte eene zo aangenaams wending in mijn verdriet, dat ik eindelijk omtrent het vaarwel zeggen van dit alles niets verdienstelijks meer bezat.
1788. Maij Te Okotsk.
Bevelen door den Heer Loftsoff ten mijnen voordeele gegeeven.
Onder de Officieren van de bezetting had ik voornamelijk zeer veel verpligting aan den Heer Loftsoff, Capitein Ispravnik; hij zond met allen spoed naar de omgelegen streeken bevel, om op het oogenblik de minst slegte paarden optezamelen, en die gereed te houden om op de eerste tijding op reis te kunnen gaan[165]; deeze voorzorg stelde mij in staat om van het gunstig oogenblik zo dra het zich maar vertoonde gebruik te maaken, want ik vleijde mij nog altoos van dit tijdstip veel eer te zullen zien opdaagen, dan men mij wel deed hoopen.
Beleeftheid van Mevrouw Kasloff.
Mevrouw Kasloff, van mijne terugkomst onderricht, had de beleeftheid mij dagelijks van deszelfs lusthuis een overvloedigen voorraad van melk te zenden, die zij wist dat de Heer Allegretti mij ten gebruike aangeraaden had, als het eenigste voedzel, waar door mijn borst hersteld kon worden. Ik was hier over des te gevoeliger, dewijl het onmogelijk was die te Okotsk te bekomen, al wilde men dezelve tegens goud betaalen.
Bericht wegens de aankomst van den Heer Kasloff te Ingiga.
Eenige dagen daar na vernam ik eene tijding, die een waar genoegen in mijn hart verspreide. Een boode, komende van Ingiga, bragt naricht, dat de Heer Kasloff in die stad was aangekomen; dog hij bragt geene brieven van dien bevelhebber meede, en onze blijdschap wierd welhaast door ongerustheid vervangen. In welk een staat zal hij te Ingiga gekomen zijn? Waarom schrijft hij niets? Mogelijk heeft het zijne gezondheid niet toegelaaten. En dit was reden genoeg om beurtelings den courier te ondervraagen, die niettegenstaande zijne verzekeringen bij niemand geloof vond. Uit hoofde van de waarschijnlijkheid van zijn verhaal, het geen altoos op het zelfde neerkwam, en meer nog door ons eigen vertrouwen, zo natuurlijk, wanneer het dat geen betreft, het geen wij vuurig verlangen, wierden wij langs hoe meer overtuigt, dat onze vrees kwalijk geplaatst was; niettegenstaande de treurige ondervinding, die ik wegens de moeijelijkheid van den weg, en het ongunstige jaargetij ondergaan had, zogt ik echter, verblind door mijne verkleeftheid aan het voorwerp onzer bekommernis, voor mij zelfs alle die zwaarigheden te verbergen, ten einde mij met de hoop te vleijen van hem nog voor mijn vertrek wedertezien.
Historische bijzonderheden wegens den handel van Okotsk.
Okotsk de zetel van het bestier, en de voornaamste stapelplaats voor den Koophandel der Russen in deeze streeken zijnde, vond ik mij inderdaad aan de bron, om over deeze stof eenige kundigheden te verkrijgen; het gezelschap, waar onder ik verkeerde, verschafte mij ten dien opzichte zo veel onderricht, dat het niet missen kon, of ik moest daar voordeel van trekken; ik onderzogt eerst alles, wat den koophandel betrof, ik spoorde de oorzaken op, welken de onderneemingen der Russische volkplantingen in deeze zeestreeken voorbereid, bevestigd en vermeenigvuldigt hebben. Ik verzogt hier toe de hulp der verstandigste persoonen en der bekwaamste kooplieden; en om verzekert te zijn, dat mijne berichten echt waaren, vergeleek ik dikwerf het eene met het ander als meede met de opgaave van Coxe. Het zij mij geoorlooft hier de aantekeningen afteschrijven, welke ik omtrent dit onderwerp ter mijner eigene onderrichting heb opgezamelt. Indien men daar onder eenige belangrijke bijzonderheden aantreft, genoegzaam om deezen uitstap te billijken, als dan zal ik mijnen arbeid genoeg beloond rekenen, en mijn oogmerk bereikt hebben.
Door de overwinning van het westelijk gedeelte van Siberien hadden de Russen zich in bezitting gesteld van zeer rijke mijnen, welken dit landschap in haaren schoot verborgen hield, en waar van deszelfs inwoonders weinig werk scheenen te maaken: de overwinnaars vergenoegden zich niet alleen met de uitgraaving van het ijzer, maar voegden daar ook zilver, goud en andere kostbaare metaalen bij, welke altoos het voorwerp der menschelijke winzucht waaren. De ontdekking van deeze nieuwe bronnen van rijkdom vuurde de begeerte der overwinnaars aan; hier uit vloeide de zucht voort om derzelver heerschappij verder uittebreiden, en hunne begeerlijke vooruitzichten strekten zich tot aan geene zijde van Irkoutsk uit, het welk als toen van dien kant tot eene grensscheiding van dit rijk kon dienen.
Bij de eerste invallen in de nabuurige landen wierd men niet zonder leedweezen gewaar, dat aldaar dezelfde voordeelen niet te verwachten waaren: overal vertoonde de natuur zich als eene stiefmoeder: de onvrugtbaarheid van den grond, evenredig aan de gestrenge luchtsgesteldheid, de verbaazende werkeloosheid van deszelfs woeste bewoonders, voor het grootste gedeelte uit jaagers, veehoeders, en visschers bestaande, beloofden geene aanzienlijke bronnen van welvaart; alles scheen veel eer ingericht te zijn om alle denkbeelden van een goed vooruitzicht te laaten vaaren. Echter wist de vindingrijke gierigheid zich daar evenwel schatten ten nutte te maaken; op het zien van de kleeding deezer volkeren bedagt zij oogenbliklijk om dezelve daar van te berooven, tevens berekenende de moogelijkheid om daar in door eene verleidelijke ruiling wel te slaagen, als meede het onmeetelijk voordeel, het welk deeze tak van koophandel zou aanbrengen, indien het haar gelukte denzelven te vermeesteren.
Wanneer men zich meer oostwaards in Asia verspreide, bevond men de pelterijen hoe langer hoe fraaijer; dit was genoeg om de Russen te doen begrijpen, dat het met derzelver belang en roem overeenkwam, om alle de gedeeltens van deezen wijd uitgestrekten oord aan hun gezag te onderwerpen. Tot hier toe waaren deeze landschappen het toneel der strooperijen van een opgeraapten hoop Cosakken en Tartaaren geweest, waar bij zich eenige Russen, door dezelfde zucht na roof gedreeven, gevoegt hadden; de goede uitslag hunner onderneeming verspreide zich al verder en verder; het lokaas van voordeel deed een veel grooter getal emigranten derwaarts komen, wier stoutmoedigheid aanwies naar maate van den tegenstand, welken de inboorlingen hen booden. Te vergeefs had de natuur deeze in onvruchtbaare woestenijen, en in het midden der bosschen geplaatst, alwaar derzelver onafhangelijkheid voor allen aanval gedekt scheen te zijn; te vergeefsch verstrekten de onguure nevels, de bergen en bevroozene zee-en hen tot bolwerken; voor de heerschzucht, voor de ontembaare begeerte na overwinningen, en voor den dorst na rijkdommen zijn geene gevaaren onoverkomelijk; De kloekmoedigheid der inlanders veroorzaakte dagelijks gevegten, dog dit kon hen van de onderdrukking niet bevrijden; de overwinnaars kwamen om zo te spreeken meer en meer te voorschijn, naar maate ’er meer in deezen bloedigen strijd omkwamen; door veelvuldige versterkingen, bij de regeering goedgekeurd, wierden deeze verliezen hersteld; zij zogten daar door te voorkomen, dat de overwonnenen den tijd niet hadden, om zich van derzelver verbaastheid en schaamte te ontdoen, namelijk dat zij voor een hoop vreemdelingen hadden moeten bukken, wier overheersching zich bij iedere overwinning al verder verspreide. Reeds hadden zij door het geweld hunner wapenen zich van het geheel land tot aan Okotsk meester gemaakt, en zich in het noorden tot aan de rivier Anadir verspreid.
Om van zo veel aanwinst zeker te zijn, moest men tot de grondregelen van bestier en koophandel toevlucht neemen; dadelijk bouwde men sterktens, en steeden vertoonden zich; hoe ellendig deeze inrichtingen ook waaren, nogtans verschaften deeze aan de handeldrijvende Russen en anderen, welken het reizen door deeze landschappen ondernamen, eene schuilplaats; door den togt of door hunne gevaarlijke onderneemingen afgemat, konden zij derwaarts de wijk neemen of hulpmiddelen vinden tegens de beleedigingen der oorsprongelijke inwoonders, welken zich altoos bereid betoonden om het juk afteschudden, en weerwraak te neemen.
Behalven de kwellingen van allerhanden aart, die men, ongetwijffelt buiten kennis van het hof, waar aan zij zich onderworpen hadden, tegens hen pleegde, hadden zij daar en boven dikwils veel te lijden van de verraderijen, wreedheden, en alle de buitenspoorigheden, waar toe woeste overwinnaars, die door den goeden uitslag, het misbruiken der rijkdommen en des gezags, en door de hoop op straffeloosheid weggesleept worden, kunnen vervoerd worden. In het bedrijven deezer onmenschelijkheden, wierden de bijzondere persoonen gesterkt door het voorbeeld der opperhoofden, en zelfs van de officieren, derwaards gezonden om deeze ongeregeltheden te stuiten; eindelijk wierd dit kwaad zo groot, dat het zich de gestrengheid van den souverein op den hals haalde; de inkomsten der tollen kwamen niet in denzelfden overvloed in de schatkist, de schattingen gingen verlooren of verminderden in handen van hen, die met den ontfangst belast waaren; van daar die menigvuldige veranderingen der opperhoofden, wier ondeugden en ongerijmde handelingen te recht beschuldigt waaren, en ten minsten een spoedig opontbod verdienden; van daar de ongeoeffendheid der krijgsbenden, de ongehoorzaamheid onder de volkplantingen, de dagelijksche aanklagten, moordenarijen en alle die misdaaden, welken door de regeeringloosheid voortgebragt worden.
Het zelfde lot trof Kamschatka, na dat één opperhoofd der Cosakken[166] de inwoonders van dit schiereiland genoodzaakt had om zich zelfs aan het Russische juk te onderwerpen. Hoe vreesselijk wierd het zelve op hunne hoofden verzwaard! hoe veel onlusten, beroovingen, en opstanden ontstonden daar niet uit! Deeze inlandsche en verwoestende oorlog eindigde niet, voor en aleer men in een beter bestuur voorzien had.
Als toen wierd ’er een nieuwe staat van zaaken gebooren; de voorrechten der landzaaten wierden meer geëerbiedigt, de belastingen minder willekeurig ingevordert, en de verplichtingen beter waargenomen; de koophandel, van de beletzelen ontheven, waar meede die omringd was, begon wel te slaagen, de inkoopen op vooruitzicht (speculations) vermeerderden; vermoogende Russische Kooplieden zonden derzelver factoors naar Okotsk, en deeze stad wierd de hoofdplaats der andere koopsteden, welken in vervolg van tijd opkwamen; deszelfs voordeelige legging in het middenpunt der overwonnen landschappen verschafte haar deeze voorkeur, en deed de kleinheid van haare haven over het hoofd zien: dog de scheepvaart bepaalde zich bijna alleen tot de vaart op vragt; het waaren grootendeels galjooten, die den handel op Kamschatka dreeven.
De ladingen, welke dezelven aanbragten, namelijk de kostbaare pelterijen, die men aan de inwoonders door middel van ruiling of belasting onttrok, wierden vervolgens in het hart van het rijk gezonden, alwaar de verkoop daar van onder het oog van het Hof, en grootendeels voor deszelfs rekening geschiedde, de eigenzinnigheid der inlandsche of buitenlandsche koopers bepaalde alleen den koopprijs; de kunst der verkoopers bestond daar in om de waarde hunner koopmanschappen te doen rijzen; dog de behendigheid van den een, en de naiever van den ander verschaften geen wezentlijk voordeel, dan alleen aan de regeering door de verbaazende rechten, welken zij vordert van het geen gekogt word.
Ondertusschen bloeide Okotsk; het getal der Koopvaardijscheepen, de welken op deszelfs ree af en aanvoeren, vermeerderde dagelijks: meer uitgebreide verbintenissen deeden ook grooter uitzichten gebooren worden.
De Russische caravanen, die van Siberien afreisden, waaren van woestijn tot woestijn, van rivier tot rivier, tot op de grenzen van China gekomen. Na zeer hevige verschillen, en verscheiden geschonden en verbrooken verdragen, wierd eindelijk vastgesteld, dat de twee natien te zamen op de grenzen zouden handelen. Dit voorrecht, het welk nog aan geen der nabuuren van het Chineesche Keizerrijk was toegestaan, was geschikt om aan den Russischen Koophandel[167] eene oneindige uitgebreidheid te verzorgen.
Ook was den Kooplieden deeze nieuwe deur tot het verhandelen van derzelver pelterijen zo dra niet geopend, of zij waaren reeds op de middelen bedagt om ’er zich in een grooter menigte van te voorzien; derzelver vaartuigen, aan stuurlieden toebetrouwd, welken van de scheepen, aan de kroon toebehoorende, genoomen waaren, begaven zich ten oosten van Kamschatka; deeze zeelieden, meer onderneemend dan bekwaam, verkreegen een geluk, het geen ze zich nimmer hadden kunnen voorstellen; niet alleen ontdekten zij onbekende eilanden, maar daar en boven keerden zij van derzelver togten met zulke aanzienlijke ladingen, in zeer fraaije pelterijen bestaande, te rug, dat het hof van Petersburg het nodig oordeelde, om zich meer in het bijzonder met deeze ontdekkingen bezig te houden.
Beslooten hebbende om dezelve voorttezetten, in de hoop van eenmaal deeze eilanden onder het getal haarer bezittingen te stellen, stelde de regeering de uitvoering haarer ontwerpen in handen van meer bevaaren zee-officieren, als van eenen Behring, Tchirikoff, Levacheff, en andere niet minder vermaarde mannen; sommigen wapenen en scheepen zich te Okotsk in, anderen vertrekken uit de haven van Avatscha of St. Pieter & Paulus, aan den uithoek van Kamschatka gelegen; een ieder doorkruist op het ievrigste den ruimen archipel, die zich aan deszelfs oog opdoed, en gaat van de eene ontdekking tot de andere; de Koper, de Behring, de Vossen, de Aleutische Eilanden worden beurtelings opgespoord; en de schatkist van de kroon word op nieuw verrijkt. Na dat deeze gelukkige Argonauten een geruimen tijd op deeze zee-ën gedwaald hadden, landen zij op de Americaansche kust. Een schiereiland (Alaxa) vertoond zich aan hen; aan land gegaan verneemen zij daar, dat het zelve een gedeelte van een uitgebreid vast land uitmaakt; alles kondigt hen aan, dat het de nieuwe waereld moet zijn, en verrukt van blijdschap, neemen zij den weg na hun vaderland.
Naauwlijks hadden zij verslag van den gelukkigen uitslag hunner reis gedaan, welke te meer bevestigt wierd door de nuttige waarneemingen, die zij meede bragten, of de uitzichten des koophandels wenden zich met allen iever na een gewest, alwaar men dezelve van onuitputtelijke bronnen verzekerde; Russische comptoiren wierden te Alaxa opgericht[168], en de onnoemelijke voordeelen hebben zedert altoos, niettegenstaande den verren afstand, de werkzaamste verstandhouding tusschen de factoors en derzelver lastgeevers onderhouden: ziet hier, hoe de handel te Okotsk geschied, van waar een aantal scheepen jaarlijks naar America afvaaren.
Wanneer een koopman voorneemens is om deeze reis in persoon, of door een van zijn gemagtigden te doen, vraagt hij de goedkeuring van den Commandant, en zeldzaam word hen zulks geweigert; de laading van het schip word in acties verdeeld; ieder, die wil, kan dezelve koopen: het getal der acties gaat de bepaalde som der kosten van de uitrusting, en verkrijging der goederen, die tot ruiling moeten dienen, niet te boven, welken in stoffen, yzerwerk, coraalen, doeken, brandewijn, tabak en andere zaaken, bij de wilden in achting, bestaan; de officieren en matroozen genieten geene bezolding, dog zij hebben een deel in de laading, het welk men paï noemt; de togten duuren drie, vier tot zes jaaren, en altoos geleid de winzucht hen naar de minst bezogte plaatsen, of tragt nog anderen te ontdekken[169].
Bij derzelver terugkomst zijn de scheepen aan een gestreng onderzoek onderhevig, volgens de factuur van de lading moeten de uitrusters aan den Fiscaal de rechten betaalen, die hij zich van alle de zaaken, welken de lading uitmaaken, toeeigent; ze word vervolgens gewaardeert, en door eene gelijke deeling ontfangt iedere houder der actien in Natura of anders, het beloop van zijn inleg (behalven de zee-schade en de goederen, die van geene waardij zijn) en deszelfs gedeelte in het voordeel, indien ’er gewonnen is. Men begrijpt, dat de kans bijna alleen beslist over de hoeveelheid van het geen, dat gedeeld moet worden, of over het te kort komende; en eindelijk, een gedeelte der koopmanschappen word te Okotsk verkogt, en een ander gedeelte naar Yakoutsk en van daar naar Irkoutsk overgebragt, van waar ze naar Kiakhta vervoerd worden, om de begeerte der Chineesche koopers optewekken.
Bestier.
De regeeringsform zou geen minder onderzoek dan de koophandel verdienen; dan geduurende mijn verblijf in Kamschatka welkers rechtbanken allen aan die van Okotsk onderhevig zijn, zo als ik reeds opgegeeven heb, ben ik reeds in staat geweest van omtrent dit onderwerp vrij uitgebreide aantekeningen[170] optezamelen; mij blijft nog overig, wat van nader bij de krijgstucht van de bezetting, en het bestier van de stad, het welk beide eveneens mijne verwondering trok, te beschouwen.
Ik meende een tomeloos krijgsvolk, gelijk het eertijds was, te zullen zien, namelijk eene bende van woeste Cosakken, in den aart roovers, en geene andere wetten eerbiedigende dan hunne eigenzinnigheid of belang. Er ging geen dag om, of eenigen liepen met geweer en wapenen weg; dikwils wierden de magazijnen door deeze onbeschaamde krijgsknegten geplunderd. Te vergeefsch wapenden de uitvoerders van het oppergezag zich met strengheid om dit overloopen en rooven te beletten; te vergeefsch ondergingen alle de schuldigen, die men kon agterhaalen, de straf van de Battogues of dunne stokjes, en de andere gebruikelijke kastijdingen onder de Russische krijgsbenden; men vond ’er onder deeze ongelukkigen, die zodanig gehard waaren tegen de slaagen, of zo onverbeterlijk, dat zij den volgenden dag op nieuws gestraft wierden, zonder dat immer zwaarder strafoeffeningen dezelve konden wederhouden, nog aan anderen ten afschrik verstrekken; deeze bezetting is echter tegenswoordig aan eene gestrenger krijgstucht onderworpen, en de voorbeelden van ongehoorzaamheid zijn veel zeldzaamer; zonder tegenspraak is men aan de hervormers hier van, wier geduld en bekwaamheid ook dit goede reeds uitgewerkt hebben, allen lof verschuldigt.
Het burgerlijk bestier vereischt van deszelfs kant dezelfde voorzorgen; het was niet gemaklijk hetzelve in een stad te vestigen, die onder deszelfs inwoonders een groot getal bannelingen telt; de meesten van deeze hebben de onuitwischbaare schandvlek verdiend, welke de hand der gerechtigheid op derzelver misdaadige hoofden drukte, en de overigen, tot de galeijen verweezen, zoeken onophoudelijk, onder het geketend werken aan de haven, middelen uittedenken om straffeloos deeze boeijen te verbreeken; somtijds ontkomen ’er eenigen en ongelukkig is als dan de plaats, waar heen zich deeze galeiboeven begeeven! Dog de onophoudelijke waakzaamheid van den Commandant doed hun niet lang van deeze gevaarlijke vrijheid genot hebben; welhaast worden ze op nieuw gevangen en gestraft; alsdan belaad men ze met zwaarder ketenen, die aan de eerlijke burgers, welken onder deeze booswichten leeven, de openbaare veiligheid verzekeren; het gedrag van den Heer Kokh scheen mij in diergelijke gelegenheden even zo verstandig als standvastig te zijn; bij de gemaatigdheid, welke zijn hoofdhoedanigheid uitmaakt, voegt hij de onverzettelijkste gestrengheid.
De Lamouters, Toungoussers en de Yakouters verschaffen insgelijks veel bezigheids aan de regeering, het zij door derzelver klagten, het zij door hunne menigvuldige muiterijen, voor al bij den ontfangst der belastingen; dit belangrijke werk is aan den Heer Loftsoff, Capitan Ispraunick toevertrouwd: door zijne arbeidzaamheid en voorzigtigheid weet hij de onlusten te stillen, de verschillen bijteleggen, en zonder geweld de beveelen van zijne souvereine te doen uitvoeren. Ik ben in staat geweest om te beoordeelen, hoe zeer de inwoonders over zijn bestier voldaan waaren.
Het is in deezen voorspoedigen staat, dat ik dit departement gevonden heb; mogt het getuigenis, het geen ik met het grootste vermaak ten zijnen voordeele afleg, tegen de voorige verhaalen worden overgesteld, en den leezer op zijne hoede doen zijn tegens den indruk, welken het nadeelig vooroordeel, opgevat uit de voorstelling der misbruiken van de oude regeeringsform, op hem mogt gemaakt hebben! Men is ten minsten dit getuigenis aan de nieuwe inrichting verschuldigt, dat, indien er nog eenige abuizen in het bestier plaats hebben, dezelve onophoudelijk zich toelegt om die te verbeteren, naar maate dat ze ontdekt worden.
Ontwerp om de inwoonders van Okotsk elder te verplaatzen.
Zedert kort liep het gerugt (op welken grond is mij onbekend) dat het hof voorneemens zou zijn, om de inwoonders van Okotsk of naar Oudskoï, of naar eenige andere nabuurige plaats overtebrengen. Indien dit waarlijk deszelfs voorneemen is, verbeeld ik mij, dat het zelve de noodzaaklijkheid zal begreepen hebben, om op deeze kusten eene aanzienlijker stad te bezitten, welker gemaklijke gelegenheid, grootte en veiligheid van de haven, in deszelfs keus ter verplaatzing zal in aanmerking komen.
Bijzonderheden over den togt van den Heer Billings.
Ik heb beloofd eenige bijzonderheden wegens de zending van den Heer Billings te zullen meede deelen: reeds heb ik gezegd, dat zijne twee scheepen op de werf van Okotsk gebouwd wierden, dog ik zou mij zeer verlegen vinden om optegeeven, naar welken oord zij zich ’t zeil zullen begeeven; het is mij onmogelijk geweest dit geheim te ontdekken; al het geen ’er mij van bekend is, bestaat hier in, dat de Heer Billings uit hoofde van zijn verkreegen roem en de proeven van bekwaamheid, welken hij op een der reizen van Capitein Cook zijn landsgenoot betoond heeft, naar Rusland geroepen is met den rang van Scheeps Capitein, om op eenen geheimen togt het bevel te voeren, dien men meent eenige ontdekking ten doel te hebben; het gezag, dat men hem toegestaan heeft, schijnt zeer uitgestrekt te weezen; de bouwstoffen, werklieden, matroozen, en al het geene hij noodig zou kunnen hebben, is hem door het hof bezorgd.
Om meerder spoed te kunnen maaken, had de Heer Billings zijn volk verdeeld; een gedeelte wierd onder bevel van den Heer Hall, zijn lieutenant, naar Okotsk gezonden ter bouwing van de twee vaartuigen, terwijl hij zich met de overige manschap, voorzien van sterke sloepen en andere vaartuigen, die hij in allen spoed op de rivier Kolumé had doen vervaardigen, naar de ijs-zee begaf.
Niemand wist voor als nog het oogmerk van deezen eersten togt, een ieder verloor zich in gissingen; de waarschijnlijkste waren, dat deeze zeeman getragt had om dit gedeelte van Asia om te reizen, van de rivier Kolumé af, en de caap Sutoï voor bij te zeilen, tevens een weg zoekende om door de zee van Kamschatka naar Okotsk te rug te komen; dog indien dit zijn oogmerk mogt geweest zijn, is het waarschijnlijk, dat hij in de uitvoering onoverkomelijke zwaarigheden zal ontmoet hebben, vermits hij na eenen moeijelijken togt van eenige maanden in de rivier Kolumé is binnen geloopen, en zich van daar naar Yakoutsk heeft begeeven.
De arbeid onder het bestuur van den Heer Hall te Okotsk was geduurende een groot gedeelte van den winter gestaakt, dog terwijl ik mijn verblijf aldaar hield, wierd dezelve hervat en met iever voortgezet; reeds was het beloop van een schip in gereedheid, en de kiel van het ander op de werf opgezet; de lijndraaijers, smeeders, timmerlieden zeilemakers; & kalfaters[171] hadden bijzondere werkplaatsen; de tegenwoordigheid der Officieren, onder welkers opzicht deeze arbeid geschiede, wakkerde onophoudelijk den iever der werklieden aan; niettegenstaande den grooten spoed, dien ik van alle kanten aan deeze bouwing zag toebrengen, twijffel ik echter, of deeze vaartuigen binnen twee jaaren nog wel in staat zullen weezen om onder zeil te kunnen gaan.
De rivier Okhota ontdoed zich van het ijs.
Bij niemands geheugen was de rivier Okhota langer met ijs bezet geweest dan tot den 20 Maij; dit jaar echter raakte dezelve tot groote verwondering der inwooners niet los dan in den namiddag van den 26; dit schouwspel lokte de geheele stad uit, en ik wierd daar bij genodigt als tot eene partij van vermaak; dog in het denkbeeld zijnde, dat ik niets anders zien zou dan het geen ik te Petersburg bijgewoond had, toonde ik even weinig begeerte als nieuwsgierigheid. Men verdubbelde de noodiging en ik ging meede naar den oever; de meenigte was reeds daar: ik wierd op het oogenblik door een aantal lieden omringd, die zich in eene eenstemmige opgetogenheid bevonden, op het gezicht der verbaazende ijsschotsen, welken door den snellen stroom van alle kanten weggevoerd wierden. Zij botsten met geweld tegens, en stapelden zich op elkander. Een oogenblik daar na hoorde ik een sterk gekerm; ik zag rondom, van waar dit geschreij kwam, en ik ontdekte een troup mannen en vrouwen, die even als wanhoopigen langs den oever liepen: ik naderde al beevende in de gedagte, dat het een of ander ongelukkig kind in leevensgevaar was; dog ik vond mij bedroogen.
Veertien à vijftien honden waaren oorzaak van deeze beweeging; derzelver meesters kermden gezamentlijk, het zij uit meedelijden of uit gierigheid, over het lot van deeze arme dieren, welker verlies zeker scheen. Gerust op de ijsschotsen gezeten, waar door ze weggevoerd wierden, zagen ze met eene verwonderde houding de geschaarde menigte langs den oever; nog het geroep, nog de teekens, welken door al dit volk gedaan wierden, konden deeze in beweeging brengen; twee evenwel zogten zich te redden, en zij geraakten met veel moeite aan den anderen kant: de overigen verdweenen binnen eenige minuuten; eenmaal in volle zee zijnde hebben zij daar ongetwijffelt den dood gevonden.
Dit waaren de eenigste slagtoffers van het losgaan der rivier; dog de uitwerkzelen hier van zijn menigmaal zo gedugt geweest, dat men jaarlijks alle de huizen in de nabuurschap der rivier ontruimt[172]; de verstrooide overblijfzelen langs den oever bevestigen, dat ’er veelen door diergelijke treurige gebeurtenissen weggesleept zijn. Men heeft mij verzekert, dat in eenige jaaren bijna een vierde gedeelte van de stad daardoor verwoest is geworden.
Men wagte met ongeduld, dat deeze rivier deszelfs loop hernam: het wierd tijd, dat zo dra mogelijk de vischvangst levensmiddelen verschafte tegens het gebrek, het geen zich begon te doen gevoelen, de voorraad van visch, in den voorigen zomer verzameld, was van weinig belang geweest, en bijna verbruikt; het meel was insgelijks zeer geminderd, en het geen ’er nog van overig was, wierd tot zulk een aanmerklijken prijs verkogt, dat het gemeen ’er niets van bekomen kon. In deezen nood vertoonde de menschlievendheid van den Heer Kokh zich op het sterkst. In de magazijnen van de kroon was nog roggemeel in voorraad, en hij deelde zulks aan het behoeftigste gedeelte der inwoonders uit; deeze afgifte verschafte wel eenige ondersteuning, dog het was van geen langen duur; de Heer Kokh, die dagelijks verscheide persoonen uit de stad aan zijne tafel ontfing, zag zich zelfs genoodzaakt om van den weinigen voorraad, dien hij van het voorige jaar overgehouden had, gebruik te maaken. Eindelijk aten wij geen ander dan in de zon gedroogd ossevleesch. Om versch vleesch te verkrijgen liet de Heer Majoor op de rendieren en argalis jaagen, dog men had maar eenmaal het geluk om er van aantebrengen.
De rivier geheel van het ijs bevrijd zijnde, deed hij aanstonds de zegen uitwerpen; ik was daar met een groot gedeelte der inwoonders van de stad, en na mijne gedagten, was dit schouwspel veel fraaijer dan het eerste: onbeschrijflijk waaren de gewaarwordingen en de blijdschap van deeze menigte getuigen, bij het eerste ophaalen van het net; het was met een verbaazend aantal kleine visch gevuld, als spiering, haring enz. op dit gezicht vermeerderde de vreugd en het gejuich; de meest verhongerden wierden eerst geholpen; men gaf hen al het geen, het welk dit gelukkig begin opgeleverd had. Ik kon mijne traanen niet wederhouden, wanneer ik de graagte van deeze ongelukkigen zag; geheele huisgezinnen betwisten zich onderling de visch, en verslonden dezelve geheel raauw voor onze oogen.
Op deeze vischvangst, die van dag tot dag overvloediger wierd door het terugkomen van de salm[173] en andere groote visschen in deeze rivieren, volgde de jagt op de watervogels[174], die welhaast de oppervlakte ’er van bedekten; dit was een nieuw middel van bestaan voor de inwoonders.
Toebereidzelen tot mijn vertrek.
Ondertusschen vorderde het jaarsaisoen, en niettegenstaande zeer menigvuldige nevels zagen wij bij tusschenpoozen eenige schoone dagen. Deeze kwamen ons des te fraaijer voor, dewijl in den nagt van den 29. twee duim sneeuw viel, en dat de koude een graad boven nul aanwees; het water liep langzaamerhand af, dog men wierd nog geene teekens van groeijing gewaar. Eenige verrotte grasscheuten, de ellendige vrugten der laatste poogingen van de natuur bij het eindigen van den voorigen herfst, waaren het eenigste voedzel, welk het aardrijk voor de paarden opleverde, in afwachting van dat, welk de terugkomst van de lente hen beloofde.
Reeds brande ik van begeerte om te vertrekken, en hoe zeer ik voor mij zelfs niet verbergen kon den slegten staat, waar in deeze dieren zich nog moesten bevinden, drong ik echter den Heer Kokh om spoedig allen die voor mij aangehouden waaren, te verzamelen, dewijl ik beslooten had om mij uiterlijk den 6 Junij op reis te begeeven. Zijne beveelen wierden stiptelijk ter uitvoer gebragt, en het was door zijne voorzorg, door de goedheid van Mevrouw Kasloff, en door de geschenken van verscheide vrienden, welken ik in deeze stad agterliet, dat ik mij eensklaps van een ruimen voorraad van beschuit en brood voorzien zag; zonder het terugdenken op het gebrek, het geen wij ondervonden hadden, kon ik niet anders dan zeer vergenoegd over deeze weldaaden zijn; dog het denkbeeld, dat ik mij met de opofferingen der vriendschap zou moeten voeden, kwetste mijne gevoelige ziel, en het kostte mij zeer veel om te behouden, het geen ik niet te rug kon doen neemen; want hoe meer zwaarigheden ik maakte, des te meer beklag en aanhoudende verzoeken, voor welken ik eindelijk moest zwichten, had ik doortestaan.
De dag voor mijn vertrek wierd tot het afscheid neemen besteed. Ik had het genoegen te verneemen, dat de Heer Loftsoff voorneemens was mij tot Moundoukann te vergezellen; eenige zaaken betreklijk deszelfs opbouwing vorderden ook, dat de Heer Hall derwaards ging, die ook dadelijk besloot om met ons daar heen te reizen. Ik verwachtte niet van nog een ander reisgezel, voor wien ik eene dubbelde achting bezat, te zullen bekomen; de Heer Allegretti verwittigde mij des avonds, dat hij zich voorgesteld had om mij tot aan het kruijs van Yndoma te vergezellen: en hoe groot was mijne verwondering en erkentenis, wanneer ik vernam, dat zijne verkleeftheid aan mij de eenigste beweegoorzaak van zijn reis was! Van mijne twee soldaaten ging Golikoff alleen met mij. Nedarézoff bleef te Okotsk, dog ik nam zijn vader mêe, die mij gegeeven wierd om voor stuurman op de rivier Yndoma te dienen. Een aantal werklieden moesten volgens mijne afspraak met den Heer Kokh dadelijk na ons vertrekken, om onder mijne oogen de vaartuigen, welken te zeer beschadigt zouden zijn, te herstellen, ten einde ik aan geene nieuwe gevaaren of aan langer uitstel blootgesteld zou weezen.
Alle mijne toebereidzelen in gereedheid zijnde, scheurde ik mij uit de armen van den Heer Kokh. Verscheiden der inwoonders deeden mij de eer aan, van mij tot buiten de poorten der stad te geleiden, alwaar onze paarden reeds te vooren gebragt waaren; daar scheiden wij onder wederzijdsche zegenwenschen, en het verschaft mij altoos genoegen van zeker te weezen, dat mijne herbergers mij verlaatende de blijken met zich voerden van geenen ondankbaaren wel gedaan te hebben.
Op het gezicht van het ros, dat ik beklimmen moest, sprong ik van schrik en meedelijden agter uit; nimmer had ik een diergelijk slegt paard gezien; ontvleeschte en ingezonken heupen, een smal en puntig kruis, alwaar men alle de beenen kon tellen, een uitgerekte hals, de kop tusschen de beenen, en waggelende op zijne kooten, ziet daar een getrouw afbeeldzel van het beest, dat mij draagen moest: dat men de gedaante der andere paarden beoordeele, dewijl het mijne voor een der minst slegte gehouden wierd; het zadel scheen mij toe veel na de onzen te gelijken; die der vervoerders van ons reisgoed waaren veel kleinder, van hout en open; boven op dit draagzadel stonden twee kruisgewijze stokken, waar aan men den last[175] ophing en vastmaakte, evenwel met in achtneeming van het gewicht aan beide zijden gelijk te maaken, want de minste onevenredigheid zou wel dra deeze arme dieren het evenwicht hebben doen verliezen.
Zoutgroef drie uuren van Okotsk.
Het was in deeze erbarmelijke uitrusting, dat onze caravaane zich op weg begaf. Om ons eenigzints over den langzaamen voortgang te vertroosten, vervrolijkte zich een ieder ten kosten van deszelfs ros; twaalf wersten van Okotsk toonde men mij aan den oever der zee eene vrij aanmerkelijke zoutgroef; de menschen, die daar werken, zijn allen kwaaddoenders, of lieden door de justitie gestraft; dat huis voorbij zijnde, lieten wij de zee aan onze linkerhand, om eenigen tijd de Okhota langs te rijden.
1788. Junij Den 6.
Aanmerkingen over de Okhota en bijzonderheden omtrent mijne reis.
Daar het ontdooijen der rivier zo veel vrees in de stad verwekte, zijn deszelfs overstroomingen echter niet minder gevaarlijk voor de omleggende streeken; treed zij haare oevers te buiten, niet alleen overstroomt zij als dan de nabuurige landen, en nu een geweldige stroom geworden, verheft zij zich te heviger, naar maate zij veld wind; men verhaald, dat men wel eens deszelfs water twee voet boven de kruin der hoogste boomen heeft gezien; hier uit kan men opmaaken, hoedanige verwoestingen zij aanricht; dit is altans zeker, dat ik in de bosschen holle wegen heb aangetroffen van eene verbaazende diepte, welken men mij zeide haar werk te weezen.
Ten naasten bij te Medvéjé Golova gekomen, viel mijn paard onder mij neder, zonder dat het mogelijk was het weder te doen opstaan; gelukkig had ik tijds genoeg om het zadel te verlaaten, en ik wierd niet in deszelfs val mêegesleept; het beest bleef op de plaats leggen[176] alwaar het zelve ongetwijffeld eenige uuren daar na zal omgekomen zijn; wij behielden nog elf paarden; mij wierd dadelijk een ander gegeeven; en ik kwam zonder eenig ander ongeval in het dorp.
1788. Junij Den 7.
Den anderen dag des morgens ten negen uuren vertrokken wij van daar en doorwaadden de rivier Okhota, welke wij vervolgens verlieten. Ik ontdekte hier en daar op den weg, op een vrij grooten afstand den een van den ander geplaatst, eenige Yakoutsche yourtes. Zeldzaam ziet men ’er eenigen bij elkander.
De neiging van deeze geslachten om zich dus ieder op zich zelven te plaatzen, zou die niet deszelfs oorsprong ontleenen uit een beweegreden van eigen belang, van zeer veel gewicht voor dit volk? daar de paarden derzelver eenigsten rijkdom uitmaaken, hoe zouden de eigenaars derzelven (men vind ’er die duizend en meer paarden bezitten) indien de wooningen bij elkander geplaatst waaren, aan hunne talrijke stoeterijen voedzel kunnen bezorgen? de weilanden in den omtrek zouden welhaast uitgeput zijn. Om daar aan te gemoet te komen, zou men genoodzaakt zijn de kudde ver weg te zenden, en hoeveel ongemaks zou zulks niet berokkenen, zo door de nalaatigheid als ontrouw der hoeders?
Den 8.
Wanneer wij te Moundoukann aankwamen, waaren onze paarden zodanig vermoeid, dat wij daar den nagt en den dag van den 8. doorbragten.
Ik heb boven reeds gezegt[177] dat dit dorp twintig wersten van Medvéjé-Golova afgelegen is; de rivier, die er langs loopt, ontleend deszelfs naam van het dorp.
1788. Junij Den 9.
Met het aanbreeken van den dag verliet ik de Heeren Hal en Loftsoff, die hier blijven moesten; en aanstonds moest ik een hoogen berg genaamt Ourak overrijden, welkers top nog met sneeuw bedekt was; onze paarden liepen tot den buik er door, en hadden op deezen weg veel te lijden.
Langs den voet van deezen berg stroomt de rivier, die denzelfden naam draagt; zo breed als diep, is haar loop ook niet minder sterk; op den oever ziet men eene yourte, welke men mij zeide door lieden bewoond te worden, die het ambacht van schuitevoerders waarnamen, dog nu waaren ze allen van huis, mogelijk wel op de jagt. Uit derzelver openstaande wooning was optemaaken, dat ze zich maar zedert weinige dagen uit bevonden.
Wanneer het ons verveelde om hen langer te roepen en te wachten, bragten wij het minst beschadigde vaartuig van die, dewelken aan den oever vastgemaakt waaren, te water; na lang zoekens vonden wij de riemen; men ontlaadde en ontzadelde de paarden en de goederen wierden in de schuit gebragt, die ons beurtelings aan den anderen kant bragt; nu bleeven onze harddraavers nog overig, en ik was zeer bevreesd, dat ze de rivier niet zouden kunnen overzwemmen; de gerustheid, die mijne Yakouters daar omtrent vertoonden, kwam mij onbegrijpelijk voor; door stokslaagen dwongen zij ze in het water te gaan, de schuit ging vooraf om ze te bestieren, terwijl een der geleiders aan land gebleeven dezelve met steenen wierp, en ze door zijn geschreeuw schrik aanjoeg, ten einde ze het te rugkeeren te beletten; na verloop van een half uur kwamen ze onbeschadigd weder bij ons; dadelijk wierden ze gezadeld, op nieuws belaaden[178], en wij vervorderden onze reis.
De kragteloosheid onzer paarden noodzaakte ons vijf en twintig wersten van Moundoukann stiltehouden, ter plaatze die hen het meeste voedzel aanbood, en alwaar men het spoor der beeren het minst ontdekte.
Na een vasten van zes maanden, dat is te zeggen, na het eindigen van den winter, begrijpt men dat de gulzigheid der beeren verbaazend is; uit hunne schuilplaatzen gekomen, verspreiden zij zich door de velden; en bij gebrek van visch, die de rivieren als dan nog in geen groote hoeveelheid opleeveren, vallen zij woedend op alle dieren, die zij maar vinden en voornamelijk op de paarden aan; wij waaren ter onzer eige behoudenis verplicht middelen uittedenken om ze afteweeren: ziet hier eene beschrijving van onze gewoonlijke voorzorgen, waar door de leezer zich een denkbeeld van onze rustplaatsen zal kunnen vormen.
Rustplaatzen der Yakouters.
De plaats uitgekoozen zijnde, ontlaad men de paarden en laat die in vrijheid wijden, rondom ons kleine leger staken wij van afstand tot afstand vuuren aan, vervolgens deed ik verscheide snaphaanschooten, voor dat ik mij in mijn tent begaf; men had mij verzekert, dat het geluid en de reuk van het kruid de beeren doed vluchten; wanneer de dageraad aanbrak, verzamelde men de paarden: indien ’er zich eenigen wat ver af begeeven hadden, kwamen ze op het geschreeuw mijner Yakouters aanstonds opdagen: deeze bezitten daar in dezelfde bekwaamheid als de Koriaken omtrent derzelver rendieren.
Den 10.
Verwonderd zijnde van geduurig paardemaanen of staarten aan de takken van de boomen te zien hangen, vroeg ik daar van de reden, en ik vernam dat dit offerhanden waaren, gedaan door de Inwoonders des lands aan de bosch en weg Goden: mijne wegwijzers hadden daar derzelver begunstigde plaatsen, alwaar zij op eene Godsdienstige wijs diergelijke gaaven gingen vastmaaken; deeze bijgeloovigheid heeft ten minsten die nuttigheid, dat de offers, welke zij aanbrengt, tot wegwijzers kunnen dienen.
1788. Junij Den 11.
Den voorigen dag hadden wij verscheiden armen van de rivier Ourak doorwaad, die zich in onnoemlijk veel takken verspreid; door geen derzelven waaren wij opgehouden geworden. Den 11, des middags ten vijf uuren, kwamen wij weder aan deeze rivier; deszelfs breedte was niet zeer aanmerkelijk, en indien de regen[179] die tot aan den avond viel, dezelve niet zeer vergroot had, zouden wij niet geaarzeld hebben om die even als daags te vooren doortetrekken; het opperhoofd van mijne geleiders zeide mij, dat hij ’er gevaar in zag; dog men had mij gewaarschuwt, dat, indien ik zwak genoeg was om na hunnen raad te hooren, zij op de minste zwaarigheid mij dringen zouden om op den vollen dag stil te houden, meer om zelfs uit te rusten, dan wel om hunne paarden verkwikking toetebrengen. Ik besloot derhalven hen te noodzaaken om ten minsten den doortogt te beproeven, en de uitslag overtuigde mij van de juistheid der gemaakte aanmerking; hij, aan wien ik bevel gaf om in de rivier te gaan, wierd genoodzaakt van spoedig weer aan land te komen; zijn paard had eenige treen van den oever den grond verlooren: wij moesten ons in de nabuurschap legeren, alwaar onze paarden gelukkig te graazen vonden. Om geen tijd te verliezen deed ik geene andere maaltijd dan des avonds, terwijl ik over dag niets anders dan roggebeschuit gebruikte; dog ik had al mijn volk gelast van mij te waarschuwen, wanneer men eenig wild zou ontdekken[180], zo dat wij een geruimen tijd alleen van de jagt leefden; de nooddruft is een goed meester; en door de gewoonte verkreeg ik allengskens de bekwaamheid.
Indien het gebeurde, dat ik eenige ligtgraauwe konijnen doode, was dit ten voordeele van mijne Yakouters, uitgezondert het vel, dat ze mij wedergaven; Golikoff had mij dit vleesch tegen gemaakt, dat ik op zijn woord voor zeer slegt hield. Eens echter, bekoord door de witheid van deeze kleine gekookte beestjes, was ik begeerig daar van te eeten; zij hebben den smaak van het dennenhout, dog minder onaangenaam als men mij gezegt had. Op een tijd, dat wij gebrek hadden, heb ik mij daar wel aan vergast, en ik kan gemaklijk begrijpen, dat de Yakouters zulks voor eene lekkernij houden.
Gewoonlijk voedzel der Yakouters.
Derzelver voornaamste geregt, het welk zij Bourdouk noemen, stond mij veel meer tegen; dit is een dik afkookzel van roggemeel[181] en water in het welk zij vischtraan mengen, na dat ze het van het vuur genomen hebben: zij konden daar zo veel van gebruiken, dat ik ’er van ijsde. In het algemeen worden ze voor de grootste eeters gehouden; somtijds, voegt men ’er bij, braaden ze een paard om zich eens degelijk te vergasten, het welk in weinig uuren door een klein aantal van gasten opgebruikt word; al wat de maag of pens van het dier bevat, is voor hun geen versmadelijk beetje. Wie zou gelooven, dat menschen van zulk eenen verslindenden aart op een anderen tijd eene maatigheid bezitten, die ons ondragelijk zou toeschijnen, en dat zij menigmaal genoodzaakt zijn verscheide dagen zonder eeten te weezen?
1788. Junij Den 12.
Ik wierd vroegtijdig door mijne wegwijzers wakker gemaakt, die mij kwamen zeggen, dat het water des nagts merkelijk gevallen was; terwijl men ons reisgoed oplaadde, zag ik eenige lieden te paard ons naderen, die om dezelfde reden aan de andere zijde waaren opgehouden, zij hadden om aan onzen kant te komen geen het minste gevaar geloopen, en zij stelden ons gerust.
Ontmoeting van eene Caravane Kooplieden.
Dit waaren in verval geraakte Kooplieden, die het geluk gingen beproeven, als gemagtigden van een rijk handelaar, wiens vooruitzichten in den handel de goedkeuring van het hof en al de ondersteuning die hij benoodigt was, hadden verworven; deeze hadden ten oogmerk den handel in pelterijen, voornamelijk in Sabelmarters, in het land der Koriaken of bij de Tchouktchis gevangen; die factooren moesten zich van den mond der rivier Pengina af tot diep landwaards in verspreiden; de reis zou vier of vijf jaaren duuren; zij waaren niet alleen voorneemens om overal bontwerk te koopen, dog daar en boven om zelfs de dieren, die ’er van voorzien zijn, te vangen: en daar zij geen andere beletselen vreesden dan die hen door de Inlanders konden veroorzaakt worden, hadden zij zich van wapenen en kruid en lood voorzien, ten einde in staat te zijn om derzelver aanvallen afteweeren.
Wanneer zij ons verlieten, sloegen zij een blijk van medelijden op onze ellendige paarden, terwijl wij met een benijdend oog de sterkte en welgesteldheid van de hunnen beschouwden. Uit den omtrek van Yakoutsk gekomen, alwaar men wintervoeder opzamelt, vertoonden deeze dieren vlak het tegengestelde van de onzen, welke mij nu door vergelijking nog veel slegter voorkwamen.
Wanneer wij de rivier overgetoogen waaren, vroeg ik aan mijne wegwijzers, of ik nu hoopen kon, dat dit voor de laatste keer zou zijn; „Neen, zeiden zij, voor dat de dag geeindigt is, moeten wij ’er nog drie overtrekken”.
Uit de beschrijving, die zij ’er mij van deeden, maakte ik op, dat dit wederom armen van de Ourak moesten weezen. Wat hier ook van zijn mogt, mijn vrees vernieuwde bij iedere doortogt, het denkbeeld dat een paard aan het waggelen raaken en met mijn kistje kon vallen, deed mij huiverig zijn.
Uitsteekende dienst welke Golikoff mij bewijst.
Uit een digt bosch komende, bevond ik mij aan den oever van een geweldigen waterstroom; deeze nieuwe rivier was van eene ongemeene snelheid, en deszelfs breedte weinig minder dan twee honderd treeden, ze valt hier digte bij in de Ourak. Echter oordeelden wij dezelve waadbaar, en in dat vertrouwen zette ik mijn paard aan om ’er in te gaan: omtrent in het midden voelde ik dat zijne beenen waggelden; ik moedigde het beest aan, het hield stand, ging voorwaards, en het water ging mij maar tot aan de knie-ën; stouter geworden zette ik mij weder in het zadel, want het gezicht van den stroom veroorzaakte mij eene geduurige ontroering, en mijn lighaam hing geheel over eene zij; als ik eindelijk bijna aan den kant geraakte, welkers hoogte nieuwe poogingen vereischte, moest ik, om daar op te komen, over een kaaij van ijsschotsen, die ’er aan vast was klouteren; deeze was wel zeer steil, dog ik zou te vergeefsch eenen anderen doortogt gezogt hebben. Ik nam dan mijn besluit, en ik bragt het dier bij deezen gevaarlijken oever. Reeds waaren zijne voorpooten daar op geplaatst, en het deed zijn best om ook de agterpooten daar op vast te klampen, dog op het zelfde oogenblik glijdt hij uit, en valt agter over; wij geraakten van elkander en beide aan het zwemmen; de plaats was diep, de zwaarte mijner kleederen belemmerde de minste beweeging, die ik maakte; door den geweldigen stroom weggesleept, evenals mijn paard, dat digt bij mij zwom, verloor ik ongevoelig mijne krachten; ik geraakte na de t’zamenvloeijing der twee rivieren, wanneer ik mij eensklaps hoorde toeroepen: zoek uw paard te vatten, of het is met u gedaan; deeze stem, en het nabijzijnde gevaar versterkten mij; ik werkte met alle magt, strekte de hand uit, en greep den teugel; de Hemel waakte ongetwijffelt over mijne behoudenis, want ter zelfder tijd voelde mijn paard grond en stond stil; een oogenblik laater en wij waaren verlooren geweest: ik hijste mij langs den toom tot aan den hals van het paard, waar aan ik mij sterk vasthield, ik bleef dus als tusschen leeven en dood hangen, vreezende mij te verroeren en met een groot geschreeuw om hulp roepende; mijn getrouwe Golikoff had te vergeefsch getragt mij te volgen, de sterkte van zijn paard had niet aan deszelfs iever beantwoord. Hij was het, die in zijne onverduldigheid mij den heilzaamen dog schrikkelijken raad gegeeven had, van mij aan den toom te houden; zo dra hij ’er het goed gevolg van zag, verdubbelde hij zijne poogingen om den oever te bereiken, daar op te springen, naar mijn paard te loopen, hetzelve buiten het water te trekken en mij het leeven wedertegeeven, dit alles was voor hem het werk van vijf minuuten.
Mijn eerste zorg was, na dat ik mijn verlosser omhelsd had, van de hand in mijn gordel te steeken en daar mijn brievetas uittehaalen. Niettegenstaande dat dezelve in gewast linnen gewonden was, had het water ’er nogtans ingedrongen, en ik beefde over twee brieven van belang, die mij bijzonder door den Heer Graaf de la Pérouze waaren aanbevoolen, ik zag met blijdschap, dat dezelve niet zeer nat waaren.
Mijn kistje was aan den anderen kant gebleeven, dog mijne ongerustheid deswegens verdween wel dra door de aankomst van den Heer Allegretti en mijne andere meede reizigers, die het zelve in mijne handen stelden. Zij waaren nog verbleekt en ontstelt over mijn wedervaaren, en beschouwden mijne redding als een wonder. Ik was te nabij aan mijn einde geweest om niet van dezelfde gedagten te zijn.
Wij steegen vervolgens wederom te paard, dog ik moet bekennen, dat bij de nadering van eene rivier het bloed in mijne aderen stolde; ik zond altoos een van mijne wegwijzers voor uit en ik was niet gerust, voor dat hij mij van den overkant een teken gegeeven had.
Wij reisden deezen dag even als alle de voorigen, zedert mijn vertrek van Okotsk, geduurig dwars door de bosschen, alwaar wij den loop der rivieren volgden. In de bosschen zijn de boomen,[182] die langs de wegen staan, klein, dog zo digt en bezet met struiken, dat mijne Yakouters verplicht waaren ons een weg met de bijl[183] te baanen, het geen onzen togt nog meer vertraagde, zelfs zo dat wij nooit anders dan stapvoets voortreeden.
Aankomst te Ouratskoïplod-bisché. Inwoonders van dit gehugt.
Ik kwam redelijk vroegtijdig te Ouratskoïplodbisché; dit was de eerste bewoonde plaats, die ik zedert de verlaate yourte der schuitevoerders aan den oever van de Ourak aangetroffen had, en ik bleef daar dien geheelen dag uitrusten; deeze rivier loopt ook langs dit gehugt; het getal van deszelfs inwoonders bepaald zich tot vier soldaaten, die ieder een isba bewoonen. Zij zijn belast met de bewaaring van een magazijn, alwaar men de goederen bewaard, die aan de kroon toebehooren, komende van Okotsk of van Yakoutsk. Bij gelegenheid vervoeren zij de goederen tot aan den mond van de Ourak, dog deeze is zodanig belemmerd, dan eens door ondieptens, en dan wederom door watervallen, ook zijn de vaartuigen zo broos, dat de scheepvaart daar niet minder gevaarlijk dan moeijelijk is.
Den 13.
Oorsprong van de Ourak.
In den vroegen morgen voer ik met een schuit deeze rivier over, welke niet wijd van een zeer groot meir ontspringt, waar omtrent wij ons dien zelven avond neersloegen; op eene hoogte gelegen, kan het omtrent zes a zeven wersten in den omtrek beslaan; men zegt, dat het zelve zeer vischrijk is.
1788 Junij Den 14.
Gewoonte der Yakouters, wanneer ze een paard op weg laaten leggen.
Ik moet hier van eene gebeurtenis melding maaken, die deezen dag onder mijne Yakouters voorviel, wegens een paard, dat men op den weg moest laaten leggen; zij hielden stil, en beraadslaagden zamen rondom het dier, wat hen te doen stond. Onverduldig om die zamenspraak te zien eindigen, ging ik derwaards om hun mijn misnoegen te betoonen, dog zij kwamen mij voor, verzoekende mijne toegevendheid voor het uitstel dat zij mij veroorzaakten; daar zij verantwoording schuldig zijn van de paarden, welken men hen toevertrouwd, zo hebben zij de gewoonte, wanneer zij, het zij door toeval of door zwaare vermoeidheid ’er eenige verliezen, om die als dan den staart en de ooren aftesnijden, welken zij aan hunne meesters te rug brengen, dewijl zij anders genoodzaakt zijn om ’er de waarde van te betaalen. In dit oogenblik was de vraag, of zij het stervende paard zouden dooden; dit vereischte eenigen tijd, en ik was niet zeer genegen om hun dien toetestaan. Ook antwoorde ik vrij bars, dat ’er een veel eenvoudiger, veel korter, en minder wreed middel was. Ik beloofde hen een getuigschrift het welk hun verlies zou inhouden, en in plaats van de gewoonlijke bewijzen voldoen kon, terwijl ik het op mij zou neemen dat zij dezelve niet mêebragten. Zij stemden zonder aarsselen in mijn voorstel, en men zeide mij, dat ik hun verplichting schuldig was voor deeze toegeevendheid.
1788. Junij Den 16.
Ongeval het welk mijn Soldaat Golikoff bejegende.
In de hoop van spoediger te vorderen, belastte ik den ouden Nédarézoff om op ons reisgoed te passen, en ik trok met de Heer Allegretti, Golikoff en een Yakouter voor uit; wij naderden een moeras, deszelfs diepte was omtrent van een voet; de Heer Allegretti en ik reeden daar in, Golikoff volgde ons, houdende mijn kistje op zijn zaal, naauwlijks was hij tien treeden voorwaards, of zijn paard viel voor over, en wierp hem ter zijde; dog meer bezorgt over het geen onder zijne bewaaring was dan wel omtrent zich zelfs, rolde hij over het kistje dat hij zorgvuldig vast hield. Ik stapte aanstonds af om hem te helpen, hij was in de slijk gevallen zonder zich te bezeeren; zijne meeste bevreesdheid was dat mijn kistje nat zoude zijn, en hij kon zich deswegens niet gerust stellen, dan wanneer hij zag dat het van binnen droog was.
Onze paarden waaren zodanig vermoeijd, dat wij genoodzaakt wierden te voet te gaan, en dezelve bij de toom te trekken, terwijl onze Yakouter ze van agter heftiglijk voortzweepte; wij reisden dus den geheelen dag, om het half uur stilhoudende ter plaatze alwaar het nieuwe gras zich begon te vertoonen[184], teneinde onze paarden gelegenheid te geeven van zich te kunnen herstellen.
Komst bij het kruis van Yudoma.
Omtrent ten drie uuren in den namiddag, bereikten wij Yudomokoï-krest, of het kruis van Yudoma[185]. Op eene hoogte, van waar men de overstroomingen deezer rivier kan braveeren, welke deszelfs onstuimig water zeer ver voortstuuwt, ziet men verscheide magazijnen door vier soldaaten bewaard, die derwaards vlugten, wanneer het water derzelver wooningen, welke digter aan de rivier gelegen zijn, bereikt; deeze dienen aan de reizigers ook tot schippers.
Zwaarigheden die ik bij mijne inscheeping ontmoet.
Op het zien der bevelen die ik bij mij had, waaren ze ter mijner hulp bereid. Ongelukkig bevonden zich derzelver schuiten in den aller slegtsten staat. Ook waaren ’er geen werklieden nog gereedschappen om dezelve te herstellen bij der hand: die mij van Okotsk nagezonden moesten worden kwamen nog niet opdagen, en mijne inscheeping[186] ten einde de rivieren Yudoma, Maija en Aldann aftezakken vereischte spoed. Onder deeze soldaaten had ’er maar een die reis gedaan; het was reeds negen jaaren geleden en hij had geheel de weg vergeeten: men raadde mij om mij niet van hem te bedienen, dan wanneer alle de anderen zulks weigerden.
Nédarézoff alleen was dus al mijn toevlucht; men had hem mij voor stuurman gegeeven, dog welk een stuurman! twaalf jaaren waaren ’er verloopen, zedert dat hij eenmaal die rivier was opgevaaren, en de eenigste zaak waar van hij geheugen droeg, bestond hierin dat hij drie jaar op den togt van Yakoutsk tot Okotsk toegebragt had; als toen geleidde hij een aanzienlijk convooij van bouwstoffen, ankers, touwwerk en meer andere zaaken, tot eene uitrusting dienende.
Verbeteringen aan een schuit gemaakt om meede te vertrekken.
Van de vier schuiten die aan den oever lagen, nam ik de beste en de enigste[187]; in evenredigheid van twaalf voet lengte op de helft breedte; dezelve nader beschouwende, bemerkte ik dat het gestopt, geteerd en van vooren met een boord meerder bezet moest worden, ten einde meer tegenstands aan het bruisschen der golven te kunnen bieden. Een der Soldaaten die een weinig van het timmermans ambacht verstond, was het gelukt om met twee planken en met spijkers uit een oude schuit getrokken dit boord te maaken en vasttehegten, dog om het zelve verder te herstellen ontbrak ons alles; de nagt overviel ons, zoekende allerwegen in de magazijnen om iets te vinden, dat in de plaats van hennip en teer kon dienen; alle onze naspooringen waaren te vergeefsch, en tot aan den volgenden morgen kwelde ik mij onophoudelijk om eenig hulpmiddel uittedenken.
Met het aanbreeken van den dag, mijne arbeiders gaande bezoeken, trad ik op een oud dik touw aan den oever geworpen; verheugd over deeze vond, bragt ik het zelve aan mijne Soldaaten, op het oogenblik was het doorgesneeden, en ontvlogten, ik bekwam vlas, en ziet daar ons bezig om de drie voornaamste boorden te calfateren; het moeijelijkste was om het werk te doen kleeven en vasttehegten; mijne werklieden sloegen mij voor van deeze reeten met latwerk te stoppen; wanneer wij die vast wilden maaken, ontdekten zich nieuwe zwaarigheden, zij hadden geen yzere haaken nog spijkers, dog de behoefte wekt de schranderheid op. Aan iedere kant van deeze naaden maakten wij gaaten met een boor, het welk ons eenigste gereedschap was; zeer dunne ledere riemen welken ik onder mijn reisgoed vond, wierden door deeze gaaten doorgehaald, en vervolgens met kleine pinnen gestopt, waar door wij deeze latten geslooten kreegen en ons vaartuig ondoordringbaar voor het water maakten; des namiddags ten drie uuren was onzen arbeid volbragt, het roer op zijn plaats en de riemen in gereedheid; ik beval mijn volk om zich tegens den anderen dag reisvaardig te houden.
1788. Junij Den 18.
De Heer Allegretti keert naar Okotsk te rug.
Op het oogenblik van ons vertrek, zagen wij een Caravaane van Yakoutsksche Kooplieden opdaagen; zij gingen naar Okotsk, en ik raadde de Heer Allegretti om van derzelver gezelschap gebruik te maaken. Wij scheidden ten negen uuren; de dienstbewijzen en de betuigingen van genegenheid, welke ik van dien achtingswaardigen heelmeester ontfangen had, vertoonden zich op het oogenblik van ons laatste vaarwel allen te gelijk voor mijnen geest en aan mijn hart.
Overtogt van de waterval.
Twee Soldaaten had ik voor roeijers genomen, en daar onder die geen welke eertijds deeze reis gedaan had. Nédarézoff was aan het roer; Golikoff en ik moesten hem vervangen, wanneer hij te zeer vermoeid wierd; de snelheid van de stroom voerde ons met eene zodanige spoed voort, dat wij niet behoefden te roeijen; volgens den weg dien wij afleiden, twijffelden mijne twee Soldaaten niet, of wij zouden voor het einde van den dag nog aan de vermaarde waterval komen, die omtrent ruim tagtig wersten van de plaats van ons vertrek afgelegen was; derzelver gesprekken liepen alleen over de gevaaren die ons daar wagtende waaren; daar ik hunne onervaarendheid uit deeze redeneeringen, door de vrees opgegeeven, kon bemerken, besloot ik zelfs daar van de proef te neemen; ik meende alle voorzigtigheid te moeten gebruiken, ten einde mij niets te verwijten te hebben. Ik liet mij dikwils aan land zetten en ik ging langs den oever voor uit, om te ontdekken tot hoe ver wij zonder vrees vaaren konden; tegens den avond verhief zich een west-noord-weste wind die ons regen aanbragt. Ik wilde liever stil houden dan ons aan een zo slegt wêer blootstellen, en ik liet mijne tent op de schuit opslaan.
1788. Junij Den 19.
Na vier uuren vaarens, telkens afgebrooken door het aan de wal gaan, ten einde te ontdekken of wij de waterval naderden, kreegen wij dezelve eindelijk in het gezicht; verzeld van mijne twee stuurlieden, ging ik aanstonds de plaats in oogenschijn neemen. Niet ver van daar wierd ik een klein steenachtig eiland gewaar, het geen men niet ontdekt voor dat het water begint afteloopen; mijne Soldaaten raadden mij het canaal in te vaaren het geen wij aan onze rechterhand zouden vinden; hoe zeer deszelfs loop zeer snel was, verzekerden zij mij echter dat deeze bijna geene beweeging had, in vergelijking van de waterval; ons bleef dus maar overig te weeten of het water hoog genoeg was. Deeze onderrichting overwoog ik van alle kanten, en alle mijne beschouwingen mij van deszelfs nuttigheid overtuigd hebbende, ging ik weder op het vaartuig met het vaste voorneemen om ’er gebruik van te maaken. Ik moedigde zo veel ik kon mijn volk aan, en plaatste mij vervolgens aan het roer; Nédarézoff bleef bij mij; Golikoff plaatste zich zodanig dat hij een der roeijers helpen kon, want wij hadden niet meer dan twee riemen. Wij vorderden dus, met opgeheeven roeijspaanen, tot daar de twee stroomen zich ontmoeten, waar van den een naar het canaal loopt en den ander zich in de waterval verliest. De onstuimigheid van deeze zou ons in den draaikolk weggesleept hebben, indien de juistheid en de poogingen mijner roeijers zulks niet belet hadden; naauwlettend op het gegeeven teken, zetten hunne gespierde armen de roeispaan kracht bij, en worstelen tegens de golven; deeze verheffen zich en bruisschen; de geweldige schokken welken die aan het vaartuig toebrengen, mijne geduurige aanmoedigingen, en boven dat alles, de vrees van om te komen, verdubbelde den iever mijner Soldaaten; eindelijk geraakten wij uit de gevaarlijke stroom en roeijden het canaal in. Hoe bedaart scheen ons deszelfs water na deezen verschrikkelijken doortogt! Om mijn volk wat uit te laaten rusten, gaf ik mij geheel over aan het bespiegelen van den zagten afloop: het roer alleen was genoegzaam om het vaartuig te bestieren.
Zo dra wij aan den voet van de waterval waaren, deed mij de nieuwsgierigheid agterwaards zien. Op deszelfs ijsselijk gezicht, beefde ik; en dankte den hemel van mij een andere weg te hebben aangeweezen. Van de tien vaartuigen die verplicht zijn deeze te volgen, kan men rekenen dat ’er negen schipbreuk moeten lijden; dat dan de leezer oordeele.
Wat zal ’er van dat brooze schuitje worden, het welk, het gevaar tartende, zich door den vloed laat meesleepen? In deszelfs overhaastende val, zie ik het de speelbal der watergolven worden, die den een op den ander volgen, en die met een sterk geluid van de hoogte van twintig voeten, op drie verbaazende rotzen neervallen, welken zij met schuim bedekken. Hoe zal het zelve, zonder een wonderwerk, niet verzwolgen worden? Hoe ontgaat het de verbrijzeling tegens deeze dreigende klippen, langs welken het moet heenvaaren? En echter, wanneer het Canaal door gebrek aan water onbevaarbaar is, word dit de eenigste weg die men neemen kan. Mijne geleiders verhaalden mij dat voor en aleer men ’er zich op waagt, men altoos de schuiten ontlaad, en dat daarin de voorzorg en wetenschap der stuurlieden bestaat; deeze watervallen worden Porog genaamt.
Wij moesten nog eene plaats doorvaaren dewelke mijn volk ongerust maakte; deeze noemen zij Podporojenei, het laagste of de zuiging van de waterval, die van deeze, eene werst afgelegen is. Zij hadden naauwlijks hun gesprek deswegens geeindigd, of wij bevonden ons reeds daar: ik had naauwlijks de tijd om hen te beduiden wat ik noodig oordeelde dat in het werk gesteld moest worden; de zaak was dat wij de diepste zijde koozen, de zwartheid van het water scheen mij die aan te wijzen, en ik stuurde derwaards, de bruissching en de zwaare golven, deed ons meer slingeren en op en neer gaan dan in volle zee: dog eensklaps wierd ons schuitje gelijks het water, tegens een rots gesmeeten die niemand onzer ontdekt had; door de geweldige schok vielen wij om ver: mijne makkers meenden verlooren te zijn en durfden zich niet oprichten; ik schreeuwde te vergeefs dat zij roeijen zouden, dan niemand gaf daar acht op. Ik vatte het roer wederom aan, en ziende dat ’er niets gebrooken was, stelde ik hen gerust, en ik bragt het zo ver dat ze derzelver plaatsen hernamen; wij waaren onze bevrijding aan het mos verschuldigt waar meede deeze rots bedekt was; zij bewaarde ons schuitje, dat ’er van terzijde tegenkwam en daar over heen gleed, zonder eenigzints beschadigt te zijn.
Om dit te vermijden moet men juist door het midden van de rivier vaaren, en niet bekommert weezen over de golven, die zich daar verheffen en tegen de rotsen schijnen te verbrijzelen; de doortogt is omtrent van honderd vijftig toises of halve roeden; beneden deeze Podporejenei stroomt eene andere rivier; deszelfs klaar en stil water, naast de beroering en de drabbigheid van de Yudoma, veroorzaakt eene zo merkbaare tegenstrijdigheid, dat het oog een geruimen tijd de eene van de andere kan onderscheiden.
Arm van de Yudoma, die de DUIVELS-ARM genaamt word.
Aan de linker kant van deeze laatste, ziet men nog een arm die niet minder geducht is. Ook heeft men die de naam van Fschortofskoi-protok, of duivels arm gegeeven, hij loopt in het bed van de Yudoma, dertig wersten van de mond van deeze in de Maya. Men herkent dien arm aan het aantal doode boomen en rotzen die deszelfs inkomen opstoppen; een zeer snel vlietende stroom sleept u daar in om ’er nimmer weer uittekomen, indien men de voorzigtigheid niet gebruikt om altoos langs de regter hand te houden.
Den 20.
Ik meende een beer te dooden die langs den oever wandelde, ik deed een snaphaanschot op hem met hartenhagel; niettegenstaande zijne kwetsuur, vlugtte hij boschwaards en ik verloor hem uit het oog. Een oogenblik daar na, miste mij een schoon rendier dat vijftien treeden van ons wegvlood, uit hoofde dat mijn snaphaan nog niet weder gelaaden was. Ik zag ook verscheiden argalis, ooijevaars, ganzen, en een vos, dog ik kon ’er geen van bereiken.
Dien dag zag ik voor de eerstemaal zedert mijn vertrek van Yudomokoï-krest, een pijnboomen bosch; daar entegen waaren de dennen bosschen die zich links en regts aan mijn oog vertoond hadden, ontelbaar; het is de laatstgemelde boom[188] welk de masten en ander scheepshout voor alle de werven die op deeze kust gevonden worden oplevert.
1788. Junij Den 21.
Bij mij ontdekte zich eene ongesteldheid door een aanval van koorts, dog ik sloeg daar weinig acht op; alleen bleef ik in mijn schuit slaapen, en mijn leefregel bepaalde zich tot het drinken van koud water. Ik hield des nagts niet meer stil, dewijl onze vaart zeer gemaklijk was geworden.
Snelheid en rigting van de Yudoma.
Hoewel men het mij verzekerd heeft, heb ik nogtans moeite om te gelooven dat de Ourak snelder afloopt dan de Yudoma. Wij reisden op deeze tien, twaalf en somtijds twintig wersten in een uur; haare meest gewoonlijke richting scheen mij westelyk te zijn; aan deszelfs mond vormt zij een groot aantal kleine eilandjes.
1788. Junij Den 22.
Wij komen in de Maija.
Des morgens ten twee uuren geraakte ik in de Maya, neemende den weg ten naasten bij noordwaards en somtijds een weinig naar het oosten; de oevers van deeze rivier zijn minder steil, en minder dor dan langs de voorige; bij tusschenpoozen echter ontdekt men daar bergen en zelfs rotzen: het onderscheid tusschen de beide stroomen wierden wij echter veel meer gewaar, dewijl wij maar vier wersten in een uur konden afleggen.
Ontmoeting van negen vaartuigen.
Omtrent op het midden van den dag, zagen wij negen vaartuigen ons te gemoet komen, beladen met allerleie voorraad voor den togt van de Heer Billings; zij voeren, door menschen getrokken, de rivieren op, welken wij afzakten; ik kon ze niet naderen; dog ik vernam dat de Officier die ze naar Okotsk geleidde, de Heer Behring was, de Zoon van dien zeeman, aan wien Rusland zo veele gewigtige ontdekkingen op de noordwest kust van Amerika verschuldigt is: hij dagt, zeide men mij, omtrent een en een halve maand bezig te zullen zijn om den togt te doen die ik in vier dagen had afgelegd.
1788. Junij Den 23.
De muggen waaren ons tot eene onverdragelijke last; wij konden ze niet afweeren dan met de rook van verrot hout; wij gebruikten de voorzorg om het vuur dag en nagt aan den gang te houden.
Uitwatering van de Maya in de Aldann.
In den agtermiddag, verliet ik de rivier Maya, om in eene andere die veel breeder en snelder was te komen, genaamt de Aldann[189]: dog ik voer dezelve alleen over om eene wooning te bereiken aan de overkant gelegen, regt tegens de mond van de Maya over[190].
Bijzonder toeval dat mij paarden verschaft.
Daar vond ik zee-soldaaten voor den togt van de Heer Billings geschikt, die mij voorsloegen om van verscheide transport paarden onlangs aangekomen gebruik te maaken, en welken in het terugkeeren, mij tot Amgui konden brengen; volgens mijn reis-maat, moest ik mij te scheep naar Belskaïa-Péréprava begeeven, alwaar de gewoonlijke weg van Okotsk naar Yakoutsk langs loopt; dog de weg over Amgui neemende, zou ik aanmerkelijk winnen; hier van verzekerd zijnde, en het gelukkig geval het welk mij goede paarden verschafte, deed mij van mijn ontwerp afzien.
Ik betaalde mijne geleiders[191], die order hadden om hunne schuit te Belskaïa-Péréprava agter te laaten, namelijk, nog honderd vijftig wersten verder, en die bij gevolg voortgingen met de Aldann aftezakken. Zij waaren nog geen werst ver, of het deed mij reeds leed dat ik ze afgedankt had; de Yakouters aan wien deeze paarden toebehoorden, en die bevreest waaren van ze te veel te zullen vermoeijen, hadden met ongenoegen vernomen dat ik ’er mij van dagt te bedienen; daar zij dit niet opentlijk durfden laaten blijken, poogden zij de vlucht te neemen; men zogt hen optespooren, en door veele beloften, bragt men ze terug. Om zich van dezelve te verzekeren, moest men ze allen in een isba opsluiten, waar uit men ze den volgenden morgen niet liet komen, dan onder voorwaarde dat ze mij tot Amgui zouden brengen; intusschen had men de voorzorg gebruikt om tien van de beste paarden tot mijn gebruik uittekiezen.
1788. Junij Den 24.
Vertrek van Oustmaya-pristann.
Na wel geslaapen te hebben, het geen mij geheel herstelde van mijne ligte onpaslijkheid, stapte ik vrolijk te paard, gevolgt van deeze Yakouters die door Golikoff aangesproken en gedweë-er gemaakt waaren. Ik was over derzelver vergenoegtheid verwondert, zij zongen de geheele weg over.
Yakoutsche zangen.
Derzelver zangkunst is niet zeer aangenaam, deeze bestaat in een geduurige en eentoonige trammelant die ze uit de keel voortbrengen; zij zijn daar en boven zeer vaardig om iets voor de vuist optestellen; de woorden kosten hun geen moeite nog overleg; zij vinden stof in alles wat hen omringt of wat ze denken. Laat een vogel aan haar zij opvliegen, en ziet daar reden genoeg om een uur over te zingen; dit is geen uitwerkzel van derzelver levendige verbeelding, want het gezang zal tot aan het einde toe zich bepaalen om te herhaalen, dat ’er een vogel zo weggevloogen is.
Bijzonderheden van mijne reis tot aan Amgui.
Meer dan honderd wersten lang, reeden wij door een losse moerassigen grond, waar onze paarden zodanig inzakten dat wij genoodzaakt waaren van aftestijgen om ze ’er uittehelpen; het overige van de weg was minder slegt. In het midden van een groot bosch, zag ik op den oever van een meir, twee visschers bezig om derzelver voorraad voor de winter te vangen; zij hadden geen ander verblijf dan een afdak van boomschors: op het einde van de zomer, gaan zij bij derzelver ouders een zekerder en warmer schuilplaats zoeken.
Den 25.
Wij hadden regen in overvloed, dog vooral van des namiddags ten vier, tot des avonds ten agt uuren wanneer ik stil hield: om ’er van bevrijd te weezen, plaatsten mijne Yakouters op derzelver schouders een beerenvel op de wijze van een kraag; door een paardestaart vastgemaakt aan een dikke zweepstok, bevrijden ze zich van de muggen; wij wierden ’er zodanig van geplaagt, dat ik niet lang wachtte om tot derzelver muggejagt toevlucht te neemen.
1788. Junij. Den 26.
Deeze dag leverde niets bijzonders op; des avonds bereikte ik den oever van de rivier Amga, twee honderd wersten van de haven aan de mond der Maya. Deszelfs diepte benam ons de lust om dezelve door te waaden, echter waaren alle de schuiten aan de overkant; te vergeefs riepen wij dat men ons zou komen afhaalen. Een mijner geleiders, onverduldig dat hij niemand zag opdagen, ontdeed zich van zijne kleederen, en zwom over om een schuit te gaan haalen; de overtogt van onze caravaane duurde een uur; wij steegen dadelijk weer te paard om de wooning van een Yakoutsche Prins te bereiken, die Girkoff genaamd was. Onder weg, vond ik verscheide Yourtes, dog allen ten minsten een uur van den anderen gelegen; wanneer wij eenige treden van die van Knesetsk of van den Prins af waaren, reed mijn Soldaat Golikoff voor uit, om hem te beduiden, dat hij mij wel ontfangen moest.
Onthaal het geen mij een Yakoutsche Prins aandoet.
Hij onthaalde mij in der daad zeer vriendelijk; niet alleen bood hij mij zijn yourte, melk en zeer smakelijke boter aan, dog daar en boven beloofde hij mij, dat zijne beste paarden[192] den volgenden dag tot mijnen dienst waaren; weetende dat ik rust noodig had, wees hij mij het afgeschoote huisje aan, dat hij voor mij geschikt had, en terwijl men het zelve gereed maakte, had hij de beleeftheid mij zijne geheele wooning, een der fraayste in dit soort, te laaten zien.
Beschrijving van eene Yakoutsche yourte.
De grootte van deeze huizen verschilt, naar maate dat den eigenaar meer of minder rijk, of zijn gezin meer of min talrijk is. Overeind geplaatste balken den een naast den ander, en bedekt met klei-aarde, vormen deszelfs muuren, die niet rechtstandig even als de onze opgaan; bovenwaards digter aan elkander staande, onderstutten ze een dak, welkers afhelling niet zeer steil is; in eenige yourtes, word het door paalen ondersteund; eene deur geeft alleen toegang naar binnen, het welk in twee-en afgedeeld is, gelijk ik reeds gezegt heb; het eindelijkste gedeelte word door de menschen bewoond, die zich daar in afdeelingen begeeven, welken op gelijken afstand naast de muuren verdeeld zijn; het zijn hutten, die ik niet beter kan vergelijken als met de kleine vertrekjes der dekofficieren op de Hollandsche scheepen; ieder paar heeft het zijne; aan de andere kant van de muur hebben de beesten, de koeijen, de kalveren derzelver verblijf; dit alles maakt maar eene stal uit. In het midden van het gebouw is de schoorsteen geplaatst, zijnde van eene ronde gedaante en van hout gemaakt; men bezorgd die om ongelukken voortekomen, met een dik pleister van leemaarde; om het vuur te ontsteeken, word het hout regt over eind in de schoorsteen geplaatst; aan iedere uitspringenden hoek, maakt men een lange stok vast, waar uit een ander op dezelve hoogte voortkomt, dienende om de keetel aan te hangen, en ziet daar de haal en de hengel in gereedheid; het is gemaklijk om die te vermenigvuldigen, indien men meer dan eene pot behoeft heet te maaken.
Drank genaamd Koumouiss.
In een hoek van de yourte staat een leere tobbe geplaatst; alle dagen doet men daar paardemelk in, die men met een stok, even als met een karnstok, omroert. Een ieder die binnen komt, voor al de vrouwen, verzuimen nooit, voor dat men zich aan ander werk begeeft, om die melk geduurende eenige minuuten te karnen; dit leevert dien zuurachtigen en nogtans aangenaamen drank op, welke men Koumouiss noemt; wil men dezelve nog meerder doen gisten, als dan word ze een der koppigste dranken.
Mijn gastheer sprak het Russisch tamelijk wel[193]; ik maakte daar gebruik van om van hem eenig onderricht over de gewoontens, de zeden en de Godsdienst van zijne landsgenooten te bekomen. Ik zal het zelve, beneevens de aantekeningen die mij reeds over deeze onderwerpen bezorgt waaren, hier laaten volgen.
Gewoontens, Godsdienst, en zeden der Yakouters.
In het begin van de zomer, verlaaten zy hunne winterwoonigen, en begeven zich met derzelver gezin en eenige paarden, landwaards om de inzameling van het voeder voor het onguure jaargety te doen. Het is altoos op eene aanmerkelijke afstand van derzelver yourte, en in de vrugtbaarste streeken, dat zij deezen voorraad gaan zoeken. Geduurende dit verlaaten van derzelver wooning, laaten zij hunne paarden onder de bewaaring van derzelver knechten, en de omgelegen weilanden zijn voldoende om alle hunne kudden te voeden.
Het jammerde mij zeer, dat ik hun maijfeest niet heb kunnen bijwoonen, het welk zij uit blijdschap over de terugkomst van de lente vieren. Zij verzamelen zich als dan in het open veld, brengen sterk gegiste Koumouiss derwaards, braaden ossen en paarden, eeten en drinken tot zat wordens toe, zingen, danssen en eindigen dit alles met toveryen; derzelver chamans bestieren deeze feesten, en verkondigen daar hunne buitenspoorige voorzeggingen.
Deeze waarzeggers zijn hier vrijer en meer geëerbiedigt dan in Kamschatka; verklaarders van den wil der Goden, verleenen zij hunne bemiddeling aan den onweetende Yakouter, die hem al beevende smeekt, dog die hem voor al betaalt. Ik heb sommigen dier misleiden hun schoonste paard zien geeven om een chaman naar zijn dorp te brengen. Niets is afgrijselijker dan de toverdiensten van deeze bedriegers: ik kende die nog maar alleen bij overlevering, en ik was begeerig om dezelve bijtewoonen. Ik was getroffen over de getrouwheid van het verhaal het welk men mij deswegens gedaan had: dog daar ik het met eene gelijke naauwkeurigheid opgegeeven heb, kan ik niet anders dan den leezer derwaards verwijzen[194]. Ik zal mij dus vergenoegen met hun een afbeeldzel van den Chaman die zich hier aan mij vertoonde, te geeven.
Omhangen met een kleed, het welk van bellen en yzere plaaten voorzien was, welkers geluid het hoofd duizelig maakte, daar en boven sloeg hij op zijn bouben of trommel, met een geweld dat geschikt was om vrees aantejaagen; vervolgens als een dwaas ginds en herwaards met de mond open loopende, beweegde hij het hoofd in allerleie bogten, zijne loshangende hairen bedekten hem het aangezicht, van onder zijne lange zwarte maanen[195] hoorde men een wezentlijk gebrul, het welk door geschrei en een geschater van lagchen gevolgt wierd, zijnde dit de gewoonlijke Voorbereidzelen tot de openbaaringen.
In de afgoderij der Yakouters, hervind men alle de dromerijen, alle de bijgeloovige gebruiken der oude Kamschatters, der Koriaken, Tchouktchis en andere volkeren van deeze streeken; zij bezitten echter uitgebreider grondbeginzelen, en dwars door de belagchelijkste verdigtselen heen, waar meede zij zich voeden, ontwikkelen zich vrij scherpzinnige denkbeelden over het Opperweezen, over de wonderwerken, en de toekomstige belooningen en straffen.
Voornamelijk was ik verwonderd over de levendigheid en eigenzinnigheid van hunnen geest; zij scheppen behaagen in het verhaalen van fabelen, getrokken uit derzelver belagchelijke verdigtsel geschiedenis (mythologia), welken zij met de stelligste ligtgeloovigheid aan anderen meededeelen. Wanneer men die met de onzen vergelijkt, vind men zo veel reden niet meer, om onze vroegere en hedendaagsche schrijvers te bewonderen, dewijl men dit vak door diergelijke meededingers ziet behandelen; hier volgen twee van die fabelen, welke Golikoff mij spreekwijs voor spreekwijs vertolkte.
Het gebeurde eens, dat ’er in een groot meir een hevige twist ontstond tusschen de verscheiden soorten van visschen; het verschil was over het oprichten van een opperste rechtbank, dewelke het geheele visschen heir moest bestieren; de haringen, en de kleine visschen begeerden een gelijk recht als de salm, om daar in toegelaaten te worden. Van woorden tot woorden geraakten de hoofden verhit, men kwam zo ver om zich met kracht te vereenigen tegen die groote visschen, die de zwaksten beledigden en hinderlijk waaren, hier uit ontstonden inlandsche en bloedige oorlogen, dewelken door de vernieling van een der twee partijen eindigden, de overwonnelingen die de dood ontsnapt waaren, namen de vlucht naar enge waters, en lieten de groote visschen, welken de overwinning behaald hadden, alleen meester van het meir. Ziet daar de wet van den sterksten.
De andere fabel gelijkt meer na de verhaalen van onze oude wijven, die de schrik der kinderen en het vermaak der bejaarden in onze (fransche) dorpen zijn. Ik ben niet vreemd van te gelooven, dat deeze het werk van den een of anderen Chaman is.
Een Yakouter had zich oneerbiedig tegens zijn Chaman gedraagen of hem beledigt. Om deeze te wreeken, veranderde de duivel zich in eene koei, en zich gemengd hebbende onder de kudde van den schuldigen, terwijl die langs een bosch ging graazen, wist hij de beste vaerzen daar van te ontvoeren; wanneer den herder des avonds terug kwam, joeg zijn verbolgen meester hem onbarmhartig weg, hem beschuldigende van door zijne zorgeloosheid, de oorzaak van dat verlies te zijn. Op dit oogenblik vertoond zich de duivel in een herders gewaad; men neemt hem aan, en den volgenden morgen brengt hij de koeijen naar de velden. Een, twee dagen loopen voorbij, en de Yakouter ziet zijne kudde niet opdagen. In de uiterste ongerustheid, vertrekt hij met zijne vrouw, zoekt ginds en derwaards, ontdekt dezelve eindelijk, dog in welk eene verwarring! Op zijne aannadering, gaan de koeijen aan het loopen, en op het geluid der fluit van den trouwloozen herder ook aan het danssen[196]; de meester raast, en schreeuwt. „Houd stil, roept de duivel hem toe, het staat u wel om my te verwijten dat ik gestoolen heb, gij die misbruik maakte van het vertrouwen van den allerachtingswaardigsten Chaman; laat dit gebeurde u ter leering verstrekken. Geeft ieder het geen hem toekomt”. Op deeze woorden, verdween de kudde en den herder, en den armen Yakouter verloor al zijn goed.
Zedert dien tijd, wierd de plaats waar dit gebeurde, voor het verblijf der helsche geesten gehouden; de ongeloovigen mogten zeggen, dat, volgens alle waarschijnlijkheid, den beroovenden duivel niemand anders dan de chaman zelfs was; de eenvoudigheid der weltevreedene Yakouters kon deeze verdenking niet verdraagen, welke zij voor een gruwelijke lastering hielden.
Men had mij meenigmaal in de bosschen, overblijfzelen van oude Yakoutsche graven, getoond; dit waaren zeer plompgemaakte en aan de takken van de boomen opgehangen doodkisten; mij is onbekend, waarom zij van het gebruik afgezien hebben om dus hunne dooden aan de open lucht, en ver van derzelver wooningen, bloottestellen; tegenswoordig begraven zij die op de wijze der Christenen.
De lijkplechtigheden geschieden met een soort van praal, die min of meer prachtig is naar maate van het aanzien en den rijkdom van den overleedene. Indien het een Prins is, bekleed men hem met zijne rijkste kleederen en beste wapenen; het lijk in de doodkist gelegd, word door de vrienden, tot aan den rand van het graf gedraagen; een luidrugtig geklag kondigt deeze naargeestige trein aan; het begunstigste paard van den Prins, en het beste uit de stoeterij, beiden rijk opgezadeld, en door een knegt of den een of ander naastbestaande geleid, gaan ter zijde van de kist; aan de begraafplaats gekomen, worden ze aan twee paalen[197] bij het graf gesteld, vastgemaakt; terwijl men derzelver meester in de aarde zet, worden ze op zijn lighaam gedood, en deeze bloedige offerhande is een eerbewijs, verschuldigd aan zijne genegenheid voor deeze dieren, die gehouden worden dat ze hem in de andere waereld zullen volgen, alwaar men hoopt dat hij ’er nog genot van zal hebben. Echter brengt men die ter dood, het vel en het hoofd dat aan elkander blijft, word digt bij het graf in eene horisontaale richting aan boomtakken vast gemaakt, en ziet daar het praalgraf; vervolgens ontsteekt men een houtmijt, en de laatste vriendschapsblijk voor den overledene bestaat daar in, dat men zijne twee geliefde paarden aldaar braad en op eet; deeze maaltijd geeindigt zijnde, gaat ieder zijns weegs. De zelfde plechtigheid word ook omtrent een vrouw in acht genomen: in plaats van een paard, slagt men de koei, waar van zij het meeste werk pleegde te maaken.
De Yakouters zijn sterk en over het algemeen groot, het geheel van derzelver gelaatstrekken heeft eenige overeenkomst met de gedaante der tartaaren; men zegt zelfs dat de beide taalen veel overeenkomst hebben; al wat ik daar van zeggen kan, is, dat de Yakouters zeer afgebrooken spreeken, en dat ze hunne woorden niet zamenbinden.
Derzelver kleeding is eenvoudig en ten naasten bij zomers en des winters hetzelfde; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve in het laatste jaargetij, met pelterijen gevoerd zijn. Over het hemd, draagen zij gewoonlijk een groot overgeslaagen vest met mouwen; derzelver broek gaat maar ter halver weg van de deijen; dog lange laarzen sarri genaamt gaan hun tot boven de knie-en. Wanneer het warm is, houden ze niets van dit alles dan de broek aan.
Zij verbeelden zich beter dan eenig ander volk van de waereld te paard te rijden, hunne verwaandheid ten deezen opzichte gaat zo ver, dat ze met versmading vermijden, om aan wat reiziger ook als te vrolijke paarden[198] te geeven.
De veelwijverije behoort bij dit volk tot derzelver staatkundige grondbeginzels; genoodzaakt om menigvuldige reizen te doen, bezitten zij vrouwen op alle plaatsen waar zij stil houden, en nooit brengen zij die bij elkander; des niettegenstaande zijn ze uitermaaten jaloursch, en gezwooren vijanden van ieder die de rechten der gastvrijheid wilde schenden.
1788. Junij Den 27.
Vertrek van Amgui.
Door de goede voorzorg van de Prins Girkoff, vond ik bij mijn ontwaaken negen fraaije paarden alle gezadeld[199]; hij begeerde dat ik zijn geliefkoost paard beklom, het welk volmaakt de tel gang ging; overlaaden van zijne vriendelijkheden, verliet ik hem vroegtijdig, in de troostrijke hoop van meermaalen woonplaatzen te zullen aantreffen, alwaar ik van paarden zou kunnen verwisselen, en somtijds mijne nagtrust neemen.
Afbeeldzel van eene kwaad doende Godheid.
Eenige treeden van deeze yourte die Amguinskoi-stanovie of rustplaats van Amgui genaamd, word, zag ik op de weg eene houte afbeelding van een vogel, zo groot als een endvogel of water-raave; dit is de zinnebeeldige gedaante van eene kwaad verwekkende Godheid, de schrik van dit gewest; men vertelt ten zijnen opzichte de zotste verhaalen, men geeft onder anderen voor, dat deeze booze geest somtijds de reizigers heeft doen verdwaalen, en derzelver paarden verslonden.
Ik stapte des avonds af, bij eene andere Yakoutsche Prins[200] die zedert kort zijne zomerwooning betrokken had, dewelke mij even zo zindelijk als aangenaam voorkwam: ziet hier de beschrijving van deeze ourassis; dit is de naam welke men aan deeze schilderachtige wooningen geeft.
Zomerwooningen der Yakouters.
Even als de yourtes der zwervende Koriaken, zijn deeze rond, ruim en met een minder aantal stokken zamengesteld, dog op dezelfde wijs geplaatst, en rondom onderstut door dunne boogsgewijze dwarsbalkjes; het geheel is met berkenschors overdekt[201]; van boven naar beneden met banden van agttien duim breed vastgehegt; de randen deezer banden zijn kleine gemaakte zelfkanten, van deeze schors festonsgewijs uitgesneeden; men behangt de wooning van binnen in dezelfde smaak; de eigenaar schikt de tekening daar van na zijn zin; waar in gewoonlijk eene mengeling van coleuren heerscht, die niet onbevallig is; deezen opschik verciert ook de huisjes of hutten en de bedden van de hoofden der huisgezinnen; de dienstboden slaapen op vellen of matten op den grond; het vuur word in het midden van het huis aangelegd.
Den 28.
Ik kwam aan de rivier Sola die ik geduurende een geruimen tijd langs reed; de hette hinderde mij niet minder dan de muggen, en ik was zo dorstig, dat ik aan iedere yourte stil hield om Koumouiss te vraagen.
1788. Junij Den 29.
Komst te Yarmangui.
In den morgen bereikte ik, na dat ik van Amgui af, twee honderd wersten had afgelegd, de plaats genaamd Yarmangui, aan den oever van de Lena; wanneer ik die rivier overgetrokken zou zijn, bevond ik mij te Yakoutsk, dog een wagt van den bevelhebber waarschuwde alle reizigers, om hier het verlof aftewachten van in de stad te mogen komen; hoe onaangenaam mij ook dit soort van quarantaine was voldeed ik daar aan, wanneer een Onderofficier mij verzogt, van mij omtrent twee honderd treden verder te begeeven, alwaar ik den Heer Capitain Ispraunick en een Lieutenant van de Heer Billings zou vinden; zij waaren van mijn aankomst onderricht, en ontfingen mij met de sterkste betooningen van achting en blijdschap; naauwlijks had ik hen verhaald, hoe zeer het uitstel waar meede ik bedreigd wierd mij tegenviel, of zij maakten allen spoed om de noodige beveelen te geeven, ten einde men mij aan den anderen oever bragt, daar bij voegende dat zij zich van de goedkeuring van den Heer Commandant verzekerd hielden, die reeds zedert lang van mijne komst verwittigd en aan wien ik aanbevoolen was.
Overtogt en breedte van de Lena voor Yakoutsk.
Des middags, trad ik in de schuit die men voor mij in gereedheid gebragt had, en ik was vier uuren bezig met de rivier de Léna in de dwarste overtesteeken, deeze rivier moet, zoveel men met het oog over eene zodanige uitgestrektheid kan oordeelen, ten minsten twee uuren breed zijn.
1788. Junij Te Yakoutsk.
Verblijf te Yakoutsk.
Aan land gestapt, wierd ik door een stads bediende ondervraagt en volgens gebruik, na het verblijf gebragt dat hij voor mij bestemd had; dadelijk liet ik mij de wooning van den commandant de Heer Maklofski aanwijzen, wien ik ten eersten ging zien; hij ontfing mij met alle mogelijke beleeftheid, sprak mij altoos in het fransch aan, schijnende hem deeze taal zeer eigen te weezen; na mij wegens mijne spoedige togt[202] en over mijne gelukkige aankomst geluk gewenscht te hebben, deed hij mij belooven van eenige dagen te Yakoutsk te zullen blijven, om van mijne vermoeijenis uitterusten.