← Table of contents
Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps

EERSTE DEEL.

Reading edition

Illustration from Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Te UTRECHT, By B. WILD en J. ALTHEER, 1791.

VOORBERICHT.

De tijtel van dit werk kondigt reeds aan, wat het behelst; waarom zou ik mij bevlijtigen om het oordeel van den leezer voorinteneemen? zou ik meer recht op zijne toegeevenheid verkrijgen, wanneer ik hem zou gezegd hebben, dat ik in den grond geen verwaandheid genoeg bezat om een boek te willen schrijven? zal mijn verhaal gewichtiger worden, wanneer men weeten zal, dat ik ’er alleen aan arbeidde uit nood om mijnen leedigen tijd op eene nuttige en vermaaklijke wijze doortebrengen, en met de eenigste bedoeling, om aan mijne naastbestaanden het getrouw verslag van mijnen arbeid en van mijne waarneemingen, geduurende den loop van mijne reis, overtebrengen? het is gemaklijk te zien, dat ik bij tusschenpoozen geschreeven heb, en wel met meerdere of mindere zorgvuldigheid, naar maate het de omstandigheden mij toelieten, of de voorwerpen mij meerder of minder troffen.

Door het gevoel mijner onervarenheid opgewekt, heb ik gemeent aan mij zelfs verschuldigt te zijn, van mij geene gelegenheid, die ter mijner onderrechting kon dienen, te laaten ontglippen, even als of ik voorzien had, dat men mij verantwoording zou vergen van mijnen tijd, en van de kundigheden, die ik in de gelegenheid was van te kunnen verkrijgen; maar zal uit deeze zorgvuldige naauwkeurigheid, waar aan ik mij gebonden heb, niet een gebrek van bevalligheid en van verscheidenheid in mijn verhaal ontstaan?

Daarenboven, de gebeurtenissen, die mij zelfs betreffen, waren zodanig verbonden aan de voorwerpen mijner aanmerkingen, dat mijne eigenliefde niet bedacht was om deeze bijzonderheden agterwege te laaten: ik heb dus het verwijt van te veel van mij zelfs gesproken te hebben verdiend; een gewoonlijke misslag in reizigers van mijne jaaren.

Behalven deeze verveelende ongeschiktheid, moet ik mij nog beschuldigen van in veelvuldige herhaalingen vervallen te zijn, die eene meer geoeffende pen zou vermijd hebben. Vormt men zich niet altoos omtrent zeekere onderwerpen, en bijzonder in Reisbeschrijvingen, een zekeren gewoonen stijl? van daar, spreekwijzen en uitdrukkingen, die telkens wederkomen: om dezelfde voorwerpen te schilderen kan men zich ook alleen van dezelfde kleuren bedienen.

Wanneer ik den tweeden dag na mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter en Paulus dit dagverhaal begon, vond ik mij al aanstonds door de dagtekening belemmerd. Ik bezat geen Franschen Almanak, en ik ging over om den ouden stijl volgens Russisch gebruik aanteneemen; deeze benam mij de moeite om geduurig aan het verschil van elf dagen, welke de nieuwe stijl meerder telt, te denken; maar zedert het, tegens mijne verwachting, uitgemaakt is, dat dit werk door den druk het licht zoude zien, heb ik mij beijverd om in de dagtekeningen het gebruik bij ons aangenomen te herstellen, den nieuwen stijl namelijk, en tot gemak van den leezer heb ik denzelven op den kant geplaatst. Wat de uitspraak der Russische, Kamschatsche en andere woorden betreft, moet ik aanmerken, dat alle de letters duidelijk moeten uitgesprooken worden. Ik heb getragt, zelfs in het Woordenboek, om de medeklinkers te besnoeijen, waar van de verwarde zamenloop afschrik verwekt en ook niet altoos noodzaaklijk is. Deezen algemeenen Regel kan men volgen, de kh moet op dezelfde wijze uitgesproken worden als de ch der Duitschers, of de J der Spanjaarden; en de ch als in het Fransch. De laatste lettergreepen oi en in, moeten uitgesproken worden, als of ze geschreeven waaren oi en ine.

De bekwaame aardrijkskundige, die alle mogelijke zorg aan mijne kaarten heeft besteed, heeft ’er mijnen afgelegden weg met eene zo groote naauwkeurigheid op aangetekend, dat de leezer mij van flap tot flap volgen kan. Dit heeft mij doen besluiten om in mijn verhaal alle aantekeningen aftesnijden over de graaden van breedte en lengte.

Een Kamschatter Caravane in een dorp aankomende, is het onderwerp, dat ik voor een plaat uitgekoozen heb, om dat die na ’t mij toeschijnt tergelijker tijd een denkbeeld kan geeven van de yssleeden, van de verschillende plaatzing der Reizigers in dezelve, en van al het geen verder ten deezen opzigte merkwaardig is. Aan de zuiverheid der tekening en aan de juistheid van het graveerstift zal men de bekwaamheid herkennen van twee te recht vermaarde konstenaars.

Er blijft mij nog overig om het uitstel, het welk het drukken van dit dagverhaal heeft ondergaan, te rechtvaardigen. Zonder tegenspraak had ik het eerder kunnen uitgeeven; mijn pligt zelfs vorderde zulks, maar mijne erkentenis gebood mij ter zelver tijd, om de terugkomst van den Heer Graaf de la Perouse aftewachten. Wat betekent mijn reis, zeide ik tot mij zelfs? Voor het algemeen, is ze niets anders dan een gevolg des gewichtigen togts van dien Bevelhebber; voor mij, is ze het eerbewijs van zijn vertrouwen: dubbelde beweegreden bij gevolg om te verlangen, van aan zijn oordeel de bijzonderheden van mijn verhaal te kunnen onderwerpen. Mijn eigebelang maakte mij daar van ook eene wet: hoe zeer zoude ik mij gelukkig geacht hebben, indien hij mij veroorloft had om mijne reis als een gevolg van de zijne in het licht te geeven, indien hij mij daar door verwaardigt had om in zijn roem te deelen! dit was, ik moet het bekennen, het eenig oogmerk van mijn eerzucht en van mijn uitstel.

Wat is het treurig voor mij, na een jaar wachtens en ongedulds, nog het einde mijner hoop te zien verschuiven! Zedert mijn aankomst is ’er geen dag verlopen, waar in mijne wenschen onze onversaagde Zeelieden van de Zeekompas, (la Boussole) en de Starremeeter, (l’Astrolabe) niet te rug geroepen hebben. Wanneer ik mij verbeeldde de zee-en te bewandelen, die hun nog overbleeven om te doorkruissen, hoe dikwijls heb ik dan niet gezogt hunne spooren te herkennen, hen van rêe tot rêe te volgen, te veronderstellen, dat ze hier of daar verversching genooten, en alle de bogten van hunnen weg aftemeeten.

Helaas! wanneer, op het oogenblik van ons scheiden op Kamschatka, de Bevelhebbers onzer Fregatten mij als een verlooren kind droevig in de armen drukten, wie zou mij toen gezegt hebben, dat ik het eerste mijn Vaderland moest wederzien? Wie zou mij gezegt hebben, dat verscheiden van hun ’er nimmer zouden wederkomen, en dat ik binnen weinig tijds traanen over hun lot zou storten!

In der daad, naauwlijks genoot ik de vrugt mijner zending en de omhelzingen mijner aanverwanten, of het gerugt van de tegenspoeden, onzen Zeelieden onder weg overkomen, vervulde mijn ziel met bitterheid en droeffenis. Hij is niet meer, die braave en deugdzaame zeeman[1], de vriend, de medgezel van onzen Bevelhebber, die man, welken ik beminde en eerbiedigde, als mijn vader; hij is niet meer, en mijn pen weigert zijn treurig einde te beschrijven! dog mijne dankbaarheid schept er genoegen in, om telkens te herhaalen, dat de nagedagtenis zijner deugden en weldaaden eeuwig in mij leeven zal.

O leezer, wie gij zijt, vergeef mijner droefheid deeze afgeperste uitstorting van het hart! Indien gij hem, dien ik beween, hebt gekent, zult gij uwe weeklagten met de mijne vermengen; zult gij met mij den Hemel smeeken, dat Hij welhaast ter onzer vertroosting, en tot roem van Frankrijk, en den Bevelhebber van deezen togt, en die onzer moedige Argonauten, welke Hij ons nog gespaard heeft, tot ons wederbrenge. In het oogenblik, waar in ik schrijf, ach! zo eene gunstige wind hunne scheepen naar onze kusten voortstuuwde...! mogt die wensch mijnes harten verhoord werden! mogt de dag van de uitgaaf deezes werks ook de dag van hunne aankomst zijn! als dan zal ik, in de uitbundigheid mijner vreugde, al het genot der eigeliefde ontwaar worden.

Kaart Kamschatka
Kaart Kamschatka

Grote versie van de kaart, 583 kB.

Lijn
Lijn

REIZE VAN DEN HEER DE LESSEPS. UIT KAMSCHATKA naar FRANKRYK.

INLEIDING.

Naauwlyks bereik ik den ouderdom van vijfentwintig jaaren, en ik ben reeds aan het gedenkwaardigste tijdstip van mijn leven gekomen. Hoe lang, hoe gelukkig ook de loopbaan mooge wezen, die ik nog te vervullen heb, zo twijffel ik echter, of het mijn bestemming wel zal zijn, om immer in eenen zo roemrijken togt gebruikt te worden als deeze, welke in dit tijdstip geëindigt word door de twee Fransche Fregatten, het Zeecompas (la Boussole) en de Sterre-meeter (l’Astrolabe) het eerste onder bevel van den Heer Graaf de la Perouse, Opperhoofd van den togt, en het tweede onder bevel van den Heer Burggraaf de Langle.[2]

Het belang, ’t welk het gerugt van deeze reis rondom de waereld verwekt heeft, was veel te openbaar en te algemeen, dan dat men tegenwoordig niet met zo veel ongeduld als nieuwsgierigheid regtstreeksche nieuwstijdingen verwachten zoude van die doorluchtige Zee-lieden, welke door hun Vaderland en door geheel Europa van de Zeën wedergeëischt worden, die ze doorkruissen.

Wat is het vleijende voor mij, na van den Heer Graaf de la Perouse het geluk verkreegen te hebben om hem geduurende meer dan twee jaaren te volgen, nu wederom aan zijne keus de eer verschuldigd te zijn, van te land zijne brieven in Frankryk overtebrengen! hoe meer ik mijn geluk in het ontfangen deezer nieuwe proeve van zijn vertrouwen overweeg, hoe meer ik ook gewaar worde, wat eene diergelijke zending zou vereischen, en wat mij ontbreekt om die behoorlijk te vervullen: Dog ik moet zonder twijffel de voorkeur, op mij gevallen, alleen toeschrijven aan de noodzaaklijkheid om tot die reis iemand te kiezen, die de Russische taal kon spreeken, en die reeds zijn verblijf in dat Rijk gehouden had.

1787. September Te St. Pieter & Paulus.

den 29.

Ik verlaat de Fregatten en ontfang mijne brieven.

Zedert den 6 September 1787 bevonden zich de Fregatten des Konings in de haven van Avatscha, of van St. Pieter & Paulus[3] gelegen aan het zuidelijk uiterste van het schier-eiland Kamschatka. Den 29 kreeg ik bevel om de Astrolabe te verlaaten; den zelfden dag stelde de Heer Graaf de la Perouse mij zijne brieven en bevelen ter hand. Zijne vriendschap voor mij vergenoegde zich niet om bij voorraad de geruststellendste schikkingen te maaken, ten einde mij met zekerheid en spaarzaamheid te doen reizen, maar dezelve ging zo verre, dat hij bij mijn vertrek mij zijne waarlijk vaderlijke raadgevingen medegaf, welke eeuwig in mijn hart zullen gegriffelt blijven. De Heer Burg-graaf de Langle had ook de goedheid de zijne daar bijtevoegen, die mij niet minder van nut geweest zijn.

Hier zij het mij geoorlooft de waare schatting mijner erkentenis te voldoen aan dien getrouwen deelgenoot der gevaaren en des roems van den Heer Graaf de la Perouse, die als zijn mededinger in alle de harten en ook in het mijne aangemerkt word, daar voor dat hij mij onophoudelijk tot een Vader, Raadgever en Vriend verstrekt heeft.

Des avonds moest ik van onzen Bevelhebber en deszelfs waardigen medegezel afscheid neemen. Men oordeele, wat ik uitstond, toen ik hen naar de booten, die op hen wachtten, te rug bragt; ik kon nog spreeken, nog hen verlaaten; zij omhelsden mij beurtelings, en mijne traanen leverden hun maar al te zeer bewijzen op van ’t geen ’er in mijn ziel omging. De Officieren, allen mijne vrienden, die zich aan land bevonden, ontfingen ook mijn afscheidskus, allen bedroefden zij zich over mij, allen slaakten zij zuchten voor mijne behoudenis, en verschaften mij die vertroostingen en hulp, welke de vriendschap hun kon inboezemen. Mijn smert, wanneer ik van hun scheidde, laat zich niet beschrijven: Men rukte mij uit hunne armen, en ik vond mij zelven weder in die van den Heer Colonel Kasloff-Ougremin, Bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, aan wien de Heer Graaf de la Perouse mij meerder als zijn Zoon, dan wel als den Officier, die met zijne brieven belast was, had aanbevolen.

Ik blyf onder het toeverzigt van den Heer Kasloff, Russisch Bevelhebber.

Hier beginnen mijne verplichtingen omtrent deezen Russischen Bevelhebber. Toen kende ik reeds al het beminlijke van deszelfs inborst, altoos bereidvaardig om dienst te doen, waar over ik zedert zoo veel reden gehad heb om voldaan te weezen[4], hij spaarde mij alle aandoeningen met alle mogelijke zorgvuldigheid: ik zag hem met mij treuren over de verwijdering der booten, die wij nog lang na-öogden; en wanneer hij mij weder ten zijnent bragt, wendde hij alle moeiten aan om mij van mijne droevige overdenkingen aftetrekken. Wie zich een denkbeeld zou willen vormen van de schrikverwekkende gewaarwordingen, die ik in dit oogenblik ondervond, moet zich tragten in mijne plaats te stellen, alleen agtergelaaten op deeze bijna onbekende oevers, en vierduizend mijlen van mijn Vaderland verwijderd: wanneer ik zelfs deezen verbaazenden afstand niet in aanschouw genomen had, kon nogtans het bar gezicht deezer kusten mij genoeg aanduiden al het geen ik op mijnen langen en gevaarlijken togt zou te lijden hebben; eindelijk evenwel bragt het goed onthaal, ’t geen mij de Inwoonders beweezen, en de onnoemelijke beleeftheden van den Heer Kasloff en de andere Russische Officieren te weege, dat ik langzaamerhand minder gevoelig wierd over het vertrek van mijne landgenooten.

den 30.

Vertrek van de Fregatten des Konings.

Het zelve had plaats des morgens van den 30 September; de twee Fregatten gingen met een gunstigen wind, die geduurende verscheide volgende dagen woei, onder zeil, waar door wij dezelve dien eigen morgen reeds uit het oog verlooren. Men kan ligt bevroeden, dat ik ze niet zag vertrekken, zonder voor alle de Officieren en de Vrienden, die ik aan boord liet, mijne vuurigste en oprechtste smeekingen opwaarts te zenden; treurig en laatste eerbewijs van mijne erkentenis en verkleeftheid!

De Heer Graaf de la Perouse had mij aanbevolen spoed te maaken; dog ter zelver tijd had hij mij gelast, (het geen mij mijne genegenheid ook dadelijk voorschreef,) van onder geen voorwendzel hoe genaamd den Heer Kasloff te verlaaten: deeze had hem beloofd mij tot Okotsk, de plaats zijns verblijfs te zullen geleiden, werwaarts hij zich onverwijld begeeven moest. Ik voelde reeds het geluk van onder zulk een goed opzicht gesteld te zijn, en ik aarzelde niet om mij blindelings aan den raad van dien Bevelhebber overtegeeven.

Onmogelijkheid om mij naar Okotsk te begeeven voor den aanvang der sleedevaart.

Zijn voorneemen was te Bolcheretsk den tijd aftewagten, dat de sleedevaart kon begonnen worden, welke ons de noodwendige gerieflijkheden moest bezorgen om de reis naar Okotsk te onderneemen. Het Jaargetij was toen reeds te ver verloopen om den togt te land te doen, en de overvaart ter zee was niet minder gevaarlijk; daar en boven wierd er geen vaartuig in de twee Havens van St. Pieter & Paulus en Bolcheretsk gevonden.[5]

1787. October Te St. Pieter & Paulus.

De zaaken, die de Heer Kasloff nog te verrichten had, en de toebereidzelen tot ons vertrek hielden ons nog zes dagen op, het geen mij zekerheid gaf, dat de Fregatten des Konings niet meer in het geval waren om weder binnen te komen. Ik maakte van dit toeven gebruik om mijne bespiegelingen te beginnen, en om mij een weinig uitvoerig de nodige onderrichting te verschaffen omtrent al het geene, dat mij omringde. Ik lag mij voor al toe om een juist begrip te verkrijgen van de baaij Avatscha en van de haven van St. Pieter & Paulus in dezelve.

Beschrijving van de Haven van St. Pieter & Paulus en van een ontwerp daar toe betrekkelyk.

De Capitein Cook heeft van deeze baaij eene zeer uitgestrekte beschrijving gegeeven, waar van wij de naauwkeurigheid terstond herkend hebben. Zedert heeft dezelve eenige veranderingen ondergaan, die men zegt, dat van veele anderen gevolgt moeten worden, voor al wat de Haven van St. Pieter & Paulus betreft. In der daad, het is zeer mogelijk, dat reizigers, welke hier na ons zullen aanlanden, verbaast staan, van er in plaats van vijf of zes huizen, zo als ze verwagten zouden, eene geheele stad, van hout gebouwd en vrijwel versterkt, aantetreffen.

Zodanig is ten minsten het ontwerp, het geen, zo als ik van ter zijden vernomen heb, door den Heer Kasloff, als deszelfs uitvinder, overgegeeven is, wiens oogmerken niet minder grootsch dan nuttig voor den dienst van zijne Souveraine zijn. De uitvoering van dit plan zal niet weinig toebrengen om de vermaardheid van deeze haven te vermeerderen, reeds beroemd door de vreemde scheepen die er aanlanden, en die de Koophandel er verder zoude kunnen brengen[6]. Om de schikkingen tot dit ontwerp wel te bevatten en er het nut van te waardeeren, heeft men zich alleen maar de uitgestrektheid en de gedaante van de baaij van Avatscha, en de gelegenheid van de bewuste haven voortestellen. Wij bezitten er reeds verscheide getrouwe beschrijvingen van[7] die in handen van de geheele waereld zijn; dus zal ik mij alleen bepaalen om van dat geene te spreeken, ’t welk het nodige licht omtrent de denkbeelden van den Heer Kasloff kan verspreiden.

Men weet, dat de haven van St. Pieter & Paulus aan het noorden van het inkomen der baaij Avatscha geleegen is, en ten zuiden geslooten word door eene zeer naauwe landengte, waar op een Ostrog[8] of Kamschattisch dorp gebouwd is; op eene hoogte ten oosten agter de haven is het huis van den bevelhebber geplaatst[9], bij wien de Heer Kasloff geduurende zijn verblijf alhier deszelfs intrek genomen had; nabij dit huis, bijna in dezelfde rigting, ziet men dat van den Corporaal der bezetting en verder noordwaards dat van den Sergeant, dewelke na den Commandant de eenigste persoonen van eenig belang zijn, die men in deeze plaats, zo ze die naam verdient, noemen kan; regt tegen over het inkomen der haven, op het afhellen der hoogte, van waar men een meir van eene aanmerkelijke uitgestrektheid ontdekt, vind men tegenwoordig de overblijfzelen van een hospitaal, waar van in de reize van Capitein Cook gesprooken word[10]. Beneden deeze overblijfzels, digter bij het strand, heeft men een gebouw opgeregt, het geen tot een Magazijn of een soort van wapenplaats voor de bezetting dient, en het welk gestadig door een schildwagt bewaard word; zie daar in ’t kort den staat, waar in wij de haven van St. Pieter & Paulus bevonden hebben.

Dog door de voorgestelde verbeteringen is het onbetwistbaar, dat ze een plaats van gewicht zou worden; de ingang van de haven zou geslooten of ten minste bestreeken worden door de vestingwerken. Daarenboven zouden die dienen om van dien kant de ontworpen stad te dekken, welke ten grooten deele op het erf van het oude hospitaal, dat is te zeggen, tusschen de haven en het meir, het welk men van de hoogte ontdekt, zoude gebouwt worden; men zou insgelijks een batterij plaatzen op de land-engte, die dat meir van de baaij Avatscha scheid, ten einde daar door het andere gedeelte van de stad te beschermen. Eindelijk zou volgens dit zelfde ontwerp het inkomen van de baaij verdedigd worden, door eene redelijk sterke batterij, op de minst verheven plaats van derzelver linker oever; en de scheepen in de baaij komende zouden niet buiten het bereik van het geschut kunnen blijven, uit hoofde der naast elkander gelegen blinde klippen langs den regter-oever; men ziet er tegenwoordig op de punt van een rots een batterij van zes of agt stukken, die gelost is ter begroeting van onze scheepen.

Het is onnodig te zeggen, dat ook dit plan de vermeerdering der bezetting bevat, die tegenswoordig alleen uit veertig Soldaten of Cosakken bestaat; zij leeven en zijn gekleed even als de Kamschatters, alleenlijk dragen zij een sabel, een snaphaan en de patroontasch, wanneer ze dienst doen; zonder dat zou men ze niet van de Inboorlingen dan aan hunne gelaatstrekken en taal kunnen onderscheiden.

Wat het Kamschattisch dorp betreft, ’t welk een groot deel van de plaats uitmaakt, zo als ze thans is, en het geen, gelijk ik reeds gezegt heb, gevonden word op de landengte, die den ingang der haven sluit, het zelve bevat niet meer dan dertig of veertig woonplaatzen, zo voor den winter als zomer geschikt, genaamt isbas en balagans; en men rekent in de geheele plaats, zelfs de bezetting er onder begreepen, niet meer dan ten hoogsten honderd Inwoonders, zo mannen, als Vrouwen en Kinderen; door het voornoemde ontwerp wilde men het getal op meer dan vierhonderd brengen.

Bij deeze bijzonderheden, nopens de haven van St. Pieter & Paulus, en de werken, die men moet aanleggen tot derzelver verfraaijing, zal ik hier eenige aanmerkingen laaten volgen over den aart van den grond, de luchtsgesteldheid & de rivieren.

Aart van den grond.

De oevers der baaij van Avatscha scheenen mij met hooge bergen omgeeven, waar van eenigen met houtgewas bedekt, en anderen van een vuurspuuwenden aart zijn[11]. De valeijen leveren een teelt van gewassen op die mij verbaast heeft; het gras heeft bijna een mans lengte, en de veldbloemen, gelijk wilde roozen en anderen, die daar onder elkander vermengd zijn, verspreiden reeds van verre de lieflijkste geuren.

Luchtgesteldheid.

Gewoonlijk vallen er geduurende de lente en den herfst zwaare regenbuijen, en de stormwinden zijn in het laatstgenoemde jaargetij en in den winter zeer menigvuldig. Deeze is zomtijds ook regenachtig, dog, niettegenstaande deszelfs langduurigheid, verzekert men echter, dat hij niet zo buitengewoon streng is, ten minsten in dit zuidelijke gedeelte van Kamschatka[12]; de sneeuw begint in October te vallen, en de dooij heeft geen plaats voor April of Maij, dog zelfs in Julij ziet men op de toppen der hooge bergen, en voornamelijk op de vuurspuuwende, sneeuw vallen; de zomer is redelijk fraaij, de zwaarste hette duurt zelden langer dan de zonnestand; de donder word er zeldzaam gehoord en richt nooit verwoestingen aan; zodanig is de luchtsgesteldheid die ten naasten bij in alle de streeken van dit gedeelte van het schier-eiland heerscht.

Rivieren welke in de Baaij van Avatscha uitwateren.

Twee Rivieren hebben derzelver uitloop in de baaij van Avatscha, namelijk, die welke aan de baaij den naam geeft, en die van Paratounka; ze zijn beide zeer vischrijk; men vind er daar en boven allerlei zoort van watergevogelte, het welk zo schuuw is, dat men het zelve op geen vijftig treeden kan naderen; de vaart in deeze rivieren is op den 26 November gestremt, dewijl ze altoos op dit tijdstip vast raaken, en in het hevigste van den winter, is de baaij zelfs met ijsschotsen bedekt, die door de zeewinden opgehouden worden, dog zo dra de landwinden beginnen te waaijen, ontdoet ze zich daar van geheel; de haven van St. Pieter & Paulus word gewoonlijk door het ijs in de maand Januarij geslooten.

Ik behoorde hier van de zeden en de gewoontens der Kamschatters te spreeken, en derzelver huizen of liever hutten, die ze isbas of balagans noemen, te leeren kennen; dan ik verschuif het behandelen deezer onderwerpen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik hoope meer tijd en gelegenheid te zullen hebben om dezelve uitvoerig te beschrijven.

1787. October

Vertrek van St. Pieter & Paulus.

Wij vertrokken van de haven van St. Pieter & Paulus op den 7 October, namelijk de Heer Kasloff[13], de Heeren Schmaleff[14], Vorokhoff[15], Ivaschkin[16], ik en het gevolg van den Commandant, bestaande uit vier Sergeanten of Onderofficieren en een gelijk getal Soldaaten; de Bevelvoerende Officier van de haven voegde zich, waarschijnlijk uit eerbied voor den Heer Kasloff zijn Opperhoofd, bij ons kleine gezelschap, en wij begaven ons op baidars[17] t’scheep, om de baaij over te steeken, en ons naar Paratounka te begeeven, alwaar wij paarden zouden vinden om onzen weg te vervolgen.

Aankomst en verblijf te Paratounka.

Wij kwamen in vijf of zes uuren aan dat dorp, alwaar de Priester[18] of de Pastoor van dat district woont, en waar men ook de Kerk vind[19], zijn huis diende ons voor een herberg; en wij wierden er zeer wel ontfangen, dog naauwlijks waaren wij ’er binnen getreden, of ’er viel zo eene geweldige regen, dat wij genoodzaakt waaren langer dan wij meenden daar ons verblijf te houden.

1787. October Te Paratounka.

Ik maakte van deeze korte tusschenpoos met allen ijver gebruik, om eenige dier voorwerpen te beschrijven, welke ik uitgesteld had te behandelen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik mogelijk nog andere zal aantreffen die niet minder belangrijk zijn.

Beschrijving van dat Dorp.

Het dorp Paratounka is gelegen aan den oever der rivier van deezen naam, omtrent twee uuren van deszelfs mond[20]. Dit dorp is weinig meerder bevolkt dan dat van St. Pieter & Paulus; de kinderziekte heeft voornamelijk in deeze plaats ijsselijke verwoestingen aangericht; het getal der Balagans en Isbas, die ik ’er gezien heb, is mij ten naasten bij het zelfde voorgekomen als te Petropavlofska[21].

Wooningen der Kamschatters.

De Kamschatters bewoonen des zomers de eersten en des winters begeeven zij zich in de laatsten. Daar men ze ongevoelig wil opleiden om meer en meer gelijk aan de Russische boeren te worden, en op eene gezonder manier te woonen, zo heeft men in dit zuidelijk gedeelte van Kamschatka verbooden, om in ’t vervolg ijourtes of onderaardsche wooningen zamen te stellen; ze zijn ’er tans allen uitgeroeid[22], en men vind ’er niets meer van dan eenige spooren, zijnde het binnenste toegevuld, terwijl ze van buiten het voorkomen hadden als de breede daken van onze ijskelders.

Beschrijving der Balagans.

De Balagans staan boven den grond op verscheiden stijlen, op gelijke afstanden geplaatst, en van twaalf à dertien voeten hoog; deeze boersche Colonnade dient ter ondersteuning van een plat gemaakt van in elkander gevoegde balkjes bedekt met kleiaarde; dit strekt tot een vloer aan het geheele gebouw, het welk in een dak van een kegelachtige form bestaat, bedekt met een soort van stroo of verdroogt gras, uitgespreid op lange sparren, die zich aan de kruin vereenigen, en die op verscheiden dwarsbalken leggen; deeze top of dit dak maakt te gelijk de eerste en tweede verdieping; ze vormt het geheele verblijf, namelijk één vertrek: een gat in het dak geeft doortogt aan den rook, wanneer het vuur aangestoken word om de spijzen te bereiden; deeze keuken word als dan vervaardigt in het midden van de kamer, waar in ze eeten, zich nederleggen en onder elkander slaapen, zonder de minste tegenzin of bekommernis. In die vertrekken ziet men geen vensters; men vind ’er niets anders dan eene zo laage en naauwe deur, dat ze naauwlijks het licht doorlaat; de trap is als het huis; het is een balk, of liever een zeer plomp ingekipte boom, waar van het eene einde op den grond rust en het andere de hoogte van den vloer der hut bereikt; ze komt tot aan den hoek van de deur, gelijk met een soort van open gallerij die voorwaards uitkomt, deeze boom heeft zijne rondte behouden, en vertoont op den eenen kant van deszelfs oppervlakte iets, het welk ik geen trappen kan noemen, uit hoofde dat ze zo ongemaklijk zijn, dat ik meer dan eens gedagt heb ’er den hals op te breeken. In der daad, wanneer deeze vervloekte trap onder de voeten van hun, welke ’er niet aan gewoon zijn, begint te draaijen, is het onmogelijk het evenwicht te bewaaren, men moet noodwendig op de aarde vallen, en men loopt min of meer gevaar, naar maate van deszelfs hoogte. Wil men van buiten te kennen geeven, dat ’er niemand t’huis is, keert men de trap met de treeden naar onder.

Het gemak kan aan deeze Volkeren het denkbeeld ingeboezemd hebben, om deeze vreemde wooningen zamentestellen, derzelver leevenswijs maakt hun die noodzaaklijk en gerieflijk; de drooge vis, hun voornaamste voedzel, als mede dat van hunne honden zijnde, hebben zij om die te droogen, gelijk ook voor hun winters-voorraad, een plaats nodig die voor de zon beschut is, en waar nogtans de lucht van alle kanten kan doorspeelen; deeze plaats vinden zij onder deeze colonnade of boersche gallerij ’t welk het binnenste gedeelte der balagans uitmaakt. Hier hangen zij hunne visch aan de zoldering of vloer van het gebouw, of aan zulke verhevene plaatzen als nodig is, om ze voor de verslindende honden te bewaaren, die altoos hongerig gehouden worden tot nut van den dienst; deeze honden dienen bij de Kamschatters tot de sleedevaart, de besten[23] dat is te zeggen, de beesten hebben geen andere stal dan dat soort van overdekte gallerij waar van ik zo even gesprooken heb; ze zijn aan de pijlaaren of stijlen, die ter ondersteuning van ’t gebouw dienen, vastgemaakt. Ziet daar, zo ’t mij toeschijnt, al het nut opgegeeven, ’t welk ’er in de zamenstelling van hunne balagans of zomerwooningen gelegen is.

Beschrijving der Isbas.

De winterwooningen zijn minder zonderling, zij zouden volmaakt na de huizen der Russische boeren gelijken, indien ze zo groot waaren. Deeze zijn reeds zo dikwils beschreeven, dat een ieder ten naasten bij kan weeten, hoedanig ze gebouwt en verdeelt zijn; het is bekend, dat deeze isbas alle van hout zijn, dat is te zeggen, dat ze bestaan uit vlak op den anderen gelegde boomen, die ’er de muuren van uitmaaken, waar van de openingen met mosch gevult zijn. Derzelver dak heeft de rigting van de boere hutten in Frankrijk: het is met een grof gras of biezen gedekt, en somtijds ook met planken; het binnenste word door twee vertrekken afgedeeld, en ééne kagchel verwarmt door deszelfs plaatzing die beide, ze dient ook tot een schoorsteen voor de keuken. Ter wederzijde van de grootste deezer kamers zijn breede banken, die daar blijven staan, geplaatst, en somtijds ook eene slegte slaapstede van planken gemaakt en met beerehuiden bedekt. Dit is het bed van de hoofden des huisgezins, en de vrouwen, die in deeze woeste streeken slaavinnen van haare mannen zijn en het zwaarste werk verrichten, moeten zich gelukkig achten wanneer ze daar op rusten kunnen.

Behalven deeze banken en dit bed, vind men ’er nog een tafel en een groot getal beelden van verschillende heiligen, waar meede de Kamschatters hunne vertrekken vercieren, en waar op zij zoo eergierig zijn als de meesten van onze beroemdste kenners op het ten toon stellen hunner prachtige schilderstukken.

Men kan wel begrijpen dat de vensters nog breed nog hoog zijn: de ruiten zijn van zalmvellen of blaazen van verschillende dieren, of van toebereide zeewolven gorgels, zomtijds zelfs van talkbladen, het geen zeer zeldzaam is en een soort van pracht aankondigt. Deeze visch-vellen zijn zodanig afgeschrapt en toebereid, dat ze doorschijnend zijn en een weinig daglicht in het vertrek geeven[24], dog ’er ontbreekt veel aan om ’er de voorwerpen door te kunnen onderscheiden. De bladen van talk zijn helderder en komen nader aan het glas, echter zijn ze niet doorschijnende genoeg om van buiten te zien het geen van binnen omgaat; men kan begrijpen dat dit geen ongemak is voor zulke laage huizen.

Opperhoofd of Rechter van ieder Ostrog.

Ieder Kamschattisch dorp word bestiert door een hoofd, genaamt toijon; dit soort van regeerings-persoon word door de landzaaten verkooren, bij meerderheid van stemmen: de Russen hebben hun dit voorrecht laaten behouden, dog ze verplichten hen om de keus door het rechtsgebied van het Landschap te doen goedkeuren; die toijon is dus maar een boer, even als die geenen welke hij richt en bestiert, hij heeft niets onderscheidends en doet het zelfde werk als zijne onderhoorigen; hij is bijzonder gelast met de bewaaring der goede order, en met de uitvoering der beveelen van de regeering; hij heeft daar en boven, onder de zijnen, een ander Kamschatter volgens zijn keus, om hem te helpen of zijn plaats te bekleeden in de uitvoering van zijne bediening; deeze onder-toijon word genaamt ijesaoul, een Cosaksche eertitul, welken de Kamschatters zedert de komst der Cosakken in dit schier-eiland aangenomen hebben, en die, bij de laatsten, het tweede hoofd van derzelver bende of horde betekent; men moet hier bijvoegen, dat wanneer het gedrag deezer hoofden slegt is, of de klachten van hunne onderhoorigen verwekt, de Russische Officieren, gesteld om die klachten te ontfangen, of de andere door de Regeering aangestelde Rechtbanken, aanstonds deeze toijons van hunne bediening afzetten, en anderen benoemen, die aan de Kamschatters, welken het recht hebben om ze voortestellen, aangenaamer zijn.

Den 8.

De regen voortduurende konden wij ons nog niet weder op reis begeeven, dog mijne nieuwsgierigheid vervoerde mij om een oogenblik van den dag te neemen ten einde eene wandeling door het dorp Paratounka te doen, en deszelfs omgeleegen streeken van nader bij te bezichtigen.

Aanmerkingen over de kerk en de omgeleegen streeken van Paratounka.

Ik begaf mij eerst naar de Kerk, die ik van hout gebouwd vond, en in denzelfden smaak vercierd als die der Russische dorpen; ik zag er de wapens van den Capitein Clerke, door den Heer Webber geschilderd, en het Engelsch bijschrift op den dood van dien waardigen opvolger van Capitein Cook, ze duid ook deszelfs begraafplaats te St. Pieter & Paulus aan.

Geduurende het verblijf der Fransche Fregatten in die haven, was ik eens bij gelegenheid van een Jagtpartij met den Heer Burggraaf de Langle ten Paratounka geweest; bij onze terugkomst sprak hij mij over verscheidene andere belangrijke zaaken, die hij in deeze kerk had waargenomen en dewelke mij geheel ontsnapt waaren; deeze bestonden, zo veel als ik mij kan herinneren, in verscheide de offerhanden, die daar volgens zijn zeggen door eenige der eerste zeevarende, welke aldaar schipbreuk geleeden hadden geplaatst waaren. Ik had mij wel voorgesteld om dezelve bij mijn tweede bezoek van deeze parochie nategaan, dog ’t zij, dat mij mijn geheugen kwalijk gediend heeft, of dat ik in dat onderzoek te veel haast gemaakt heb, als hebbende daar aan maar weinig tijds kunnen besteeden, ik heb daar altans niets van kunnen ontdekken.

Het dorp is van een bosch omringt; ik ging het dwars door langs de rivier, en ik ontdekte eene zeer groote vlakte, welke zich ten noorden en ten oosten tot aan de bergen van Petropavlofska uitstrekte; deeze keten eindigt ten zuiden en ten westen, door die, waar van de berg van Paratounka een gedeelte uitmaakt, en die maar vijf a zes wersten[25] van het dorp van dien naam afgelegen is; men vind dikwerf aan de oevers der rivieren die door deeze vlakte slingeren, versche spooren van beeren, die ’er in gaan om de visschen, waar van ze overvloedig voorzien zijn, te vangen en opte-eeten; de bewoonders verhaalen van menigmaal tot vijftien a twintig van die dieren bij elkander gezien te hebben; ook zijn ze zeker, wanneer zij op dezelve ter jagt gaan, van er ten minsten één of twee in den tijd van vierentwintig uuren t’huis te zullen brengen. Ik zal welhaast gelegenheid hebben van hunne jagt en wapenen te spreeken.

Den 9.

Vertrek van Paratounka.

Wij verlieten Paratounka, en hervatteden onze reis; een twintigtal paarden was voor ons en ons reis-goed, dat van weinig belang was, genoegzaam; hebbende den Heer Kasloff de voorzorg gebruikt van er een groot getal van te water te zenden tot aan het dorp van Koriaki; de rivier Avatscha stroomt niet hooger, en is niet verder vaarbaar dan tot aan dit dorp, ook is men verplicht van kleine schuitjes genaamt batts gebruik te maaken; de baidars alleen dienende om de baaij van Avatscha overtesteeken, en niet verder kunnende komen dan tot aan den mond van de rivier van deezen naam, zo laaden ze aldaar derzelver vragt in deeze batts of praauwen over, welke men genoodzaakt is uit hoofde van derzelver ondiepte en de snelheid der rivier met boomen voort te doen gaan; aldus kwamen onze goederen te Koriaki aan.

Wat ons betreft, na dat wij de rivier van Paratounka doorgewaad en er eenige armen van langs gereeden hadden, verlieten wij dezelve, om andere beplante en minder vlakke, dog gemaklijker wegen inteslaan; wij reisden meest altoos door valeijen, en hadden maar twee bergen te beklimmen; onze paarden deeden deezen togt, niettegenstaande derzelver last, zeer gemaklijk; in ’t kort, wij hadden geen reden van ons een oogenblik, geduurende onze geheele reis, over het weder te beklaagen, het was zo fraaij, dat ik haast begon te gelooven, dat men mij de gestrengheid van de lucht vergroot had, dog weinig tijds daar na bevestigde de ondervinding maar al te zeer, het geen men mij had gezegt, en in ’t vervolg van mijne reis had ik gelegenheid genoeg van mij aan de doordringendste nevels te gewennen; overgelukkig, wanneer ik in ’t midden van het Ys en de Sneeuw niet nog daar en boven met het geweld der dwarlwinden en stormen te worstelen had.

1787. October

Aankomst te Koriaki.

Wij besteeden omtrent zes a zeven uuren om ons naar het dorp van Koriaki te begeeven, het welk na ik er van heb kunnen oordeelen, agtendertig a veertig wersten van Paratounka afgeleegen is; daar naauwlijks aangekomen zijnde, moesten wij in het huis van den toijon vlugten, om ons voor den regen te beveiligen; deeze ruimde zijn Isba voor den Heer Kasloff, en wij bragten ’er den nagt door.

Beschrijving van dit Ostrog.

Het dorp van Koriaki is in het midden van een Kreupel-bosch, en aan den oever van de rivier Avatscha gelegen, die daar ter plaatze veel enger word; vijf of zes Isbas, en het dubbeld of op zijn hoogst het drievoudig getal van Balagans maaken dit dorp uit, het welk veel na dat van Paratounka gelijkt, als alleen dat het zo groot niet is, en dat het geen Parochie heeft. Ik moet hier aanmerken, dat in ’t algemeen de dorpen van zo weinig belang geene Kerken hebben.

Den 10.

Vertrek van Koriaki.

Den volgenden dag steegen wij wederom te paard, en namen den weg naar Natchikin, zijnde een ander dorp op den weg van Bolcheretsk gelegen; wij moesten ons eenige dagen in deszelfs omtrek ophouden om van de baden aldaar gebruik te maaken, die de Heer Kasloff ten zijnen kosten, (tot nut en vermaak van al de Inwoonders,) op heete bronnen, die men daar aantreft, had doen aanleggen, en die ik al aanstonds nader zal kenbaar maaken; de weg van Koriaki tot Natchikin is redelijk gemaklijk, en wij reeden zonder moeite alle de kleine beekjes of bronnen door, die van de bergen afdaalden, langs den voet van welke wij voorbijtrokken; Na drie vierde van den weg afgelegt te hebben, vonden wij de Bolchaïareka[26]; ze scheen mij, na derzelver breedte ter deezer plaats, van omtrent vijf a zes roeden, zich in het Oost-Noord-Oosten veel te verlengen; wij reeden ze geduurende eenigen tijd langs, tot dat wij een kleinen berg zagen, die ze ons deed verlaaten, terwijl wij het dorp naderden; de geweldige regen, die ’er viel, wanneer wij van Koriaki vertrokken, was kort daar aan opgehouden; dog de wind in het Noordwesten geloopen zijnde, wierd de lucht zeer bezet en wij hadden sneeuw in overvloed; ze overviel ons, wanneer wij nog meer dan twee derde van onze reis hadden afteleggen, en duurde tot op onze aankomst. Ik had tijds genoeg om optemerken, dat de sneeuw reeds de bergen bedekte, zelfs de min verhevene, op dewelke ze tot eene zeekere hoogte eene gelijke lijn beschreef, onder welke ze nog niet scheen te kunnen blijven leggen; wij doorwaadden de Bolchaïa-reka, en wij vonden aan de andere zijde het dorp van Natchikin, alwaar ik zes of zeven Isbas, en een twintigtal Balagans, van het zelfde soort als ik reeds gezien had, aantrof; wij verbleeven ’er niet, dewijl de Heer Kasloff besloot zich terstond naar zijne baden te begeeven, waar na ik zo uit nieuwsgierigheid als uit noodzaaklijkheid zeer verlangde.

1787. October De baden en heete bronnen van Natchikin.

Aankomst en verblijf bij de baden van Natchikin.

De sneeuw had mijne kleederen doorvogtigt, en met de rivier doorterijden, die vrij diep was, waaren mijne voeten en beenen zeer nat geworden. Ik verlangde dus om van kleeding te veranderen, dog aan de baden komende, was ons reisgoed nog niet aangekomen; wij zogten ons te droogen, door op ’t oogenblik een wandeling in den omtrek te gaan doen, en tevens terstond de belangrijke voorwerpen, die ik daar verwachtte, te beschouwen; alles wat mijn oog aantrof bekoorde mij, dog de vogtigheid van de plaats, gevoegd bij die, welke wij reeds ondervonden, verkleumde ons geheel, en deed ons de wandeling staaken. Bij onze terugkomst ontmoeteden wij nieuwe zwaarigheden, die ons ongeduldig maakten. In de onmogelijkheid zijnde van ons te verschoonen of te verwarmen, vonden wij nog ons reisgoed niet. Tot overmaat van tegenspoed was de plaats, waar wij onzen optrek genomen hadden, zeer vogtig, en hoewel dezelve vrij digt was, scheen de wind echter van alle kanten ons aantevallen. De Heer Kasloff ging zich baden, het geen hem spoedig herstelde, dog ik zijn voorbeeld niet durvende volgen, zag ik mij genoodzaakt de aankomst van ons reisgoed aftewachten. Ik was zodanig van de koude doordrongen, dat ik den nagt al rillende doorbragt.

Den 11.

Den volgenden dag nam ik op mijn beurt een proef van deeze baden, en ik kan zeggen dat ’er geene mij immer zo veel vermaaks, of zo veel goeds veroorzaakten; dog ik moet aanstonds overgaan om den oorsprong dezer warme wateren, en de gelegenheid van de badstoof te beschrijven.

Beschrijving der warme bronnen van Natchikin.

Dezelve worden twee wersten ten noorden van het dorp gevonden, en omtrent vijf of zes honderd treeden van den oever der Bolchaïa-reka, die men ten tweeden maale moet overtrekken om aan de baden te komen, uit hoofde van de bogt, die ze agter het dorp maakt. Een dikke en geduurige damp verheft zich boven deeze wateren, die al bruisschende of kookende ontspringen uit eenen berg, die een weinig steil is, en drie honderd treeden ten oosten van de plaats, waar de baden zijn, afgelegen is. Bij derzelver val, die zich Oost-en-Westwaards uitstrekt, vormen ze een klein beekje van één en een half voet diepte, en van zes a zeven voeten breedte. Op een weinig afstands van de Bolchaïa-reka ontmoet dit beekje een ander, welke te zamen in deeze rivier vallen, omtrent agt a negen honderd treeden van den oorsprong dezer warme wateren, alwaar het zelve zo heet is, dat men onmogelijk de hand er een halve minuut in kan houden.

Beschrijving der baden.

De Heer Kasloff heeft de voorzorg gebruikt om deszelfs baden, op de gemaklijkste gelegenheid, en daar, waar het water de gematigdste hette heeft, te doen plaatzen; in het midden van de beek heeft hij zijn gebouw van hout doen vervaardigen in evenredigheid van agt voeten breedte, op zestien voeten lengte; het binnenste is in twee vertrekjes afgedeeld, zijnde ieder van zes a zeven voeten in ’t vierkant, en ook van die hoogte. In het eene naar den kant van den oorsprong gelegen, en onder ’t welk het water bij gevolg de meeste hette heeft, baad men zich; het ander dient alleen tot een plaats om zich te kleden voor hun, die in het bad gaan; zij vinden tot dat einde breede banken boven de oppervlakte van ’t water, en men heeft in ’t midden een zekere ruimte gelaaten, alwaar men, zo men ’t begeert, zich nog wasschen kan; dit namelijk maakt het zeer aangenaam, dat de hette des waters zich genoegzaam in dit vertrek verspreid, om te beletten, dat men niet koud word, en dat dezelve zodanig het ligchaam doordringt, dat men die warmte zelfs buiten het bad geduurende een uur of twee behoud.

Zamenstelling van onze Wooningen bij deeze baden.

Wij hielden ons verblijf bij deeze baden in twee zoorten van schuuren, bedekt met stroo, waar van het timmerwerk uit boomen en takken bestont; ze waaren voor onze aankomst, ten onzen gebruike, en in zo weinig tijds vervaardigt, dat, wanneer men ’t mij verhaalde, ik moeite had om het te begrijpen, maar welhaast wierd ik door het gezicht er van overtuigd; die geen, welk aan ’t zuiden van de beek stond, te klein en te vogtig bevonden zijnde, gaf de Heer Kasloff bevel, om een ander van drie a vier roeden groot, aan den anderen kant, alwaar de grond minder moerassig was, te vervaardigen, dit was ’t werk van één dag, des avonds was ze in gereedheid, hoe zeer men er nog daarenboven een trap bij gemaakt had, die de gemeenschap van deeze schuur met de badstoof, waar van de deur naar ’t noorden staat, gemaklijk maakt.

Den 14.

De koude ons verblijf geduurende den nagt onverdraaglijk gemaakt hebbende, besloot de Heer Kasloff om het zelve vier dagen na onze aankomst te verlaaten; wij keerden te rug naar het dorp bij den toijon, dog de aanloklijkheid deezer baden trok ons dagelijks meer tweemaal, dan eens, derwaarts, en wij kwamen er bijna nooit zonder ons te baden.

De verscheiden aanbouwingen, welke de Heer Kasloff tot meerder gemak van zijne inrichting deed vervaardigen, hielden ons nog twee dagen op; dees menschlievende bevelhebber, bezield door de zucht van wel te doen, genoot het vermaak van aan zijne arme Kamschatters, zo wel heilzaame, als aangenaame baden, bezorgt te hebben; derzelver weinige verlichting, of misschien hunne onbezorgdheid, zou hen zonder zijne hulp daar van beroofd hebben, niettegenstaande het onbepaald vertrouwen, het welk zij in deeze warme bronnen stelden tot geneezing van veele kwaalen[27]. Dit maakte den Heer Kasloff begeerig om de eigenschappen van deeze wateren te leeren kennen, hij stelde mij voor, om de ontbinding daar van zamen te onderneemen, met behulp van zekere onderrichting, die hem tot dat einde gegeeven was; maar voor en aleer ik van onze bevinding verslag doe, acht ik het nodig om hier deeze handleiding uitteschrijven, ten einde mij de middelen te herinneren, die wij daartoe gebruikt hebben.

Onderrichting om deeze heete wateren te ontbinden.

„De wateren kunnen in ’t algemeen in zich bevatten

„1. Vaste lucht, en als dan hebben ze eenen prikkelenden en zuurachtigen smaak, even als limonade zonder suiker.

„2. Yzer of Koper-deelen, wanneer ze van eenen zamentrekkenden en onaangenaamen smaak zijn, ten naasten bij als inkt.

„3. Zwavel of Zwavelachtige dampen, en in dat geval is de smaak zeer walgachtig, even als van een gebroeid en bedorven hoender-eij.

„4. Vitriool, Zee of Alkalisch Zout.

„5. En Eindelijk aardachtige deelen.

Vaste Lucht.

„Om de vaste lucht te onderscheiden, is de smaak gedeeltelijk genoegzaam, dog wanneer men in het water sap van tournesol giet, neemt het zelve naar maate van de menigte vaste lucht, welke het in zich bevat, eene meerdere of mindere roode couleur aan.

Yzer-Deelen.

„Het Yzer ontdekt zich door middel van de galnoot, of door een brandbaar alkali; de galnoot in water gedaan, dat met Yzer-achtige deelen bezet is, geeft aan het zelve een purpere-violet- of zwarte couleur; en het brandbaar alkali daar in gedaan zijnde geeft op het oogenblik Berlijnsch blaauw.

Koper-Deelen.

„Het Koper word kenbaar door bijvoeging van het brandbaar, of vlug alkalisch zout, het eerste verwt Koperachtig water in bruin-rood, en het tweede in blaauw; het tweede is nogtans zekerder dan het eerste, om reden dat het vlug alkalisch zout alleen het koper, en niet het ijzer doet zinken.

De Zwavel.

„Men verkrijgt de Zwavel en Zwavelachtige dampen, wanneer men in ’t water giet, 1. Salpeterzuur; indien ’er zich dan een geel of witachtige droessem in vertoont, heeft men Zwavel, en ter zelver tijd bemerkt men een uitwaasseming en verspreiding van eenen Zwavelachtigen reuk. 2. Eenige druppels bijtend sublimaat; zo er als dan een wit zinkzel verschijnt, bevat het water alleen Zwaveldampen; en alleen zwavel, wanneer het gezonkene zwart is.

Vitriool-Zouten.

„Het water kan Vitrioolzout in zich bevatten, dat is te zeggen, zouten, voortspruitende uit de zamenvoeging van Vitriool-Zuur met Kalkachtig-Aard-Yzer-Koper, of met een Alkalisch Zout; men word het Vitrioolzuur gewaar, wanneer men ’er eenige druppels opgeloste zwaarwegende aarde (terre pesante) ingiet; want als dan ziet men een drabbig zinkzel gebooren worden, dat langzaam op den bodem van het glas nedervalt.

Zee-Zout.

„Men kan ras gewaar worden, of het water Zee-Zout in zich bevat, wanneer men ’er eenige druppels opgelost zilver ingiet, aanstonds zal zich een wit zinkzel ontdekken, even als gestremde melk, het geen op het laatst een donker violet couleur verkrijgt.

Vast Alkalisch-Zout.

„Het water bevat een vast Alkalisch Zout, wanneer ’er door het bijdoen van eenige druppels ontbonden bijtend sublimaat, vrij spoedig een roodachtig bezinkzel ontstaat.

Kalkachtige Aarde.

„Ook kan het water verzeld zijn van Kalkachtige Aarde en Magnesia; eenige druppelen zuur van suijker in het water gedaan, doen de Kalkachtige aarde in witachtige wolkjes zinken, die vervolgens op den grond vallen, en eene witte stof overlaaten; Eindelijk, indien het water Magnesia in zich besluit, brengen eenige druppelen van ontbonden bijtend sublimaat zeer langzaam een roodachtig bezinkzel voort.”

„Aanmerking: Teneinde deeze proefneemingen zeeker en spoedig gelukken, moet men zorg draagen, om het water, dat men ontbinden wil, bijna tot de helft door kooken te verminderen, uitgezondert nogtans, wanneer het water vaste lucht in zich bevat, om dat deeze lucht door de opkooking zou vervliegen”.

Uitslag van onze proefneemingen.

Na dat wij deeze bovengemelde handleiding wel overdagt hadden, begonnen wij de proefneemingen; de drie eersten niets voortgebragt hebbende, begreepen wij, dat dit water nog vaste lucht, nog Yzer, nog Koper-deelen in zich bevatte, dog de bijvoeging van Salpeter-zuur, bij de vierde proef aangeweezen, deed ons op de oppervlakte een weinig witachtigen droessem gewaar worden, welke zich niet ver verspreidde, hetgeen ons deed gelooven, dat de hoeveelheid Zwavel of Zwavelachtige dampen zeer gering was.

De vijfde proef toonde ons, dat het water met Vitriool-zouten vervuld was of ten minsten Vitriool-zuur met Kalk-achtige aarde; wij zagen de tegenwoordigheid van dat zuur, wanneer wij eenige druppels ontbonden zwaarwegende aarde in dit water wierpen, het welk wit wierd in de gedaante van wolkjes, en de droessem, die zich op den grond van het glas zette, scheen ons toe zeer fijn en wit te weezen.

Ons ontbrak ontbonden zilver om de zesde proef te doen, en te zien of het water ook van zee-zout voorzien ware.

De zevende bevestigde ons dat het met geen vast Alkalisch zout bezet was.

Wij vonden door de agtste bewerking, dat het water eene groote hoeveelheid van Kalkachtige aarde dog geen magnesia in zich bevatte. Nadat wij ’er eenige druppels zuur van suiker ingegooten hadden, zagen wij de Kalkachtige aarde op den grond van ’t glas in wolken en wit stof nederzinken; wij mengden ’er vervolgens ontbonden bijtend sublimaat onder ten einde de magnesia te zoeken, dog ’t grondsap behield in plaats van roodachtig te worden, altoos de Couleur, die het zelve had, wanneer ’er nog niets anders dan zuur van suijker onder vermengt was; een bewijs dat ’er geen magnesia in ’t water was.

Wij gebruikten dit water voor de thee en onzen gewoonen drank. Eerst drie of vier dagen daar na wierden wij gewaar, dat het eenige zoutdeelen bij zich had.

De Heer Kasloff deed ook water, dat aan de bron gehaald was, kooken, tot dat het geheel uitgewaassemt was; de aarde of witachtige en zeer zoute stof, die op den bodem van ’t glas bleef, en het uitwerkzel dat ze natuurlijk op ons voorbragt, dit een en ander duidt klaar aan, dat dit water met salpeterachtige zouten bezet was.

Wij merkten nog op, dat uit de beek genomen steenen overdekt waaren van eene vrij dikke en ineengekronkelde kalkachtige stoffe, die met het vitriool en salpeter zuur als opgekookt is; wij raapten nog anderen op de plaats zelfs, waar deeze wateren hun oorsprong schijnen te neemen, en waar ze het heetste zijn; wij vonden ze bedekt met een laag van een soort van metaal, zo ik dus dat harde en vaste bekleedzel kan noemen, het geen ons toescheen de couleur te hebben van gezuiverd koper, dog waar van wij de hoedanigheden niet konden ontdekken; dit metaal vertoonde zich daar en boven onder de gedaante van speldeknoppen en nooit konden wij het door eenig zuur ontbinden; wanneer wij deeze steenen doorkliefden, vonden wij ’t binnenste zeer week en met keiachtig zand vermengt, ik wierd ’er een groot getal van in deeze bronnen gewaar.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat wij aan den oever van de beek en in een klein drijvend moeras, in deszelfs nabuurschap gelegen; een gom of zonderling zee-gras ontdekten, van eene lijmagtige zelfstandigheid en niet aan de aarde kleevende.[28]

Deeze zijn de Waarneemingen, die ik omtrent den aart deezer warme wateren gemaakt heb, bij gelegenheid, dat ik den Heer Kasloff in zijne proefneemingen en naspooringen de behulpzaame hand bood. Ik durf mij niet vleijen van in het opgeeven onzer bevindingen op eene voldoende wijze geslaagt te zijn; het zou kunnen weezen dat door onachtzaamheid, of bij gebrek van de nodige kundigheden, mij eenige misslagen in de opgaave onzer bewerkingen ontsnapt waaren, ik kan nogtans betuigen, dat ik ’er al mijn aandagt en zorgvuldigheid aan besteed heb; daar en boven verklaar ik bij voorraad, dat men aan mij alleen het gebrekkige moet toeschrijven het geen men in dit verhaal zou hebben kunnen aantreffen.

Geduurende den tijd welken wij bij deeze baden en in het dorp van Natchikin doorbragten, waren de goederen, die wij te Koriaki agtergelaaten hadden door onze paarden in verscheiden reizen overgebragt, en wij begonden de nodige schikkingen voor ons vertrek te maaken. In dien tusschentijd zag ik een sabel-marter of wezeltje levendig vangen, op eene wijze die mij zeer zonderling voorkwam en teffens een denkbeeld kan geeven van de jagt op deeze dieren.

Jagt op eene sabel-marter.

Op eenigen afstand deezer baden, bemerkte de Heer Kasloff een groot getal Ravens, die bijna altoos over dezelfde plaats al scheerende langs den grond vloogen; de vaste richting hunner vlucht deed hem denken, dat een of andere roof hen derwaarts trok; en inderdaad, deeze vogels vervolgden een sabel-marter; wij ontdekten dezelve op een berkenboom die door andere ravens omringt was, en kreegen begeerte om die te vangen; de zekerste en spoedigste manier om daar in te slaagen zou zeker geweest zijn om ze met den snaphaan dood te schieten, dog wij hadden onze geweeren naar ’t dorp, werwaarts wij zelfs weder keerden, te rug gezonden, en van de persoonen, die ons verzelden, nog in den omtrek, konden wij ’er geen één bekomen; Een Kamschatter hielp ons gelukkig uit de verlegenheid, door zich aantebieden om het dier te vangen; ziet hier, hoe hij dit aanlag; hij vroeg ons een band, en wij konden hem geen anderen geeven dan dien waarmede ons hair gebonden was; terwijl hij een strik maakte, hadden op deeze Jagt afgerichte honden den boom omringt; het beest bekeek dezelve, en het zij uit schrik, of natuurlijke domheid, het beweegde zich niet; het vergenoegde zich met zijn hals uittestrekken, wanneer men het den strik aanbood, tweemaal maakte het ’er zich zelfs aan vast, en tweemaal ging de strik los; wanneer eindelijk de marter op den grond sprong, wilden de honden ze grijpen, dog welhaast wist zij ’er zich van te ontdoen, en hield zich zodanig met de pooten en de tanden aan den snoet van een der honden vast, dat die geen reden had om over dit onthaal vergenoegd te weezen; daar wij gaarne het beest levendig vangen wilden, deeden wij er de honden af; de marter ontliep het terstond en klom wêer op een boom, alwaar men ze voor de derdemaal den strik om den hals deed, die op nieuw afgleed; en het was eerst voor de vierde reis, dat het den Kamschatter gelukte om het beest te vangen[29]. Ik zou nimmer gedagt hebben, dat een beest, het welk zulk een loos voorkomen heeft, zich zo lomp zou hebben laaten krijgen, en zelfs behulpzaam zijn aan de laagen, die het ziet, dat men het legt. Deeze gemaklijkheid om de marters te vangen, is voor de Kamschatters van een groot nut, dewijl ze verpligt zijn hunne schattingen in marter-vellen te betaalen, ’t geen ik in ’t vervolg nader zal opgeeven[30].

Men nam, geduurende de nagten van den 13. en 14, twee luchtverschijnzels in het Noord-westen, waar; uit de beschrijving, die men ’er ons van gaf, oordeelden wij, dat het flikkeringen van noorderlicht geweest waaren, en het deed ons leed niet tijdig genoeg gewaarschuuwt geweest te zijn, om ze te kunnen zien; de lucht was vrij schoon geweest geduurende ons verblijf aan de baden, echter was het westelijk gedeelte bijna altoos bezet met zeer dikke wolken; de wind veranderde van west in noord-west en bragt ons van tijd tot tijd sneeuwvlagen aan, de sneeuw kon nog geen vastigheid verkrijgen, niettegenstaande den vorst, dien men alle nagten gewaar wierd.

Den 16.

Toebereidzelen tot ons vertrek.

Ons vertrek op den 17 October bepaald zijnde, bragten wij den dag van den 16 in die bezigheden door, welke de laatste toebereidzelen tot de reis noodzaaklyk maakten; wij moesten het overige van onze reis tot aan Bolcheretsk op de Bolchaïa-reka doen, men had tien kleine schuitjes, die mij eigentlijk niet anders toescheenen dan uitgeholde boomen in de gedaante van praauwen, twee aan twee, en den een tegen den anderen vastgemaakt; men maakte daar van vijf vlotten, om ons en een gedeelte van onze goederen overtevoeren; wij moesten wel besluiten om het overige te Natchikin te laaten, uit hoofde van de onmogelijkheid om alles op deeze vlotten te kunnen laaden, welker getal men ook niet vermeerderen kon, want men had al de schuitjes of praauwen genomen, die maar in het dorp te vinden waaren, en zelfs had men ’er van het dorp Apatchin, werwaards wij ons begeeven moesten, laaten afkomen.

1787. October.

Den 17.

Vertrek van Natchikin, en bijzonderheden van onze reis.

Op den 17. met het aanbreeken van den dag, begaven wij ons op deeze vlotten. Vier Kamschatters bestierden met behulp van lange boomen of stokken onze vaartuigen, dog meesttijds waaren ze genoodzaakt van zich in het water te begeeven om dezelve voorttetrekken, dewijl de rivier op sommige plaatzen, op zijn hoogst maar een of twee voet, en op andere nog geen zes duimen, diepte had; al vrij spoedig brak een van onze vlotten, en wel juist dat waar op ons goed gelaaden was, alles moest toen ontlaaden worden om het vlot weder te kunnen maaken; wij wagteden ’er niet op, maar verkoozen liever het zelve agter te laaten en onze reis te vervolgen; des middags noodzaakte ons eene andere ramp, die wel zo treurig was voor luiden wier eetlust opwakkerde, om nogmaals te moeten vertoeven; het vlot waar op men onze keuken gelaaden had, raakte voor onze oogen eensklaps aan ’t zinken; men kan ligt bevroeden, dat wij met geene onverschilligheid het verlies, waar mede wij bedreigd wierden, aanzagen, wij ijverden om ’t zeerst en zo goed wij konden om het overschot van onzen voorraad te behouden, en uit vreeze voor grooter tegenspoeden, namen wij het voorzichtig besluit van in deeze plaats stil te houden, ten einde ’er het middagmaal te neemen; dit deed ons ongevoelig den geleeden schrik vergeeten, en gaf ons meerder moed, om het water te leegen, het welk onze praauwen overlaade, en om onze reis voorttezetten. Wij hadden nog geen werst afgelegd, of wij ontmoetteden twee schuitjes die van Apatchin kwamen om aan onze overvoering te helpen. Wij zonden ze ter hulp van de beschadigde vlotten, en om de praauwen die buiten staat waaren van langer dienst te doen, te vervangen; daar wij altoos aan ’t hoofd van alle de vaartuigen voorwaarts gingen, verlooren wij ze op het laatst geheel uit het gezicht, dog wij ondervonden tot aan den avond geene verdrietelijkheden meer.

Ik bemerkte, dat de Bolchaïa-reka in de bogten, die ze geduurig maakt, ten naasten bij oost-noord-oost, en west-zuid-west loopt; derzelver stroom is zeer snel, ze scheen mij toe omtrent vijf à zes kronkelingen in een uur te hebben; echter betwisteden de steenen en de ondieptens, die men ’er telkens aantreft, ons zodanig den doortogt, dat het werk van onze geleiders, die ze met groote behendigheid wisten te vermijden, zeer zwaar wierd; dog naar maate wij den mond van de rivier naderden, ontdekte ik met vermaak, dat ze wijder en bevaarbaarder wierd. Ik was niet minder verwonderd, van dezelve, in ik weet niet hoe veel armen, zich te zien verdeelen, die vervolgens, na verscheiden kleine eilandjes besproeid te hebben, waar van eenige met hout begroeid zijn, zich weder vereenigden; de boomen zijn overal zeer klein en zeer digt bewassen, men vind ’er ook hier en daar een groot getal voorwaarts in de rivier staan, het welk de moeijelijkheid in het vaaren nog vergroot, en de onbezorgdheid, ik zou haast zeggen de luiheid deezer volkeren, aantoont. Het valt hun niet eens op den aandagt om ten minsten deeze boomen uitteroeijen, en zich daar door een vrijen doortogt te baanen.

Verschillende soorten van water-gevogelte als eenden, pluvieren, goillands, duikelaars en meer anderen vermaaken zich in deeze rivier, welker oppervlakte zij dikwils bedekken, dog het is gantsch niet gemaklijk om ze te naderen en bij gevolg ook niet om ze te schieten, het wild scheen ’er mij zo overvloedig niet. Zonder het spoor der beeren en de half verslondene visschen, die zich allerwegen aan ons oog vertoonden, zou ik gedagt hebben, dat men mij had zoeken te bedriegen, of ten minsten dat men veel vergroot had, wanneer men mij van de meenigte deezer dieren, welke deeze velden bewoonen, had gesprooken. Wij konden er geen een gewaar worden, dog wij zagen verscheide zwarte arenden, en anderen met witte vleugels, raavens, exters, eenige witte patrijzen, en een hermelijn, dat langs den oever wandelde.

Bij het aannaderen van den nagt, oordeelde de Heer Kasloff met reden, dat het voorzichtiger zoude zijn, onze reis te staaken, dan wel dezelve te vervolgen onder een gestadige vrees van diergelijke hinderpaalen te zullen ontmoeten als die geenen welke onze vaart geduurende den dag belemmert hadden. En hoe ze te boven gekomen? wij kenden de rivier niet, en het minste toeval kan zeer gevaarlijk worden, wanneer het in de duisterheid van den nagt voorvalt; na onderling deeze bedenkingen gewisselt te hebben, beslooten wij op den regter oever aan land te gaan, op den kant van een klein boschje, digt bij de plaats, alwaar de Heer King en zijn gevolg stil hielden[31]; een goed vuur verwarmde en droogde ons volk; de Heer Kasloff had de nodige voorzorg gebruikt om op deszelfs vaartuig zijne tent te kunnen plaatzen, en terwijl men bezig was met ze op te stellen het geen in een oogenblik geschiedde, hadden wij het genoegen twee vlotten, die agter gebleeven waaren, te zien aankomen. Het vermaak, dat ons deeze vereeniging veroorzaakte, de vermoeijenissen van den dag, de gemaklijkheid der tent, en de voorzigtigheid, die wij gehad hadden van onze bedden mede te neemen, dit alles liep zamen om ons den best mogelijken nagt te doen doorbrengen.

1787. October Te Apatchin.

Den 18.

Aankomst te Apatchin, en aanmerkingen over dit dorp.

Den volgenden dag namen wij vroegtijdig en zonder veel zwarigheden de reis wederom aan. Wij waaren in den tijd van vier uuren te Apatchin, dog onze vlotten konden ons niet tot aan het dorp brengen, uit hoofde der ondieptens van de rivier ter dezer plaats; wij ontscheepten ons omtrent vier honderd passen van het dorp, en leiden deezen weg te voet af.

Dit dorp scheen mij minder groot dan de voorigen, dat is te zeggen, dat het misschien uit drie of vier wooningen minder bestond; het is in eene kleine vlakte gelegen, die door een arm van de Bolchaïa-reka besproeid word, en men ontdekt aan de overzijde van den oever tegen over het dorp, eene uitgestrektheid van houtgewas, dat mij voorkwam een eiland te zijn, geformeerd door de verscheidene armen van deeze rivier.

Ik vernam in ’t voorbijgaan, dat het dorp Apatchin benevens dat van Natchikin niet altoos ter plaatze gestaan hadden, waar men ze thans ziet; het is pas zedert eenige jaaren, dat de Inwoonders, waarschijnlijk derwaarts getrokken door de bekoorlijke gelegenheid der plaats of door de hoop van een meer overvloedige en gemaklijker vischvangst, hunne wooningen daar overgebragt hebben, waar ik ze heb gevonden; de nieuwe grond, dien zij uitgekozen hebben, is volgens ’t geen men mij gezegt heeft, omtrent vier a vijf wersten van den ouden afgelegen, waar van geen overblijfzelen meer te zien zijn.

Ik vond te Apatchin niets aanmerkelijks; ik verliet het om mij bij onze vlotten te gaan vervoegen, welke de ondieptens voorbij waren en drie wersten van het dorp op ons wagtten, juist ter plaatze, alwaar de arm van de Bolchaïa-reka, na het dorp omgeloopen te hebben, weder in zijn bedde keert; hoe laager wij kwamen, hoe snelder en dieper wij dezelve vonden, zodanig dat niets onze reis tot aan Bolcheretsk hinderde, alwaar wij des avonds ten zeven uuren aankwamen, alleen gevolgt van één onzer vlotten, zijnde de overige ten agteren gebleeven.

1787. October Te Bolcheretsk.

Aankomst te Bolcheretsk.

Naauwlijks waaren wij ontscheept, of de Heer Commandant geleidde mij naar zijne wooning, en had de beleeftheid mij huisvesting te geeven, waar van ik geduurende al den tijd van mijn verblijf te Bolcheretsk gebruik gemaakt heb. Ik moet erkennen dat ’er geene voorzorgen nog oplettenheden uit te denken zijn, welke ik niet van zijn kant ondervonden heb. Niet alleen bezorgde hij mij alle gerieflijkheden en aangenaamheden, die in zijn vermogen waaren, maar daar en boven verschafte hij mij alle onderrichtingen, die ik nodig had, en welke zijn post hem toeliet mij te geeven; zijn beleeftheid ging dikwils zo ver van mijne begeertens en vraagen voor te komen, en mijne nieuwsgierigheid aan te wakkeren, met dezelve alles, het geen hij voor haar belangrijk oordeelde, aantebieden; het was in deeze bedoelingen, dat hij mij al aanstonds bij onze aankomst voorsloeg, om met hem te gaan ter ontdekking van de galjoot van Okotsk[32] die op een weinig afstands van Bolcheretsk ongelukkig schipbreuk had geleden.

Schipbreuk van het galjoot van Okotsk.

Wij waaren reeds gedeeltelijk van dit treurig voorval op onze reis onderricht; men had ons verhaalt, dat het slegte weder[33] het welk dit galjoot bij het naderen van ’t land had ondergaan, het zelve genoodzaakt had om een uur van de kust ten anker te komen, dog dat het zelve voor zijn ankers weggedreeven zijnde, de stuurman geen ander middel gezien had om het scheepsvolk te behouden, dan met het op de kust te zetten, dat hij derhalven de ankertouwen gekapt had, met dat gevolg, dat zijn vaartuig verbrijzeld was.

Op de eerste tijding, hadden zich de Inwoonders van Bolcheretsk in allerijl verzameld om zich ter hulp van dat schip te spoeden, en ons te beproeven van ten minsten de levensmiddelen te redden, waar mede het zelve belaaden was.

De Heer Kasloff had bij zijne aankomst alle beveelen gegeeven, die hem nodig scheenen, dog niet gerust omtrent de uitvoering besloot hij welhaast om zich in persoon derwaarts te begeeven; hij verzogt mij van hem te willen vergezellen, het welk ik met blijdschap aannam, dewijl het mij veel vermaaks verschafte gelegenheid te hebben, van den mond der Bolchaïa-reka, en de haven welke ze op die plaats formeert, te zien.

Den 20.

Wij begeeven ons op weg ter ontdekking van het verongelukte schip.

Wij vertrokken des morgens ten elf uuren, op twee vlotten, waar van een (daar wij ons op bevonden) uit drie schuitjes was zamengesteld; onze geleiders bedienden zich van roeispaanen en zomtijds van hunne stokken, die hun in de belemmerde en ondiepe plaatzen, het meest te stade kwamen, om de hevigheid van den stroom te boven te komen, dewijl ze daar door de schuitjes terug hielden, welke er door weggesleept wierden, en die de stroom ongetwijffelt zonder dit overleg zou hebben doen verongelukken.

De Bistraïa, eene andere zeer snel vlietende, en breeder rivier als de Bolchaïa-reka, vereenigt zich met deeze laatste op den afstand van eene halve werst, en ten westen van Bolcheretsk; ze verliest haar naam bij de zamenvloeijing, om dien der Bolchaïa-reka mede aanteneemen, die door deeze bijvoeging van meer aanbelang word, en die vervolgens omtrent dertig wersten van Bolcheretsk in zee valt.

1787. October.

Gehugt van Tchekafki.

Wij zetten des avonds ten zeven uuren voet aan land in een klein vlek genaamd Tchekafki; twee isbas, even zo veel balagans en eene bijna uitgeroeide ijourte waaren de eenigste wooningen, die ik ’er vond. Ik zag ’er daar en boven een slegte houten bergplaats, aan dewelke men den naam van magazijn gegeeven heeft, om dat ze aan de kroon behoord en men ’er terstond den voorraad in oplegt, waar mede de galjooten van Okotsk[34] geladen zijn; het is ter bewaaring van dit magazijn, dat het gehugt daar geplaatst is; wij bragten den nagt in een deezer isbas door, met voorneemen om ons den volgenden morgen naar het verongelukte schip te begeeven.

Den 21.

Wij begaven ons met het aanbreeken van den dag op onze vlotten, de zee was laag, wij voeren een zeer uitgestrekte en droog leggende bank langs; ze strekt zich na den linker oever van de Bolchaïa-reka, wanneer men die afvaart, en laat aan het noordelijk gedeelte maar een doortogt van agt a tien roeden breedte, en twee en een halve sagene[35] of vaam diepte; de wind die een frissche koelte uit het noordwesten woei, ontstelde eensklaps de rivier, en liet niet toe, dat wij ons in de kil zouden waagen; onze vaartuigen waaren daar en boven zo klein, dat ze door iedere golf half gevuld wierden; twee menschen werkten zonder ophouden om ze te leegen, en waaren daar toe naauwlijks voldoende; wij voeren dus zo lang wij maar konden langs deeze bank.

Mond van de Bolchaïa-reka.

Toen wierden wij de mast van het galjoot, beneden eene landengte, die naar het zuiden loopt, gewaar; dit vaartuig scheen ons twee wersten zuidwaarts van den mond der Bolchaïa-reka afteleggen. Op de punt van het zo evengemelde laage land, ontdekten wij de vuur-baak en de hut van hun die ze bewaaren; ongelukkig konden wij dit alles niet dan van verre zien, de loop der rivier, ter plaatze waar ze in zee valt, scheen mij noord-westelijk te zijn; zij vertoont daar eene opening van omtrent een half werst breedte; ter linkerzijde is dus de vuurbaak geplaatst, en aan den anderen kant ziet men eene uitgestrektheid laag land, dat de zee bij slegt weer overstroomt, en het geen zich tot aan het gehugt Tchekafki uitstrekt; van deeze laatste plaats tot aan den mond der rivier heeft men zes a agt wersten afstands; hoe meer men dien nadert, hoe snelder de stroomen zijn.

Er was geen middel om onze vaart voorttezetten, de wind vermeerderde telkens, en de baaren wierden van tijd tot tijd grooter. Het zou de uiterste onvoorzigtigheid geweest zijn van de zandbank te verlaaten, om, door zulk slegt weer en met diergelijke brooze vaartuigen, eene ruimte van twee wersten door de volle zee overtesteeken, zijnde dit de breedte van de baaij, welke door den mond van de rivier gemaakt word. De Heer Commandant, die reeds eenige blijken van mijne geringe kundigheden in de zeevaart gehad had, wilde als toen wel mijn raad inneemen, en deeze was om te wenden, ten einde naar de plaats, alwaar wij geslaapen hadden, te rug te keeren; het geen dan ook dadelijk geschiedde; wij hadden veel reden om over onze voorzigtigheid te vreden te zijn, want ter naauwer nood waaren wij te Tchekafki aangekomen, of het wierd nood-wêer.

Aanmerkingen over den mond van de Bolchaïareka.

Ik vertroostte mij deswegens, dewijl ik ten minsten mijn oogmerk bereikt had, namelijk om dien ingang van de Bolchaïa-reka te zien. Ik durf verzekeren, dat het voor scheepen van honderd vijftig ton zeer gevaarlijk en ondoenlijk is om ze aan te doen; de schipbreuken der Russische vaartuigen zijn al te menigvuldig, om aan de zeevarenden, die deeze kust zouden willen bezoeken, en aan die volkeren, die hen derwaarts zouden willen zenden, niet de oogen te openen.

De haven heeft ook daar en boven geen schuilplaats, de laage landen, waar van ze omringt word, kunnen geene beschutting opleveren tegen de winden, die van alle kanten ’er op aankomen, daar en boven zijn de banken, die door den stroom van de rivier veroorzaakt worden, zeer beweegbaar, en door die zelfde oorzaak is het bijna onmogelijk juist de kil te kennen, die noodzaaklijk van tijd tot tijd van loop veranderen moet, en welkers diepte niet te bepaalen is.

Schrikkelijke orcaan.

Wij bleeven het overige van den dag in het gehugt Tchekafki zonder ons weder op reis te kunnen begeeven, nog, om naar het verongelukte schip te gaan, nog zelfs, om naar Bolcheretsk te rug te kunnen keeren; de lucht in plaats van op te klaaren, was van alle kanten met zwarte en dikke wolken bezet, die haar den gantschen dag aan ons oog onttrokken.

Weinig tijds na onze aankomst, ontstond ’er een vervaarlijke storm en de Bolchaïa-reka was tot zelfs bij ons gehugt in de grootste beroering; deeze deining verwonderde mij, uit hoofde der weinige breedte en diepte van de rivier ter deezer plaats, de noord-oostelijke uithoek van den mond en het laage land, dat zich bij die windstreek verlengt, maakte maar eene klip, die door de baaren met een ijsselijk gedruis overstelpt wierd; de vertooning, welke deeze stormwind opleverde, was niet minder verschriklijk, dog ik was aan land, en ik meende ze te kunnen braveeren. Ik kreeg in ’t hoofd om in de omgelegen streeken te gaan jagen; ik had nog maar eenige voetstappen gedaan, of door den wind gegreepen raakte ik aan ’t waggelen, ik hield vol en wilde mijn voorneemen en de jagt volbrengen, dog aan een beek gekomen, die ik met een schuitje moest oversteeken, liep ik het grootste gevaar, en ik keerde op het oogenblik te rug, wel betaeld voor mijne snorkerij; deeze schrikkelijke orcaanen zeer gemeenzaam in dit jaargetij zijnde, zo is het niet te verwonderen, dat ’er zo veele schipbreuken op deeze kusten voorvallen; de scheepen zijn zeer klein, en hebben maar eene mast, en het geen nog erger is, bestaat daar in, dat de zeelieden, die ze bestieren, maar zelden het vertrouwen waardig zijn, het geen men in hun stelt, indien ik geloven mag wat men ’er van verhaalt heeft.

Den 22.

Terugkomst te Bolcheretsk, alwaar ik tot den 27 Januarij 1788. gebleeven ben.

Den volgenden dag hervatteden wij onze reis om naar Bolcheretsk te rug te keeren, alwaar wij eerst des avonds bij het vallen van den nagt aankwamen.

Daar ik wel voorzien kan, dat mijn verblijf alhier mogelijk van langen duur zal weezen, vermits wij genoodzaakt zijn hier den aanvang der sleedevaart aftewagten, gaa ik den draad mijner beschrijvingen, en het verhaal van het geen ik gezien, of in mijne gesprekken met de Russen en Kamschatters vernomen heb, weder opvatten; laat ons met de stad of het fort van Bolcheretsk beginnen, want dus noemt men het zelve in ’t Russisch (Ostrog of Krepost).

1787. October Te Bolcheretsk.

Beschrijving van Bolcheretsk.

Het is gelegen aan den oever van de Bolchaïa-reka, in een eiland van weinig uitgestrektheid, dat geformeerd word door de verschillende armen van deeze rivier, die de stad in drie gedeeltens scheiden, waar van het eene meer dan het andere bewoond is; het meest afgelegene naar het oosten is een soort van voorstad genaamt Paranchine, het bevat omtrent tien a twaalf isbas; aan deze zijde, of in het zuid-westen van Paranchine, dat is te zeggen, in het middelste gedeelte ziet men ook verscheide isbas, en onder anderen eene rei van kleine houten huisjes, die tot winkels dienen, daar regt tegen over vind men het Wagthuis, het geen ter zelver tijd de Kanzelarij of recht-zaal is[36]; dit huis is veel grooter dan de andere, en het word altoos door een schildwagt bewaard; Een tweede kleine arm van de Bolchaïa-reka scheid door eene kleine tusschenruimte nog eens deeze verzameling van wooningen, welke zonder order en hier en daar verspreid zijn, van het derde gedeelte der plaats, dewelke in het noord-westen een andere groep van gebouwen vertoont digter aan de rivier gelegen; deeze stroomt door dat gedeelte zuid-oost en noord-west, en loopt op een afstand van omtrent vijftig treden van het huis van den Commandant. Dit huis laat zich gemaklijk van de anderen onderscheiden, het is meer verheven, grooter, en in den smaak der houte huizen van St. Petersburg gebouwd. Twee honderd treden ten noord-oosten van de wooning des Commandants, vind men de kerk, waar van de bouw-order eenvoudig en gelijk is aan die van alle de kerken der Russische dorpen. Bij deeze is een houte schuur van twintig voeten hoog, alleenlijk met een dak bedekt, onder het welk drie klokken hangen; men ontdekt nog in het noord-westen van het huis van den Commandant, een ander klein gedeelte van de plaats of stad die van dit huis afgescheiden word door een beemd of moeras van omtrent drie honderd treden uitgestrektheids, en alleen bestaat uit vijfentwintig of dertig isbas, en eenige balagans. In ’t algemeen zijn ’er weinig van deeze laatstgemelde wooningen te Bolcheretsk, men telt ’er op zijn hoogst tien; de overige zijn alle isbas of houten huizen, waar van het getal vijftig of zestig kan beloopen, zonder ’er de agt winkels, de kanzelarij en het huis van den Commandant onder te rekenen. Na deeze naauwkeurige beschrijving van het fort Bolcheretsk, moet het vreemd voorkomen, dat men die plaats met deezen naam bestempelt; want ik kan verklaaren, dat ’er geen spooren van vestingwerken te vinden zijn, en zelfs dat ’er geen waarschijnlijkheid is, dat men immer gedagt zou hebben om ’er ter deezer plaats te vervaardigen; de staat, de gelegenheid van deeze plaats en van deszelfs haven, alles noodzaakt mij te gelooven, dat men alle de gevaaren en de tallooze zwaarigheden ingezien heeft, die men zou moeten te boven komen, indien men wilde beproeven om ze meer welvarende, en er de algemeene stapelplaats des handels van het geheele schiereiland van te maaken; de uitzichten van de regeering schijnen, zo als ik reeds gezegt heb, zich meer na de haven van St. Pieter & Paulus uittestrekken, welkers nabijgelegenheid, gemaklijke toegang en meerdere zekerheid de voorkeur verdient.

Aanmerkelijk onderscheid tusschen St. Pieter & Paulus & Bolcheretsk.

Tusschen deeze twee plaatzen is een treffend verschil; het is naamelijk de trap van beschaaftheid, die ik te Bolcheretsk opgemerkt heb, en die ik te Pétropaulofska niet gezien heb; deeze merkbaare nabijkoming aan de Europeesche zeden maakt eene vrij groote tegenoverstelling tusschen deeze twee plaatzen. Ik zal tragten zulks te doen gewaar worden, en ’er de oorzaak van aantewijzen in den loop mijner naspooringen over de Inwoonders van deeze Ostrogs; want het is hier, dat ik de bijzonderheden moet opgeeven, nopens derzelver bezigheden, gebruiken, smaak, verlustigingen, voedzel, geestvermogens, aart, en gesteldheden en eindelijk nopens de grondregels van de regeering, aan welke zij onderworpen zijn.

Bevolking van Bolcheretsk.

De bevolking te Bolcheretsk bestaat omtrent in twee a drie honderd persoonen, zo mannen, als vrouwen en kinderen; onder deeze Inwoonders telt men, de Onderofficiers ’er onder begreepen, zestig a zeventig Kosakken of Soldaaten, die met alles belast zijn, wat den dienst betreft[37]; zij betrekken ieder op hun beurt de wagt, maaken de wegen schoon, herstellen de bruggens; ontlaaden den voorraad, die van Okotsk gezonden word, en voeren dien over van den mond der Bolchaïa-reka tot aan Bolcheretsk; de overige inwoonders bestaan alleen uit Kooplieden en Matroozen.

Sluikhandel der Cosakken en anderen.

Alle deeze luiden, zo Russen als Kosakken, onder welke Mesticen gevonden worden, drijven een heimelijken handel dan met het eene en dan met het ander; dit verschilt zo menigmaal als de gelegenheid hun het denkbeeld doet gebooren worden om te veranderen, maar het is nooit met vooruitzichten van zich door eerlijke wegen te verrijken; derzelver vlijt bestaat alleen in eene geduurige schelmerij, ze gaat niet verder dan om dagelijks de arme Kamschatters te bedriegen, welker ligtgelovigheid en onverwinlijke neiging tot de dronkenschap hen zonder onderscheid aan de genade van deeze gevaarlijke roovers overgeeven; deeze, op het voorbeeld van onze kwakzalvers en andere gaauwdieven van dat soort, gaan van dorp tot dorp de maar al te onnozele Inboorlingen verstrikken; zij stellen hun voor om hun brandewijn te verkoopen, dien zij listiglijk hun ter proef aanbieden; het is bijna onmogelijk voor een Kamschatter, het zij man of vrouw, om dit aanbod te wederstaan; men begrijpt dat de eerste proef van veele anderen gevolgt word, welhaast worden de hoofden verhit, raaken op hol, en de loosheid der verkoopers weet zich ter zelfder tijd van het overige hunner waar te ontdoen. Naauwljks hebben zij hun oogmerk bereikt met de koopers dronken te maaken, of zij weeten van deezen het kostbaare dat ze bezitten in ruiling te bekomen, namelijk al het bontwerk het geen zij maar hebben, en dikwils is dit de vrugt van hun arbeid geduurende een geheel jaargetij, het welk dienen moest om de schatting aan de kroon te betaalen, of anders door verkoop het bestaan van het huisgezin moest opleveren, dog geene bedenkingen weerhouden een Kamschatter, die aan het drinken is; alles is vergeeten, en niets is hem te dierbaar om zijn lust te voldoen. In deeze redenloosheid laaten deeze ongelukkigen zich in een oogenblik alles ontneemen, en het voorbijgaande vermaak van eenige maaten brandewijn te leegen[38] dompelt hen in de uiterste armoede, zonder dat immer de treurige ondervinding hun leert van in het vervolg op hunne hoede te zijn tegens hunne eige zwakheid, of tegen de behendige trouwloosheid van deeze Kooplieden, die wederom op hun beurt al den winst, die ze door hunne schelmerij verkreegen hebben, verdrinken.

Koophandel in het algemeen.

Om dit artikel van den Koophandel te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat die geenen, welke denzelven door het geheele schier-eiland Kamschatka meer in het groot drijven, niet anders zijn, dan de bediendens der Kooplieden van Totma, Vologda, groot Ustiug, en van verscheidene steeden uit Siberien, of wel factooren van andere vermoogende lieden, die tot zoo ver toe hunne uitzichten in den handel uitstrekken.

Alle de Koopmanschappen en levensbehoeftens, welke de noodzaaklijkheid hun verplicht opteslaan, worden ’er uitermaaten duur verkogt, en wel omtrent tien maal boven derzelver vasten prijs te Moscou; voor de vedro[39] fransche brandewijn wordt hier tagtig Roubels betaald; de verkoop hier van is aan de Kooplieden geoorloft; dog de Koornbrandewijn die van Okotsk komt, en die welke in het land met slatkaïa-trava of zoet gras word gemaakt, worden voor rekening van de regeering verkogt, tegens een-en veertig Roubels en zes en negentig kopecks het vedro; men kan deeze niet verkoopen dan in de kabacs of herbergen, die daar toe geschikt zijn; te Okotsk kost het vedro brandewijn uit graan gestookt maar agttien roubels; waar uit blijkt, dat de kosten van de overvoering op drie en twintig roubels zes en negentig kopecks kunnen beloopen, het geen zeer buitenspoorig moet voorkomen. Dat men vervolgens hier uit den winst beoordeele.

De andere ingevoerd wordende waaren[40], namelijk die van Okotsk gezonden worden, bestaan in Nankins en eenige Chineesche stoffen, en in een meenigte zaaken uit de Russische en vreemde fabrieken getrokken, als linten, doeken, koussen, mutzen, schoenen, laarzen en andere artikels die tot de kleeding der Europeesche volkeren gebezigd worden, en die hier, wanneer men de uiterste eenvoudigheid der Kamschatters zo in kleeding als gewoontens in aanmerking neemt, tot overdaad strekken; men voert ook nog in suijker, thée, een weinig coffij en wijn, beschuit, ingemaakte of gedroogde vrugten, als pruimen, rosijnen &c., eindelijk kaarssen, waschkaarssen, buskruid, loot &c.

De zeldzaamheid van alle deeze goederen in een zo afgelegen land, en de nood-druft, die men ’er aan heeft, of die men ’er zich van maakt, noodzaaken de bewoonders om ze tot die uitermaate hooge prijzen te neemen, welke de schraapzucht des verkoopers aan dezelve hegt; gewoonlijk kan die, zo dra ze aankoomen, dezelve ook kwijt worden; deeze koopluiden houden winkels, zij bewoonen ieder één van die houten huizen, die regt tegen over het wagthuis geplaatst zijn; deeze winkels zijn dagelijks open, uitgenomen de feestdagen.

Leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk en in het algemeen van de Kamschatters.

De leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk verschilt niet van de Kamschatters; echter schijnen ze minder lust te hebben om in balagans te woonen, en hunne huizen zijn een weinig zindelijker.

Kleeding.

De kleeding is een en dezelfde; het opperkleed, dat parque genaamd word, heeft de gedaante der overhembden van de voerlieden in Europa, het is doorgaans van vellen van rendieren[41], of van andere beesten, die aan den eenen kant bereid zijn; zij draagen daar onder lange broeken van diergelijk leder, en op ’t lighaam een zeer kort en naauw hemd van Nankin, of van Catoen, de vrouwen hebben ’er van zijde, en dit is een zeker soort van weelde onder haar; beide de sexen draagen laarzen, des zomers zijn die van bereide geiten of honden vellen, en des winters van zeewolven vellen of rendieren pooten[42]; de mannen draagen altoos breede gevulde mutsen op het hoofd, in het beste Jaargetij trekken zij een langer hemd aan van nankin, of van een vel zonder hair, dit is gemaakt even als het parque, en dient hun ten zelfden gebruike, dat is te zeggen, dat ze het over de andere kleederen aantrekken; het staatsie en beste kleed, is een parque omzoomd met bevervel en fluweel, of van andere diergelijke kostbaare stof en voering; de vrouwen zijn op dezelfde wijs gekleed als de Russische vrouwen, de kleeding van deeze laatste is genoeg bekend dan dat ik nodig zou hebben die te beschrijven, ik zal maar alleen aanmerken, dat door de groote duurte van alle deeze soorten van stoffen in Kamschatka, het toilet der vrouwen aldaar een aanmerkelijke uitgaaf vordert; somtijds neemen zij ook de kleeding der mannen aan.

Voedzel.

Het voornaamste voedzel van deeze volkeren bestaat, gelijk ik reeds gezegt heb, in gedroogden visch; de mannen verzamelen zelfs den voorraad van deeze hoofd-spijs, terwijl de vrouwen zich bezig houden met het verrichten van het huishoudelijke, en het verzamelen der vrugten en andere gewassen, die, na den gedroogden visch, de begunstigdste geregten van de Kamschatters en Russen in deeze streeken zijn; wanneer de vrouwen deeze inzameling voor den winter-voorraad gaan doen, zijn dit voor haar zo veele feestdagen, ze vieren die met eene luidruchtige en ongebondene vervoering van vreugde, die somtijds gelegenheid geeven tot klugtige en meest altoos onbetamelijke voorvallen; zij verspreiden zich in menigte al zingende door de velden, en geeven zich over aan alle de dwaasheden, die de verbeelding haar ingeeft, nog vrees, nog schaamte wederhoud haar. Ik kan deeze buitenspoorige uitzinnigheid niet beter afschilderen, dan met ze te vergelijken bij de raazende heidensche bacchanten; wee den man, die bij toeval derwaards komt en als dan in haare handen valt! hoe kloek en fluks hij ook zijn mag, is het hem echter onmogelijk om zich aan het lot dat hem bedreigt te onttrekken, het is zeldzaam, dat hij uit het gevecht komt zonder een goede kastijding met roeden ondergaan te hebben.

Wat de spijzen betreft, zie hier ten naasten bij hoe de Kamschatters ze toebereiden, men zal uit dit verhaal kunnen oordeelen, dat men hen niet kan verdenken van zeer lekker te zijn; ze weeten voor al, zich alles van den visch te nutte te maaken. Zo dra ze gevangen is[43] haalen ze de kieuwen uit, die ze met het grootste vermaak uitzuigen. Door eene andere zuivering, uit zinnelijkheid of gulzigheid ontstaande, snijden ze ’er dadelijk ook eenige geheel bloedende, en somtijds geheel bevrozene stukken af, welke zij met greetigheid opslokken, vervolgens gaat men voort met den visch te snijden, waarvan de graaten voor de honden geschikt zijn; het overschot word bewaard en voor den winter gedroogt, als dan eet men ze gekookt, gebraaden, geroostert, en meesttijds geheel raauw.

Dog het geregt, dat de hoofsche kenners het meeste beminnen, en dat mij het walgelijkste toegescheenen heeft, is een zoort van salm genaamt tchaonitcha; zo dra zij ze gevangen hebben, begraven ze die in een kuil, zij laaten ze in deeze vreemde eetens-kas leggen, tot dat ze wel tijd gehad heeft om te verzuuren, of om juister te spreeken, geheel te verrotten; het is maar alleen op dat punt van bederf, dat ze de gunst verkrijgt om tot de grootste lekkernij van dit volk te dienen. Na ’t mij voorkomt, is de bedorve lucht, die deeze visch van zich afgeeft, genoegzaam om den uitgehongerden mensch aftetschrikken, en nogtans vergast zich een Kamschatter met deezen verrotten visch geheel raauw op te eeten; wat acht hij zich boven al gelukkig, wanneer hij den kop heeft, dit is het uitsteekendste beetje, men snijd het in verscheide stukken. Ik heb dikwils mijn afkeer zoeken te overwinnen, om van dit zo gezogte geregt even te proeven, dan nimmer kon ik ’er toe besluiten, om het in den mond te neemen, en zelfs niet om het maar aan den mond te brengen; iedere reis veroorzaakte de stinkende lucht, die het van verre verspreidde, mij walgingen, en eenen onweerstaanbaaren tegenzin.

Forellen en Salmen van verschillende soorten zijn de gemeenste visschen in Kamschatka, men eet ’er ook zeewolven, en het vet van deezen visch is zeer goed bevonden; men bedient ’er zich van tot het maaken van olie om te branden.

Onder de verschillende gewassen, die mede tot het voedzel der Kamschatters in aanmerking komen, maaken zij voornamelijk gebruik van de saranawortel, wilden knoflook, slatkaïa-trava of zoet gras, en van eenige planten en andere vrugten die ten naasten bij dezelfde zijn als in Rusland.

De saranawortel is bij de Kruidkenners bekend[44], deszelfs gedaante, dikte en couleur zijn in ’t breede beschreeven in de derde reize van Cook, deeze meel-achtige wortel dient in plaats van brood[45], men laat dien droogen voor dat men ze kookt, dog op welke manier men die ook toebereid, is ze altoos zeer gezond en zeer voedzaam.

Dranken.

Van den wilden Knoflook[46] maakt men een soort van zuuren en gegisten drank, die een zeer kwaaden smaak heeft, het word ook nog in verscheide sausen gebruikt; deeze volkeren houden daar zeer veel van.

De slatkaïa-trava of zoet gras is vrij aangenaam, wanneer het versch is. De Engelschen hebben ook veele bijzonderheden van deeze plant opgegeeven[47] waar van de inboorlingen des lands veel werk maaken, vooral wanneer het overgehaald is. Weinig tijds na dat ze geplukt is splijten zij dezelve door midden, en schrapen ze met een schelp af, ten einde ’er de schil aftehaalen, zij laaten ze vervolgens voor den winter droogen, en wanneer zij er zich van in derzelver ragouts willen bedienen, doen zij ze kooken. De slatkaïa-trava of dit zoet gras wordt ook gebruikt om brandewijn van te maaken[48] en in het land verkogt zo als ik boven gezegt heb, voor rekening van de regeering, die deeze plant van de Kamschatters koopt.

Inwoonders van Kamschatka.

Men telt drie soorten van inwoonders, de inboorlingen of Kamschatters, de Russen en Kosakken, en de Mesticen of de bijzondere persoonen, welke uit de vermenging van deeze twee geslagten gebooren zijn.

Inboorlingen.

De Inboorlingen, dat is te zeggen, die geenen, wier bloed niet vermengt is, zijn weinig in getal; de Kinderziekte heeft ’er wel drie vierde van weggenoomen, en het overschot is in de dorpen van het schier-eiland verspreid, dog in Bolcheretsk zou men werk hebben om ’er één of twee te vinden.

De eigentlijke Kamschatters zijn in het algemeen kleinder dan eene gewoone lengte, zij zijn van eene dikke en breede gedaante, kleine en diep ingezonken oogen, hangende uitsteekende wangen, een platten neus, zwarte hairen, bijna geen baard, en een weinig bruin van couleur; die van de meeste der vrouwen en derzelver gelaatstrekken, zijn ten naasten bij het zelfde; men zal ze dus na deeze afbeelding voor geene verleidelijke voorwerpen beschouwen.

De aart der Kamschatters is zagt en herbergzaam, zij zijn nog bedriegers nog dieven, zij bezitten zelfs zo weinig geslepenheid, dat ’er niets gemaklijker is dan om ze te bedriegen, wanneer men, gelijk gezegt is, van hunne neiging tot de dronkenschap weet gebruik te maaken; zij leeven onder zich zelfs in de beste eensgezindheid; het schijnt dat ze, naar maate van derzelver klein getal, des te meer aan elkander verkleeft zijn, deeze vereeniging doet hun zich onderling de hand bieden in het verrichten van den arbeid, en het is geen gering blijk van derzelver ijver, dat zij zich daartoe verpligten, indien men derzelver natuurlijke luiheid, die uitermaaten groot is, in aanmerking neemt. Een werkzaam leeven zou hun onverdraaglijk zijn: en het hoogste geluk in hunne oogen bestaat, na dat van zich dronken te drinken, in niets te doen te hebben, en te leeven in eene zagte zorgeloosheid; ze is zodanig bij dit volk ingeworteld, dat ze hen de middelen, om in de noodzaaklijkste behoeftens van het leven te voorzien, doet verwaarloozen. Men heeft des winters meer dan eens huisgezinnen tot de vreesselijke uiterstens van hongersnood gebragt gezien, om dat ze zich de moeite niet hadden willen geeven van geduurende den zomer derzelver voorraad van visch gereed te maaken, die nogtans voor hun het noodzakelijkste voedzel is. Indien ze dus hun eigen bestaan vergeeten, begrijpt men ligtelijk, dat ze nog minder zorg voor de zindelijkheid hebben, deeze bespeurt men nog aan hun, nog in hunne wooningen, men zou hun veel eer kunnen verwijten, dat ze daar omtrent in een tegengesteld uiterste vielen. Niettegenstaande deeze zorgeloosheid en de andere gebreken der inboorlingen, is het echter te betreuren, dat hun getal niet aanmerkelijker is, want volgens het geen ik gezien heb, en het welk mij door verscheide persoonen bevestigt is, moet men, om verzeekert te zijn van in dit land gevoelens van eer en menschlievendheid aantetreffen, dezelve bij de eigentlijke Kamschatters zoeken. Zij hebben derzelver boersche deugden nog niet tegen de gepolijste ondeugden verwisseld, welke de Europeanen, die geschikt waren om hen te beschaaven, tot hen overgebragt hebben.

Aanmerkingen over de zeden der Inwooners van Bolcheretsk.

Dog het is te Bolcheretsk, alwaar ik de uitwerkzelen van dien invloed ben ontwaar geworden. Ik heb daar eeniger maate het spoor der Europëesche zeden aangetroffen, minder evenwel in de vermenging der geslagten, taal en de gelijkvormigheid der gelaatstrekken van de Inwoonders, dan wel in derzelver geneigtheden en manier van bestaan, die juist niet altoos een grooten trap van deugdzaamheid aanduiden; dit aanmerkelijk onderscheid tusschen hen en de Inboorlingen komt alleen, na mijn inzien, van de moeilijke leiding tot de beschaaftheid; en ziet hier, waar op ik mijne gedagten omtrent dit onderwerp gronde.

Bolcheretsk was sedert korten tijd de hoofdplaats van Kamschatka, voor al zedert dat de Commandanten het nodig geoordeeld hebben van aldaar hun verblijf te vestigen. Deeze hoofden en derzelver gevolg bragten de Europeesche wetenschappen en zeden derwaarts; men weet, dat die doorgaans bij overlevering vervalscht worden, naar gelang dezelve meer en meer van haaren oorsprong verwijderen; het is nogtans waarschijnlijk, dat de Russische regeering zo veel mogelijk haar gezag en de uitvoering haarer beveelen, niet anders toevertrouwde, dan aan Officieren van bekende verdiensten, bij aldien ik ten minsten mag oordeelen uit die geenen, welke daar mede tegenswoordig belast zijn; en dienvolgens moet men gelooven, dat deeze bevelhebbers en andere officieren in de plaats van hun verblijf geen andere voorbeelden gaven dan van deugd, kundigheid en alle de achtingswaardige hoedanigheden der beschaafde volkeren. Ongelukkig waaren de gegeven lessen niet altoos voldoende, dat is te zeggen, dat ze niet al dat nut voortbragten, het geen men ’er van wagten kon, ’t zij, dat ze niet anders dan bij gevolgtrekking werkten en derhalven niet genoeg de zinnen aandeeden, of liever dat ze zich niet in haare volkomenheid konden verspreiden, en daar door alleen in de gemoederen voorbijgaande of zelfs gebrekkige indrukzelen overlieten.

1787. November & December Te Bolcheretsk.

Deeze hervormers vonden denzelfden ijver niet in de Kosakken, die de bezettingen uitmaaken, nog in de Kooplieden en andere Russische emigranten, die zich in dit schier-eiland neergezet hebben. De neiging tot ongebondenheid en de zucht tot winst, welke bijna altoos in een overwonnen land door de volkplantingen der overwinnaars overgebragt word, dusdanige gesteltheden, verder ontwikkelt door de gemaklijkheid van luiden te vinden die bedrogen kunnen worden, moesten noodwendig den voortgang der hervorming stremmen. De rampzalige kiemen van deeze geneigtheden breidden zich te spoediger uit door de huwelijken, terwijl de zaaden der gezellige deugden, welke men getragt had aldaar aan te kweeken, ter naauwer nood vruchten voortbragten.

Hier uit is voortgesprooten, dat de inboorlingen, of eigentlijke Kamschatters, vrij algemeen hunne onweetende eenvoudigheid en de ruwheid hunner zeden bewaart hebben, en dat een gedeelte der andere Russische en vermengde inwoonders, die zich bij voorkeur in het verblijf der hoofden geplaatst hebben, wel eene flaauwe schemering van de Europëesche zeden hebben behouden, dog niet het volmaaktste het geen deeze kunnen opleveren. Men heeft ’er het bewijs reeds van gezien in het geen ik van hunne grondbeginzels in den Koophandel gezegt heb, en ik ben in de gelegenheid geweest van ’er nog beter van overtuigd te worden, geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, door eene meer aanhoudende bespiegeling van deszelfs inwoonders die, zonder dit bekleedzel, bijna geheel aan de Inboorlingen zouden gelijken.

Danspartijen, gegeeven aan de Vrouwen te Bolcheretsk, en aanmerkingen geduurende deeze Bals gemaakt.

De Heer Kasloff, en op zijn voorbeeld, alle de geenen die hem vergezelden, gaven beurtelings aan de vrouwen van dit Ostrog verscheide feesten of danspartijen; zij verscheenen ’er allen, telkens met zo veel lust als genoegen. Ik had gelegenheid om te zien dat men mij niet bedrogen had, wanneer men mij verzekerde, dat alle deeze vrouwen, de Kamschatsche zo wel als de Russische, de vermaaken beminnen, zij zijn ’er zo verzot op, dat ze zulks niet kunnen verbergen. De dogters zijn alle verbaazend vroeg huwbaar, en de koude luchtsgesteldheid schijnt geen invloed op haar te hebben.

Omtrent de Bolcheretsksche vrouwen, die zich in onze gezelschappen begaven, en die meestendeels van gemengd bloed of van vader en moeder Russen gebooren waaren, merkte ik op dat derzelver gedaante in het algemeen niet onbevallig was, ik zag ’er zelfs verscheiden, die voor fraaij konden doorgaan; dog de jeugd is bij haar niet van langen duur, het zijn zeker de kinderen, of de moeijelijke arbeid, waar aan ze onderworpen zijn, die haar bijna in den bloei haarer jaaren doen verwelken. Derzelver inborst is vrolijk en van eene scherpzinnige levendigheid, mogelijk een weinig ten koste van de welvoeglijkheid, zij zoeken uit zich zelfs het gezelschap te vermaaken door alles wat haare vrolijkheid en haare spelen haar aan de hand kunnen geeven; zij beminnen den zang en het geluid van haare stemmen is zagt en vrij aangenaam; het zou alleen te wenschen zijn, dat haare musiek minder na den smaak van het land ingericht was, of meer de onze evenaarde. Zij spreeken het Russisch en het Kamschatsch, dog zij behouden alle de uitspraak van de laatste taal. Ik verwachtte niet om hier Poolsche en nog minder om hier contredansen in den Engelschen smaak te zien danssen: wie zou gelooven dat men ’er zelfs een denkbeeld van de menuet had? Het zij, dat mijn verblijf geduurende zes en twintig maanden op zee, mij minder de gebreken deed beschouwen, het zij, dat de herinneringen, welke dit schouwspel mij voor den geest bragt, mijne oogen verbijsterden, ik vond altans dat deeze dansen met vrij veel naauwkeurigheid en meerdere bevalligheid uitgevoerd wierden dan ik mij zou hebben kunnen verbeelden. De danseressen, waar van hier gesproken word, zijn zo trots, dat ze de Kamschatsche zangen & danssen met verontwaardiging beschouwen. Om een einde te maaken van mijne bespiegelingen op deeze danspartijen, zal ik ’er bijvoegen, dat de opschik deezer vrouwen zeer zorgvuldig in acht genomen word, zij kleeden zich met al het bevallige wat zij bezitten of met het geen zij het kostbaarste achten. De kleederen tot deeze danspartijen en plegtigheden geschikt zijn voornaamelijk van zijde, en men heeft op het artikel van den handel kunnen zien, dat deeze kleeding haar zeer veel kost. Ik zal dit verhaal eindigen met eene aanmerking, die ik gelegenheid had te maaken, zo in deeze gezelschappen als in die der Kamschatters, welke ik vervolgens bijwoonde, namelijk, dat het grootste gedeelte der Russische mans, en ook der Inboorlingen, niet jaloersch schijnt; zij sluiten gewillig de oogen omtrent het gedrag hunner vrouwen, en zijn op dit stuk zo handelbaar, als immers weezen kan.

Notes in this chapter

Note 1 · De Heer Burggraaf de Langle.Note 2 · Indien mijne pen deeze twee vermaerde mannen waerdig was, geschikt om te samen eene groote onderneeming met de volmaaktste eensgezindheid teNote 3 · Deeze Haven word door de Russen genoemt Petropavlosskaia-haven.Note 4 · Na dat hij alle de Persoonen tot deezen togt behoorende met beleeftheden overlaaden had, tragtte hij nog daar en boven om onze Fregatten vanNote 5 · Het schijnt, dat geduurende den zomer de zeevaart vrij zeeker is en dat dit de eenigste manier is, waar van de reizigers gebruik maaken om tNote 6 · Het blijkt zelfs, uit het geen de eerste Zeevarende daar van bericht hebben, dat ’er geen gemaklijker haven in dit gedeelte van Asien te vinNote 7 · De Heer Graaf de la Perouse heeft met ruim zo veel zorgvuldigheid dit plan uitgewerkt, als alle de geenen die ’er voor hem geweest zijn: menNote 8 · Het woord Ostrog betekent eigentlyk een omtrek met palissaden bebouwt. Men zou deszelfs oorsprong na ik vermeen kunnen afleiden van de verscNote 9 · Die Bevelhebber, Khabaroff genaamt, was toen Preporchik, of Vaandrig.Note 10 · Op eenigen afstand van deeze plaats aan den voet van een boom werd Capitein Clerke begraven. Het opschrift dat de Engelschen op zijn graf agNote 11 · Vijftien of twintig wersten van de haven word een Vuurspuuwende berg gevonden, die door de natuuronderzoekers, tot den togt van den Heer GraNote 12 · De geweldige koude, waar over de Engelschen zich beklaagen, zal mogelijk niet zonder voorbeeld zyn, en ik vermeet mij niet dezelve tegen te Note 13 · De Heer Kasloff-Ougrenin is, gelijk ik reeds gezegt heb, bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, hij staat onder den algemeenen landvoogd,Note 14 · De Heer Schmaleff is Captein-Inspecteur over de Kamschatters, of volgens ’t Russisch Capitain ispravnik in het gebied van Kamschatka, het isNote 15 · De Heer Vorokhoff, Geheimschrijver van den bevelhebber, word in de regeerings zaaken gebruikt, en heeft den rang van Officier.Note 16 · De Heer Ivaschkin is die ongelukkige edelman, van wien de Engelschen spreeken, en die in allen opzichte den door hun toegezwaaiden lof verdiNote 17 · De Baidars zijn bijna van een gelijk maakzel als onze booten, als alleen dat de boorden gemaakt zijn van planken van vier, vijf à zes duimenNote 18 · Zijn naam is Feodor Vereschaguin; hij is zijn oudsten Broeder Romanoff Vereschaguin opgevolgd, die zo veel goeds aan den Capitein Clerke bewNote 19 · Zijn voorganger had aan de Engelschen verhaalt, dat deeze parochie onverwijld naar het dorp van St. Pieter & Paulus zou overgebragt worden, Note 20 · Deeze rivier ontlast zich, gelijk ik reeds gezegt heb, in de baaij van Avatscha; de banken, die ’er bij een laage zee droog loopen, maaken hNote 21 · Wanneer ik voor deeze Kamschatsche huizen stil stond, heb ik mij dikwils op derzelver gezicht de versmaadende verbaazing van onze Fransche SNote 22 · Ik heb ’er eenigen tijd daar na in het Noordelijke gedeelte ook gevonden, en er een naauwkeuriger denkbeeld van kunnen vormen, ’t welk ik aaNote 23 · Daar ik spoedig in het geval zal weezen van er gebruik van te moeten maaken, zal ik tot dien tijd wachten om ze te beschrijven.Note 24 · Dit geeft het zelfde uitwerkzel als het geolied papier in de vensters van de fabrieken in Frankrijk.Note 25 · Een WERST word thans op vijf honderd roeden bereekend.Note 26 · Deeze naam betekent in ’t Russisch, Groote Rivier.Note 27 · Voorheen durfden zij deeze bronnen en ook de vuurspuuwende bergen niet naderen, dewijl ze zich verbeelden, dat daar helsche geesten hun verbNote 28 · De Heer Kasloff had daar van eene zekere hoeveelheid aan den Heer abt Mongis gegeeven, geduurende het verblijf van deezen Natuurkundigen, weNote 29 · De Heer Kasloff, die deeze Jagt bestierde, had de goedheid van mij deeze sabelmarter, in ’t land SOBOL genaamt te vereeren, en beloofde mij Note 30 · Dit bontwerk maakt niet alleen een aanmerkelijken tak van Koophandel uit, maar daar en boven dient het eenigermaate voor een geldspecie aan Note 31 · Ziet de derde reize van Cook.Note 32 · Dit schip word jaarlijks op bevel van de regeering afgezonden, ter overbrenging van alle soorten van levensmiddelen en andere zaaken, geschiNote 33 · Het woei in der daad eene stijve koelte uit het Noord-westen, en de lucht was zeer betrokken, wij wierden een streek van deezen wind op den Note 34 · Wanneer deeze galjooten genoodzaakt zijn om te overwinteren, houden zij zich op in den mond van een naauwer en dieper rivier, die in de BolcNote 35 · De sagene is eene Russische maat, van gelijke grootte als een vadem.Note 36 · Dit wagthuis dient ook nog voor een gevangenhuis, en zelfs tot een school voor de kinderen; de meester van dit school is een Japonnees die vNote 37 · Derzelver betaaling is zo middelmaatig, dat de ontfangst van een geheel jaar niet voldoende zou weezen om hen maar een maand te doen leeven,Note 38 · Men weet dat dit de heerschende neiging is bij alle Noordsche volkeren, dog ik heb meer dan eens gelegenheid gehad om optemerken, dat de KamNote 39 · Het vedro is een maat, die op dertig a veertig pints flessen komt.Note 40 · Boven heb ik verhaald, dat de uitvoer zich alleen tot het bontwerk bepaalde; ze geschied voornamelijk door de handelaars, van welken ik zoo Note 41 · Zij bekomen deeze kleederen van rendieren vellen uit het land der Koriaken.Note 42 · Deeze laarzen worden in de Kamschatsche taal genaamd, tor-bassi.Note 43 · Ik zal in meer bijzonderheden over derzelver vischvangst treden, wanneer ik van hunne manier van jaagen zal spreeken.Note 44 · Onder deeze benaaming: lilium flore atro Rubente.Note 45 · De Kosakken gebruiken daarenboven nog roggemeel, ze maaken daar van zwart brood gelijk aan dat der Russische boeren; de regeering geeft hun Note 46 · Men noemt die in Kamschatka tscheremtscha. Gmelin benoemt ze dus: ALLIUM FOLIIS RADICALIBUS PETIOLATIS, FLORIBUS UMBELLATIS, Vol. I. p. 49.Note 47 · Spondilium foliolis pinnatifidis. Ziet Linnaeus. Het sap het welk uit het vlies of schil van deeze plant komt, is zo kwaadaartig, dat men ’eNote 48 · Deeze brandewijn veroorzaakt nog veeleer dronkenschap als de Fransche, wie er van drinkt, kan verzekert zijn van des nagts zeer verhit te we
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings