EERSTE DEEL. (continued 2)
Reading edition
1787. December Te Bolcheretsk.
Feesten & dansen der Kamschatters.
De Kamschatsche gezelschappen en feesten, waar ik mij bevond, bezorgden mij een ander schouwspel, even aartig door deszelfs bijzonderheid. Ik weet niet wat mij meer trof, de zang of de dans; deeze scheen mij veel na die der wilden te gelijken, ze bestaat in op de maat beweegingen te maaken, of veel eer in onaangenaame, en moeielijke draaijingen en wendingen, terwijl zij ter zelfder tijd een schor en gedwongen geluid opheffen, dat gelijk is aan een onafgebrooken hik, om de maat aanteduiden van het lied, het welk het gezelschap zingt, en waar van de woorden meesttijds zonder zin zijn, zelfs in ’t Kamschattisch. Ik schreef een deezer liederen op, het welk ik meen hier te moeten plaatzen, ten einde een denkbeeld van den zang en de maat deezer volkeren te geeven.

Muziek afspelen.
Het welk betekent,
Daria[49], Daria zing en dans nog eens.
Dit zelfde lied word tot in het oneindige herhaald.
Zij beijveren zich vooral, om in hunne dansen de verschillende beesten, waar ze jagt opmaken, na te doen, als de patrijzen en anderen, dog voornamelijk den beer; zij vertoonen zijnen lompen en loggen gang, en zijne verschillende gewaarwordingen of de toestanden waarin hij zich bevind, namelijk, de jongen rondom de moeder, het liefdespel der mannetjes met de wijfjes, eindelijk derzelver boosheid, wanneer ze daar in gestoord worden. Deeze volkeren moeten wel eene zeer volkomene kennis van dit dier hebben, zij hebben, het is waar, menigvuldige gelegenheden om hem waar te neemen, en zonder twijffel maaken zij ’er een bijzondere studie van, want ze bootzen alle de beweegingen zo wel na als ik geloof dat maar mogelijk is. Ik vroeg aan Russen, welke die dieren beter kenden dan ik, als zijnde in hunne jagtpartijen meer gewoon met dezelve te doen te hebben, of deeze nagebootste danzen wel uitgevoerd wierden, zij verzekerden mij allen, dat het moeite zou kosten om in het land bekwaamer dansers te vinden, en dat het geschreeuw, de gang, en alle de gestaltens van den beer zo wel nagevolgt waaren, dat men ’er zich in vergissen zou; echter zijn, onder het welneemen van de liefhebbers, deeze dansen na mijn oordeel niet minder vermoeijend voor de aanschouwers als voor de vertooners; men lijdt wezentlijk wanneer men deeze dansers zich ziet ontheupen, alle de leden verstuiken, eindelijk zich uit den adem werken, en dit alles om het groote vermaak, ’t welk zij in deeze klugtige dansen genieten, uittedrukken, die, ik herhaal het, zeer de belaggelijke vermaaken der wilden gelijken; in veel opzichten kunnen de Kamschatters in denzelfden rang geplaatst worden.
Beeren jagt.
Na verhaald te hebben, met welke kunst deeze volkeren de gebaarden en alle de beweegingen van den beer nabootzen, dien men eenigermaate hunnen dansmeester kan noemen, zou het nu niet de geschiktste gelegenheid zijn om een denkbeeld van de wijze te geeven, waar op zij op dit dier ter jagt gaan? Zij vallen hem op verschillende manieren aan, somtijds leggen zij hem strikken; onder eenen zwaaren val, in de hoogte opgehouden door eene genoegzaam verheven steigering, plaatzen zij het een of ander lokaas om den beer derwaarts te trekken, deeze heeft het zo dra niet gerooken en gemerkt, of hij gaat voorwaards om het te verslinden; terzelver tijd doet hij het zwakke steunzel van den val waggelen, die hem op den hals valt, en hem voor zijne gulzigheid straft, met hem den kop en somtijds het geheele lighaam te vermorzelen; dusdanig heb ik ’er zedert, wanneer ik door bosschen kwam, in deeze valstrikken zien vangen; dezelve blijven staan tot dat ’er een beer in gevangen is; voor dat dit gebeurt loopt ’er somtijds bijna een jaar voorbij. Men zal zeggen, dat deeze manier van de beeren te vangen geene groote kloekmoedigheid nog veel vermoeijenis van de jagers vereischt, dog ’er is een andere die in dit land veel in gebruik is, en tot welke men ligt begrijpen kan, dat zo veel sterkte als moed vereischt word. Een Kamschatter gaat verzeld of alleen uit om een beer te ontdekken, hij heeft geen wapenen dan alleen zijn snaphaan, een soort van karabijn, waar van de kolf zeer dun is, voorts een lans of spriet en zijn mes. Al zijn voorraad bepaalt zich tot een klein pakje, bevattende een twintigtal gedroogde visschen. In deeze ligte uitrusting dringt hij door het digtste der bosschen en in alle de plaatzen die tot een leger voor dit dier kunnen verstrekken. Gewoonlijk is het in de struiken of in de biezen, aan de oevers der meiren of rivieren, dat zij zich plaatzen, en het dier met standvastigheid en onverzaagtheid afwachten; indien het nodig is zal hij dus een geheele week in hinderlaag blijven leggen, tot dat de beer verschijnt; zo dra hij denzelven onder zijn schot heeft, plaatst hij op den grond een houten vork, die ter ondersteuning van zijn snaphaan dient[50]. Met behulp van deeze vork verkrijgt het oog meerder juistheid in het treffen, en de hand meerder zekerheid: het is zeldzaam, dat hij zelfs met een vrij kleine kogel het beest niet raakt, het zij in den kop, of in de schouders, deszelfs gevoeligste plaats; dog hij moet in het zelfde oogenblik wederom laaden, want zo het eerste schot hem niet ter neer geworpen heeft, loopt het beest aanstonds toe[51] om zich op den jager te werpen, die niet altoos den tijd heeft van een tweede schot te doen; als dan heeft hij toevlucht tot zijn lans, waar mede hij zich in der haast wapent, om zich tegen het verwoed beest, dat hem op zijn beurt aanvalt, te verweeren. Zijn leeven is in gevaar[52], indien hij den beer geen dodelijken steek toebrengt; en men kan begrijpen, dat in deeze gevegten de mensch niet altoos de overwinnaar is, dit schrikt nogtans de bewoonders dezer streeken niet af, om ’er zich bijna dagelijks aan bloot te stellen; zij hebben te vergeefsch de menigvuldige voorbeelden van hunne landgenooten die daar bij omkomen voor oogen; zij kunnen daar en boven nimmer op deeze jagt gaan, zonder te denken dat ze overwinnen of sterven moeten; en nooit schrikt echter het denkbeeld van deeze harde keus hen af, of houd hen tegen[53].
Jagt.
Zij jaagen bijna op dezelfde wijs de andere gediertens, als de rendieren, de argalis of wilde bokken in het Russisch genaamd diki-barani, de vossen, de otters, de bevers, de sabelmarters, de haazen[54] enz., dog nimmer hebben zij dezelfde gevaaren te vreezen; somtijds bedienen zij zich van vallen, van hout of ijzer gemaakt, minder groot dan die ze voor de beeren stellen, en ten opzichte van de eenvoudige zamenstelling, veel gelijkende naar onze wezelvallen; de eenigste voorzorg, die men gebruiken moet, bestaat daar in om ze van tijd tot tijd na te gaan zien. Somtijds gaan ze zich gewapend verschuilen, gelijk ik reeds gezegt heb, en de eenigste zwaarigheid, die ze doortestaan hebben, word veroorzaakt door de langduurigheid van derzelver jagt, wanneer ze geen voorraad van spijs meer hebben. Dikwils onderwerpen ze zich om geduurende verscheide agtereenvolgende dagen honger te lijden, liever dan de plaats te verlaaten, zonder het beest, dat ze vervolgen, gedood en gevangen te hebben; dog zij stellen zich ruim schadeloos voor dit vasten, met op de plaats het gejaagde op te eeten[55] en in blijdschap de vellen te tellen, die zij daar door bekomen.
Om op deeze dieren, die in Kamschatka overvloedig zijn, ter jagt te gaan, kiezen zij de jaargetijden, waar in derzelver hair het schoonste is; in het begin van den winter jaagt men de sabelmarters. Deeze bewoonen gemeenlijk de boomen, men onderscheid ze aan dat gedeelte van ’t hair dat het digtst aan het vel is, het geen de couleur en den naam heeft van die boomen, waar op ze zich het meest ophouden, als de berken, mastboom, &c.
De herfst, winter en lente zijn de gunstigste jaargetijden voor de vossen jagt; men onderscheid ze in vierderlei soort als 1. de vos van een witachtig ros, die het minst geacht word, 2. de roode vos of van eene fraaije rosheid, 3. de vos gemengeld met ros, zwart en grijs, die seva-douschka genaamd word, 4. de zwarte vos die het zeldzaamste is en waar van men het meeste werk maakt; deszelfs couleur is zuiver donker zwart, men vind alleen, dat de langste hairen van den rug somtijds aan de uiterstens eene grijsachtige couleur hebben, daar zijn ’er wier waarde niet te schatten is. Eindelijk geloof ik dat men nog twee andere soorten van vossen zou kunnen tellen, dog die men hier daar niet voor houd, en welke wij de blaauwe en witte vos noemen; derzelver naamen zijn in ’t Russisch golouboij, pessets en beloij-pessets, hun hair is veel dikker dan dat van de anderen. In ’t algemeen zijn de vossen van het vaste land veel fraaijer dan die in de Eilanden oostwaards gelegen[56] gevangen worden; ze worden oneindig duurder verkogt.
De jagt op de rendieren word in den winter ondernomen, en die der argalis in den herfst. De otters zijn hier ook zeer zeldzaam, dog daar is een redelijk groot aantal hermelijnen, en ik weet niet, waarom men zich de moeite niet geeft, van die te vangen; het schijnt dat men er geen werk van maakt.
Vischvangst.
Deeze volkeren verrichten ook derzelver vischvangst in verschillende jaargetijden, die der salm en forellen geschied in junij, die van den haring in april en maij, en eindelijk, die van den zeewolf in den zomer, de lente en vooral in den herfst.
Zij bedienen zich zeldzaam van een zegen, dog bijna altoos van de gewoone netten[57], of van een soort van harpoen, waar van ze met zeer veel handigheid gebruik maaken; de zegen word zelden uitgeworpen dan om zeewolven te vangen, dezelve zijn van lederen riemen gemaakt, en de maazen zeer groot; zij hebben nog een andere manier van visschen namelijk met de rivier door paalen en takken aftesluiten, welke zeer digt in een gevoegd zijnde aan den visch maar een kleinen doortogt geeven; somtijds laat men ’er verscheide in, aan welkers openingen mandens geplaatst worden, zodanig ingerigt dat de visch ’er eens in zijnde daar niet weder uit kan.
De paarden zijn ’er zeldzaam.
De paarden zijn niet zeer gemeen in Kamschatka, ik zag ’er eenigen te Bolcheretsk, die aan de regeering toebehooren, en die aan de zorg der Cosakken toevertrouwd zijn; ze dienen alleen maar geduurende den zomer tot vervoering der koopwaaren en goederen van de kroon, als mede tot gemak der reizigers.
Honden.
Daar en tegen, zijn de honden overvloedig in dit land, en worden tot alle vervoeringen gebruikt, het nut dat ze den Kamschatteren aanbrengen, maakt deeze minder gevoelig voor het gemis van andere huisdieren. Daar en boven heeft men gezien, dat het voedzel voor deeze loopers nog moeijelijk te verkrijgen nog kostbaar is, met dezelven verrotten of het overschot van gedroogden visch te geeven kunnen hunne meesters volstaan, en dit geeven zij ze nog niet eens, dan geduurende den tijd, dat ze hun van dienst zijn; des zomers, het geen de tijd is, wanneer die dieren niets te verrichten hebben, is het gebruik om zich van een groot gedeelte te ontdoen, aan welke men zelfs de zorg overlaat voor hun bestaan; deeze honden weeten daar zeer wel in te voorzien, met zich door de velden te verspreiden en langs de meïren en de rivieren te zwerven. Derzelver oplettenheid om vervolgens bij hunne meesters wedertekoomen is eene der verwonderlijkste proeven van de getrouwheid deezer dieren; de winter daar zijnde, betaalen zij de vrijheid en de korte rust die zij genoten hebben, zeer duur; hun arbeid begint met hunne slavernij, deeze honden moeten uitermaaten sterk zijn om dien te draagen, hunne grootte is nogtans niet buitengemeen, ze gelijken vrij wel aan de berg of herders honden in Frankrijk. Er zijn geene Russische inwoonders of inboorlingen die niet ten minsten vijf honden bezitten, zij bedienen zich daar van om mede te reizen, om in de bosschen te gaan houthakken, om het zelve even als hunne andere goederen en voorraad te vervoeren; eindelijk, om de reizigers van de eene plaats naar de andere te brengen; en waarlijk, paarden zouden hun van geen meer dienst kunnen zijn. Deeze honden zijn doorgaans twee aan twee voor één sleede gespannen[58], één alleen is aan het hoofd en dient voor leidsman, het is voor dien, welke het beste geleerd is of de meeste kennis bezit, dat deeze eer bewaard is; hij begrijpt wonderlijk wel de uitdrukkingen, met welke de geleider hun weg bestiert; wil hij ze ter regter kant doen gaan, roept hij dezelve toe tagtag, tagtag, en kougha, kougha, indien men links moet. De verstandige hond verstaat het aanstonds, en geeft aan de geenen die hem volgen, het voorbeeld van gehoorzaamheid; ah, ah doet hen stille staan, en ha doet hen vertrekken. Het getal der voorgespanne honden is evenredig aan den last van de sleede; wanneer die het gewigt van den man welke ze beklimt niet veel te boven gaat, noemt men dit een gewoone sleede of sannka[59], het voorspan bestaat als dan in vier of vijf honden. Derzelver tuig[60] is van leer; het gaat onder den hals door, dat is te zeggen, over de borst van deeze dravers, en is aan de sleede door een lederen riem van drie voeten lang gehegt op de wijze van een trek-zeel, men maakt ze daar en boven door koppelbanden aan den halsband, den een aan den anderen vast; meesttijds is die halsband met een beerevel overtrokken, het welk tot cieraad dient.
Sleeden.
De gedaante der sleeden is als van een langwerpige mand, waar van de twee uiterstens zich boogsgewijs verheffen, deszelfs lengte is omtrent drie voet, en de breedte heeft zelden meer dan één voet; deeze soort van mande, die het lighaam van de sleede uitmaakt is van zeer dun hout, de randen staan wijder uit en zijn vercierd met riemen van verschillende couleuren, een beerevel legt uitgestrekt op de plaats waar de man gaat zitten. Dit verheven gedeelte van de sleede is omtrent drie voeten van den grond af, en draagt op vier stijlen of beenen; deeze wijken na om laag uit, en zijn op twee evenwijdige planken van drie a vier duimen breed vastgemaakt. Die planken zijn van weinig dikte, dog langer dan het lighaam van de slêe; aan deeze dienen ze beide voor steunpunten en tot schaatzen; tot dat einde zijn ze wanneer het dooid elk van onderen van drie a vier plaaten van walvischbeen van dezelfde breedte voorzien en aan deeze schaatzen vastgemaakt met leederen banden. De twee einden, welke deeze planken van vooren vertoonen, zijn na boven omgekromt, en voegen zich aan iedere kant met de dwarsplank, die ter zelfder tijd nederwaarts gaat om een gedeelte van het reisgoed te draagen; het voorste van de sleede is ook voorzien met loshangende leisten, of lederen riemen die van geen het minste gebruik zijn. De geleider heeft niets anders in de hand dan een krommen stok, die hem te gelijker tijd tot een stuur en zweep dient. Aan het eene einde van deezen stok zijn ijzeren ringen vastgemaakt, zo tot cieraad als om de honden aantemoedigen, door het geluid van dit soort van schelletjes, die men van tijd tot tijd schud; het andere eind is somtijds van een ijzeren punt voorzien, ten einde meer kragts op het ijs en de sneeuw te kunnen doen; ze dient ook om den ijver van deeze dieren te bestuuren. Die geenen, welke wel geoeffend zijn, hebben niet nodig de stem te hooren; het is genoeg van met deezen stok op de sneeuw te slaan om ze links te doen gaan, of op de beenen van de slêe om ze ter regter zij te doen afwijken, en om ze te doen stil houden, plaatst men die voorwaarts tusschen de slêe en de sneeuw; eindelijk zo hun loop verflaauwt, zo ze afgetrokken en onoplettend worden, van de teekens, of op de stem, straft men ze met hun dien stok toetewerpen[61], dog dan heeft men de grootste behendigheid nodig om denzelven niettegenstaande den snellen loop, weder opteraapen, en dit is eene der voornaamste blijken van de bekwaamheid des geleiders; de Kamschatters zijn zonderling behendig in deeze oeffening. In ’t algemeen was ik over derzelver vlugheid in het rijden met hunne sleeden verwonderd; en daar ik welhaast zo als reeds gezegd is, maar al te veel van dit rijtuig zou moeten gebruik maaken, meende ik daar van dikwijls een proef te moeten neemen, minder met oogmerk van ’er mij aan te gewennen, dan wel om mij zelfs te leeren geleiden. Te vergeefsch stelde men mij de gevaaren voor, waar aan ik mij blootstelde, wanneer ik mij alleen op een slêe wilde waagen, voor en aleer ik genoegzaame hebbelijkheid bezat, om zonder leidsman te kunnen weezen; op mijne jaaren kent men zich tot alles in staat; ik luisterde na geene waarschuwingen.
De ligtheid van het rijtuig, naauwlijks tien ponden wegende, deszelfs hoogte, die ze meerder geschikt maakt tot omvallen, de moeijelijkheid om ’er het evenwigt op te bewaaren, eindelijk de gevolgen, die een val kan hebben, wanneer de sleede voortholt[62], alle deeze bedenkingen, die men niet naliet mij voor oogen te stellen, konden mij niet bevreesd maaken, nog afschrikken van eene zo gevaarlijke oeffening. Ik zette mij eens op mijn nieuwen wagen, echter toestemmende dat men mij volgen zou, en verscheide sleeden verzelden mij. De geenen die ’er opzaten, behoefden niet lang te wachten, om mij hunne voorzeggingen te zien vervullen; ik gaf hun op een weinig afstands reeds de vertooning van een geheele omtuimeling; naauwlijks opgericht, of weer op nieuw gevallen, en een vernieuwd geschater van lagchen: niettegenstaande dit alles verloor ik den moed niet, en stond schielijk op om een oogenblik daar na weder omtevallen. Ik had alle reden van mij tegen deeze onaangenaamheid te wapenen, want bij verscheide herhaalingen betaalde ik den tol van mijne onervarendheid; ik viel bij deeze eerste proef zeven maal, zonder mij ooit te bezeeren; ik wierd des te vuuriger om een tweede les te neemen, vervolgens een derde, en een vierde, eindelijk gingen ’er weinig dagen voorbij zonder eenigen togt te doen. Het getal mijner tuimelingen verminderde, naar maate ik ’er meer hebbelijkheid en wetenschap van bekwam, en mijne vorderingen deeden mij zodanige liefhebberij in die oeffening verkrijgen, dat ik mij in weinig tijds een soort van roem verwierf. Ik erken, dat het mij moeite gekost heeft, om mij te gewennen, van de nodige regtstandigheid te bewaaren. Men moet om zo te spreeken in eene geduurige beweeging zijn, hier zich ter linkerzijde overwenden, wanneer de slêe ter regter afwijkt; daar, zich vrij spoedig op de regter kant werpen, om dat ze ter slinker zijde overhelt, vervolgens regt opstaan in andere gevallen, en zo men vaardigheid of oplettenheid mist, is het te verwonderen dat men niet aanstonds ombuitelt. Wanneer men valt, moet men echter de slêe niet verlaaten, dog ’er zich op zijn best aan vasthouden, ten einde een voldoende zwaarte te maaken om de honden optehouden, die zonder dat aan het hollen zouden raaken, gelijk ik reeds gezegt heb. De meest gebruikelijke manier van zich op een slêe te plaatsen, is om er ter zijden op te gaan zitten, even als onze vrouwen te paard rijden; men kan ’er zich ook schrijlings op zetten, dog die richting, waar de meeste kracht toe nodig is, het nec plus ultra der bekwaamheid en bevalligheid, bestaat daar in, om zich over eind op één been te kunnen houden; zij, die in deeze luisterrijke houdingen recht ervaaren zijn, maaken een fraaie vertooning.
Manier waar op men ter Haazen & Patrijzen jagt gaat.
Zo dra ik in staat was zelfs te mennen, had ik voor mij geen ander rijtuig; uit hoofde der wegen altoos verzeld zijnde, ging ik dan eens wandelen of rijden, dan eens op de haazen en patrijzen jagt, waar van wij de spooren in de sneeuw gedrukt zagen[63] en wel in zo eene groote menigte, dat ze daar van doorprikt scheen even als een zeef: in de bosschen was ze somtijds zo dik, dat het onmogelijk zou geweest zijn om een stap te doen zonder ’er in te zinken, onze toevlucht was als dan om onze sleeden te verlaaten, waar van wij ons niet meer konden bedienen en wij plaatsten ze over zij. Na deeze voorzorg genomen te hebben, die voldoende is om de honden tegen te houden, die aanstonds op de sneeuw in een rei gaan leggen, en daar zonder zich te verroeren, de terugkomst van hunne geleiders afwachten, wij bonden onder de voeten raketten met riemen vast, gemaakt van zeer dunne plankjes[64], ieder van zes a agt duim breed, en van drie a vier voet lengte, welkers eind als een schaats omgekromt en van onderen bekleed is met zeewolvenvel of rendierenpooten. Van dit schoeizel voorzien, begonden wij onze jagt. Ik had echter in ’t eerst moeite genoeg om mij aan deeze schaatzen te gewennen, ik viel meer dan eens op den rug en op den neus, dog het vermaak van een goede vangst deed mij deeze toevallen vergeeten. Hoe zeer het moeijelijk viel de haazen en de patrijzen te ontdekken, welkers witheid die der sneeuw evenaarde, zo miste het mij echter zelden, dank zij mijne oeffening en de raadgevingen mijner medgezellen, of ik bragt ’er een goed getal mede.
Het was een mijner aangenaamste tijdkortingen te Bolcheretsk; het overige van mijn tijd wierd besteed in verzuchtingen en ongeduldige aandoeningen over de gedwongen langduurigheid van mijn verblijf. Om afleiding te hebben, beijverde ik mij om van de weinige mooije dagen die wij hadden gebruik te maaken, ten einde eenige omleggende streeken te gaan bezichtigen, die ik zedert bij mijn vertrek wedergezien heb, en waar van ik spreeken zal, wanneer ik mijn reis zal hervatten.
De zamenstelling van mijne reissleeden[65] gaf mij ook bezigheid, dog mijne voornaamste vertroosting bestond in het gezelschap van den Heer Kasloff en de Officieren van zijn gevolg; hunne verkeering en de aanmerkingen, die ik van tijd tot tijd maakte, stelden mij iederen dag in staat om aantekeningen te houden, waar van ik reeds een groot gedeelte afgeschreeven heb, en hier het overige zal laaten volgen.
1788. Januarij Te Bolcheretsk.
Ziektens.
Het artikel van de ziektens op Kamschatka doet zich het eerste aan mij voor: welke onaangenaame beschrijvingen dit ook vordert, vermeen ik het evenwel niet te moeten agterlaaten, het heeft een gedeelte mijner waarneemingen uitgemaakt, het dient dan ook in mijn dagverhaal geplaatst te worden.
De Kinderziekte, welker verwoestingen alhier ik reeds vermeld heb, schijnt aan het land niet eigen te zijn, dezelve is ’er ook niet zeer gemeen. Sedert de invallen der Russen en de menigvuldige verhuizingen herwaarts, die daar op gevolgt zijn, heeft deeze besmettelijke ziekte zich hier niet doen gevoelen dan in de jaaren 1767 en 1768; ze wierd toen door een Russisch schip derwaarts gebragt, het welk naar de eilanden, aan den oostkant gelegen, ging om otters, vossen enz. te vangen. De persoon, die dit noodlottige zaad overbragt, was een matroos die van Okotsk kwam, alwaar hij zich voor zijn vertrek had doen genezen; hij bezat nog na men zegt, de versche blijken van deeze vreesselijke ziekte: naauwlijks ontscheept, deelde hij ze aan de arme Kamschatters mede, waar van ze het drie vierde gedeelte wegsleepte. Sedert is dezelve niet weder verscheenen, het welk doet denken, dat deeze volkeren daar aan niet onderhevig zijn. In het Jaar 1720 wierden de volkeren ten noorden van Kamschatka daar van bezogt, dog deeze ziekte drong niet tot in dit schiereiland door, ze had te Anadirskoi een aanvang genomen; en men weet niet wie ze derwaarts bragt, men is geneigt om ’er insgelijks de Russen van te beschuldigen.
Men vermeent ook, dat de Kamschatters aan hun de Venusziekte verschuldigt zijn, die gelukkig niet zeer gemeen onder hen is, het schijnt dat deeze geessel bij hun van vreemde afkomst is. De geneezing daar van is alzo zeldzaam als moeijelijk, men neemt zijn toevlugt tot verschillende wortels en de sublimaat, die in dit land even als elders treurige gevolgen voortbrengt, te meer daar men ’er hier nog minder goed gebruik van weet te maken, dan wel elders.
Men vind hier geen scheeve of kreupel geboorne; de eenigste mismaakte persoonen zijn die geenen, welke zwaare vallen gedaan hebben, het geen niet zeldzaam onder de Kamschatters is, dewijl zij blootgesteld zijn om van de hoogte hunner balagans aftevallen; zij zijn weinig aan de scheurbuik onderhevig, het gebruik dat zij van de wilde knoflook en verscheiden soorten van beziën of vruchten maaken, brengt veel toe om ’er hen voor te bewaaren; de Russen en die geenen, welke hier pas voet aan land zetten, worden meer van deeze ziekte aangetast.
De longziektens zijn er vrij menigvuldig, dog bloedzweeren, water en ettergezwellen en klieren zijn de meest gewoone kwaalen, men weet ze niet anders te geneezen dan door insnijding en uitrooijing: men bedient zich tot deeze konstbewerkingen van een mes of eenvoudig van een puntig gesleepen steen in de plaats van een lancet. Diergelijke werktuigen zijn niet geschikt om een verheven denkbeeld te geeven van de kundigheden der wondheelers; en het is gemaklijk optemaaken, dat de heelkunde, zo na mogelijk tot de volmaaktheid bij ons gebragt, nog in de grootste duisterheid in Kamschatka begraven ligt.
Toverdoctors.
De Geneeskunde schijnt ’er geen grooteren opgang gemaakt te hebben; echter moet men ten dien opzichte erkennen, dat deeze volkeren reeds iets voorwaards gekomen zijn, namelijk in geleerd te hebben om derzelver bedriegers en belagchelijke kwakzalvers te mistrouwen; dit waaren eertijds de zogenaamde toveraars Chamans genaamt, die gebruik makende van de ligtgelovigheid der Kamschatters, zich daarenboven tot Doctoren in de geneeskunde verhieven, en zich dus van een dubbelde aanspraak op achting en vertrouwen wisten meester te maaken[66]. Hun vreemde opschik bragt ook nog veel toe om eerbied te verwekken, en kwam wonderbaarlijk over een met hunne buitenspoorige bedriegerijen, het geen men ’er mij van gezegt heeft zou alle geloof te boven gaan, indien wij de goede gelukzeggers en andere tovenaars van dat soort niet kenden.
Men kan zich geen denkbeeld vormen van de aaperijen deezer kwakzalvers, nog van de onbeschaamdheden die zij voorgaven omtrent de toebereiding hunner voorschriften, of omtrent hunne gewaande openbaaringen. Het is waarschijnlijk, dat hunne geneezingen menigwerf van een kwaaden uitslag waaren, en dat het getal hunner slagtoffers dat van hunne zieken evenaarde: dog op den duur word men verdrietig, wanneer men het voorwerp van bedrog is, vooral wanneer het leeven daar bij in gevaar raakt: als dan begint men onvergenoegd te worden op de bedriegers, die ongevoelig het vertrouwen verliezen, en ten laatsten in verachting vallen en vergeeten worden. Dit is het geen met de Chamans gebeurd is; de weinige kundigheden, die de handel der Russen in deeze streeken heeft verspreid, is genoegzaam geweest om de oogen der inwooners te openen. Al aanstonds hebben zij de ongerijmdheid der toverkunst van hunne geneesheeren leeren kennen; zo dra ze ophield geëerbiedigt te worden, wierd ze ook welhaast minder voordeelig, en het voordeel verminderende nam ook spoedig het getal der tovenaars af. De mannen, afgeschrikt van deeze kostwinning, verlieten dezelve, en wierden door eenige oude vrouwen vervangen, die zonder twijffel minder behendig zijn en bij gevolg ook minder neering hebben[67].
Sterke gesteldheid der vrouwen.
De vrouwen hebben in dit land zelden meer dan tien kinderen, haar gewoon getal is vier of vijf; op de veertig jaaren verliezen ze de hoop van ’er meer te krijgen, zij kraamen zeer gemaklijk, en helpen onderling elkander verlossen, daar zijn echter eenige vroedvrouwen, dog in een gering getal. De toevallen, de ongelukkige verlossingen, die zo veele moeders wegsleepen, zijn ’er minder gemeen dan het onverwacht kraamen in de open lucht, op de wegen, en overal waar de arbeid van haar huishouden deeze vrouwen roept. Het is waarschijnlijk in deeze gelegenheden, dat zij zich van derzelver hairen bedienen, volgens ’t geen men mij gezegt heeft, om de navelstreng aftebinden; zij draagen vervolgens zelfs de kinderen en zoogen ze aanstonds. De tijd der zooging is onbepaald. Ik heb moeders gezien die aan kinderen van vier en vijf jaaren de borst gaven. Men oordeele hier uit van de sterke gesteldheid deezer vrouwen. Men bespeurt echter, dat de Kamschatters van beide sexen weinig langer dan de Russen leeven.
Geneesmiddel, dat men aan den beer verschuldigt is.
Ik heb verzuimd van een geneesmiddel te spreeken, waar van de inwoonders van dit schier-eiland zig gaarne en bijna in alle hunne ziektens bedienen. Het is een wortel genaamt beere-wortel, in brandewijn geweekt, de naam, welken deeze volkeren aan die plant gegeeven hebben, duid genoeg aan, wien zij de kennis daar van verschuldigt zijn. Na dat zij opgemerkt hadden, dat de beer gewoon was om bij voorkeur dit gras te eeten, en zich wanneer hij gewond was daar over heen te wentelen, zijn zij in twijffel geraakt, of dit kruid niet eenige goede eigenschappen mogt bezitten, en hebben beslooten om ’er gebruik van te maaken; dit beest komt dus de eere toe van hun de eerste lessen in de kruidkunde en in derzelver toebereiding gegeeven te hebben. Daar en boven heeft men mij gezegt, dat met deezen wortel de beer alle zijne wonden geneest; het is mogelijk, dat de mensch ’er zich ook zeer wel bij bevind; dog ik ben niet in ’t geval geweest van ’er zelfs de proef van te neemen, en ik draag geene verdere kennis van deeze plant.
Godsdienst.
De Christelijke Godsdienst is door de Russen in Kamschatka gebragt, dog de bewoonders van dit schiereiland zijn, om eigentlijk te spreeken maar gedoopt, ze zijn ’er verre af om de verplichtingen te vervullen, welke dit bondzegel hun oplegt. Hebben zij eenige kennis, waarin de eerste voorschriften van het Christendom bestaan? ik twijffel ’er aan; overgegeeven aan alle hunne neigingen, volgen zij daar van de goede of kwaade aandrift; indien zij op den Godsdienst denken, is het alleen om redenen van welvoeglijkheid of belang, of wel wanneer de omstandigheden hun derwaarts leiden; dit toont in deeze volkeren een groot gebrek in het onderwijs aan, en men kan daar van, na ’t mij toeschijnt, alleen hunne priesters beschuldigen, die derzelver onkunde moesten tragten opteklaaren. Dog hebben deeze priesters of zendelingen daar toe de nodige begaaftheden? het is waar dat zij niet in de gelegenheid zijn om zich door wijsgeerige oeffeningen bekwaam te maaken, ook schijnt men die in hun niet te vorderen, vermits het meenigmaal gebeurt, dat men Kamschatters tot deezen voortreflijken staat ziet toegelaaten.
Alle deeze Popen zijn aan ’t gezag van den Opperpope of Aartspriester die te Nijenei zijn verblijf houd, onderworpen; hij staat zelf onder den Aartsbisschop van Irkoutsk, die hun alleen ordent, en de zending geeft, zo dat alle de Geestlijken verplicht zijn om zich naar deeze stad te begeeven. Mogelijk word de langduurigheid en de gevaaren van de reis hun voor een soort van kweekschool toegerekent; mogelijk ontfangen zij de heilige ordeningen zonder andere verdiensten of ondervraaging, dit altans is zeeker, dat zij nog braaver nog meer onderweezen te rug komen. Deeze Geestelijken worden vervolgens naar hunne bijzondere bestemmingen gezonden; de tijd, dien zij daar blijven, is onbepaald, en hangt volstrekt van den wil hunner hoofden af.
Kerken.
Men telt agt voornaame kerken op Kamschatka, als te Paratounka, Bolcheretsk, Ichinsk, Tiguil, Vercknei, Klutchefskaia, en twee te Nijenei; men zou ’er zelfs die van Ingiga in het land der Koriaken kunnen bijvoegen.
Zeven dorpen en de Kourilische eilanden maaken het gebied of de Parochie van Paratounka uit; te weeten, het dorp van dien naam, St. Pieter & Paulus, Koriaki, Natchikin, Apatchin, Malkin en Bolcheretsk. Het getal der Parochiaanen, welke deeze dorpen bevatten, gaat niet boven de vier honderd, en wanneer men ’er de Kourilische eilanden mede onder begrijpt, zal het geheele getal maar op zes honderd twintig Christenen beloopen. De Keizerin geeft aan den Pastoor van Paratounka tagtig roubels jaargeld, waar bij zij nog doet voegen twintig pouds[68] rogge-meel; zijne Parochiaanen betaalen hem dus geene tienden, dog hij ontfangt de aalmoessen en de andere toevallige voordeelen, welke aan zijn Kerk gehegt zijn; Bij een huwelijk, doop, of begravenis vraagen deeze Pastooren zo veel geld, of zodanige andere zaaken als zij maar goedvinden te eischen. Niets is ten deezen opzichte bepaald, en zij kennen geen andere uitspraak dan hun eigen wil, het welk aanleiding tot grove misbruiken geeft. Gewoonlijk echter willen zij hunne eisschen wel afmeeten na het vermogen van hunne Parochiaanen, en men is hun dank verschuldigd voor deeze soort van bescheidenheid.
Belastingen of Schattingen.
De Kamschatters zijn vrij; zij zijn alleen onderhevig om aan Rusland een jaarlijksche schatting te betaalen, die gelijk als ik reeds gezegt heb, in bontwerk van allerlei soort bestaat, zo dat al het geene hun jagt opleevert, bijna geheel ten voordeele van de Keizerin komt. Ieder hoofd des huisgezins is verplicht, om voor hem, en voor elk van zijne kinderen, zelfs voor die geenen welke nog zeer jong zijn, een zeker aantal vellen te leveren, evenredig aan het aandeel van zijne belasting; deeze kan omtrent iets min of meer dan zeven roubels bedraagen, en men heeft mij gezegt, dat de waardeering van dit bontwerk altoos tegen den minst mogelijken prijs geschied. Deeze wijze van betaaling van het hoofdgeld in Kamschatka moet groote inkomsten aan de kroon opleveren, wanneer men alleen in aanmerking neemt de Sabelmarters, welke dit landschap jaarlijks opbrengt, en waar van het getal op meer dan vier duizend begroot word. Ieder Toijon ontfangt de imposten in zijn Ostrog en steld ze vervolgens aan den schatmeester van de kroon ter hand; dog voor af is aan ieder Kamschatter een handschrift gegeeven van het beloop van zijn hoofdgeld, welke ook zorg draagt om met zijn zegel of eenig ander teeken al het bontwerk, dat hij levert, te merken.
Muntspecien.
De gangbaare munten zijn, de gouden Imperiaal, waardig tien roubels, de roubel en de halve roubel; men ziet weinig zilveren muntspecien onder deeze waarde; koperen of papieren munten zijn nog in dit schier-eiland niet doorgedrongen. Zou dit niet een bewijs opleveren, dat de goedkoopste waar tot een halve roubel moet verkogt worden? Men vind hier een groot getal oude zilveren muntspecien geslagen ten tijde van Peter den I, Catharina de I. en van Elisabeth; men zou daar van zelfs een tak van Koophandel kunnen maaken, dewijl het zilver veel zuiverder en van een hooger waarde is dan de gewoone muntspecien.
Bezolding van de Soldaaten
De bezolding der Soldaaten of Kosakken beloopt vijftien roubels in ’t jaar; wat de Officieren betreft, die de regeering in zulke afgeleegen landen zend, deeze ontfangen dubbelde jaargelden.
Bestier.
Wanneer de Heer Major Behin te Bolcheretsk het bevel voerde, stond het Schiereiland Kamschatka onmiddelijk onder het algemeen bewind van Irkoutsk; na het vertrek van deezen bevelhebber, dien de Engelschen bij derzelver eerste aanlanding in 1779 bezogten, wierd de Capitein Schmaleff intusschen met dit bevel belast; hij heeft geduurende een jaar deeze magt bezeten, en het genoegen gehad om aan de inwoonders wel te kunnen doen, die voor hem ook zo veel eerbied als erkentenis toonen. De Heer Rénikin volgde hem op in 1780; hij wierd door hooge order teruggeroepen in 1784, en wel om oorzaaken, die ik verplicht ben te zwijgen. Op dit tijdstip, wierd het gebied van Kamschatka met dat van Okotsk vereenigd. Zedert zijn de hoofden en officieren van de verschillende ostrogs, steden of dorpen van dit schier-eiland, aan de bevelen van den Commandant te Okotsk, en aan de uitspraaken der rechtbanken van die stad onderworpen; deeze zijn wederom zelfs ondergeschikt en doen rekening aan den algemeenen landvoogd, te Irkoutsk zijn verblijf houdende. De Officier, die te Bolcheretsk, eertijds de hoofdplaats van Kamschatka, het bevel voerde, is tegenswoordig maar een Sergeant; de geen, dien ik ’er liet, was Rastarganieff genaamt; hij wierd tot deezen post door den Heer Kasloff benoemd.
Ik moet hier nog bijvoegen, dat de bevelhebbers in deeze Ostrogs, zelfs de Officieren van een minderen rang omtrent derzelver meerderen, zich onderling geen verantwoording van hun bestuur schuldig zijn; ook breid ieders gezag zich niet verder uit dan over de inwoonders der plaatzen, die onder hun opzicht zijn; dit zal zeker de Keizerin bewoogen hebben om een capitan ispravnick, Capitein inspecteur te benoemen, gelast om ieder jaar alle de dorpen der Kamschatters door te reizen, hunne klagten te hooren, hunne verschillen te onderzoeken, te beoordeelen; hun die het verdienen te doen straffen, in een woord, om de goede order en den vreede onder hun te bewaaren. Ook is het daar en boven zijn zaak om den Koophandel, de jagt, en de vischvangst aan te moedigen, te waaken op de naauwkeurige betaaling der schattingen, toezicht te hebben, dat ieder bijzonder persoon zich van den nodigen voorraad tot zijn voedzel en dat van zijn gezin voorziet, en verder om acht te geeven op de verbetering der bruggen en wegen, die ongelukkig maar zo weinig in getal, als slegt onderhouden zijn. Eindelijk, moet deeze Capitan ispravnick zich in alles bevlijtigen om onder deeze volkeren de zeden en de gebruiken der Russen intevoeren. Deeze gewigtige post wierd in 1784. aan den Heer Baron de Steinheil toevertrouwd, die zijn verblijf te Nijenei nam; andere zaaken hem elders geroepen hebbende, wierd hij bij mijne komst in Kamschatka opgevolgt door den Heer Schmaleff, die als toen, terwijl hij ons vergezelde, het bezoek van zijn departement deed.
Rechtbanken.
Het bestier is niet geheel militair; daar zijn eenige rechtbanken opgericht, om de gedingen en andere zaaken behoorlijk te behandelen en te beoordeelen, als daar zijn die van Tiguil, Ingiga & Nijenei-Kamschatka; deeze rechtbanken zijn aan die van Okotsk onderhoorig, even als in Rusland de gerechten der steeden van den tweeden rang afhangelijk zijn van die der Hoofdsteden, welke zonder verder beroep vonnissen. Behalven die is er te Bolcheretsk een soort van Burgerlijk rechtsgebied of stemgericht; in het Russisch slovesnoi-soud genaamt. De rechters zijn kooplieden, zij neemen kennis van alle verschillen betrekkelijk tot den koophandel, en hunne vonnissen worden goedgekeurd of vernietigt door de rechtbank, alwaar de zaaken bij hooger beroep gebragt zijn. Het is genoeg hier van te zeggen, dat men ’er alleen de Russische wetten volgt; deeze zijn genoeg bekend om mij te ontslaan, van in meer bijzonderheden deswegens te treden; ik zou daar en boven maar herhaalen, het geen verscheidene geschiedschrijvers, of veel meer verlichte waarneemers dan ik ben, daar omtrent verhaald hebben.
Gebruiken omtrent de Erffenissen.
Ik meen echter hier te moeten bijvoegen, dat de goederen der Kamschatters, na hun afsterven, zonder moeijelijkheden wederkeeren aan derzelver naaste erfgenaamen, of aan die geenen aan wie ’t hun behaagt dezelve te vermaaken; de wil des testateurs word zo goed geëerbiedigt en na den letter gevolgt, als in Europa bij de meest zorgvuldige volkeren in geval van erffenissen, zou kunnen geschieden.
Aanmerkingen betreklijk de Huwelijken.
De egtscheiding is onder de Kamschatters nog gebruikelijk nog geoorloft. De Russen schijnen zich gaarne met hun te verbinden, hoe zeer dit dezelven geen bijzonder voorrecht aanbrengt. Men kan ligt bevroeden, welke hunne beweegredenen daar toe zijn; deeze vermenigvuldigen die huwelijken zodanig, dat het niet onmogelijk zou weezen, dat ’er voor het uiteinde van het tegenwoordig geslagt, van de inboorlingen des lands geen overblijfzels meer te vinden zullen zijn.
Strafoeffeningen.
De doodstraf in alle de staaten van de Keizerin vernietigd zijnde, word insgelijks nooit in Kamschatka uitgeoeffend. In het eerst wierden de Russen, die men beschuldigde van de Kamschatters mishandeld te hebben, tot de knout veroordeeld; daar waaren ’er ook onder de laatsten, die om verscheiden misdaaden deeze wreede straf ondergingen, dog tegenwoordig maakt men daar van geen gebruik meer; zo dra deeze eenige misslagen, of zwaare misdaaden begaan, vergenoegt men zich met hun te slaan. Hebben zij wel veel bij deeze verandering gewonnen? de tegenswoordige manier van straffen veel eenvoudiger en spoediger verricht zijnde, word ook veel ligtvaardiger gebruikt en moet dus dikwijls verkeerd uitgeoeffend worden.
Taal.
De Kamschatsche taal kwam mij voor hard, hol en zeer moeijelijk in de uitspraak te weezen, de woorden zijn afgebrooken, en de klanken onaangenaam. Daar zijn om zo te spreeken zo veele tongvallen en verschillende uitspraaken als er Ostrogs zijn. Bij voorbeeld, men is zeer verwonderd, wanneer men van St. Pieter en Paulus komt, te Paratounka een andere brabbeltaal te hooren spreeken; het is in de dorpen, die het digtst aan elkander gelegen zijn, het zelfde. Niettegenstaande deeze veranderingen in de taal, heb ik gemeent een woordenboek te moeten vervaardigen, het welk ik aan het einde van mijn dagverhaal zal mêedeelen, ik zal ’er dat van de Tchouktchische, Koriaksche en Lamoutsche taal bijvoegen; ik heb ’er alle oplettenheid aan besteed, en men heeft mij al die hulp verleend, welke mij van zeer veel nut is geweest. Ik zal het artikel van mijn verblijf te Bolcheretsk besluiten, met verscheide waarnemingen, die een ieder in staat zullen stellen om van de onmogelijkheid te oordeelen, waar in ik mij geduurende al dien tijd bevonden heb, van wederom mijn reis te kunnen aanneemen.
Aantekeningen over de lugtsgesteldheid.
Tegens het einde van November, deed de koude zich eensklaps zo hevig gevoelen, dat in weinig dagen alle de rivieren digt raakten, zelfs de Bolchaïa-reka, het geen door deszelfs uitermaate sterken stroom zeer zeldzaam is. Den volgenden morgen ontlastte zij zich reeds van de ijsschotsen, waar mede ze bedekt was; ik heb ’er zedert voor Bolcheretsk zich geene zien vastzetten, dan op de hoogte van ’t huis van den Commandant. Hoe zeer de rivier op verscheide plaatzen digt is, vertoont ze echter nog in dit tijdstip verscheide openingen, waar men haaren stroom deszelfs gewoonen loop ziet behouden.
Men word op iederen oever van dit schier-eiland een gevoelig onderscheid in den dampkring gewaar. Terwijl te St. Pieter & Paulus geduurende den zomer groote droogte geheerscht had, klaagde men te Bolcheretsk over menigvuldigen regen, echter is het mij voorgekomen, dat men over het algemeen den herfst in dit jaar niet zeer regenachtig gevonden had. De al te menigvuldige regen is in dit land schadelijk, dewijl ze aanmerkelijke overstroomingen te weeg brengt, en de visch verjaagt; waar uit voortkomt, dat de honger de arme Kamschatters overvalt, gelijk in het voorleden jaar in alle de dorpen van de westkust van het schier-eiland gebeurd is. Deeze ijsselijke geessel heerschte daar zo algemeen, dat de inwoonders genoodzaakt wierden hunne wooningen te verlaaten, en zich met derzelver huisgezinnen naar de oevers van de Kamschatka te begeeven, in hoop van daar meer hulpmiddelen te zullen vinden, als zijnde de visch overvloediger in deeze rivier. De Heer Kasloff had zich voorgestelt om zijn te rug reis langs de westkust te neemen, hebbende de oostkust reeds doorgetrokken; dog de tijding van deezen hongersnood had hem tegen wil en dank genoodzaakt om den zelfden weg te rug te gaan, veel eer dan zich bloottestellen om daarin gestremt te worden, en misschien ter halver weg te verongelukken, door de moeijelijkheid van zich honden, en levensmiddelen op de westkust te verschaffen.
De wind is geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk zeer veranderlijk geweest; hij was meest west, noord-west en noord-oost, zomtijds aan den zuidkant, maar zeldzaam in het oosten. De zuide en weste winden waaren bijna altijd van sneeuw verzeld, en weinig weeken zijn ’er, tot in Januarij toe voor bij gegaan, waarin wij niet twee of drie hevige stormwinden zagen opkomen; deeze kwamen gewoonlijk uit het noord-westen: die buijen duurden weinig minder dan één of twee dagen, en somtijds zeven of agt. Als dan zou het de uiterste onvoorzigtigheid geweest zijn van ons te waagen om uit te gaan. De hemel was van alle kanten bezet, en de sneeuw door deeze dwarlwinden opgeheven, vormde een dikken nevel in de lucht, die niet toeliet om zes treden van zich aftezien. Wee de reizigers, die zich in dit ijsselijk wêer op weg bevinden! Zij zijn genoodzaakt stil te houden, zo als ik reeds gezegt heb, anders loopen zij gevaar elkander te verliezen, of in den een of anderen afgrond te vallen, want hoe zal men de wegen onderscheiden? Hoe die vervolgen, wanneer men te worstelen heeft met de onstuimigheid van den wind, en wanneer men zich met moeite van de sneeuwhopen ontdoen kan, waar van men eensklaps omringt word? Indien de menschen zo veele aanmerkelijke gevaaren uitstaan, dat men dan oordeele over het geen de honden moeten lijden. Niets is ook zo gemeen, dat dat men door deeze vreesselijke orkaanen, zich onverwachts van de sleeden, die tot het gevolg behooren, afgescheiden, en twee wersten of meerder van elkander verwijderd bevind, ieder een anderen weg neemende[69].
Oorzaaken die de langduurigheid van ons verblijf te Bolcheretsk noodzaakelijk gemaakt hebben.
De meenigvuldigheid dezer stormwinden, de verbaazende uitwerkzels, die er de gevolgen van kunnen zijn, deeden ons de noodzaaklijkheid gevoelen om ons vertrek uittestellen. De Heer Kasloff had even zo veel verlangen om zich naar de plaats van zijn verblijf te begeeven, als ik ongedulds bezat om mijn reis te vervolgen, ten einde mijne zending met dien spoed te verrichten, welke mij aanbevolen was; dog alle de berichten, die wij ontfingen, veroordeelden onzen iever, en men toonde mij aan, dat het roekeloosheid van mij zoude zijn, indien ik wilde vertrekken, met zulke gewigtige brieven belast zijnde, als mij toevertrouwd waaren. Deeze bedenking deed mij voor de verzoeken en raadgeevingen van den Heer Kasloff, en van de andere Officieren van zijn gevolg zwigten; die bevelhebber voorkwam mijne begeerten door mij een eigenhandig getuigschrift te geeven, het welk de langdurigheid van mijn verblijf te Bolcheretsk rechtvaardigde, door het opgeeven der oorzaaken, welke het zelve noodzaaklijk gemaakt hebben[70]. Deeze stormwinden eindelijk omtrent den 15 Januarij opgehouden hebbende, beijverden wij ons om in de laatste toebereidzelen tot ons vertrek te voorzien, het welk op den 27 van die maand wierd vastgesteld.
Toebereidzelen tot ons vertrek, bepaald op den 27 Januarij.
Wij voorzagen ons, zo goed wij konden, van brandewijn, ossenvleesch, roggemeel en gort; men bakte een groot getal brooden, waar van een gedeelte voor de eerste dagen van onzen togt bewaard wierd, en het overige wierd in zeer kleine stukjes gesneeden en op den oven even als beschuit gedroogd; het overschot van het meel vulde men in zakken, die voor gevallen van noodzakelijkheid bewaard wierden.

CARAVANE KAMTSCHADALE ARRIVANT DANS UN OSTROG OU VILLAGE.
Grote afbeelding. (398 kB)
De Heer Kasloff had bevolen, dat men zo veel honden, als maar te bekomen waaren, zou opzamelen; aanstonds bragt men ze ons uit alle de nabuurige Ostrogs bij menigte, eveneens leverde men ons de leevensmiddelen in overvloed; de eenigste zwarigheid was maar hoe dat alles mede te voeren. Toen men onze sleeden zou laaden, was ons reisgoed zo aanmerkelijk, dat niettegenstaande de menigte van handen, die daar toe gebruikt wierden, de oplaading niet voor den 27. des avonds kon afgedaan zijn; wij hadden beslooten dien dag in den morgen te vertrekken, en het was reeds nagt, wanneer men ons kwam zeggen dat alles gereed was: hier hadden wij den tijd om ons ongeduld te beproeven; ik voor mij wil bekennen dat mij nimmer een dag zo lang gescheenen heeft. Dit uitstel had ons zo verveelt, dat wij niet tot aan den volgenden morgen wilden wachten; naauwlijks gewaarschuwt, of wij liepen naar onze sleeden, en in het zelfde oogenblik waaren wij buiten Bolcheretsk.
Den 27.
Vertrek van Bolcheretsk.
Het was des avonds ten zeven uuren wanneer wij het zelve verlieten, onder de begunstiging van het licht der maan, welkers helderheid nog levendiger wierd door de schemerende witheid van de sneeuw. Dit vertrek was waarlijk een onderwerp voor het penseel geschikt; dat men zich onze in der daad talrijke caravane verbeelde, bestaande uit vijf en dertig sleeden[71], daar onder begreepen die, waar op ons reisgoed geladen was. Op de eerste was een Sergeant geplaatst, genaamt Kabéchoff; gelast om den togt te gebieden en te geleiden; hij gaf het teken, en spoedig, vertrokken alle deeze sleeden de een na de ander; ze wierden door omtrent driehonderd honden voortgetrokken[72] wier iever derzelver snelheid evenaarde; doch welhaast was de order gebrooken, de reijen kruisten zich en raakten in de war, eene edele naiever bezielde de geleiders, en de reis wierd een wagen-wedloop; de prijs behoort hem, die zijne dravers het meest voortdrijft, niemand wil voor bij gehaald zijn, de honden zelfs kunnen deeze belediging niet verdraagen; zij beijveren zich om het zeerst, en hitsen zich beurtelings aan om de eer in de loopbaan te verkrijgen; de strijd begint en de sleeden raaken om ver, met gevaar dikwils van aan stukken te breeken; het geroep der omgevallene, het geschreeuw der honden die aan het vegten, het verwarde geblaf der geenen die aan het loopen zijn, eindelijk het luidruchtig en onophoudlijk gesnap der geleiders vermeerderde nog de wanorder waarin men zich zelfs niet kan hooren of verstaan.
Om meer op mijn gemak dit rumoer te kunnen beschouwen, verliet ik mijn slêe, in welke ik als gevangen zat, ik verzogt om mij op een kleinder te plaatsen, die behalven het vermaak van zelfs te rijden, mij nog daar en boven dat verschafte, van te kunnen zien al het geen rondom mij gebeurde; daar viel gelukkig niets voor, en ik had geen reden mij mijner nieuwsgierigheid te beklagen; deeze verwarring wierd voornamelijk veroorzaakt door den toeloop der inwoonders van Bolcheretsk, die zo wel uit achting als eerbied voor den Heer Commandant ons tot aan Apatchin wilden vergezellen[73] alwaar wij tegens middernagt aankwaamen; Van Bolcheretsk tot aan dit Ostrog rekent men vier en veertig wersten.
1788. Januarij Den 27.
Aankomst te Apatchin.
Weinige oogenblikken na onze aankomst ontstond ’er een geweldige wind, die ons zeer gehinderd zou hebben, indien ze ons op reis overvallen had. Deeze storm duurde het overige van den nagt, en den geheelen dag van den 28sten, zo dat wij verpligt waaren dien te Apatchin doortebrengen.
1788. Januarij Den 27. Te Apatchin.
Afscheidsgroet van de inwoonders van Bolcheretsk.
Wij ontfingen daar den laatsten afscheids-groet van de Inwoonders van Bolcheretsk, die ons gevolgt waaren; de aandoeningen die zij over het vertrek van den Heer Kaslof betoonden, de betuigingen van erkentenis en van eerbied, die ze hem beweezen; troffen mij bijzonder: ik was boven al verwondert over het belang, dat zij in mij en in den goeden uitslag mijner reize scheenen te stellen; ieder hunner betuigde mij dit op zijne wijze; Ik was des te gevoeliger voor de genegenheid, die zij mij in dit oogenblik betoonden, dewijl ik geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, gelegenheid gehad had van te ontwaaren, dat de Fransche naam in geen zeer groote achting onder deeze volkeren was; zij hadden veel eer het slegtste denkbeeld van ons, zelfs tot die hoogte, dat zij in het eerst moeite hadden te gelooven, het geen men hun van de beleeftheid en oprechtheid verhaalde, met welke alle onze togtgenooten, de inwoonders van St. Pieter & Paulus behandeld hadden. Echter, naar maate zij hunne landgenooten met lof van onze handelingen ten hunnen opzichten hoorden spreeken, wierd derzelver vooringenomenheid minder sterk; ik maakte daar van gebruik, om dit denkbeeld, en door mijne gesprekken, en door mijn gedrag onder hun, geheel weg te neemen; ik durf mij niet vleijen daar in geslaagt te zijn, doch het is mij voorgekomen, dat op het eind hun manier van denken geheel in ons voordeel veranderd was.
Oorzaak van de kwade denkbeelden die de inwoonders van Kamschatka omtrent de Franschen opgevat hebben.
Het nadeelig denkbeeld, het welk zij van den aart en de geschiktheid van onze natie opgevat hadden, was veroorzaakt door den naam van trouwloos en wreed, die ons eenige jaaren geleden in dit gedeelte van het Schiereiland door den berugten Beniovski berokkend was; deeze sclavonier had zich daar voor een Franschman uitgegeeven, en zich als een oprecht wandaal gedraagen.
1788. Januarij Den 28. Te Apatchin.
Historische bijzonderheden wegens Beniovski.
Zijne geschiedenis is bekend; men weet dat hij bij gelegenheid van de onlusten in 1769 in Poolen onder de vaandels van de confoederatie diende; uit hoofde zijner onverzaagtheid wierd hij gekoozen om een opgeraapten hoop vreemdelingen, of liever roovers gelijk hij te gebieden, welke door de verbondene met weerzin betaald wierden; aan het hoofd van dezelven, doorliep hij het land, vermoordende alles het geen hem op zijn weg tegenkwam; hij kwelde de Russen zonder ophouden die hem niet minder vreesden dan de Poolen. Zij gevoelden wel haast de noodzaakelijkheid om zich van een zo gevaarlijken vijand te ontslaan; het gelukte hun om hem gevangen te neemen, en men begrijpt ligt dat zij hem niet gemakkelijk behandelden; Na Siberien gebannen, en van daar naar Kamschatka, bragt hij zijnen geweldigen en wraakzuchtigen imborst derwaarts; uit het midden der sneeuw, waar onder de Russen hem begraven achtten, te voorschijn gekoomen, verschijnt hij onverwachts voor Bolcheretsk, gevolgt van een troep bannelingen, aan welken hij zijne stoutmoedigheid heeft weten in te boezemen, hij verrast de bezetting en maakt zich van de wapens meester, de bevelhebber zelf, de Heer Nilloff wierd door zijn eige hand gedood; Een schip lag ’er in de haven, Beriovski maakt ’er zich meester van, alles beeft op zijn gezicht, alles is genoodzaakt hem te gehoorzaamen; hij dwingt de arme Kamschatters om hem den voorraad, dien hij vordert, te verschaffen, en niet te vreden over de opofferingen die hij verkrijgt, levert hij derzelver wooningen over aan de tomelooze moedwil der roovers van zijn gevolg, aan het welk hij tot een voorbeeld van misdaadigheid en wreedheid verstrekt; Eindelijk begaf hij zich met zijne medemakkers scheep, en maakte t’zeil, zo men zegt, naar China, met zich voerende de verfoeijing van het Kamschatsche volk[74].
Dit was de eenigste zogenaamde Franschman, dien zij nog op hun Schier-eiland gezien hadden, en onze natie niet anders dan na hem kunnende beoordeelen, was het hun ongetwijffelt wel geoorloft ons niet te beminnen, ja zelfs ons te vreezen.
1788. Januarij Den 29. Te Apatchin.
De Heer Schmaleff verlaat ons ten einde het overige van zijn plaats en bewind te gaan bezigtigen.
De Heer Schmaleff verliet ons met het aanbreeken van den dag, en vertrok het eerste om de kust van Figuil of de westkust te doorkruissen, en de overige plaatzen van zijn bewind te bezoeken[75].
Vertrek van Apatchin.
Wij verlieten bijna terzelfder tijd Apatchin, onze stoet zo talrijk niet meer zijnde, maakten wij des te meer spoed; na de vlakte waar in dat dorp gelegen was doorgetrokken te hebben, kwaamen wij aan de Bolchaïareka, dewelke wij eenige uuren langs reisden, wij volgden haar in alle de bogten, welke zij beschrijft, dan eens door het midden van een bosch, en dan eens langs den voet der hooge en steile bergen; waar mede deszelfs oevers bezoomd zijn; vijftien wersten van Malkin verlieten wij deeze rivier, welkers stroom de op verscheidene plaatzen gebrokene stukken ijs begon wegtevoeren, en op een weinig afstands van dit Ostrog staken wij de Bistraïa over om ons derwaarts te begeeven; het was bijna ten twee uuren des namiddags wanneer wij ’er aankwamen; wij hadden, reeds vier en zestig wersten zedert Apatchin afgelegt, doch geen voorspan hebbende, waaren wij genoodzaakt ons hier op te houden, ten einde aan onze honden tijd te geeven om uit te kunnen rusten.
1788. Januarij Den 29.
Aankomst te Malkin.
De Toyon van Malkin kwam aanstonds den Heer Commandant zijn isba aanbieden, hij had reeds vrij groote toebereidzelen gemaakt om ons te ontfangen, het geen ons deed besluiten om daar den nagt door te brengen, hij deed ons alle mogelijke eerbewijzingen en gaf ons het beste onthaal, doch hoe meer reden wij hadden om over zijne voorzorge en goeden wil te vreeden te zijn, des te onaangenaamer was het mij, dat hij zich zo weinig over onze rust bekommerd had, met namelijk geen zorg te draagen dat dezelve door niets gestoord wierd. De mijne wierd schrikkelijk gehinderd door de nabuurschap van onze honden, waar aan ik nog niet gewoon was; het geweldig en geduurig gehuil van deeze vervloekte dieren was telkens aan mijn oor, en liet mij den geheelen nagt niet toe om een oog te sluiten. Men moet dit nagtmuziek, het onaangenaamste dat ik ken, gehoord hebben, om zich te verbeelden hoe veel moeite ik had van mij daar aan te gewennen, want geduurende mijn reis wierd ik wel genoodzaakt om onder dit gejuil te slaapen; gelukkig schikt zich het lighaam tot alles, na eenige slegte nagten overstelpt van den slaap, hoorde ik eindelijk niets meer, en langzamerhand gewende ik zodanig aan het geschreeuw van deeze dieren, dat ik zelfs te midden onder hun met de grootste gerustheid sliep. Ik zal hier nog bijvoegen, dat men deeze honden niet te eeten geeft voor dat ze aan de rustplaats komen, of voor het einde van den dag; deeze eenigste maaltijd bestaat gewoonlijk in gedroogden salm, dien men aan ieder hunner uitdeelt.
Ostrog van Malkin.
Het Ostrog van Malkin gelijkt na alle die geenen die ik gezien en reeds beschreeven heb; het bestaat uit vijf of zes isbas en omtrent vijftien balagans; het is gelegen op den oever van de Bistraïa, en met hooge bergen omringt; Ik had den tijd niet om de heete bronnen, die men mij zeide in de nabuurschap te weezen, te gaan bezichtigen, men voegde ’er bij, dat ze een sterke zwavellucht bezaten, en dat ’er onder anderen één op het hellen van een heuvel gevonden wierd, langs den voet van welke ze een poel van vrij helder water vormt.
1788. Januarij Den 30.
Gedwongen omweg.
Van Malkin reisden wij op Ganal, dat vijf en veertig wersten daar van afgelegen is, doch wij konden deezen weg niet zo spoedig afleggen als wij wel gewenscht hadden. De Bistraije was niet geheel digt, wij moesten dus een omweg neemen, dwars door de bosschen, alwaar de sneeuw zeer dik en niet vast lag, het geen veroorzaakte, dat onze honden ’er tot den buik toe inzakten, en zich zeer vermoeiden; dit noodzaakte ons dien weg te verlaaten en onzen togt naar de Bistraïa heen te wenden. Wij vonden ze tien wersten van Ganal weder, in dien staat, welken wij tot onze zekerheid konden verlangen; de dikte van het ijs beloofde ons een gemaklijken overtogt, en wij maakten ’er met allen iever gebruik van, wij volgden deeze rivier tot aan dat dorp het welk aan deszelfs oever gelegen is. Vier isbas en elf balagans maaken dit Ostrog uit, alwaar ik niets merkwaardigs gewaar wierd.
Te Ganal.
Wij vernamen er alleen dat de Orcaanen allerijsselijkst gewoed hadden, en dat ze zich nog deeden gevoelen, echter met minder hevigheid. Het is niet moeijelijk om reden van het geweld dezer stormwinden te geeven; de omgeleegen hooge bergen vormen als zo veele monden, waar in de wind zich verzamelt; hoe minder uitgangen dezelve vind, hoe onstuimiger hij word: hij zoekt zich een weg te baanen, hij maakt van den eersten dien hij vind gebruik, en ontlast zich in wervelwinden, werpt de sneeuw op de wegen, en maakt die meesttijds onbruikbaar.
1788. Januarij Den 31.
Een zeer lastigen dag.
Na eene vrij slegten nagt in het huis van den Toyon van Ganal doorgebragt te hebben, vertrokken wij van daar voor het aanbreeken van den dag om ons naar Pouschiné te begeeven. Den afstand tusschen deeze twee Ostrogs beloopt op negentig wersten, en echter deeden wij deezen togt in veertien uuren: doch de laatste helft van de weg was zeer slegt; deeze niet gebaand zijnde, zakten onze sleeden twee en drie voeten diep in de sneeuw, en de schokken waaren zo menigvuldig, dat ik mij gelukkig achte er van bevrijd te zijn, en maar eens omgevallen te hebben; om van de richting der sneeuw, uit de menigte die een gedeelte der boomen bedekte, te oordeelen, scheen het ons toe dat dezelve met noordewinden, en in eene buitengewoone hoeveelheid gevallen was, het geen ons door de bewoonders bevestigt wierd; wij reiden gestadig door een berkenbosch, en geduurende eenigen tijd verlooren wij de keeten van bergen uit het gezicht, welke wij daags te vooren langs getrokken waaren, doch nader aan Pouchiné komende, kreeg ik ze weder in het gezicht.
Te Pouschiné.
Isbas zonder schoorsteenen.
De Kamschatka loopt langs dit Ostrog, het welk grooter dan Ganal is, het eenigste dat ik hier waargenomen heb, bestaat daar in, dat de isbas zonder schoorsteenen zijn, dezelve hebben even als de balagans, maar eene naauwe opening in het dak, dit is de eenigste doortogt, dien men aan den rook laat, daar en boven sluit men ze spoedig door een schuif, om de warmte te bewaaren. Wanneer men deeze vertrekken verwarmt, is het bijna onmogelijk van ’er in te kunnen blijven, men moet ’er uitgaan of op den grond gaan leggen, zo men geen gevaar wil loopen van versmoord of ten minsten verblind van den rook te worden, hij neemt niet altoos aanstonds den weg naar het dak, naar maate hij zich verheft, verspreid hij zich ook in dikke en zwarte wolken door de kamer, en daar men hem zelden tijd geeft om geheel optetrekken, is het binnenste van deeze isbas gewoonlijk met roet bepleisterd, het welke men bij het inkomen reeds aan de lucht gewaar word, en waar van het gezicht waarlijk afkeer verwekt.
Kamschatsche lamp.
Doch dit is nog minder onaangenaam dan de stinkende reuk, welke een donker brandende lamp, waar door het geheele huis verlicht word, van zich afgeeft; de gedaante daar van is alderlompst, het is eenvoudig een uitgeholde klei of steen, waar uit een linnen vod, opgerolt als tondel te voorschijn komt, rondom dezelve doet men sterk vet van zee-wolve of van andere dieren; zodra deeze tondel aangestoken is, ziet men zich eensklaps omringt van een duisteren damp, die niet minder dan de rook toebrengt om alles zwart te maaken; hij stijgt in den neus en in de keel en gaat tot aan het hart. Dit is de eenigste kwaade lucht niet, die men in deeze wooningen inademt, daar is ’er nog een andere die na mijne gedagten veel stinkender is, ik kon ’er mij altans niet aan gewennen, dit zijn de walgachtige uitwaassemingen welke de gedroogde of verrotte visch verspreid, het zij dat men ze toebereid of opdischt, zelfs na dat men ze gegeeten heeft, het overschot is voor de honden geschikt doch voor dat ze het krijgen, worden al de hoeken van het vertrek daar mede uitgeveegt.
Morsigheid der bewoonders van deeze Isbas.
Daar en boven, is het toneel dat de bewoonders binnen deeze huizen opleveren, nog wel zo walgelijk. Hier ziet men een hoop vrouwen blinkende van smeer, en zich op den grond wentelende op een hoop vodden; deeze geeven haare halfnaakte en van het hoofd tot de voeten bemorste kinderen te zuigen, anderen verslinden met dezelve eenige stukken raauwe en meesttijds bedorven visch; verder ziet men wederom nog anderen, in een nagtgewaad dat niet minder vuil is op beerenvellen leggen, onder elkander of alle te gelijk praatende, en aan verschillende huishoudelijke zaaken werkende, in afwachting van haare mannen.
Gelukkig waaren de huizen der Toyons zo goed schoongemaakt als mogelijk was, om den Heer Kasloff daar in te ontfangen, die altoos de goedheid had van mij daar, benevens hem te doen huisvesten.
Februarij. Den 1.
De wegen vervuld met sneeuw; vermoeijende oeffening van mijne geleiders.
Wij namen onze nagtrust bij den Toyon van Pouschiné, en wij vertrokken den volgenden morgen vroegtijdig; wij konden deezen dag niet meer dan vier en dertig wersten afleggen. Het scheen, dat hoe meer wij voorwaarts kwamen, hoe meer de wegen door de sneeuw gestopt waaren. Mijne twee geleiders waaren zonder ophouden bezig om mijn slee in evenwicht te houden ten einde het omvallen te beletten of niet van den weg te geraken; daar en boven moesten ze hunnen longen ongemeen geweld aandoen om de honden aantemoedigen, die dikwils stil hielden, niettegenstaande de slaagen die men hun met zo veel behendigheid als in menigte uitdeelde. Deeze arme dieren, wier sterkte onbegrijpelijk is, hadden de uiterste moeite om zich van de sneeuw te ontdoen, die hun weder bedekte naar maate zij ’er zich van ontlasteden, men moest die gelijk maaken om ’er hun door te helpen, dit was ook een der bezigheden van mijne leidsluiden; om op de sneeuw te kunnen staande blijven, hadden zij ieder een raket, onder eenen voet, en gleeden dus terwijl ze den anderen van tijd tot tijd op de schaats van de slêe plaatsten. Ik twijffel of ’er wel een meer vermoeijender arbeid is, en waar toe meer kragts en hebbelijkheid vereischt word.
Het Ostrog van Charom, alwaar wij gelukkig aankwaamen, is op de Kamschatka gelegen; Het leverde mij niets aanmerkelijks op. Wij vertoefden er den nagt en voor de dag aankwam, hadden wij het reeds wederom verlaaten.
1788. Februarij. Den 2.
Te Vercknei-Kamschatka of Opper-Kamschatka.
In den tijd van zeven uuren bereikten wij Vercknei-Kamschatka, het geen vijf en dertig wersten van Charom afgelegen is. Vercknei is een zeer aanmerkelijke plaats, in vergelijking van de andere dorpen, die ik reeds gezien heb: ik telde hier meer dan honderd huizen: deszelfs ligging is gemaklijk en scheen mij veel verscheidenheids opteleveren. Aan de rivier gelegen[76] heeft dit Ostrog daar en boven het voordeel van in deszelfs nabijheid Bosschen en Velden te bezitten, waar van de Grond zeer goed is, en die door de inwoonders tot voordeel aangelegt word, de kerk is van hout, deszelfs maakzel is niet onbevallig, het zou alleen te wenschen zijn, dat het binnenste beantwoorde. Wat de wooningen betreft, deeze verschillen in niets van die der andere dorpen. Voor de eerstemaal zag ik hier een soort van gebouwen omtrent van hoogte als de balagans, en die alleen maar dienen om den visch te droogen. Een sergeant voert te Vercknei het bevel, hij woont in een huis, dat aan de kroon behoort.
Geschenk het geen Ivaschkin ons gaf.
Dit dorp is ook de verblijfplaats van den ongelukkige Ivaschkin, wiens lotgevallen ik bij mijn vertrek van St. Pieter &. Paulus verhaald heb[77]; hij behoorde tot ons reisgezelschap, en verliet ons niet, dan om naar Vercknei vooruitterijden, alwaar zijn eerste zorg bij zijn aankomen bestond, in één van zijne ossen te doen slagten, die hij ons verzogt wel te willen aanneemen voor de reis, als een blijk van zijne erkentenis. Die behandeling rechtvaardigde het belang het welk mij deeze ongelukkige edelman reeds ingeboezemd had, wiens enkele beschouwing mij meer dan eens over zijn lot had doen zuchten; ik kon niet begrijpen hoe hij zich aan het zelve had kunnen gewennen indien hij niet de gewaarwording zijner onschuld met zich voerde, die alleen hem deeze sterkte van geest had kunnen inboezemen; bij onze aankomst te Vercknei, gingen wij hem bezoeken, hij was bezig met eenige zijner buuren vrolijk te drinken, zijn vergenoegen was ongeveinst, en vertoonde geenzints een gevoelig mensch voor zijne geledene rampen, nog iemand die misnoegd was over zijn tegenwoordigen staat.
Zaimka of Gehugt dat door akkerlieden bewoond wierd.
Wij bleeven maar weinig tijds te Vercknei; wij begaven ons des nademiddags weder op weg om vijftien wersten verder te Milkovaïa Dercvna of in het dorp van Milkoff de nagtrust te neemen. Voortreizende vonden wij al aanstonds een vrij ruim veld met palissaden omgeeven, en wat verder een Zaimka, dat is te zeggen, een gehugt bewoond door akkerlieden; dit zijn Kosakken of Russische Soldaaten, geschikt tot het bebouwen der gronden, die voor rekening van de regeering bearbeid worden. Zij hebben tagtig paarden, die aan de kroon behooren, en die zo wel dienen voor het werk, als door de stoeterij die in deeze plaats opgericht is tot voortfokking van deeze nuttige en zo zeldzaame dieren in dit schier eiland. Omtrent vijf honderd treden van dit gehugt, het welk Tschigatchi genaamd word, ontdekt men op een arm van de Kamschatka een houten dog niet veel betekenenden watermolen. Men kon ’er als toen geen gebruik van maaken, dewijl het water zo sterk gewassen was, dat daar door de sluis was leeg geloopen, en het zelve zich door een gedeelte van de vlakte had verspreid, alwaar het bevroozen was; de grond scheen mij ter deezer plaats zeer goed, en de omleggende streeken zeer vermaakelijk te zijn. Ik ondervroeg eenige van deeze Kosakken over de voortbrengzels van hunne landstreek, alwaar het mij voorkwam, dat alle soorten van graanen zeer wel moesten gelukken; zij antwoordden mij, dat in der daad de laatste oogst, als mede de hoedanigheid van het graan, hunne verwachting was te boven gegaan, en dat deeze in het geheel voor de beste Russische gewassen niet behoefde te wijken; twee ponds graan had ’er tien uitgelevert.
Inwoonders van Milkoff.
Te Milkoff gekomen, was ik verwonderd van daar nog Kamschatters nog Kosakken te vinden, maar eene belangrijke bevolking van akkerlieden, wier gelaatstrekken en voorkomen aanduiden, dat ’er onder hun geen vermenging van geslachten plaats had gehad. Deeze bevolking wierd in 1743 voor de helft in Rusland, en voor de andere helft in Siberiën uitgekozen, onder de oorsprongelijke bewoonders, namelijk, uit de landbouwers; wanneer de regeering hun in dit Schiereiland zond, had dezelve ten oogmerk de ontginning der gronden, en proefneemingen in den landbouw, in de verwachting, dat het voorbeeld en de goede uitslag deezer volkplanting van akkerlieden, tot onderrichting van de inwoonders des lands zou verstrekken, en hun doen besluiten om zich meer en meer op deeze edele en wezentlijke bezigheid toeteleggen. Ongelukkig heeft derzelver alles te boven gaande zorgeloosheid, die ik reeds heb doen kennen, kwalijk aan de verstandige maatregels van de regeering beantwoord; zij zijn thans niet alleen nog verre af van door naiever gedreeven te worden, maar zelfs, om met de voorbeelden, die ze onder hun oog hebben, voordeel te doen. Die ongelukkige ongevoeligheid der Inboorlingen is des te bejammerenswaardiger, daar men zich aan den anderen kant niet kan onthouden van die vlijtige emigranten te bewonderen, wier arbeid met eenen zo voordeeligen uitslag bekroond is. Bij de Kamschatka geplaatst, vertoonen hunne wooningen een zeker soort van gemak, zij bezitten vee dat mij in een goeden staat scheen te weezen, de zorg die zij ’er voor draagen, brengt niet weinig tot derzelver welvaart toe; ik heb ook opgemerkt, dat in het algemeen deeze boeren zeer met hun lot te vreden scheenen te weezen; ze hebben, het is waar, het genot van hun eigendom, alles is voordeel voor hun, en niets is moeite, ieder werkt, bezaait zijn veld; en alleen gehouden om zijn hoofdgeld te betaalen, zamelt elk vrijelijk de vrugt van zijn arbeid, waar voor een vrugtbaare grond hun met woeker beloond. Ik houd mij verzekert, dat men ’er nog meer voordeel van zou kunnen trekken, indien de akkerlieden ’er in grooter aantal waaren. De oogst bestaat voornamelijk in rogge en in gerst, dog deeze laatste in minder hoeveelheid. Deeze bevolking is daar en boven bevrijd van de jagt, de regeering heeft de oplettenheid zo ver uitgestrekt om die te verbieden, ten einde deeze planters geheel aan hun werk te houden, en te zorgen dat hun niets daar van kon aftrekken: ik meen evenwel te weeten, dat ze dit verbod niet te zeer eerbiedigen. Derzelver hoofd is een starost door de regeering benoemd, die hem, onder de bejaarde lieden van het dorp kiest, zo als zijn naam ook aanduid; hij is gelast op den goeden voortgang van den landbouw te waaken; hij bestiert de zaaijing, de inoogsting, en bepaalt daar van het juiste tijdstip, eindelijk moet hij de nalatigheid opwakkeren of den iever der arbeiders aanmoedigen, en vooral onder hun het oogmerk der inrichting en de goede verstandhouding bewaaren.
1788. Februarij. Den 3.
Ostrog van Kirgann.
Dewijl ik mij na Machoure wilde begeeven, om een dag bij den Heer Baron de Steinheil door te brengen, verliet ik den Heer Commandant te Milkoff, en ik vertrok omtrent vier en twintig uuren vroeger van daar, ten einde hem in zijn reis niet optehouden. Om des te spoediger voorttekomen, had ik een kleine slêe genomen, dog aan deezen kant waaren de wegen niet minder met sneeuw gevuld, en ook niet minder ongemaklijk, zo dat, niettegenstaande mijne voorzorg, het onmogelijk was dien spoed te maaken, welken ik mij voorgesteld had; het eerste Ostrog, dat ik op mijn weg aantrof, was Kirgann. Voor dat ik daar aankwam, trok ik voorbij eenige balagans en huizen, die mij toescheenen verlaaten te zijn, dog men zeide mij, dat ieder jaar, de eigenaars door den zomer derwaarts te rug geroepen wierden; de weinige wooningen, die het dorp van Kirgann uitmaaken, zijn op den oever van een rivier, Kirganik genaamt, gebouwt; deeze word door verscheide bronnen gevormt, die uit de nabuurige bergen afkomen, en waar van de verschillende beekjes zich boven dit Ostrog zamenvoegen, het welk vijftien wersten van Milkoff afgelegen is.
De koude was zo hevig, dat niettegenstaande de voorzorg, die ik genomen had, van mij het aangezicht met een neusdoek te bedekken, mij binnen een half uur de wangen bevroozen waaren, dog ik nam mijn toevlucht tot het gewoone hulpmiddel, ik wreef mij het aangezicht met sneeuw, en ik raakte vrij met eene prikkelende pijn van eenige dagen. Op het oogenblik, waar in mijn aangezicht bevroor, wierd mijn lighaam het tegengestelde gewaar. Ik mende zelfs mijne slêe; de geduurige beweeging, welke deeze oeffening vordert, gevoegt bij het gewigt van mijne Kamschatsche kleeding[78] bezorgde mij eene meer dan gewoone uitwaasseming, die mij geweldig vermoeide. Echter hield ik mij te Kirgann niet op. Eenige wersten verder wierd ik in het noordoosten een vuur-berg gewaar, die geen vlammen uitwierp, dog ’er kwam een zeer dikke colom rook uit. Ik zal welhaast gelegenheid hebben ’er wederom bij te komen, en ’er meer in het breede van te spreeken. Ik ontdekte digt bij Machoure, een vrij digt mastbosch, het eerste dat ik nog in Kamschatka gevonden had, de boomen waaren regt maar zeer dun. Des namiddags ten twee uuren, kwam ik in het Ostrog van Machoure, gelegen op de Kamschatka, zeven en dertig wersten van Kirgann.
1788. Februarij Den 4. Te Machoure.
Verblijf te Machoure bij den Heer Baron de Steinheil.
Ik begaf mij bij den Heer Baron de Steinheil oud Capitain Ispravnick, of Inspecteur van Kamschatka, welke post tans door den Heer Schmaleff bekleed word. Ik was met hem te Bolcheretsk bekend geraakt, en het was mij zeer aangenaam geweest met hem verscheide taalen te kunnen spreeken, bijzonder die van mijn vaderland, hoe zeer ze hem niet zeer eigen was; dog het was Fransch, en ik meende in hem een mijner landsgenooten te zien. Wie immer Europa verlaaten heeft om in zulke afgelegene streeken te reizen, heeft zulks even als ik moeten ontwaar worden; men acht zich een medeburger van hem, die het zelfde waerelddeel voor zijn vaderland heeft, of die dezelfde taal spreekt. De geringste zaak, die het aandenken aan ons land kan opwekken, veroorzaakt het levendigste vermaak, ons hart breid zich uit tot den vriend, tot den broeder, dien wij meenen wedertevinden; in een oogenblik deelen wij in elkanders vertrouwen. Ik smaakte deeze aangenaame gewaarwordingen op het gezicht van den Heer Steinheil. Van het eerste oogenblik af aan, had ik tot de verkeering met hem eenen onweerstaanbaaren trek. Ik moest hem zien en spreeken, ik vond daarin een onuitspreekelijke vreugde, hoe zeer zijn Fransch, gelijk ik reeds gezegt hebbe, van het alleronregelmatigste was, en hij het met een Duitschen tongval uitsprak. Ik bragt met den Heer Steinheil den dag van den 4. door, en des avonds zag ik den Heer Kasloff aankomen, gelijk hij mij beloofd had.
Ostrog van Machoure.
Het dorp van Machoure was een der aanzienelijkste van dit Schiereiland, voor dat de kinderziekte aldaar geheerscht had, dog de verwoesting, die deeze besmettelijke ziekte aldaar heeft aangericht, heeft het getal der inwoonders tot op twintig huisgezinnen vermindert.
Nadere bijzonderheden over de Chamans.
Alle de Kamschatters van dit dorp, zo wel mannen als vrouwen, zijn Chamans of gelooven aan de toverijen van deeze gewaande duivelskonstenaars. De een en de ander vreezen ten uitersten de Popen of Russische priesters, tegen welken zij een ongemeenen haat koesteren, ook zoeken zij altoos de ontmoeting met hun te ontwijken, somtijds is dit hun onmogelijk, als dan zoeken zij zich te vermommen wanneer ze hun zien naderen, en begeeven zich zo spoedig mogelijk weg. Ik schrijf deeze vrees, welke hun het gezicht der priesters inboezemt, aan den blaakenden ijver toe, welken deeze zonder twijffel betoont hebben in het uitroeijen der afgoderij, en die de Kamschatters voor vervolging aanzien; zij beschouwen dus deeze bedienaars van den Godsdienst als hunne grootste vijanden: mogelijk hadden zij grond om te gelooven, dat deeze zendelingen met hunne bekeering alleen niet ten oogmerk hadden om derzelver afgoden omvertewerpen. Deeze popen gaven hun waarschijnlijk het voorbeeld der deugden niet, welke zij hun predikten zonder ze zelfs te beoeffenen. In der daad meent men, dat zij zich minder bekommerden om nieuwbekeerden te maaken, dan wel om goederen te verkrijgen, en voor al om die neiging te voldoen, welke hun zo dikwils mogelijk tot de dronkenschap vervoert. Men moet zich dus niet verwonderen, wanneer men deeze inwoonders nog aan derzelver oude dwaalingen ziet vasthouden. Zij bewijzen altoos een geheimen eerdienst aan hun God Koutka[79], zij stellen een zodanig vertrouwen in hem, dat ze onophoudelijk aan hem hunne gebeden opzenden, wanneer ze eenige zaak onderneemen of eenig goed verlangen. Gaan zij op de jagt, onthouden zij zich van hun te wasschen, en wagten zich wel om eenig teken van het kruis te maaken; zij roepen hun Koutka aan, vervolgens offeren zij aanstonds aan deezen God de eerste marter of het eerste dier, dat zij maar vangen kunnen, overtuigt, dat na deeze Godsdienstige daad derzelver jagt allergelukkigst moet weezen; zij verbeelden zich in tegendeel, dat wanneer zij een kruis maakten, zij zich zouden blootstellen om niets te vangen. Tot hunne bijgeloovigheid behoort ook de toewijding van de jonggeboore kinderen aan hun Koutka, die zij reeds van de wieg af aan tot Chamans voorbeschikken. De eerbied, dien zij in dit dorp voor deeze tovenaars bezitten, is niet te begrijpen; dezelve schijnt waarlijk zinneloosheid en verwekt een diep medelijden; want de buitenspoorigheden, met welke deeze de ligtgelovigheid van hunne landgenooten bezig houden, zijn zo dwaas en ongerijmd, dat men ’er minder om lagchen moet dan wel met verontwaardiging daar over aangedaan weezen. Het is waar, tegenswoordig verrichten zij hun kunst niet meer opentlijk, zij voegen zo veel uitwendigs niet meer bij hunne toverijen; hunne kleederen zijn niet meer met geheimzinnige ringen, nog met verschillende zinnebeeldige metaalen figuuren opgeciert, welke zich op de minste beweging van hun ligchaam met veel geraas deeden hooren, zij hebben insgelijks ook een zeker soort van ketel afgelegt[80] op dewelke zij de maat sloegen, geduurende hunne voorgewende bezweeringen, of om een ieder van hunne aankomst te verwittigen; en eindelijk, hebben zij zich ook van alle de toverinstrumenten ontdaan. Ziet hier ten naasten bij, waar in hunne plegtigheden thans in derzelver vergaderingen bestaan, welke zij zorgvuldig in het geheim houden, dog die daarom geen minder toeloop hebben. Men stelle zich een kring voor van aanschouwers, die met eene domme oplettenheid rondom den tovenaar of tovenaarster geschaard zijn, want de vrouwen zijn, zo als ik reeds verhaald heb, ook in de geheimenissen der Chamans ingeleid. Eensklaps zet deeze of die zich aan het zingen, of liever aan het geweldig schreeuwen, zonder maat of betekenis; de gehoorzaame vergadering antwoord hem op dezelfde manier, het geen het allerwanluidendste en onverdraagelijkste concert uitmaakt. Langzamerhand raakt de Chaman in verrukking, hij begint op de verwarde toonen van zijne toehoorders te danssen, die zich heesch schreeuwen en verbleeken in de vervoering van hun iever en bewondering; de dans word heviger, naar maate de dienaar van den God Koutka den voorzeggenden geest ontwaar word. Gelijk aan de Pijthische Waarzegster op den drievoet, slaat hij verwilderde en verwoede blikken op, alle zijne beweegingen zijn stuiptrekkende, zijn mond verdraait zich, zijne leeden worden stijf, ’er zijn, om alles in het kort te zeggen, geene verdraaijingen of grillen uittedenken, welke hij niet verzint en uitvoert, tot groote verbaazing van alle de aanweezenden. Na dat hij een tijd lang deeze grillen verricht heeft, houd hij dikwils eensklaps stil, als of hij ingeevingen verkreeg; zijne zinneloosheid word dan zo bedaard als ze eerst heftig geweest is, men ziet geen woede of vervoering meer, het is dan de geheiligde opgetoogenheid van den mensch, geheel vervuld van den God, die hem beheerscht, en die door zijne stem zal spreeken. Verbaast en al beevende, zwijgt aanstonds de vergadering, in de verwachting van het wonderbaare, dat aan hun zal geopenbaard worden. Deeze hoord als dan uit den mond van den zogenaamden Propheet woorden zonder aaneenschakeling voortkomen, die de bedrieger zich bij tusschenpoozen laat ontglippen, hij verkondigt dus alles wat hem door het hoofd gaat, en dit is altoos een uitwerkzel van de ingeevingen van den Koutka. De redenaar verzeld gewoonlijk zijn verhaal of met een vloed van traanen of met een geschater van lagchen, naar maate van het goede of het kwaade dat hij verkondigt, en zijne kragtige gebaarden verschillen naar gelang van zijne gewaarwordingen[81]. Deeze bijzonderheden omtrent de Chamans zijn mij door geloofwaardige lieden medegedeeld, die middel gevonden hadden om hunne onbeschaamde openbaaringen bij te woonen.
Bericht van een opstand der Koriaken.
Men bevestigde ons te Machoure dat geen, het welk reeds aan den Heer Commandant berigt was, door een ingenieur genaamt Bogenoff; hij was naar de omliggende streeken van de rivier de Pengina gezonden, om daar den grond voor een stad uit te kiezen en ’er het plan van aftetekenen, met bevel om vervolgens de westkust van Kamschatka te volgen tot aan Tiguil, en om eene naauwkeurige kaart van zijn reis te vervaardigen. Bij zijn aankomst te Kaminoi[82] vond hij, volgens zijn verhaal aan den Heer Kasloff, eene groote menigte van muitende Koriaken, die gewapend voor hem kwamen om hem den doortogt te sluiten, en te beletten, dat hij aan zijne zending kon voldoen. Men voegde ’er hierbij, dat zij ten getale van zes honderd waaren, en dat ze zeer waarschijnlijk ons even min onze reis zouden laaten vervolgen. Het vooruitzicht was treurig, vooral voor mij, die van begeerte brandde om te Okotsk te komen, even als of daar de eindpaal van mijn reis was, of dat ik van daar tot in Frankrijk maar een dag reizens had afteleggen. Hoe hard viel mij het denkbeeld, dat ’er geen andere weg zijnde dan door dit dorp, wij mogelijk genoodzaakt zouden weezen om te rug te moeten keeren! de gedagte alleen deed mij van ongeduld beeven. De Heer Commandant, die met mij daar in deelde, was even als ik van oordeel, dat wij ons op deeze berichten niet moesten ophouden, dezelve konden misschien niet naauwkeurig zijn; het gewicht, dat de verhaalders daar in stelden, het verbaard gelaat, waar mede zij hunne verhaalen vergezelden, eindelijk de kleine bijvoegzelen, die men er dagelijks toevoegde, dit alles deed ons het verhaal mistrouwen. Bij gevolg beslooten wij, dat wij ons zelfs van de waarheid der zaak moesten overtuigen, en voorwaards trekken, behoudens de toevlucht tot de hulpmiddelen, waar door wij onzen doortogt konden verkrijgen, ingevalle deeze oproerigen zich daar tegens mogten verzetten; dog welhaast wierden wij aangemoedigd door de aankomst van een expresse bij den Heer Kasloff, dien geen de minste tegenkanting of moeijelijkheid op zijn reis wedervaaren was, hij verzekerde ons, dat hem alles bedaard was voorgekomen; daar en boven hadden wij reden om te gelooven, dat, in het tegengesteld geval, hij eenige beweegingen zou hebben moeten gewaar worden, en dat wij dus geen beletzel op onzen togt te vreezen hadden.
Den 5.
Vertrek van Machoure.
Met het krieken van den dag verliet ik dan den Heer Baron van Steinheil, met zo veel leedweezen als erkentenis voor zijn verplichtend onthaal, en voor alle de blijken van genegenheid, die hij mij geduurende mijn kort verblijf te Machoure betoonde[83]. Ik verliet in hem een waarlijk belangrijk mensch, zo wegens zijne kundigheden als hoedanigheden.
1788. Februarij Den 6.
Geduurende deezen dag reisden wij zes en zestig wersten ver over de Kamschatka, welkers ijs overal sterk en volmaakt effen was; ik zag niets aanmerkelijks op mijn togt zo min als in het dorp van Chapina, alwaar wij bij het ondergaan van de zon aankwamen.
De groote en de kleine Nikoulka.
Wij vertrokken den volgenden dag vroegtijdig van daar; de sneeuw belemmerde ons dien dag sterk; de grond was ’er mêe bedekt, en deszelfs dikte maakte onzen togt zeer moeijelijk. Wij reisden meest altoos door zeer digte dennen en berken bosschen. Ter halver weg en een weinig verder, ontmoeteden wij twee rivieren, waar van de eene omtrent dertig toisen of vijftien roeden breedte heeft, men noemt ze de groote Nikoulka, en de andere de kleine; beide gevormt door bronnen, die uit de bergen komen, vereenigen ze zich ter deezer plaats, om gezamentlijk derzelver water aan de Kamschatka toetevoeren; nog de een nog de ander lagen digt; ik schreef de oorzaak daar van toe aan de groote snelheid van derzelver stroom. De plaats waar ik ze overtrok is waarlijk schilderachtig, dog het geen mij nog zonderlinger voorkwam, bestaat hier in, dat alle de denneboomen, die in grooten getale deeze rivieren omzoomen, boomen van ijs scheenen te weezen; een zeer dik ijzel, mogelijk door de vogtigheid van de plaats voortgebragt, had zich aan iederen tak vast gehegt en maakte derzelver geheele oppervlakte zuiver wit.
Vuurspuwende bergen van Tolbatchina en van Klutchefskaia.
Vroegtijdige Huwelijken in Kamschatka.
Op eenigen afstand van Tolbatchina, trokken wij een heide over, van waar ik drie vuurspuwende bergen ontdekte; geen derzelver wierp vlammen uit, alleen gaven ze wolken van eenen zeer zwarten rook op; de eerste, waar van ik te vooren gesprooken heb, wanneer ik naar Machoure ging, heeft deszelfs haardstêe in het binnenste van een berg, die omtrent van een kegelachtige gedaante is, de top is plat en schijnt weinig verheven. Men zeide mij, dat deeze eerste vuurberg geduurende eenigen tijd stil geweest was, dat men hem zelfs voor uitgedoofd hield, wanneer hij eensklaps op nieuw ontstoken is. In het noord-oosten van deezen word men een piek gewaar, welkers punt de mond van den tweeden vuurberg schijnt te zijn, die zonder ophouden rook uitgeeft, dog ik zag geen de minste vonken. De derde deed zich in het noord-noord-oosten van den tweeden aan mijn oog op; ik kon denzelven niet zo waarneemen, als ik wel gewenscht had, een vrij hooge berg bedekte hem bijna geheel aan mijn oog. Hij ontleent zijn naam van het nabuurig dorp Klutchefskaïa, en men zeide mij, dat ik ’er zeer digt voor bij zou komen; de twee andere vuur-bergen ontleenen insgelijks derzelver naamen van het Ostrog Tolbatchina, alwaar wij vroegtijdig aankwamen. Dit dorp is op de Kamschatka gelegen, vierenveertig wersten van Chapina; het bevat niets buitengemeens; wij vernamen ’er bij onze aankomst, dat men aldaar dien morgen twee Kamschatters getrouwt had; het deed mij leed die plegtigheid niet bijgewoond te hebben, die men mij verhaalde, dat bijna op dezelfde wijze als in Rusland geschiedde. Ik zag de nieuw getrouwde, die mij voorkwamen twee kinderen te zijn; ik vroeg na derzelver ouderdom, en men antwoordde mij dat de bruidegom weinig meer dan veertien jaaren, en de bruid ten hoogste elf bereikte. Diergelijke huwelijken zouden overal buiten Asia voor al te vroegtijdig gehouden worden.
Reize naar Nijenei-Kamschatka.
Ik had eene bijzondere begeerte om de stad Nijenei-Kamschatka te zien, en zedert lang was ik bedagt om aan die begeerte te voldoen. Ik zou gemeend hebben eenen onvergeeflijken misslag te begaan, indien ik dit schier-eiland verliet, zonder deszelfs hoofdstad te leeren kennen. Ik was van den anderen kant verzekert, dat mijne nieuwsgierigheid ten deezen opzichte geene belemmering kon toebrengen aan mijn voorneemen, om met allen mogelijken spoed te reizen. Ik was in der daad genoodzaakt een omweg te neemen, dog deeze was niet lang genoeg om mij eenig beletzel van belang te veroorzaaken. Na dat ik mijn reis met den Heer Kasloff overlegd had, die zich bevlijtigde om mij alles te verschaffen, waar door ik die reis met zekerheid en vermaak kon volbrengen, verbond ik mij om in het Ostrog van Yelofki mij weder bij hem te voegen, alwaar die Heer mij verwittigde, dat hij eenige dagen dagt door te brengen, om op verscheide zaaken van zijn bestier de nodige orders te stellen.
Ik verlaat den Heer Kasloff te Tolbatchina.
Om des te minder tijd te verliezen, nam ik zelfs den eigen avond van onze aankomst te Tolbatchina afscheid van hem; dog de wegen waaren nog slegter dan alle die, welke wij tot nog toe hadden doorgetrokken. Ik had alle moeite, om met het aanbreeken van den dag Kosirefski te bereiken. Dit dorp was zes en zestig wersten van Tolbatchina afgelegen.
1788. Februarij Den 7.
Voorvallen op mijn reis naar Nijenei-Kamschatka.
Ik hield mij aldaar niet op; ik was trots, dat ik gelukkig alle de gevaaren, welke ik geduurende den nagt op deeze ijsselijke wegen geloopen had, was te boven gekomen[84], ik dagt op den dag niets te vreezen te hebben, ik vervolgde mijn weg met eene zekere onbeschroomdheid, waar voor ik echter wel haast gestraft wierd. Na een meenigte wersten op de Kamschatka afgelegt te hebben, die ik blijde was weder te vinden, en welkers breedte ik ter deezer plaats bewonderde, wierd ik genoodzaakt dezelve te verlaaten, om in eene engte te komen, alwaar de sneeuw door de orkaanen aangebragt, eene oneffe en bedriegelijke oppervlakte vertoonde. Het was onmogelijk om de klippen, die mij omringden, te vermijden. Ik hoorde welhaast een gekraak, het welk mij de een of andere breuk aan mijn slêe aankondigde; en in der daad, een schaats was in twee-en gebroken, ik hielp mijne leidslieden dezelve zo goed en kwaad vermaaken, als wij konden, en wij hadden het geluk te Ouchkoff zonder eenig ander toeval aantekomen. Het was middernagt, wanneer wij ’er aankwamen, hebbende wij in deezen dag zes en zestig wersten afgelegt; mijn eerste zorg was om mijn slee te doen verstellen, het geen mij tot den volgenden dag ophield.
Ostrog van Ouchkoff.
Men ziet in dit dorp een isba en elf balagans; het getal van deszelfs inwoonders bestaat in vijf geslachten, die in drie Yourtes verdeeld zijn. In de nabuurschap van dit Ostrog word een zeer vischrijk meir gevonden, alwaar de nabuurige dorpen derzelver voorraad komen opdoen, dit meir is ook van zeer veel nut voor de hoofdplaats, welke zonder de visscherij, die daar in voor haar geschied, dikwils gebrek aan visch zou hebben, het welke men weet overal het eerste noodwendigste voedzel te zijn.
1788. Februarij Den 8.
Ostrog van Krestoff.
Ik vertrok in den vroegen morgen van Ouchkoff en op den middag had ik reeds vier en veertig wersten afgelegd, gedeeltelijk over de Kamschatka en gedeeltelijk over zeer uitgestrekte heiden; het eerste dorp, dat ik aantrof, was Krestoff, het scheen mij van een weinig meer belang te zijn dan het voorige, dog voor het overige volmaakt gelijk aan alle de anderen, ik bleef ’er niet langer dan nodig was om andere honden voortespannen. Tot daar toe had ik den weg genomen, die de Heer Kasloff moest volgen om naar Yelofki te gaan; dog in plaats van mij naar Katchina te begeeven gelijk hij deed, zo richte ik mijn weg van Krestoff naar het dorp van Klutchefskaïa, dat er dertig wersten van afgeleegen is.
Vuurberg van Klutchefskaïa
Het weder, dat zedert ons vertrek van Apatchin altoos zeer schoon en zeer koud was geweest, veranderde eensklaps in den agtermiddag; de hemel raakte met wolken bedekt, en de wind, die zich van den westkant verhief, gaf ons sneeuw in overvloed; dezelve hinderde ons geweldig, voor al om den vuurspuwenden berg van Klutchefskaïa te kunnen beschouwen, welken ik terzelfder tijd als dien van Tolbatchina gewaar was geworden. Zo veel mij mogelijk was om ’er van te oordeelen, is de berg, uit wiens boezem de stoffen voortkomen, veel hooger dan de twee anderen; deeze werpt geduurig vlammen uit, die uit het midden der sneeuw, waarmede de berg tot aan den top bedekt is, schijnen voorttekomen.
Inwoonders van Klutchefskaïa.
Bij het vallen van den nagt kwam ik aan het dorp Klutchefskaïa; deszelfs inwoonders zijn alle Siberische boeren, uit de omgelegen streeken van de Lena genomen, en in deeze oorden voor omtrent vijftig jaaren gezonden tot bearbeiding der gronden. Het getal der mannelijke persoonen, de kinderen daar onder begreepen, beloopt weinig meer dan vijftig; de kinderziekte viel onder hun alleen die geene aan, welke ze nog niet gehad hadden, dog zij rukte ’er meer dan de helft van weg. Deeze akkerlieden zijn niet minder gelukkig geweest, dan die, welke zich in den omtrek van Vercknei-Kamschatka bevinden; derzelver oogst en de hoedanigheid van het graan, zo van rogge als gerst, hebben dit jaar derzelver verwachting te boven gegaan; deeze boeren bezitten veel paarden in eigendom, eenige behooren nogtans aan de kroon.
Ostrog van Klutchefskaïa.
Dit Ostrog is vrij groot, het schijnt zulks nog te meer, dewijl het in twëe-en gescheiden is, waar van het eene omtrent vier honderd passen van het andere aflegt; het strekt zich voor al van het westen naar het oosten uit, het is in deeze laatste windstreek, dat de Kerk geplaatst is, ze is van hout gebouwd en in den smaak van de Russische kerken. De meeste der wooningen zijn beter gebouwde en netter isbas dan alle de geenen, die ik tot hier toe gezien had, ook vind men daar zeer ruime magazijnen; de balagans zijn ’er in een gering aantal, en ook gelijken ze niet na die der Kamschatters, deeze zijn van eene langwerpige gedaante, en derzelver dak, dat de helling van de onze heeft, is op stijlen geplaatst, die het in de lucht ondersteunen.
De Kamschatka loopt langs den voet van dit Ostrog, en was ter deezer plaats nog geheel digt; ze loopt menigmaal geduurende den zomer buiten haare oevers, het water rijst en dringt dan dikwils tot in de huizen, waarom het zeer goed is dat ze alle op de hoogte gebouwd zijn.
Vier wersten ten oosten van de Kerk van Klutchefskaïa, is nog een ander Zaïmka of klein gehugt, dat door Cosakken of Soldaten, die teffens akkerlieden zijn, bewoond word, wier oogst aan de regeering behoort; dog ik kon niet besluiten dien omweg te neemen, om het te gaan zien.
Ostrog van Kamini.
Ik hield mij maar weinig tijds te Klutchefskaïa op; ongeduldig om Nijenei te zien vertrok ik nog dien avond, om mij naar Kamini, een Kamschatsch dorp, twintig wersten verder gelegen, te begeeven. Ik kwam daar in het midden van den nagt aan, en reed het door.
1788. Februarij Den 9. Te Nijenei Kamschatka
Ostrogs van Kamokoff & van Tchoka.
Aankomst te Nijenei.
Voor den dag was ik te Kamokoff, twintig wersten van Kamini, welhaast bereikte ik Tchokofskoï of Tchoka, na nog twee en twintig wersten afgelegd te hebben, van daar tot aan Nijenei bleeven ’er nog twee-en twintig aftedoen, en deeze overtogt was voor mij ook maar het werk van eenige uuren; ik had het genoegen voor den middag in deeze hoofdplaats van Kamschatka aantekomen, die men reeds van verre ontdekt, dog welkers vertooning nog grootsch nog vermakelijk is.
Beschrijving van deeze hoofdplaats van Kamschatka.
Het zelve vertoond niet anders dan een verzameling van huizen, waar drie klokken boven uitsteeken, en is gelegen aan den oever van de Kamschatka, in een kom, welke door een keten van bergen geformeerd word, die zich van ronds om verheffen, dog ’er echter op een vrij grooten afstand van verwijderd zijn; zodanig is de gesteldheid van de stad Nijenei, waar van ik, eer ik ze gezien had, meerdere verwachting had; alle deeze huizen, die men mij zeide in honderd vijftig te bestaan, zijn van hout, van een zeer kwaaden smaak, klein, en hadden als toen daar en boven de onaangenaamheid van onder de sneeuw begraven te zijn, die de orcaanen daar opgehoopt hadden. Deeze hebben zonder tusschenpoozing op die hoogte geheerscht, en waaren eerst zedert eenige dagen opgehouden. Daar zijn twee kerken te Nijenei, de eene is in de stad en heeft twee klokken, de andere, tot het fort behoorende, is daar binnen beslooten; deeze twee gebouwen zijn van een onbehaaglijk maakzel; het fort is bijna in het midden van de stad, het bestaat in eene vrij ruime palissadeering, van een vierkante gedaante. Behalven de kerk, waar van ik zo even gesprooken heb, besluit deeze omtrek daar en boven de magazijnen, het tuig en wagthuis; één schildwagt belet dag en nagt het inkomen; het huis van den bevelhebber van de plaats, den Heer Major Orléankoff, is bij het fort gelegen, en is even als de andere huizen, behalven dat het grooter is, het zelve is van geen beter smaak, nog hooger gebouwd.
Ik trad af bij een ongelukkigen banneling genaamt Snasidoff, die bijna ter zelver tijd met Ivaschkin een gelijk lot had ondergaan, dog om andere oorzaaken; hij is evenals deeze zedert het Jaar 1744 naar Kamschatka gebannen.
Naauwlijks was ik daar, of ik ontfing een bezoek van een Officier, dien de Heer Orléankoff mij zond, om mij over mijn behouden aankomst te begroeten; hij wierd van verscheide der voornaamste Officieren van de stad gevolgd, die beurtelings mij derzelver dienst op de verplichtendste wijs des waerelds kwamen aanbieden. Ik betuigde hun, hoe gevoelig ik over derzelver beleeftheid was, dog in den grond jammerde het mij, dat ze mij voorgekomen waaren, ook haaste ik mij, zo dra ik gekleed was, om aan ieder mijne dankzeggingen te gaan betuigen. Ik begon met den Heer Major Orléankoff, en vond hem bezig in de toebereidzelen van een feest, het geen hij den volgenden dag geeven moest, ter gelegenheid van het huwelijk van een Pool in Russischen dienst, met de nigt van den protapope of aartspriester. Hij had niet alleen de beleeftheid van mij op die bruiloft, waar van hij al de kosten droeg, te verzoeken, dog hij had daar en boven de oplettenheid van mij des anderen daags morgens te komen zien, en mij met zich te neemen, ten einde ik niets van dat schouwtoneel zou missen, het geen hij met reden voor mij belangrijk oordeelde.