← Table of contents
Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps

TWEEDE DEEL.

Reading edition

Met Plaaten en Kaarten.

Illustration from Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Te UTRECHT, By B. WILD en J. ALTHEER, 1792.

Kaart 2
Kaart 2

Grote versie van de kaart, 513 kB.

Lijn
Lijn

REIZE VAN DEN HEER DE LESSEPS, UIT KAMSCHATKA naar FRANKRYK.

1788. Maart Den 18.

Vertrek van Poustaretsk.

Eindelijk kwam de 18. Maart en ik nam afscheid van den Heer Kasloff. Ik zal van ons jongst vaarwel niet gewaagen, men zal ligt bevatten, dat het zelve zo teder als moeijelijk was; Ik vertrok des morgens ten negen uuren van Poustaretsk, en wel op een overdekte slêe, bespannen met zeven honden, die ik zelfs mende, de soldaat die gelast was om mij ten geleide te verstrekken, had ’er agt voor de zijne; voor ons uit reed een wegwijzer, genomen uit de inwoonders van dit gehugt,[104] en deeze voerde de slêe, waar op het reisgoed gelaaden was: twaalf honden waaren voor die slêe gespannen, in dewelke het overschot van mijne goederen en onzen voorraad was; ook wierd ik van den Heer Schmaleff en de onder-officieren van zijn gevolg verzeld; dog in plaats van ons gezamentlijk naar Ingiga te begeeven, zo als onze afspraak was, scheidden wij eenige dagen daar na.

Uit Poustaretsk komende begaven wij ons op de golf. In het eerst was onze togt vrij gemaklijk, het ijs was overal sterk en effen, in weinig uuren bereikten wij den mond; daar wierd de weg moeijelijker; verplicht over de zee te reizen zonder ons van den oever te verwijderen, ontmoeteden wij telkens ijsklompen, die als zo veele klippen scheenen, tegens dewelken wij verbrijzeld konden geraaken. Te vergeefs wilden wij beproeven, om ze door omwegen te vermijden, de oneffen keten van deeze bergjes strekte zich langs de kust uit, en belette ons den doortogt; wij moesten besluiten van dezelve over te rijden; met gevaar van bij iederen stap omvergeworpen te zullen worden; meer dan eens, ontsnapte ik het, om mij in deeze tuimelingen gevaarlijk te kwetsen; mijn snaphaan, dien ik aan mijn slêe had vastgemaakt, wierd verwrongen en als een boog gekromd, verscheidene mijner medemakkers kreegen zwaare kneuzingen, geen één kwam ’er zonder eenig letzel af.

Verlaate gehugt.

Bij het vallen van den nagt bereikten wij een gehugt, gelegen aan den oever van de zee, en bestaande uit twee yourtes en drie balagans in een zeer slegten staat en geheel verlaaten; de eenigste man, welke de yourte bewoonde, waar wij ingingen, had zich op onze aankomst van daar begeeven.[105] Ik vernam van een der onzen, die derwaarts vooruitgereden was, dat deeze man een Chaman of tovenaar was, die, wanneer hij vernomen had, dat wij den volgenden dag moesten aankomen, van schrik bevangen, dadelijk bij de Oluteriers was gevlugt,[106] hij zou daar blijven, tot dat de Heer Kasloff voorbij was.

Ontdekking van voorraad in dit gehugt verborgen.

De Kosak, die mij deeze bijzonderheden verhaalde, was door den Heer Schmaleff daags voor ons vertrek vooruitgezonden, deeze had hem bevolen van in dit gehugt stiltehouden, en aldaar, terwijl hij ons afwachtte, onderzoek te doen, of ’er geen voorraad van visch in de eene of andere onderaardsche kelder verborgen was; deeze voorzorg was ons van veel nut, de Kosak bragt ons bij onze aankomst naar een keldertje, dat hij ontdekt had, wij vonden het zelve vol visch, en ik maakte mij van een goed gedeelte meester, dewijl ik maar voor twee dagen leevensmiddelen van Poustaretsk mêegenomen had.

1788. Maart Den 19.

Een zeer lastige dag.

Den 19 begaven wij ons wederom in den vroegen morgen op weg; deeze dag was nog vermoeijender dan de voorige, de weg was verschriklijk, meer dan twintigmaal zag ik mijn slêe op het punt van verbrijzeld te worden, en het zou ’er mede gedaan geweest zijn, indien ik niet eindelijk beslooten had om te voet te gaan; Ik wierd daar toe genoodzaakt, wilde ik mij zelfs aan de gevaaren van het omvallen niet blootstellen, zo dat ik bijna den geheelen dag moest wandelen, dog ik ontweek het eene kwaad maar, om in het andere te vallen.

Onvoorzigtigheid die mijne gezondheid benadeelde.

Na verloop van eenige uuren gevoelde ik mij zodanig vermoeid, dat ik weer op mijn slee stapte, en in dit oogenblik wierd dezelve overzij gesmeeten, zo dat mij de lust verging; Ik wierd genoodzaakt om mij zo goed voort te sleepen, als ik kon, mijne beenen waggelden onder mij, ik was zeer bezweet, en eene hevige dorst kwam nog bij mijne vermoeidheid; de sneeuw verschafte mij maar een zwak hulpmiddel, niets kon mij laaven, bij ongeluk wierd ik een kleine rivier gewaar, uit nooddwang ging ik derwaarts, en zonder de gevolgen van mijne onvoorzigtigheid te berekenen, was mijn eerste werk om het ijs te breeken en zulks aan mijnen mond te brengen; het duurde niet lang, of ik beklaagde mij deeze zuiver werktuigelijke onbedagtzaamheid, mijn dorst was gelescht, dog van de groote hette, waar over ik te onvreden was, geraakte ik eensklaps in het tegenovergestelde uiterste, eene doorgaande koude beving mij en alle mijne leden beefden.

Rustplaats.

De koude van den nagt vermeerderde mijne grillingen, en ik wierd zo zwak, dat het mij onmogelijk was verder te gaan, ik verzogt mijne mede-reizigers, om in het midden van deeze woestijn stil te houden; uit achting voor mij stemden zij daar in toe, want de moeijelijkheid, om zich hout te verschaffen, maakte dit hun niet zeer begeerlijk, naauwlijks had men zoveel geraapt, dat men de ketel kon overhangen, dit bepaalde zich tot eenige kleine geheel groene heesters, die niet branden wilden; wij rekenden ons zeer gelukkig, dat wij thee konden drinken.

van den 20. tot den 24.

De beweeging doet mij herstellen.

Na daar eenige koppen van genomen te hebben, begaf ik mij onder mijne tent,[107] ik lag mij op een kleine matras, die op de sneeuw geplaatst was, en dekte mij met verscheidene bontwerken, in de hoop van de uitwaasseming weder te zullen herstellen, dan dit was tevergeefs, en ik deed den gantschen nagt geen oog toe. Bij de benaauwtheden van eene heete en brandende koorts voegden zich eene geduurige bezetheid op de borst, en de gewoonlijke ongerustheid bij de eerste voortekens van eene ziekte. Ik erken, dat ik mij verbeeldde gevaarlijk ziek te zijn, te meer, toen ik bij mijn opstaan geen geluid kon geeven. Ik leed geweldig op de borst en in de keel, de koorts was niet verminderd, nogtans deed mij het denkbeeld, dat een langer rust mij van geen nut kon weezen, en dat ik geen hulp kon erlangen, dan met voorwaards te trekken, het besluit neemen om mijn lijden voor den Heer Schmaleff te verbergen. Ik was de eerste, die van vertrekken sprak, dog daar in raadpleegde ik meer mijne drift dan wel mijne krachten.

Ik had maar weinige wersten afgelegt, wanneer mijne smerten onverdraaglijk wierden, ik was verplicht zelfs te mennen, en daar door in eene geduurige beweeging te zijn, somtijds was ik daar en boven door de slegte wegen genoodzaakt naast mijn slêe te loopen, of tot mijne honden te spreeken om ze voort te doen gaan, mijne heeschheid liet niet toe om mij te doen verstaan, ik kon daar toe niet geraaken, dan met poogingen te doen, die mij de krachten benamen en de borst als van een scheurden. Behalven deeze pijniging had ik reden om over die beweeging te vreden te zijn; zo moeijelijk als ze ook was, zo heilzaam wierd mij dezelve, langzamerhand bevorderde ze de uitwaasseming, des avonds haalde ik vrijer adem, de koorts verliet mij, en ik behield alleen eene zwaare verkoudheid, die ik in weinig dagen kwijt raakte. Eene dagelijksche vermoeijing was mijn eenigste hulpmiddel, ik droeg voor al zorg, om het zweet dat mij daar door bezorgd wierd, aan den gang te houden, en ik ben overtuigd, dat ik daar aan alleen mijne spoedige geneezing te danken had; wat ’er van zij, mijn borst had zodanig geleden, dat ze ’er nog lang gevoel van gehad heeft.

In dien tusschentijd had ik ten minsten niet van de strengheid der winden te lijden, de lucht was bedaard en het wêer helder, wij hadden als toen de schoonste winterdagen, zonder dat had ik misschien nimmer mijn Vaderland wederom gezien; dog de Hemel scheen mijn togt te begunstigen, om mij het geen ik geleden had te doen vergeeten.

Ontmoeting van drie Convooijen die aan den Heer Kasloff gezonden wierden.

Welhaast volgde de levendigste vreugd op de droefheid, die mij overstelpt had, wij ontmoeteden in verscheide bezendingen drie Convooijen voor den Heer Kasloff door den Sergeant Kabéchoff afgezonden! Deeze onverwachte hulp verschafte mij des te meer vermaak, als ik mij zonder ophouden voor den geest bragt den beklaagelijken staat, in welken ik dien bevelhebber gelaaten had. Welk eene spoedige verandering in zijne omstandigheden! honderd vijftig vlugge en wel doorvoede honden gingen hem te gemoet en bragten hem leevensmiddelen aan; hij kan, zeide ik tot mij zelfs, den volgenden dag vertrekken, en in dien ik mij niet meer vleijen kan van hem wedertezien, ten minsten zal hij buiten verlegenheid zijn; deeze zekerheid stelde mij omtrent zijn lot gerust.

De Soldaat, die deeze bezending begeleide, bood mij aan een gedeelte van deezen voorraad te geeven, dog ik wachtte mij wel om ze aanteneemen; dezelve was zo overvloedig niet en daar en boven hadden wij ze niet nodig, ik hield hem dan niet langer op als noodzakelijk was.

Voor dat hij mij verliet, verhaalde hij mij dat de Prins Eitel of het opperhoofd der Koriaken van Kaminoi, dien men van oproerigheid beschuldigt had, in aantogt was om in persoon den Heer Commandant van het tegendeel te gaan overtuigen.

Onzen weg vervolgende, vonden wij aan de overkant van eene kleine rivier, omzoomd van eenig heestergewas, een keten van steile bergen, die wij de een na den ander moesten overtrekken, vervolgens kwamen wij op eene andere rivier genaamt Talofka; deszelfs twee oevers verwijderen zich, naarmaate dat men den mond nadert, ze zijn met houtgewas bezet, en ik zag daar vrij zwaare boomen; wij verlieten deeze rivier op eenige afstand van Kaminoi, om een ruim hei-veld over te trekken, en vervolgens een groot meir; eindelijk, gingen wij over de rivier de Pengina bijna aan deszelfs mond, en in de richting van het zuid-oosten naar het noord-westen.

Overtogt van de rivier van Pengina.

Deszelfs breedte is verbaazend, het gezicht der ysschotzen, welke ze bedekten, en die tot eene verschrikkelijke hoogte op den anderen gehoopt waaren, zou mij nog schilderachtiger toegescheenen hebben, indien wij maar een gemaklijker weg hadden kunnen neemen, dog ’er was geen keus, zo dat wij, om zo te spreeken, onze honden en sleeden van den eenen schots op den anderen moesten hijssen; men kan gemaklijk oordeelen over de moeijelijkheid en de langduurigheid van deezen arbeid, ik had alle moeite van de waereld om ’er wel aftekomen.

Aankomst te Kaminoi.

Wij waaren nog bijna twee uuren bezig om tot Kaminoi te geraaken, alwaar wij den 24. voordemiddag binnenkwamen, wij wierden ’er door de inwooners uitermaate wel ontfangen. In de afwezigheid van Eitel, voerde een ander Prins genaamt Eila het bevel over hun, hij kwam ons te gemoet, verzeld van het Russisch detachement, men geleide ons naar de yourte van Eitel, die zedert lang tegens de aankomst van den Heer Kasloff schoongemaakt en toebereid was.

Deeze Eila betoonde ons alle eerbewijzingen, wij hadden altoos een schildwagt aan de deur, zijn order was van dezelve niet te openen, dan voor die geenen, welken wij meenden het minste te moeten mistrouwen.

1788. Maart. Den 24. Te Kaminoi.

Rechtvaardiging van deeze Koriaken, valschelijk van oproer beschuldigt.

Het was niet alleen, dat de gerugten van oproer, die men op rekening van deeze Koriaken verspreid had, ons klaarblijkelijk valsch toegescheenen hadden;[108] hun gedrag ten onzen opzichte en het onthaal, het welk zij zich voorstelden aan den Heer Commandant te doen, kon geen de minste twijffel overlaaten omtrent hunne tegenwoordige geneigtheid; ook was het niet te denken, dat dit alles het uitwerkzel was van de tegenwoordigheid der van Ingiga gezondene Soldaaten. De ellende waar toe die gebragt waaren[109], stelde hun buiten staat, om aan menschen die een zodanigen aart als deeze Koriaken bezaten, schrik aan te jaagen; zij geeven te weinig om het leeven, zo ik als nader zal doen zien, om immer bevreest gemaakt te kunnen worden, niets zou in staat geweest zijn om hun te kunnen wederhouden, indien ze de minste reden van misnoegen gehad hadden.

Het gezicht van het Canon en van deeze gewapende Kosakken, die echter in het dorp getrokken waaren zonder eenig vijandelijk oogmerk aantekondigen, had hun in het eerst eenige ongerustheid veroorzaakt; al aanstonds wendden zij zich tot den Onderofficier, die het bevel voerde, en vorderden van hem een verklaaring, of hij het op hun vrijheid kwam toeleggen dan of hij hun kwam uitroeijen; daar bijvoegende, dat, indien de Russen zodanige voornemens hadden, alle de Koriaken zich liever zouden laaten dooden dan zich onderwerpen. Die Onder-officier stelde hun gerust, hen zeer verstandig antwoordende, dat het oogmerk van zijne zending hen geenszints ontrusten moest; dat hij gelast was om den Heer Kasloff te gemoet te gaan; dat dit een eerbewijs was het geen men aan zijn rang verschuldigt, en voorgeschreeven was door de Krijgswetten in Rusland omtrent de Commandanten, wanneer zij door de plaatsen van hun gebied trokken. Deeze opheldering was voldoende om alle agterdogt te verdrijven, en van dat tijdstip af leefden Koriaken en Russen in de beste verstandhouding. De gerustheid der eerste was zo groot, dat zij geen de minste maatregels namen ingeval van verrassing, zij zouden zelfs geene acht gegeeven hebben op het langduurig verblijf van deeze soldaaten onder hun, indien het gebrek hun deeze gasten niet zeer tot last had doen worden.

1788. Maart Den 25. Te Kaminoi.

Ik had niet gedagt langer te Kaminoi te blijven, dan noodig was om mijne honden te laaten uitrusten, dog in den nagt van den 24 op den 25. wierd de lucht bezet, en eenige rukwinden bedreigden ons met eenen aanstaanden storm; de vrees dat die mij in het open veld mogt overvallen, deed mij mijn vertrek uitstellen.

Beschrijving van Kaminoi.

Dit Ostrog, drie honderd wersten van Poustaretsk verwijderd, is op eene hoogte bijna aan den oever van de zee, en aan de mond van de rivier de Pengina gelegen; het bevat een groot getal balagans en een twaalftal zeer ruime yourtes, gebouwd in den smaak van die, welke ik reeds beschreeven heb. Hoe zeer digt bij den anderen geplaatst, beslaan deeze wooningen een aanmerkelijke plek gronds; de palissaden waar van ze omringt waaren, zijn met speeren, boogen, pijlen en snaphaanen behangen; deeze palissaden zijn dikker en hooger dan die der Kamschatsche yourtes. Onder beschutting van die jammerhartige vestingwerken achten deeze Koriaken zich onoverwinlijk; het is van daar, dat zij de aanvallen hunner vijanden afkeeren, onder anderen die der Tchouktchis, hunne gedugtste nabuuren, zo om derzelver menigte als om derzelver kloekmoedigheid[110].

De bevolking te Kaminoi beliep als toen weinig meer dan drie honderd menschen, zo mannen, vrouwen als kinderen. Ik zal nog niets van derzelver zeden vermelden, ik verschuif alle bijzonderheden over dit onderwerp tot op mijn komst te Ingiga, alwaar ik binnen weinig dagen hoop aantekomen.

Aanmerkingen over eenige baidars.

Ik zag nog voor mijn vertrek een twintigtal baidars of booten van verschillende grootte. Dezelve geleeken na die, waar van ik voor mijn vertrek van Khaluli gesprooken heb[111]. Alleen scheen derzelver maakzel vrij beeter, en haare ligtheid meer geschikt, voor de scheepvaart. Derzelver ongemeene breedte behaagde mij ook zeer, verscheiden van deeze baidars konden vijf en twintig a dertig persoonen bevatten.

De Heer Schmaleff is genoodzaakt mij te verlaaten.

Zedert onze aankomst had de Heer Schmaleff reeds voorzien, dat het hem niet gemaklijk zou vallen om met mij dit dorp te verlaaten; dagelijks van den morgen tot den avond door alle de Soldaaten van het detachement overvallen, die hem hunnen hooggaanden nood kwamen voorstellen, rekende hij het van zijn plicht, om dezelve niet te verlaaten, maar om van alle de hulpmiddelen, welke zijn post en eene volmaakte kennis van het land hem aan de hand gaven, ter hunner ondersteuning gebruik te maaken. Hoe zeer hij even ongeduldig was als ik om zich naar Ingiga te begeeven, alwaar zijn broeder hem zedert lang wachtte, besloot hij echter om mij alleen te laaten vertrekken.

Hij geeft mij eenen Soldaat genaamt Yegor Golikoff.

Hij gaf mij daar van met moeite kennis, en drong mij om een vertrouwd soldaat genaamt Yégor-Golikoff mede te nemen; dit was, zeide hij mij, een wezentlijk geschenk, het geen hij mij meende te doen, en men zal in het vervolg zien, dat hij de waarheid gesproken had.[112]

Een dusdanig vriendlijk gedrag vermeerderde mijn leedweezen, zo spoedig genoodzaakt te zijn, om dien waardigen en braaven Officier te verlaaten; mijne erkentenis omtrent hem wenschte hier te kunnen herhaalen, het geen de Engelschen van zijn menschlievendheid en beleeftheid vermeld hebben, dog ik laat voor den Heer Graaf de la Pérouse het vermaak over, om de schuld van allen, die tot onzen togt behoorden, te vereffenen, aan welke de Heer Schmaleff geduurende hun verblijf te St. Pieter & Paulus zich bevlijtigd had alle diensten te bewijzen, die in zijn vermogen waaren.

1788. Maart Den 26. Vertrek van Kaminoi.

Vertrek van Chestokovæ.

Ik vertrok den 26. des morgens ten agt uuren van Kaminoi, met vrij goed weer[113]; vijftien wersten verder vond ik dezelfde keten van bergen, die ik aan den anderen kant van dat dorp ontmoet had, ik trok ze op nieuw over, vervolgens een rivier, genaamt Chestokova na een Russisch onder-officier, die aldaar aan het hoofd van een detachement van vijftig Kosakken gedood wierd, derwaards gezonden om eenige oproerige Koriaken in toom te houden; deeze verrasten hem, onder begunstiging van den nagt, aan den oever van deeze rivier, en lieten ’er geen een van ontkomen, alle de Russen wierden vermoord. Ik hield ter zelfder plaatse stil.

Stormwind.

Ik ontwaakte door een allerhevigsten storm, draaijkringen van sneeuw verduisterden de lucht, naauwlijks kon men onderscheiden of het dag was; niettegenstaande deezen ijsselijken orcaan besloot ik mij weder op weg te begeeven, dog ik kon mijne leidslieden maar niet beweegen om het te beproeven, zij weigerden de plaats te verlaaten, uit vreeze van te verdwaalen, en van andere gevaaren te loopen door een zo slegt weder.

1788. Maart Den 27.

Aankomst van zeven Tchouktchis.

Daar mij alles tegenliep, begaf ik mij vrij misnoegd in mijn tent; des middags wierd ik aangenaam verrast door de aankomst van zeven Tchouktchis, zij waaren op sleeden gezeten, gelijk aan die van de zwervende Koriaken, en insgelijks door rendieren voortgetrokken. Ik ontfing dezelve onder mijn tent en verzogt hun daar te blijven, tot dat de bui over was, ik kon hen niets aangenaamers voorstellen, na ik uit het vergenoegd gelaat, het geen mijn aanbod op alle de aangezichten verspreide, moest oordeelen.

Gesprek met hun Opperhoofd.

Onder deeze Tchouktchis bevond zich het hoofd van de horde of bende, genaamt Tummé; hij nam aanstonds het woord om mij te betuigen, hoe gevoelig zij waaren over mijn vriendelijk onthaal, hij verzekerde mij, dat zedert ze van mij hadden hooren spreeken, hun grootste verlangen daar in bestaan had om mij te leeren kennen, dat hun eenigste vrees geweest was, dat ze mij niet zouden ontmoeten, dat zij nimmer mijne gedaante nog mijne beleeftheden zouden vergeeten, en dat zij daar van een naauwkeurig verslag aan hunne landsgenooten zouden doen; uitvoerige dankzeggingen waaren mijne antwoorden, door dewelke ik hun deed begrijpen, dat men mij van hunne begeerte om mij te zien reeds verwittigd had, en dat ik niet minder dan zij naar deeze bijeenkomst had verlangd.

Als toen wierd het gesprek algemeener; het zelve liep over verscbeide onderwerpen, voornamentlijk over hun en mijn vaderland; mijne nieuwsgierigheid evenaarde de hunne, het was over en weer een geduurig vraagen. Wanneer ik hen verhaalde, dat ik om wederom in Frankrijk te komen, de stad, welke derzelver Souvereine bewoonde, moest doortrekken, verzogten ze mij om aan Haar van hun een getrouw verslag te doen, en aan haaren Throon het getuigenis afteleggen van hunnen eerbied en gehoorzaamheid; zij voegden daar bij, dat zij zich tegenswoordig des te gelukkiger achten, om schattingschuldigen van Rusland te zijn, dewijl zij in hunnen handel met de Russen dagelijks van derzelver kant de grootste gerieflijkheid en blijken van genegenheid, welke hun zeer aangenaam waaren, ondervonden; zij waaren voornamentlijk zeer te vreden over den Heer Gaguen, bevelhebber van Ingiga.

Het jammerde hun uit hoofde van deeze goede behandeling, van niet in de gelegenheid te zijn, om met de Russen meerdere betrekkingen te onderhouden; het geschiktste middel, zeiden ze, om alle de moeijelijkheden te vereffenen, zou zijn, dat deeze wederom eene nieuwe volkplanting op de rivier Anadir kwamen stichten, zij beloofden, dat ze voortaan, verre van ze te verontrusten, zouden trachten om dezelve door alle betooningen van vriendschap de onrechtvaardigheid van hun gehouden gedrag te doen vergeeten; dit had zijn oorsprong genomen uit eene dwaaling, die hun met de Koriaken gemeen was; zij verbeelden zich eertijds, dat het geheele Russische volk bestond in dat klein getal persoonen, die zich onverschrokken op hunnen grond en in hunne nabuurschap kwamen neerzetten; door een vrij natuurlijk gevoel van naiever zagen deeze volkeren in die Emigranten, wier vernuft en arbeidzaamheid hun verdagt voorkwamen, zo veele vijanden; zij meenden het hun dringendst belang te zijn om ’er zich van te ontdoen, overtuigd dat, met dezelve uitteroeijen, zij daar van het geheele geslacht vernietigden.

De Tchouktchis erkenden, dat zij hunne dooling en ongelijk ontwaar waaren geworden, zo dra ze de Russen hadden leeren kennen. Te vergeefsch zou men hun thans tot een opstand aanzetten, zij waaren integendeel geneigd om de geheime oproerige laagen van een Prins of Opperhoofd der Tchouktchis, die een vaste woonplaats hadden, genaamt Khérourgui, te veriedelen, het zij door zijn gezag intebinden, of zelfs met hem aan de Russen overteleveren.

Niet kunnende bevatten, in welk gedeelte van de waereld ik gebooren was, vroegen ze mij of mijn vaderland niet aan de andere zijde van de groote rivier gelegen was; om hun te kunnen antwoorden, wilde ik eerst weten, wat zij daar door verstonden; ziet hier het zelve: zij verbeelden zich, dat aan geene kant van Rusland, waar van zij naauwlijks een denkbeeld hebben, een zeer groote Rivier is, die het van een ander land, dat door verscheide volken bewoond word, afscheid.

Het was niet gemaklijk hun hier omtrent intelichten, ik sprak een wijle tijds tot hun, zonder dat zij een woord van mijne aardrijkskundige verhandeling begreepen; zij hadden geen het minste juiste denkbeeld nog van de uitgestrektheid nog van het getal der landen, het was hun niet minder moeijelijk om eenig begrip te vormen van de sterkte of rijkdom van een staat, en van de magt van een Souverein. Nimmer hadden zij zelfs getragt om al het zelve van Rusland na te gaan; om hen daar van duidelijk te doen oordeelen, was ik verplicht hun den overvloed van de voortbrengzelen, van de geldspecien en van de bevolking van dat rijk optehelderen, door eene vergelijking, genomen van de meenigte der dieren waar op ze jagt maaken, en van de hoeveelheid visch, die ze jaarlijks vangen, zonder dat hunne rivieren daar door uitgeput worden. Deeze ophelderingen, hun zo na mij mogelijk was aan het verstand gebragt, behaagden hun ongemeen; ik bediende mij van dezelve leerwijze om hen de uitgestrektheid te leeren bevatten; de ruimte van mijne tent gebruikte ik het eerst tot mijne betoogingen, vervolgens nam ik een vel papier, en maakte daar een Geographische kaart van, ten einde hun ten naasten bij de gelegenheid en den afstand van Rusland en Frankrijk, in betrekking van hun land, aanteduiden.

Het was niet zonder moeite, dat ik mij deed begrijpen. Ik achte mij daar voor wel beloond, door den aandagt en het belang, waar mede zij mij hoorden. Over het algemeen was ik verwonderd over derzelver sterkte van geest, en over de begeerte die zij toonden om onderricht te verkrijgen. Daar in boven hunne nabuuren de Koriaken verheven, schijnen ze ook meer het geen ze spreeken, zien en hooren, te overweegen; deeze twee volkeren hebben bijna dezelfde taal; het eenigste onderscheid, dat ik in de wijze van spreeken der Tchouktchis bemerkte, bestaat daar in dat zij de laatste letters der woorden uitrekken, en dat derzelver uitspraak veel zagter en langzaamer is, dan die der Koriaken; met behulp van mijn wegwijzer, die mij voor tolk diende, hield ik zeer wel het gesprek aan den gang.

Mijne oplettenheid in het bezichtigen hunner kleeding wekte in hun de begeerte op om insgelijks Fransche te kennen[114], en ik liet mijn monteering uit de mantelzak haalen; op deszelfs gezicht was de verwondering op elks gelaat verspreid, ieder wilde ze eerst betasten, en elk vergaste zich op deszelfs zonderlingheid en fraaijheid. Mijne knoopen met het Fransche wapenschild trokken boven al derzelver aandacht; ik moest op nieuw alle mijne scherpzinnigheid te werk stellen, om hun op eene bevatbaare wijze te doen begrijpen, wat dit graveersel verbeelde, en waartoe zulks diende; zij lieten mij niet uitspreeken, zij sprongen over mijne knoopen, en verzogten mij zonder ophouden van ’er hun allen eenige van te geeven, ik stemde daar in toe op de beloften, die zij mij deeden, van dezelve met groote zorgvuldigheid te zullen gade staan. Hun oogmerk met ze te bewaaren, was om daar van een herkenningsteken te maaken, het geen zij aan allen, die op hunne kusten mogten aanlanden, zouden laaten zien, in de hoop, dat ’er eindelijk mogelijk de een of andere Franschman zou aankomen.

Hunne landsgenooten hadden wel voor eenige jaaren Engelschen gezien: „Waarom, zeiden zij, zouden de Franschen ons ook niet komen bezoeken? zij konden verzekert zijn van door ons met vreugde en hartelijke vriendschap te zullen ontfangen worden”. Ik bedankte hun voor derzelver vriendelijke genegenheid, dog ik verborg voor hun niet, dat onze afgelegenheid een hinderpaal was om dikwils van hunnen goeden wil de proef te neemen, ik beloofde hun echter, dat ik bij mijn komst in mijn Vaderland daar van een getrouw getuigenis zou afleggen.

Na hun zo veel mogelijk op tabak onthaald te hebben, dewijl ik met niets hen meer vermaak kon aandoen, scheiden wij de beste vrienden des waerelds; zij zeiden mij in het heengaan, dat ik misschien spoedig hunne goederen en vrouwen zou ontmoeten, die ze agter gelaaten hadden, ten einde meer spoed te kunnen maaken.

Weinig tijds na het vertrek van deeze Tchouktchis stilde de wind, en ik begaf mij op weg.

1788. Maart Den 28.

Des anderendaags, op het oogenblik, wanneer ik dagt stil te houden bij een bosch, alwaar ik een gemaklijke rustplaats ontdekt had, wierd ik verder voor mij uit eene talrijke kudde van rendieren gewaar, die op de kruin van een berg in vrijheid liepen weiden; wanneer ik met oplettenheid derwaarts zag, onderscheide ik eenige manspersoonen, die ze scheenen te bewaaken. Ik wist in het eerst niet, of ik dezelve moest vermijden dan mij bij hun voegen, dog de nieuwsgierigheid haalde het over, en ik trok voort om hun van nader bij te zien.

Ontmoeting van het gevolg deezer Tchouktchis.

Men zou gezegt hebben, dat ik het bosch langs trekkende hun spoedig zou bereiken. Ik twijffelde echter niet, dat wanneer ik aan het einde kwam, ik nog van dezelve zou afgescheiden zijn door eene vrij breede rivier, waar van ik een quartier uurs te vooren een kleinen arm overgetrokken was. Terwijl ik van den eenen oever tot den anderen deeze lieden beschouwde, wierd ik door twee vrouwen aangesprooken, die in den omtrek wandelden; de oudste voerde het woord, en hoe groot was mijne verwondering, van haar beide Russisch te hooren spreeken! Zij verhaalden mij dat ik omtrent twee honderd treden van de legerplaats der Tchouktschis af was, die het bosch voor mijn oog bedekt hield; wanneer ik op de rivier kwam, zag ik in der daad de sleeden en de tenten, en ik verzogt die vrouwen mij derwaarts te geleiden.

Geschiedenis van de twee vrouwen die mij aangesproken hadden.

Onder weg vroeg ik hun, van waar zij waaren, dewijl derzelver spraak niet te kennen gaf, dat zij onder dit volk gebooren waren of altoos geleeft hadden.

De eene verhaalde mij, dat ze een Russische was, en dat de moederlijke liefde haar noopte om deeze Tchouktchis te volgen; gevaaren, vermoeijenissen, kwaade bejegeningen, alles braveerde zij, in het vuurig verlangen van zich met hun naar derzelver land te begeeven, ten einde haar dogter te rug te vorderen, die daar in gijzeling gehouden wierd: ziet hier hoe zij dezelve verlooren had.

Dit jonge kind reisde twee jaar geleeden met haar vader en verscheide andere Russen op de rivier de Pengina; deeze Caravane, bestaande uit negen persoonen, trok gerust voorwaards tot in het midden der Koriaken, welke als toen door een gedeelte der Tchouktchis bedreigd wierden, aan welkers hoofd zich diezelfde Kérourgui bevond, van wien hier boven gesproken is. Om deeze gevaarlijke vijanden van zich aftewenden, bedagten de Koriaken om hen van den doortogt dezer vreemdelingen bericht te geeven[115], even als van een roof, die ze zich niet moesten laaten ontsnappen; deeze kunstgreep gelukte; verleid door het lokaas van een grooten buit in ijzer en tabak, vervolgde die Tchouktchis deeze reizigers, derzelver moed kon hun niet behouden, vier kwamen met de wapenen in de hand om, en wierden slachtoffers van hunnen nutteloozen tegenstand. De man van deeze vrouw wierd gedood, terwijl hij zijn dogter verdedigde, die de overwinnaars uit zijne armen rukten, en haar benevens zijne drie overige ongelukkige lotgenooten wegvoerden; zedert dien tijd hadden de Russen niet afgelaaten van onophoudelijk de teruggaaf deezer gevangenen te vorderen, ook hadden zij daar wel de beloften toe verkreegen, dog tot op dien dag waaren ’er maar twee van ontslaagen.

Het aandoenlijk verhaal van deeze ongelukkige moeder, waar in zij meer dan eens door haare traanen verhinderd wierd, boezemde mij voor haar de levendigste belangneeming in; zonder nog te weeten, of mijne bemiddeling van eenig gewicht bij deeze Tchouktchis kon zijn, gevoelde ik mij reeds aangespoord om mijne poogingen bij de haare te voegen, en ik had het genoegen van te ondervinden, dat dezelve niet vrugteloos waaren.

Van de andere vrouw vernam ik, dat zij eene Tchouktchische van geboorte was; in haare jeugd was zij door de Russen op de rivier Anadir gevangen genomen; naar Yakoutsk gebragt, wierd zij daar gedoopt en zo veel mooglijk onderweezen. Vervolgens had haar een soldaat getrouwt, die na verloop van eenige jaaren was komen te sterven; en eindelijk was zij op bevel van de regeering naar haar vaderland met haare kinderen te rug gekeerd, ten einde aldaar van de verplichtingen, die zij aan de Russen had, te kunnen getuigen; haar was aanbevolen, om alle de bijzonderheden, daar van ter kennis van de Tchouktchis, zelfs van die het wijdafgelegenste waaren, te brengen[116], als mede om hun te doen begrijpen, dat ze oneindige voordeelen zouden vinden in het oprichten van eenen veiligen en vreedzaamen handel met haare weldoenders.

Deeze vrouw spreekt de Russische, Yakoutsche en Tchouktchische taalen even gemaklijk; zij zeide mij, dat de weinige kundigheden, welke zij aan haare opvoeding verschuldigt was, haar van derzelver aankomst af een zeker soort van vertrouwen onder haare landgenooten had doen verwerven; dat zij zelfs reeds van haar verkregen gezag op de geestvermogens gebruik had gemaakt, om eenige van hunne vooroordeelen uitteroeijen, en zij vleide zich om hun ongevoelig derzelver waare belangens te doen kennen. Haare hoop in dat opzicht was grootendeels gegrond op den aart van dat volk, welke zij mij verzekerde in der daad herbergzaam, edelmoedig, zagt-aartig en in allen opzichte beter te zijn dan de Koriaken.

Mijne aankomst in de legerplaats der Tchouktchis.

Het gesprek met deeze vrouwen had zodanig mijn aandagt afgetrokken, dat ik mij reeds in de legerplaats der Tchouktchis bevond, voor en aleer ik zulks gewaar wierd, derzelver vreugde was ongemeen, wanneer ze mij zagen, in een oogenblik zag ik mij omringt, zij spraken mij alle te gelijk aan, ten einde mij te beweegen om bij hun den nagt doortebrengen, ik antwoorde hun dat zulks mijn voorneemen was, en aanstonds vertoonde zich eene vernieuwde blijdschap en geschreeuw. Ik gaf bevel, dat men mijne tent aan het uiterste van ’t leger opsloeg; terwijl men hier mede bezig was, liet ik alle de opperhoofden verzoeken om mij te komen zien; vaardig om van de vrijheid, welke ik hun gaf, gebruik te maaken, wachteden zij niet, tot ik binnen mijne tent gegaan was om mij te volgen, ik vondze daar reeds in zo eene menigte vergaderd, als dezelve maar bevatten kon.

Na de eerste plichtplegingen, wierd het gesprek van den een en den anderen kant levendig en wel met eene gelijke graagte om onderricht te bekomen; wij spraken breedvoerig over ons wederzijdsch vaderland, zeden en gebruiken, hunne redeneeringen waaren ten naasten bij dezelfde, als die welke Tummé en zijne medgezellen met mij gevoerd hadden; zij betuigden mij hunne onderwerping aan Rusland, hun oprecht verlangen om de onderlinge eensgezindheid door betrekkingen van koophandel te onderhouden, en boven al om de volkplanting op de Anadir weder te zien vernieuwen, vervolgens lieten zij zich uit over de beweegredenen van hunne reis, zij hadden voornamelijk beoogd om eenige hunner naastbestaanden, aan Russen verbonden, en te Ingiga woonachtig, te komen bezoeken; misschien waaren zij ook derwaarts gebragt door eenig ontwerp van koophandel, dog na hunne opgaaf, was de genegenheid tot derzelver landsgenooten de eenigste beweegoorzaak van hunne verplaatzing; en in der daad, ik meende deeze Vaderlandlievende gewaarwording in hun ontdekt te hebben in de blijkbaare achting, welke zij aan de tot hun wedergekeerde Tchouktchische vrouw toedroegen, als mede in de liefkoozingen, welke zij aan haare kinderen bedreeven.

Zij herhaalden telkens, dat ik alle agterdogt moest laaten vaaren, en op hunne vriendschap staat maaken; zij vooronderstelden zeker in mij die agterhoudenheid, welke de Russen hun nog in derzelver ontmoetingen betoonen; dog dewijl ik dezelfde redenen niet had om hun te vreezen, was ik er ook ver af om hun te verdenken; dit deed ik hen ook begrijpen, wanneer ik hun antwoorde, dat, daar ik niet voorneemens was om iemand hoe genaamd op mijne reis te beledigen, ik dus ook niet kon denken, dat iemand mij zou willen verontrusten, en te minder zulks wachtte in het midden van een volk zo als zij, wier goedwilligheid en rechtvaardigheid mij reeds bekend was; deeze redenen behaagden hun, zij scheenen deswegens zo wel te vreden als over mijne onbekommerdheid, ik meende dierhalven ook mijne wapenen te moeten verborgen houden, en het voorstel, dat mij mijne soldaaten deeden, van een schildwagt voor mijne tent te plaatzen, van de hand te moeten wijzen.

Ik deelde aan de voornaamste deezer Tchouktchis tabak uit, en liet hun vervolgens thee met beschuit van rogge toedienen; derzelver opperhoofd of vorst genaamt Chegouiaga, gelijk aan Tummé in aanzien en gezag, twee van zijne bloedverwanten, en de twee vrouwen die mij tot tolken dienden, gebruikten het avondeeten met mij; de maaltijd was allersoberst, dog zeer vrolijk, mijne gasten vertrokken zo vergenoegd als of ze het best mogelijke onthaal genooten hadden; de noodzaaklijkheid om rust te neemen deed ons scheiden.

Zo dra ik alleen was, hield ik mij bezig om de aanmerkingen, welke het onderhoud met hun, en mijne bijzondere waarneemingen mij opgeleverd hadden, in geschrift te brengen.

Beschrijving van de legerplaats.

De legering van deeze Tchouktchis was op den oever van de rivier, bij derzelver reisgoed, en mat het agterste naar het bosch geplaatst, waar van ik gesprooken heb; ze bestond in een twaalftal van tenten, geschikt op eene linie langs de rivier; deeze tenten zijn van een vierkante gedaante, van rendierenvellen gemaakt en met riemen aan stokken opgehangen, die aan de vier hoeken gesteld zijn. Bundels met speeren, en in de sneeuw gestokene pijlen voor iedere tent schijnen den ingang van dezelve te verdedigen[117]; deeze is zeer laag en sluit zo digt dat ’er niets uit vervliegen kan; men word daar binnen eene groote hette gewaar, de rendierenvellen, welke de wanden en het bedekzel der tent uitmaaken, zijn ondoordringbaar voor de lucht, en altoos is het hair naar binnen geplaatst; derzelver bedden gelijken veel na die der Kamschatters, wanneer die eene rustplaats in het open veld vervaardigen. Zeer dunne takjes worden op de wijze als stof over de sneeuw verspreid, vervolgens legt men daar andere rendieren vellen over heen, en hier op is het, dat zich een geheel gezin nederlegt zonder onderscheid van jaaren of sexe, de ruimte is zo eng, dat men niet kan begrijpen, hoe al dat volk daar op nestelen kan; hier uit ontstaat eene onverdraagelijke stank en morsigheid; het is genoeg te zeggen, dat zij zonder afkeer hunne spijzen en dranken bij de vuilste dingen kunnen zien, want daar zijn geen uitdrukkingen te vinden om de maat van hunne zorgeloosheid te beschrijven.

Onder het getal deezer Tchouktchis, het welk omtrent op veertig beliep, waaren vijftien of zestien vrouwen[118], en bijna zo veele kinderen, die alle bezig waaren met de toebereiding van de tenten en de spijzen. Een ieder der voornaamste onder hun heeft knegts tot deszelfs dienst, om de rendieren te hoeden, en dezelve geduurende den nagt tegen de wolven te beschermen, die op deeze kusten in overvloed gevonden worden.

Kleeding der Tchouktchische vrouwen.

De kleeding der vrouwen is allerzonderlingst, ze bestaat in een enkeld rendierenvel, het geen aan den hals begint, alwaar het zelve van agter en vooren evenwijd open is, en als een wijde broek tot onder de knie afhangt, dit kleed word aan de opening van den hals doorgehaald, de eenigste manier van ’er zich van te ontdoen is, dat men de knoopen, die het zelve onder de kin ophouden, losmaakt, en aanstonds valt het in één stuk op den grond en de vrouw is naakt, men kan begrijpen, hoe ongemaklijk het is uit hoofde van de geduurige noodzaaklijkheid, om ’er zich geheel van te ontdoen; wanneer zij reizen, draagen zij een Kouklanki op den rug, welke zij over haar gewoon kleed aantrekken; laarzen van rendieren pooten zijn haar eenigste schoeizel; derzelver hair is donker zwart, somtijds strikken zij het in bossen agter het hoofd op, dog gewoonlijk dragen zij het op het voorhoofd gescheiden, wanneer het met lange vlechten over zij afhangt; haare ooren en hals zijn met vercierzelen van Koraalen in allerhande couleuren belaaden, en als ze koud zijn, verstrekt hun de kap van het parque voor een hoofddekzel.

Gelaatstrekken.

Het geheel des gelaats heeft niets bevalligs, de trekken daar van zijn grof, over het algemeen echter hebben ze geene platte neuzen, nog getrokkene oogen, gelijk de Kamschatsche vrouwen, zij gelijken haar daar in minder dan de Koriaksche; haare gestalte is ook grooter, dog gantsch niet zwierig; de belemmerende dikte en wijdte van de kleeding geeven haar geen vlug aanzien; des niettegenstaande zijn zij met het zwaarste werk belast, als het vuur aantemaaken, hout te draagen, water te haalen, en al het geen zij verder voor haare huishouding noodig hebben. Voornamelijk zijn het de oude vrouwen, die zich met deeze zaaken moeten moeijen.

De trekken der mannen scheenen mij regelmaatiger toe, ze hebben niets van het Asiatische, derzelver couleur is, even als die der vrouwen, zeer bruin, en hunne kleeding, sleeden, en alle derzelver gewoontens zijn volmaakt gelijk aan die der zwervende Koriaken. Ik zal hun ter gelijker tijd met deeze nader leeren kennen.

Reizen, en Koophandel der Tchouktchis te Ingiga.

Deeze Tchouktchis doen tegenswoordig ieder jaar een reis naar Ingiga, zij vertrekken uit hun land met het begin van den herfst, en komen niet in deeze stad voor in de eerste dagen van Maart; naauwlijks hebben ze hunne zaaken verricht, waar toe hun eenige dagen voldoende zijn, of zij begeeven zich weder op reis, ten einde nog van het gemak der sleedevaart gebruik te kunnen maaken; echter is het zeldzaam, dat zij voor het einde van Junij t’huis kunnen zijn.

De Koopmanschappen, die zij derwaarts brengen, bestaan in parquen van marter en vossevellen, en tanden van zee-paarden, die een fraaij ijvoor uitleveren; zij neemen in ruiling ketels, tabak, speeren, snaphaanen, messen en ander yzerwerk; nog weinig gewoon aan den snaphaan, bedienen zij ’er zich ook zelden van, dog daar en tegen zijn zij zeer handig in het afschieten van een pijl, en in het werpen van een lans; ook zijn dit hunne voornaamste wapenen.

1788. Maart Den 29.

Even als alle de Noordsche volkeren, zijn zij uitermaate geneigd tot de dronkenschap, ze zijn zodanige liefhebbers van brandewijn, dat, zo dra men hun daar van gegeeven heeft, men ook verplicht is hun zo lang inteschenken, tot dat ze geheel dronken zijn; zonder dat zouden zij zich beledigt achten, misschien zouden zij zelfs tot bedreigingen en tot geweld overgaan om zich dezelve te verschaffen. Even zulke sterke tabakrookers als de Koriaken, hebben zij ook diergelijke pijpen en de eige manier van rooken.

Ik verlaat deeze Tchouktchis.

Mij niet langer willende ophouden, ging ik met het aanbreken van den dag van deeze Tchouktchis in derzelver tenten afscheid neemen, dog de stank en de hette deed ’er mij spoedig uitgaan. Ons scheiden was allertederst, zij omhelsden mij beurtelings en overlaaden mij met beleeftheden; men begrijpt, dat ik bij dit afscheid ook niet agterlijk bleef in plichtpleegingen, en waarlijk ik kan het onthaal van dit herbergzaame volk niet genoeg roemen.

Ik vertrok tijdig genoeg om in deezen dag bij de dertig wersten afteleggen; ter halver weg vond ik op den oever van de zee twee balagans en eene yourte, bewoond door een Koriaksch geslacht; één uur daar na bereikte ik het Ostrog van Pareiné.

1788. Maart Den 29. Te Pareiné.

Beschrijving van Pareiné.

Hoe zeer dit minder groot is als Kaminoi, was het echter veel meer bevolkt, deszelfs legging scheen mij toe zeer gemaklijk te weezen, het legt aan de rivier, waar van het den naam draagt, omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering in de zee van Pengina, die op deeze hoogte een zo naauwe golf formeert, dat men met schoon weêr van den eenen oever tot den anderen kan zien.

Verhaal van een vrouw van Ingiga.

Het eerste mensch, dat ik in dit dorp ontmoete, was eene oude mestische vrouw, wier bedroefde houding mij trof; ik zogt haar aantespreeken, het zij dat ik door medelijden of door nieuwsgierigheid gedreven wierd; mijne vraagen over de oorzaak van haare droefheid deeden haar een geweldigen schreeuw geeven, en zij antwoorde alleen met haare traanen; eindelijk verkreeg ik door onophoudelijk aanzoek en tekens van belangneeming het verhaal van haare rampen.

Het was bijna veertien dagen geleden, dat zij, benevens haar man, haar zoon en verscheidene van hunne vrienden van Ingiga vertrokken waaren, om te Pareiné hunne naastbestaanden te gaan bezoeken; onder weg overvallen door een van die schrikkelijke orcaanen, welkers droevige uitwerkzels ik meer dan twintigmaal vreesde te zullen ondervinden, waaren deeze reizigers verdwaald geraakt en de een van den anderen gescheiden; de vader en de zoon waaren op dezelfde slêe gezeten; na lang gezworven te hebben, om een schuilplaats of eenig punt van hereeniging te zoeken, waaren zij geheel afgedwaald; men had alle moeite van de waereld om hun te ontdekken, men vond hen eerst na twee dagen in de sneeuw bedolven en van koude gestorven, derzelver geheele lighaam was bevroozen, de houding toonde duidelijk aan, dat deeze twee ongelukkigen, geen krachten meer overhebbende om voort te komen, zich ter verwarming den een om den ander gestrengeld hadden, en dat zij in elkanders armen dood gevonden waaren, de vrouw gelukkiger dan haar man had een schuilplaats bereikt aan den oever van eene rivier, omtrent vijftien wersten van Pareiné, alwaar zij en haare reisgenooten eindelijk uitgeput van krachten en ten uitersten bedroefd aangekomen waaren. Zij voegde ’er bij, dat zij allen geduurende deezen storm nog hemel nog aarde konden onderscheiden; de sneeuw in de lucht bevroozen verdikte zich in het vallen, en scheen een regen van brokken ys; hunne kleederen waaren daar van zodanig doortrokken, dat ze dezelve niet meer gebruiken konden. Dog het geen de droefheid van deeze vrouw vermeerderde, was van zich buiten staat te zien om in haar land te rug te keeren, niemand scheen hier geneigt om haar daar toe de middelen te verschaffen, die zij niet ophield van te verzoeken, dog altoos te vergeefs. Op deeze woorden stroomde een vloed van traanen over haare wangen. Ik wist niet hoe haar te vertroosten, ik zeide haar alles wat mij het mededogen opgaf, dog dewijl ik van geen de minste hulp kon zijn, verliet ik haar met het leedweezen van geen andere hulp toegebragt te hebben, dan alleen het geen een weinig verzagtende meewarigheid kan te weeg brengen.

Ongerustheid welke mij een Opperhoofd der Koriaken verwekt, die mij wil aanhouden.

Terwijl ik met haar sprak, waaren de inwooners van Pareiné rontom mij verzameld; hun Opperhoofd of Prins genaamt Youltitka naderde mij om mij te verzoeken van den nagt in zijn dorp te blijven; zijn valsch voorkomen bevestigde al het geen men mij van zijne trouwloosheid verhaald had, ik deed hem begrijpen, dat ik geen de minste genegenheid had om mij optehouden; op mijne weigering stelde hij mij de onmogelijkheid voor van mij honden en levensmiddelen voor den volgenden morgen te kunnen bezorgen; de redenen, die hij deswegens gaf, kondigden opentlijk zijn onwil aan[119], ik meende daar zelfs gevaarlijke voorneemens in te ontdekken. Daar ik besloten had om tot wat prijs ook hem niet te wille te zijn, antwoorde ik, dat ik zou moeten ontbeeren, het geen ik niet verkrijgen kon, dog dat niets mij zou verplichten om te blijven; hij veinsde mij niet te begrijpen, en wende een nieuwe hinderpaal voor, ter zelver tijd zag hij mij met een schamperen glimlach aan, die mij toescheen wantrouwen omtrent mijn vertrek te moeten inboezemen. Ik gevoelde, dat ik mij met de grootste standvastigheid moest wapenen, of besluiten om geduldig aan het bevel te gehoorzaamen, het welk de plicht zou goedvinden mij opteleggen; al de inwoonders van het dorp waaren daar, ten minsten twee honderd menschen drongen zich op eene onstuimige wijze rondom mij heen, het zij om mij schrik aantejaagen, of het zij om mijne verlegenheid te bespieden. In deeze gevaarlijke omstandigheid bedagt ik om hun in het Russisch aantespreeken, in de hoop, dat ’er zich onder de menigte misschien eenigen zouden bevinden, van wie ik mij zou kunnen doen verstaan, en die minder onhandelbaar zouden weezen als derzelver opperhoofd.

Mijne aanspraak was kort maar kragtig. Ik deed mijne hoedanigheid van vreemdeling, mijn recht op hunne ondersteuning, en voor al de begeerte gelden, die ik had, om door mijn gedrag ten hunnen opzichte die belangneeming te verdienen, welke alle hunne landgenooten mij op mijn reis betoond hadden, van deeze, voegde ik er bij, had ik nooit de hulp, die ik nodig had behoeven te vorderen; deeze hadden nimmer, om mij dezelve te verschaffen, de vertooning der bevelen, waar van ik voorzien was, afgewacht, maar altoos zich bevlijtigd om mijne vraagen voortekomen.

Op het woord van bevelen zag de een den ander verwonderd aan, naar maate mijne rede indruk op hun scheen te maaken, verdubbelde ik mijnen iever en stoutmoedigheid, vervolgens haalde ik eensklaps mijnen vrijgelei brief voor den dag, en terwijl ik Youltitka met een oog van verontwaardiging aanzag, liet ik ze hem zien, tevens hun verklaarende, dat ik op het langst binnen twee uuren meende te vertrekken. Deeze barsche sluitrede bragt hem van zijn stuk, hij zag, dat hij mij niet langer te leur kon stellen zonder zich schuldig te maaken; het mandaat van den Heer Commandant was al te nadruklijk en te gebiedende, dan dat hij het zelve zou hebben durven wederstreeven; hij nam dan de partij van te beveelen, dat men aanstonds uit alle de bewaarplaatzen den voorraad van visch, dien ik verlangde zou verzamelen, mij verzoekende van in aanmerking te willen neemen de middelmaatigheid van hunnen voorraad, welke daar door veel zou verminderen; het was alleen daardoor, zeide hij mij, dat hij getragt had mij eenige zwaarigheden voortehouden, even als of hij gevreest had dat ik hunne kelders zou uitgeplunderd hebben! Dog dit was ook maar een uitvlucht, ik was welhaast overtuigd, dat dezelve overvloedig voorzien waaren.

Echter, het zij dat hij eene vertooning wilde maaken, als of hij zijn onbeleefd onthaal wilde verbeteren, of mogelijk in het vooruitzicht van mij des te beter te doen berouwen, dat ik hem uit zijne laatste verschanssingen verdreven had, verzogt hij mij om in zijne yourte te wachten, tot dat mijne luiden de nodige toebereidzelen tot mijn vertrek zouden gereed gemaakt hebben; dit te weigeren zou een overblijfzel van ongerustheid vertoond hebben, ik wilde hem in tegendeel van mijne onvertzaagdheid wel overtuigen, daarenboven was het eetenstijd, en in de hoop van ongevoelig den verrader te zullen winnen, nam ik zijn verzoek aan, hem tevens aanbiedende van eenen beteren maaltijd te zullen laaten aanrichten dan hij mij geeven kon, ik volgde hem, met zulk een gerust gelaat, als of ik mij volmaakt veilig oordeelde. Om echter de waarheid te zeggen, ik gevoelde mij aangedaan, wanneer ik, om in deeze yourte te komen, veertig voeten onder de aarde moest afdaalen; de ongemeene diepte van deeze schuilplaats gaf mij aan de genade van mijn gastheer over, mijn gevolg kon mij daar nog hooren nog te hulp komen, ik beefde over mijne onvoorzigtigheid, dog het was geen tijd meer om agter uit te gaan, ik was wel gewapend, en ik was op mijne hoede om mij in geval van belediging zo goed mogelijk te verdedigen.

Het eerste, dat Youltitka verrichte, was mij op de plaats van eer neertezetten, namelijk in dat soort van alcove, het welk geschikt is voor het hoofd van het geslacht, het zijne was zeer talrijk; bijna tagtig persoonen bewoonden met hem deeze yourte; al dit volk was op het gerucht van mijn aankomst naar buiten gekomen, en was daar rondom mijn gevolg verbleeven, zo dat ik alleen was, om aan drie of vier medgezellen of naastbestaanden van Youltitka, dewelke mij omringden en onder de oogen zagen, het hoofd te bieden. Bij hun zelfs overtuigd, dat zij het Russisch wel verstonden, om reden zij ’er eenige verminkte woorden van uitspraken, deeden zij mij beurtelings vraagen, waar van de een nog ongerijmder was als de andere, mijn toestand vorderde beleeftheid, en ik antwoorde een ieder met zagtheid en naauwkeurigheid. Ik bragt dus bijna een uur in het midden van deeze onmenschelijke gedaantens door, die waarlijk geschikt waaren om mij vrees aantejaagen, inzonderheid die van derzelver opperhoofd[120]. Mijn soldaat kwam niet naar beneden, en ik begon zeer ongerust te worden, op de beweeging, die ik maakte van naar buiten te willen gaan, stelden zich deeze Koriaken voor mij, een hunner nam mij bij den arm om mij weder te doen zitten, terwijl hij mij vroeg, of ik wilde vluchten; ik toonde goed gelaat, dog ik erken dat mijn hart toesloot, ik herstelde mij en niettegenstaande de verlegenheid, welke zij op mijn aangezicht konden leezen, antwoorde ik, dat ik niet vermeende hun te moeten vreezen. Youltitka zogt mij toen gerust te stellen, hij zwoer dat hij de grootste achting voor mij had, en dat ik bij hem in veiligheid was, zijn gehouden gedrag, voegde hij ’er bij, kon hem in mijne oogen verdagt doen voorkomen, dog hij rekende het zijn plicht om mij omtrent hun andere gedagten te moeten inboezemen. Trots op zijne benoeming onder de rechters in het gericht van Ingiga,[121] nam hij zijnen roem te zeer ter harte, om te gedogen, dat men mij onder zijn oog zou mishandelen.

Ik kende hem reeds genoeg, om geen geloof aan zijne fraaije betuigingen te geeven; ik rekende mij gelukkig, dat hij vreesde uittevoeren dat geen, het welk in zijn vermogen was, en waar toe hij waarschijnlijk wel genegenheid had. Ik spoede mij dan om uit de yourte te komen, onder voorwendzel van te gaan zien, waar mijn volk gebleeven was, en om bevel tot onzen maaltijd te geeven. Ik kon mij van den trouwloozen Koriak nog niet ontdoen, hij was halstarrig genoeg om mij te willen vergezellen, terwijl ik bezig was om mijn gevolg bijeentezamelen, ieder woord, dat ik sprak, scheen hem te ontrusten; dewijl hij het Russisch niet verstond, vroeg hij aanstonds daar van de betekenis, en hij sloeg alle mijne gangen met eene bijzondere opmerkzaamheid gade.

Ik vond mijne luiden bezig met de slegte honden, die ze over hadden, tegens bontwerk en kleedingen van rendieren vellen te verruilen; de winzucht had hun mijne bevelen doen vergeeten, als mede het gevaar, waar in ze mij gelaaten hadden, dog ik verborg mijn misnoegen uit hoofde van de getuigen; ik klom weder in de yourte, gevolgt van Youltitka en van mijne twee Soldaaten, die aanstonds aan het werk gingen om ons middagmaal toetebereiden; de vrouwen hielpen ons servies schoon maaken[122], en langzamerhand met behulp van brandewijn volgde de vrolijkheid op de vrees en het mistrouwen; wij hielden een zeer lustigen maaltijd, ik tragte zelfs dikwils om het uitbundig geschater van lagchen van mijne gasten na te doen, ten einde hun te meer mijn vergenoegen te betuigen; want de overdreeven betooning van gevoel en gewaarwording is de eenigste die hun behaagt, de maaltijd gedaan zijnde, zond ik een mijner Soldaaten, om bevel te geeven, dat men mijne honden zou voorspannen, welke men reeds gedeeltelijk verruild had, mijn voorraad was ook opgelaaden, in tien minuuten was ik in staat om van de Koriaken afscheid te neemen; zij scheenen zeer wel over mij te vreden, ik weet niet of ze het in der daad waaren. Wat mij betreft, ik was het veel meer, wanneer ik van hun verlost was, en ik verwijderde mij zo spoedig mogelijk.

1788. Maart Den 29.

Vertrek van Pareiné.

Het was nog maar twee uuren in den agtermiddag; ik meende van het overige van den dag gebruik te moeten maaken, om mij schadeloos te stellen over het gedwongen vertoeven, het welk ik ondervonden had; ik wilde geen rustplaats houden, voor dat ik vijftien wersten van Pareiné af was.

1788. Maart Den 30.

Mijn reis geduurende deezen en den volgenden dag leverde mij niets bijzonders op. Ik trok over verscheide rivieren, geen van deeze was van belang, en zeer weinige waaren met eenig heestergewas aan deszelfs oevers bezet; van Pareiné vertrekkende had ik de zee verlaaten, die ik niet weder kon ontmoeten, dan aan geene zijde van Ingiga, bij gevolg hadden wij geen toevlucht tot het doode hout, het geen wij somtijds op den oever vonden, deeze berooving was ons grootste ongemak door de moeijelijkheid, waar in wij ons onophoudelijk bevonden om telkens ter ontdekking van het minste heestertje uittezien, en door de vrees van ’er geen te zullen vinden.

Zedert lang leefde ik alleen van rendieren, hoe smakelijk dit vleesch ook zijn mag, is ’er echter geen, zo ik geloof, dat men zo ligt moede word; het geen nog erger was, bestond daar in, dat de voorraad, dien ik daar van opgedaan had, na het einde liep, wij aten ’er maar eens daags van, onze overige maaltijden bestonden in gedroogde visch en in gekookte zee-wolven, dus was ik zeer in mijn schik over den gelukkigen vond, welken ik dien dag van twee patrijzen had, ik doode ze en vermeerderde daar mijn pot mêe; deeze maaltijd was eene aangenaame verscheidenheid ten opzichten van de verveelende eenvormigheid van mijn dagelijks voedzel.

Rustplaats.

Zeer fraaij wêer begunstigde onzen togt, een heldere lucht scheen ons een frisscher koude aantekondigen, waar na wij ook verlangden, want de sneeuw was zo week, dat onze honden daarin tot den buik toe inzakten, ieder onzer was, om hun den weg te baanen, verplicht op raquetten voor uittegaan; de hoop op een schoonen volgenden dag bemoedigde mijne geleiders en wij maakten een langen dag; wij hielden niet dan zeer laat stil op een plaats, die gantsch niet beschut was, daar groeide geen ander hout dan een soort van klein, laagstammig en geheel bogtig, hartsachtige ceder. Voor dat ik mij in mijn tent ter rust begaf, wierd ik geduurende den nagt, aan het uiterste van den gezichteinder, wolken gewaar, die niet veel goeds aankondigden. Ik was reeds genoeg aan het climaat gewend, om op de minste verschijnzelen over het te wachtene weder te kunnen oordeelen, en ik deelde die vermoedens aan mijne leidslieden mede; dog deeze vermeenden oneindig meerdere kundigheden dan ik ten dien opzichte te bezitten, zij zeiden mij, dat de zon te fraaij was ondergegaan om voor slegt weder te vreezen; nimmer hadden zij volgens hun zeggen zich daaromtrent bedroogen, en ik moest mij geheel op derzelver ondervinding verlaaten. Bij nadere overweeging was ik blijde hun in deeze verzekering te zien, dit benam mij de ongerustheid van door hun genoodzaakt te worden, om den dag ter plaatse, waar wij waaren, te verblijven, op deeze zouden wij het met den eersten rukwind niet hebben kunnen houden.

1788. Maart Den 31.

Ik wierd bij het aanbreeken van den dag door een van mijne geleiders wakker gemaakt; hij kwam op eenen spottenden toon mij aanzetten om te vertrekken, ten einde van den aanstaanden fraaijen dag gebruik te maaken; de maan gaf nog haar schijnzel, en de hemel was zonder wolken; terwijl ik volgens gewoonte mijn ontbijt nam met thée en roggebeschuit, waar van het overschot door mijn volk bewaard was, die liever ’er zich zelfs van beroofden, dan dat ik ’er gebrek aan zou hebben, vroegen ze mij de een na den ander, wat ik van het wêer dagt; ieder schertste daar mêe om ’t zeerst, dog ik hield mijn gezegde staande, hun beweegende om tot aan den avond te wachten, en als dan te oordeelen, of ik gelijk of ongelijk gehad had, wanneer ik hen een storm voorspelde.

Ontmoeting van zwervende Koriaken.

Naauwlijks hadden wij ons klein leger opgebrooken, of wij ontdekten op eenigen afstand een sleep van vijf Koriaksche sleeden door rendieren getrokken; onze honden, aangelokt door den reuk van deeze beesten, liepen derwaarts op aan met eenen verwonderlijken iever; hoe meer wij voorwaards kwamen, hoe meer deeze Koriaken zig verwijderden, eerst meende ik, dat dit een uitwerkzel van hun aangebooren wantrouwen was, dog uit het gehuil en de drift van onze honden begreep ik, dat zij de oorzaak waaren van de vrees, welke onze nadering inboezemde; zij zouden in der daad ongetwijffelt op de rendieren aangevallen zijn, indien ze onder derzelver bereik geweest waaren. Ik gaf dus bevel om optehouden, het was zeer moeijlijk onze dravers te doen stilstaan, en wij geraakten daar niet toe dan met veel moeite; wij zogten door tekens deeze Koriaken te doen begrijpen, dat ons oogmerk was om met hun een oogenblik te spreeken; als toen scheenen zij raad te houden, na verloop van eenige minuuten kwam een van hun naar ons toe, dog drie honderd treden van ons af stilhoudende, verzogt hij ons insgelijks door teekens om hem ook iemand van de onzen te zenden, en vooral om onze honden tegen te houden. Ik gelaste een mijner soldaaten om op zijne raketten dien Koriak te gemoet te gaan, en hem te vraagen, welken weg zij naamen, van waar zij kwamen, of zij niets van den Heer Kasloff vernomen hadden, en voornamelijk, hoe ver wij ten naasten bij nog van Ingiga verwijderd waaren.

Een half uur daar na kwam mijn afgezondene met het volgende verhaal te rug; deeze Koriaken hadden geen vaste woonplaats, zij gingen naar hunne bloedverwanten, die zij verlaaten hadden, om te Ingiga rendieren vellen te gaan verkoopen en hunne vrienden daar te zien; zij meenden daar te hebben hooren spreeken van eene versterking van honden en leevensmiddelen, zedert kort den Heer Commandant te gemoet gezonden, dog zij hadden verder niets van hem vernomen; ten opzichte van den afstand van die stad waaren derzelver antwoorden volmaakt overeenstemmend met de gedagten van mijn leidsman, dien ik weinig oogenblikken te vooren deswegens ondervroeg, bij gelegenheid van een nieuw verschil, tusschen mijn volk en mij ontstaan; ziet hier, wat daar toe aanleiding gaf.

Verschil tusschen mijn volk en mij over het wêer.

Terwijl wij de terugkomst van dien soldaat afwachtten, zag ik snellijk over ons heen drijven eenige wolken, wier gedaante en richting mij in het denkbeeld bevestigden, dat wij met eenen aanstaanden storm bedreigt wierden; mijn soldaat Golikoff was niet minder ongeloovig dan de anderen, hij had gaarne het tegendeel gewed, echter erkende hij, dat tot heden toe de uitkomst bijna altoos mijne voorzeggingen had bewaarheid, hij had mij zelfs, zeide hij, aan de Koriaken als een waarzegger in dit vak voorgedraagen, en het deed hem leed van mij eensklaps te zien faalen en in minachting vervallen.

Deeze openhartige bekentenis was mij des te vermaakelijker, dewijl mijne leidslieden daar bij waaren; dit deed in mij de begeerte opkoomen om mij op mijn beurt met hunne onkundige eenvoudigheid te vermaaken; de omstandigheden waaren gunstig, ik herhaalde, dat zij ten hoogsten binnen twee uuren van mijne wetenschap zouden overtuigt zijn, dog dat ze mij voor alles moesten waarschuwen, of wij op onzen weg eenige plaats zouden aantreffen, alwaar wij ons in veiligheid konden stellen. „Geen een, antwoorde mij één van de twee, tot aan de rivier van Ingiga zullen wij niets anders doortrekken dan een groot en open veld, alwaar het oog naauwlijks eenige oneffenheden van den grond, of sneeuw, door de orcaanen aangebragt en door den hagel verhard, ontdekken kan”. Deeze ophelderingen maakten mij verlegen, terwijl ik voorzag, dat wij genoodzaakt zouden zijn om te rug te keeren, ten einde bij een klein bosch, dat wij voorbijgekomen waaren, een schuilplaats te zoeken, wij waaren ’er nog maar een half uur van af, dog de hoofdigheid mijner wegwijzers, in staande te houden, dat wij niets te vreezen hadden, verdreef de zwaarigheid; stout op hunne ingebeelde ondervinding, waaren zij van begrip, dat wij onzen weg moesten vervolgen, dit was het geen ik verlangde, in de hoop van des avonds te Ingiga aantekomen.

Ik gebruik mijn Compas tot grote verwondering mijner leidslieden.

Om te zekerder mijn ontwerp uittevoeren, nam ik mij voor om tot mijn Compas toevlucht te neemen, het geen ons alleen dwars door de wervelwinden heen kon geleiden. Ik vernam derhalven van den bekwaamsten mijner wegwijzers, in wat streek Ingiga gelegen was, hij wees ze mij op het oogenblik aan, met mij van verre, een berg te doen opmerken, welkers spits zich in de wolken scheen te verliezen; „de stad, zeide hij, tot mij, is eenige wersten aan geenen kant en in dezelfde richting gelegen, wij zijn daar nog vijftig à vijfenvijftig wersten van af”. Ik viel hem in de reden, om de windstreek hoger te zetten als waar ze gebleeven was, en om met mijn orlogie de snelheid van onzen voortgang te kunnen bepaalen; van de rustplaats af hadden wij zes a zeven wersten in het uur afgedaan, dog ik moest mij voorstellen, om veel langzaamer voorttekomen, wanneer de storm opkwam, ook rekende ik maar op drie wersten in een uur, het was zes uuren des morgens, en na mijne berekening, had ik hoop van voor middernagt te Ingiga te kunnen zijn. Ik vernam nog van mijn geleider, dat om bij de rivier te komen, die derwaarts geleid, wij een zeer groot bosch moesten bereiken, dat door dezelve gescheiden wierd, dit stelde mij verder gerust, de groote uitgestrektheid van dit bosch zo ter regter als ter linker hand verzekerde mij, dat wij het zelve niet missen nog verdwaalen konden.

Alle deeze maatregelen genomen hebbende, zeide ik aan mijn volk, dat ik niets liever wenschte dan voorttereizen, dog dat ik beslooten had van niet stil te houden, wat ’er ook gebeuren mogt. Ik belaste hun, dat zij mij zouden waarschuwen, zo dra zij meenden den weg niet meer te kunnen vinden, dewijl ik als dan voorneemens was om hun te geleiden; de ernstige toon, waar meede ik dit bevel gaf, verbaasde hun; zij zagen elkander verwonderd aan, en durfden mij niet opentlijk zeggen, dat ik verdwaasd was; de vrijmoedigste nam echter het woord op, om mij voortestellen, dat daar ik nooit dien weg afgelegt had, ik ook niet op mij kon neemen om hun te geleiden zonder gevaar te loopen van allen verlooren te raaken, en dat ik zonder twijffel wilde spotten; om ’er in eens af te weezen, zond ik ze op een barssen toon ieder naar zijne slêe, onder bedreiging, dat ik die niet gehoorzaamde zou doen straffen, en ter zelver tijd gaf ik het teken om te vertrekken.

Eene heftige orcaan.

Ten half negen hadden wij omtrent vijftien wersten afgelegd, ’er bleeven mij nog veertig volgens mijne berekening over, dog het was reeds meer dan een uur geleden, dat de gezichteinder met donkere wolken bezet wierd, men zag den storm trapsgewijze naderen, en de wind begon de sneeuw met draaijkringen opteheffen; mijne reisgenooten bewaarden het stilzwijgen, de vrees werkte op hun bijna zo veel als de verwarring, ze wisten niet hoe ze het hadden; welhaast overviel ons de orcaan met zo veel hevigheid, dat daar door eenige van onze sleeden in verwarring geraakten, door hevig schreeuwen bragt men ze weder bij een, mijne wegwijzers erkenden overwonnen te zijn, en kwamen mij verzoeken om stil te houden, hoe zeer wij ons in het open veld bevonden; verblind door den wind, die hun in het aangezicht speelde, vreesden zij, dat wij zouden verdwaalen.

Ik herinnerde hun mijne belofte, en bleef bij mijn besluit om voorwaards te trekken; ik beval, dat alle de sleeden zo digt mogelijk de een de ander zouden volgen, ten einde men bij het minste toeval elkander hooren en hulp toebrengen kon, vervolgens stelde ik mij, met behulp van mijn Compas, dat ik onder mijn kleed vastgemaakt had, om het telkens onder het oog te hebben, in staat om onze Caravane te bestuuren, wij reisden in deeze order het overige van den dag, om zoo te spreeken, in het midden der duisternis, want de Soldaat, die de slêe mende, welke op de mijne volgde, was voor mij onzichtbaar, naauwlijks kon ik zijn voorste honden onderscheiden.

Des avonds ten zeven uuren, vermoeid van de klagten en de vertoogen van mijn volk, die niet ophielden van te verzoeken om stil te houden, en daar en boven meenende, dat wij nog maar vijf of zes wersten van het bosch moesten afzijn, verzekerde ik hun, dat zo wij het zelve ten negen uuren niet bereikten, wij des nagts niet verder zouden voorttrekken, ten minsten zo zij, wanneer wij aan het bosch en de rivier mogten komen, niet liever dan tot aan Ingiga wilden voortreizen, waar wij als dan zo digt bij zouden zijn, dog dat ik hun volkomen vrij liet om dan te doen wat zij zouden goedvinden; deeze voorwaarde scheen hun tot bedaaren te brengen, niet dat zij meenden, zo veel voorwaarts gekomen te zijn als zij waaren, waarschijnlijk zelfs dagten zij niet meer op de streek te zijn, en zij verlangden alleen maar naar eene rustplaats, in de hoop om met den dag den weg weer te kunnen vinden.

Omtrent een quartier over agt uuren, wierd ik als een donker gordijn gewaar, dat zich voor ons ontwikkelde; het voorwerp verspreide en verdonkerde zich, naar maate dat wij het naderden, een oogenblik daar na, riepen mijne leidslieden, dat zij boomen ontwaar wierden en behouden waaren; en inderdaad, wij bevonden ons in het bosch van Ingiga, ik zond hun eenige treden voor uit om zich te herkennen, en welhaast kwamen zij verrukt van blijdschap mij zeggen, dat wij bij de rivier waaren.

De eerbiedige toon, waar op zij mij dit bericht kwamen brengen, vermaakte mij zeer; terwijl zij mij bedankten van hun zo wel geleid te hebben, hield de Koriak staande, dat geen hunner Chamans ooit zo iets wonderbaars verricht had; daar ik hun het slegte weer had voorspeld, wanneer alles in hun oog het tegendeel scheen aantekondigen, en vervolgens hun had weeten te leiden en te bewaaren in het midden van deeze pourga[123], scheen hun zo veel wijsheids bovennatuurlijk te zijn; de erkentenis van mijn overig gevolg was bijna even dwaas, zij konden van hunne verbaasdheid niet te rug komen; te vergeefsch toonde ik hun mijn compas, te vergeefs wilde ik hun uitleggen, hoe dat daar in mijne geheele wetenschap gelegen was, zij beslooten met te zeggen, dat een zodanig toverboek niet verstaanbaar was, dan voor diergelijke verstanden als ik, die in de toverkunst onderweezen waaren.

Ik was wel overtuigd, dat, daar zij zich op zo een kleinen afstand van Ingiga bevonden, zij niet meer denken zouden om stil te houden, ieder was verlangende zijn vrouw weder te zien, en zijne kinderen te omhelzen; wel verre van mijn voorstel aanteneemen om in dit bosch te vernachten, drongen zij mij om ons naar de rivier te begeeven, vorderende maar drie uuren om tot hunnent te komen; wij reeden dan van den oever af, en dezelve langs tot op de hoogte van de stad; daar moesten wij de rivier, die haare muuren bespoelt, overrijden, het ijs was sterk genoeg, dog de hevigheid van den wind had deszelfs oppervlakte met water bedekt, zo dat wij zeer natte beenen kreegen.

Aankomst te Ingiga.

Voor de poorten van Ingiga moest ik de gewoone ondervraaging in versterkte plaatzen gebruikelijk, ondergaan, en was verplicht te wachten, tot dat men den bevelhebber gewaarschuwt had; zedert lang van mijn aanstaande komst verwittigt, had de Heer Major Gaguen de beleeftheid van mij aanstonds te komen verwelkomen en mij zijn huis aantebieden; juist ten half twaalf uuren kwam ik in deeze stad, de aanzienlijkste en meest bevolkte, welke ik nog op mijne reis gezien had.

1788. April Den 1. Te Ingiga.

Beschrijving van de stad.

Gelegen op de rivier van denzelfden naam, dertig wersten van deszelfs mond, vertoond dezelve van buiten een vierkanten omtrek, verdedigd door eene palissade, over welkers hoogte en dikte ik mij verwonderde, en door houten bolwerken, die zich op geheid paalwerk aan de vier hoeken van de plaats verheffen; ieder deezer bolwerken is van Canon voorzien, en daar in worden verscheidene oorlogsbehoeftens bewaard; dag en nagt worden dezelve door schildwagten bewaakt[124] even als de drie stadspoorten, waar van maar eene open is; voor het huis van den Commandant is een kleine plaats, een wagthuis aan een der zijden verbied den toegang derwaarts. Ik was niet minder getroffen over de zamenstelling der huizen, ze zijn allen van hout en zeer laag, dog ook allen hebben ze een bijna regelmaatigen voorgevel, en men ziet, dat men voor ieder het zelfde plan aangenomen heeft. De Heer Gaguen was voorneemens langzamerhand zijne stad aldus optecieren; de Isbas, zedert zijn verblijf alhier gebouwd, voegen bij eene uiterlijke bevalligheid alle de inwendige gemakken, waar voor deeze wooningen vatbaar zijn; hij heeft daar en boven het voorneemen van de kerk te doen herbouwen, welkers bouworde onbehaaglijk is, en die daarenboven dreigt intestorten.

De bevolking bestaat in vier of vijfhonderd inwoonders, alle kooplieden of aan den dienst verbonden; de laatste maaken het grootste gedeelte en de bezetting uit; zij zijn aan eene gestrenge krijgstucht onderworpen, welke de menigvuldige noodzaaklijkheid van zich te moeten verdeedigen onvermijdelijk maakt; de wakkerheid en de iever van den Commandant doet ten deezen opzichte niets meer verlangen; de rechtbanken zijn dezelfde als te Nijenei-Kamschatka.

Koophandel.

De Koophandel van Ingiga bestaat in bontwerk, en voornamelijk in rendierenvellen. In het algemeen leveren de pelterijen hier meer verscheidenheids op als in Kamschatka, zij scheenen mij ook van betere hoedanigheid te zijn; men trekt wel uit dat schier-eiland de Otter en Zee-beerenvellen, dog de sabelmarters zijn daar zo fraaij niet als hier, alwaar ze echter zeldzaamer zijn, daar en boven bezitten de Kamschatters de gemeene marter niet[125], nog de grijsachtige, nog de americaansche rotten genaamt rissei, welke de Koriaken bij ruiling van de Tchouktchis, hunne nabuuren, verkrijgen, en die zij naar Ingiga met hunne rendierenvellen brengen; deeze worden daar ruw en zeer goedkoop verkogt, zij worden vervolgens bereid en bewerkt op eene wijze, die des te behaagelijker is, dewijl de arbeidzaame naarstigheid der werklieden geen gebruik maakt van de gereedschappen, welke door de Europeesche schranderheid zijn uitgedagt; de fijnheid en de fraaijheid van hun werk behoeft alleen voor de sterkte te wijken, men ziet uit derzelver handen, handschoenen, en volmaakt vervaardigde koussen te voorschijn komen, het stiksel en het borduurzel is van rendierenhair, van zijde of goud en zou aan onze bekwaamste handschoenmaakers tot eer verstrekken.

Dog het word tijd om van de gewoontens der Koriaken melding te maaken, ik heb de beschrijving daar van alleen tot op heden uitgesteld, ten einde des te breedvoeriger daar omtrent te kunnen weezen. Bij de verkreegen aantekeningen op mijn togt in hunne verschillende Ostrogs, heb ik nog meer naauwkeuriger waarneemingen willen voegen, steunende op geloofwaardige verhaalen; hier in en in mijne gesprekken met den Heer Gaguen en eenige anderen der voornaamste Inwoonders heb ik gezogt de nodige inlichtingen omtrent dit onderwerp te bekomen, dog de man, die mij daarin van het meeste nut is geweest, was een Koriak, dien ik eerst en voor al moet leeren kennen.

Bijzonderheden omtrent een Koriaksch Prins genaamt Bumiavin.

Ik had hem al aanstonds te Kaminoi ontmoet; verwonderd over de beleeftheden, die de Heer Schmaleff hem bewees, was ik begeerig om den rang en den staat van deezen persoon te verneemen; men zeide mij, dat hij een zassédatel of rechter van Ingiga was, die ons te gemoet was gekomen, om ons zijn dienst aantebieden; de gemaklijkheid, waar mede hij het Russisch sprak en de juistheid van zijn oordeel bekoorde mij; ik zou hem voor een Rus gehouden hebben, indien hij niet op het zelfde oogenblik zijn moedertaal gesproken had; als toen vernam ik, dat hij een Koriaksch prins, genaamt Bumiavin, en een broeder van een der hoofden van zwervende Koriaken was.

Mijne nieuwsgierigheid deed mij hem verscheide vraagen doen, hij beantwoorde dezelve met zo veel fijnheid en verstand, als ik nog onder geen zijner landsgenooten was gewaar geworden; het gemak van met hem zonder behulp van een tolk te kunnen spreeken, deed mij zijn omgang des te meer op prijs stellen, en zo lang ik te Kaminoi bleef, was dezelve voor mij een bron van vermaak en onderwijs; onder de verscheidene onderwerpen, die wij behandelden, was het voornaamste dat van den Godsdienst; even goed in dien van de Russen onderweezen, als in dien van de Koriaken, beleed hij inderdaad geen van beiden; hij scheen echter geneigd om zich te doen doopen, zo dra hij meer omtrent zekere punten, welke hij niet begreep, zou ingeligt zijn; vervuld van bewondering over de verhevenheid der voorschriften van het Evangelie, en over de eerbied verwekkende pracht van den uiterlijken dienst, erkende hij, dat niets meer geschikt was om hem het verlangen inteboezemen van het Christendom te omhelzen; dog de strenge vorderingen van eenige onzer Godsdienstige oeffeningen[126], de onzekerheid van eene hemelsche gelukzaligheid, en boven al het denkbeeld van een God, die de eeuwige straffen bedreigt, vervulden hem met schrik en twijffelmoedigheid; de Godsdienst van zijn land, zeide hij, verschafte onder alle haare droomerijen, en alle haare ongerijmdheden, ten minste meer hoop dan vrees; deeze kondigde hem geen straffen aan dan in deeze waereld, en beloofde hem belooningen in de andere, de booze geest kon hem niet langer dan geduurende zijn leeven pijnigen, het geluk wachtte hem bij zijn dood; door alle deeze bedenkingen geslingerd, was zijn geest in eene geduurige twijffeling en radeloosheid, hij durfde het geloof zijner vaderen niet verlaaten nog zig daar aan houden, hij wierd ’er schaamrood over, en ter gelijker tijd liefkoosde hij de dwaalingen daar van.

De bevalligheid, waar mede hij zijn besluiteloosheid erkende, was voor mij te belangrijker, dewijl ik in zijne redeneeringen en in zijn hart een trap van ongemeene deugd en bijzonder de liefde tot de waarheid ontdekte. Om deeze besluitloozen geest te bepaalen, zou men hebben moeten beginnen om hem de vooroordeelen, die zijn verstand benevelden, te ontneemen, welke derzelver oorsprong genomen hadden in de verkeerde begrippen, die hem gegeeven waaren. Een ander zou mogelijk ondernomen hebben van die te willen wegneemen; ik wierd daar in wederhouden door de vrees van mijne pogingen vrugteloos te besteeden, dewijl ik maar weinig tijds met hem kon doorbrengen, zo te Kaminoi als te Ingiga, alwaar hij een dag na mij aankwam, gelijk hij mij beloofd had. Hij bewees mij daar de grootste diensten door zijne oplettenheid om mij alle de ophelderingen over zijn land te bezorgen, die ik maar verlangde, en om mijne verlangens en behoeftens tot het vervolgen van mijne reis voortekomen.

Uitgestrektheid van het land der Koriaken.

Tusschen de Koriaken, welke eene vaste woonplaats hebben en die welke zwervende zijn, bestaat in veele opzichten eene groote gelijkheid. De geringe vereeniging, ik zal meer zeggen, de tweespalt, die onder hun heerscht, schijnt daar om te vreemder; men zou zeggen, dat het twee verschillende volken waaren, door onmeetelijke scheidpaalen van den anderen verwijderd; zij hebben echter het zelve vaderland, dit beslaat eene groote uitgestrektheid, ten zuiden bepaald door het schier-eiland van Kamschatka en door de golf van Pengina, ten oosten door het land der Oluteriers, ten noorden door dat der Tchouktchis, en ten westen door de Toungousen, de Lamouten, en de Yakonten.

Bevolking.

Men verzekert, dat voortijds deeze streek uitermaate sterk bevolkt was, dog dat de kinderziekte aldaar een groote slagting heeft aangericht; ik twijffel echter, of dezelve meer inwoonders weggerukt heeft dan derzelver menigvuldige geschillen met de Russen en hunne andere nabuuren; het getal der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, is thans niet boven de negen honderd; en hoewel het bijna onmogelijk is, om juist de bevolking der zwervende te bepaalen, meent men echter, dat zij het getal der andere Koriaken niet te boven gaan.

Zeden der Koriaken, die eene vaste woonplaats hebben.

De zeden van deeze zijn niet minder dan achtenswaardig, het is niet anders dan een mengzel van dubbelhartigheid, wantrouwen en gierigheid; zij bezitten alle de ondeugden der volken uit het noorden van Asia, zonder iets van derzelver deugden; dieven van aart, zijn zij achterdogtig, wreed, en kennen nog de goedwilligheid nog het medelijden. Om van hun den minsten dienst te verkrijgen, moet men ’er hun eerst de belooning daar van laaten zien[127]; men kan dezelven niet dan door geschenken bewegen en doen handelen.

Met deezen trouwloozen en beestachtigen inborst moet het hun niet gemaklijk vallen, om in vrede te leeven, nog om duurzaame verbintenissen met derzelver nabuuren aantegaan. Uit deezen geest van ongezelligheid moest de afkeer voor eene vreemde heerschappij gebooren worden, van daar hunne geduurige opstanden tegen de Russen, hunne afschuwelijke roverijen, hunne dagelijksche stroperijen bij de volken, die hun omringen; van daar de wederzijdsche wraakoeffeningen, die telkens wederom opwellen.

Onverzettelijke kloekmoedigheid van alle de Koriaken.

Deeze geduurige oorlog voed en onderhoud den woesten aart in alle de harten; de gewoonte van zich te verdedigen en aantevallen bezorgde hun die onverzettelijke kloekmoedigheid, welke de gevegten vereeuwigt en een roem stelt in de verachting van het leven. Het bijgeloof werkte mede, om in hunne oogen dien bloeddorst te veredelen, met hun de wet opteleggen van te sterven of te dooden. Hoe ernstiger de zaak is, die hun de wapenen doet opneemen, hoe gretiger zij na den dood haaken; de dapperheid, het aantal hunner tegenstanders heeft niets schrikbaarends voor hun, dan is het, dat zij zweeren de zon niet meer te zullen aanschouwen; zij vervullen deezen schrikkelijken eed met hunne vrouwen en kinderen te vermoorden, met alles te verbranden, wat zij bezitten, en met zich vervolgens woedende in het midden der vijanden te werpen; het gevegt eindigt niet dan met de geheele verwoesting van een der twee partijen, men ziet de overwonnenen hun heil in de vlucht niet zoeken, de eer verbied zulks aan de Koriaken, geen een wil de slagting zijner landsgenooten overleeven.

Levenswijze der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben.

Tot heden toe heeft de nabuurschap der Russen geen de minste verandering gemaakt in de levenswijze der Koriaken, welke eene vaste verblijfplaats hebben; de band des Koophandels, die hun meer en meer met deeze vreemdelingen bekend maakt, heeft op hun geen andere uitwerking gehad, dan de bekooring tot rijkdom en tot roof in hun te ontsteeken; onverschillig omtrent de voordeelen van een meer geregeld leeven, schijnen zij de beschaafdheid van zich afteweeren, en hunne zeden en gebruiken als de bestmogelijke te beschouwen[128].

1788. April van den 1. tot den 6. Te Ingiga.

Hunne bezigheden.

De jagt en de vischvangst maaken hunne gewoonlijke bezigheid uit, dog alle de jaargetijden laaten niet toe om daar mede bezig te weezen; geduurende deeze tusschenpoozingen in hunne diepe wooningen begraaven, doen ze niets dan slaapen, rooken en zich dronken drinken; zonder zorg voor het toekomende, zonder leedweezen over het gebeurde, komen zij niet uit hunne yourtes, dan wanneer eene dringende noodzaaklijkheid hun daar toe verplicht.

Wooningen.

Veel grooter dan die der Kamschatters van het noorden, vertoonen deeze ten naasten bij dezelfde verdeeling, ik twijffel of de morsigheid daar niet nog afzigtelijker is; men vind daar geen deur nog joupan of rookgat, ook is de rook ’er onverdraaglijk.

Voedzel.

Dit volk, vijandig van den arbeid, leeft even als dat van Kamschatka, van drooge visch, van walvisschen en zeewolvenvleesch en vet[129]; het eene word gewoonlijk raauw gegeeten, het andere word gedroogd en gekookt op dezelfde wijs als de visch, dog de zenuwen, het merg, de harsens en dikwils geheele stukken van het vleesch, worden geheel raauw met eene woeste gretigheid verslonden; het rendierenvleesch is het meest geacht; de Koriaken trekken daar dezelfde partij van als van de zee-wolven, walvisschen en andere dieren, waar op zij jagt maaken; zij voeden zich ook met aardgewassen, zij plukken in den herfst verscheide soorten van vrugten, een gedeelte van den oogst dient om daarvan verkwikkende dranken te vervaardigen[130], het overige word verbrijzeld en gekneed met olie van walvisschen of zee-wolven; Dit beslag of ingemaakte vrugten word toltchoukha genaamd. Men maakt ’er hier te land veel werk van, dog volgens mijn smaak is ’er niets onaangenaamers.

Dranken.

Hunne zucht tot sterke dranken aangezet door de duurte van de brandewijn en de moeijelijkheid, om ’er zich zo veel van te verschaffen, als men begeert, uit hoofde van hunne verafgelegenheid, heeft hun een even koppigen drank doen uitdenken, welke zij uit een roode paddestoel trekken, in Rusland voor een hevig vergift onder den naam van moukhamorr bekend;[131] zij doen denzelven in een pot met eenige vrugten, en naauwlijks geeven ze dien den tijd om klaar te worden; de vrienden worden verzogt, eene edele mededinging ontvlamt de gasten, ieder zoekt om het zeerst den huisheer van deszelfs nectar te ontlasten, het feest duurt een twee of drie dagen, tot dat de voorraad op gebruikt is; dikwils eeten zij ter zelfder tijd deeze paddestoel geheel raauw, om des te zekerder te zijn van de reden te zullen verliezen; het is onbegrijpelijk, dat ’er geen meer voorbeelden van schadelijke uitwerkzelen deezer dronkenschap gevonden worden. Ik heb echter liefhebbers daar van zeer onpaslijk gezien, die veel werk hadden om te herstellen; dog de ondervinding verbeterd hun niet, bij de eerste gelegenheid geeven ze geen gehoor, dan alleen aan hunne verdwaasde en beestachtige onmaatigheid; want het is bij hun eigentlijk geen involging van lusten, het is ook niet het vermaak om aandagtig den drank te proeven, welke hun een onwederstaanbaare behoefte word, zo dra zij denzelven gesmaakt hebben; zij zoeken eigentlijk in deeze Bacchusfeesten niets anders, dan de bewustheid van zich zelfs te verliezen, een staat van bezwijming, en geheele redenloosheid, eene ophouding van bestaan te ondergaan, indien ik mij dus mag uitdrukken; ziet daar hun eenigste vermaak, ziet daar voor hun het waar genoegen.

Gelaatstrekken.

De gelaatstrekken van het grootste aantal hebben niets van het Asiatische; buiten derzelver kleine gestalte, de gebreken hunner aangezichten, en de couleur van hun vel, zouden zij vrij veel overeenkomst hebben met de Europeaanen; de overige Koriaken hebben dezelfde trekken in het gelaat als de Kamschatters, onder de vrouwen vooral zijn ’er weinigen, die geen getrokken oogen, platte neuzen en hangende wangen hebben; de mannen zijn bijna zonder baard en draagen het hair zeer kort; de vrouwen geeven daar weinig acht op, en laaten ze langs de schouders hangen, eenigen binden ze in vlechten of steeken ze in een neusdoek.

Wat de kleeding der mannen en vrouwen betreft, deeze is zodanig, als ik bij mijn doortogt te Koriagin en te Poustaretsk beschreeven heb.

Wieg voor de kinderen.

De vrouwen draagen haare kinderen in een wieg, welkers gedaante mij zonderling voorkwam, het is een soort van nis of korf, dien men op den rug draagt, welke van boven boogsgewijs gemaakt, en waar in het kind gezeten en overdekt is.

Huwelijken.

Onder de allervreemdste gebruiken zal ik hier opgeeven de proef, waar aan een jongman, die trouwen wil, zich moet onderwerpen. Wanneer hij zijn keus gedaan heeft, gaat hij zich bij de ouders van zijne minnaares vertoonen, en zich aanbieden om te werken; dit is het oogmerk; aanstonds belaad men het meisje met een onnoemlijk aantal kleederen, die haar zodanig verbergen, dat men naauwlijks het aangezicht zien kan; als dan is ze geen oogenblik meer alleen, haar moeder en verscheidene oude vrouwen volgen haar overal, slaapen aan haare zijde, en verliezen haar nimmer, onder wat voorwendzel ook, uit het oog; de behendigheid van den minnaar, alle zijne pogingen moeten daar heen strekken om het geluk te hebben van zijne beminde ontbloot aan te raaken; dit is het eenigste middel om haar te verkrijgen; ondertusschen verricht hij met iever en onderwerping allen arbeid, welken de ouders hem opleggen; hij, om dus te spreeken, de slaaf van het gezin geworden, word belast met al het huisselijke werk, als om het hout te hakken, het water of den voorraad van ijs te haalen; de liefde, de tegenwoordigheid van zijne aanstaande geeven hem moed; een enkel opslag van het oog, al was het ook onverschillig, doet hem zijne vermoeijenissen en de verdrietelijkheden van den dienst vergeeten; de hoop om de duurzaamheid daar van te verkorten, bestiert alle zijne daaden; het oog altoos gevestigt op den afgod van zijn harte, bespied hij alle haare beweegingen, volgt haare gangen, en vertoont zich zonder ophouden, waar zij ook gaan mag; dog door welk middel zal hij het geleide van Argusoogen, welke haar omringen, bedriegen? Het is eene geduurige strijd van de waakzaamheid tegens de list; een ieder neemt zich in acht en gaat met gelijken iever en gelijke standvastigheid te werk; men zou uit zoo veel ernst, uit deeze verliefde onrustigheid van den minnaar, uit de genomen maatregelen om zijne pogingen te doen mislukken, moeten besluiten, dat het te doen was om eene zeldzaame schoonheid te schaaken: wie zou gelooven, dat het voorwerp der begeerte en der gedagten van den zugtenden Koriak de leelijkheid zelf is, en dat hij tot prijs van zo veel arbeids alleen haakt om een vereelt, geel en smeerig vel aanteraaken? In zijne oogenblikken van werkeloosheid vrijheid hebbende om zijne meesteresse te zien en te naderen, tragt hij somtijds haar door eene steelswijze aanraaking te verdienen, dog het aantal en de dikte der kleederen veroorzaaken hem een onoverkomelijken hinderpaal; verwoed over zo veel tegenstands, rukt en scheurt hij deeze lastige kleederen; wee den roekeloozen, indien hij in zijne poging betrapt word; de ouders, de onverbiddelijke bewaaksters vallen op hem aan, en noodzaaken hem om zijn prooij te verlaaten; het is gewoonlijk door schoppen of stokslagen, dat men hem verzoekt van heen te gaan en een beter gelegenheid uittekiezen: indien hij tegenstand bied, word hij bij de hairen gesleept, of de nagels van die oude Megera’s worden op zijn aangezicht gedrukt; indien hij zich verzet, zo hij te onvreeden is over deeze wreede behandeling, word hij aanstonds afgedankt en verliest voor altoos zijne aanspraak op deeze verbintenis, hetwelk de grootste belediging is, die een verliefd Koriak kan wedervaaren. Dog de zwaarigheden doen zijne begeertens des te heviger ontsteeken; wel verre van zich te beklaagen, verre van door zo veele gestrengheden den moed te laaten ontzinken, vermeend hij de gelukzaligheid, welke hij zich belooft heeft, des te waardiger te zijn; hij verheugt zich, hij acht zich alle de kwellingen, die hij in zijne verliefde en moeijelijke slavernij ondergaat, tot een eer; het gebeurt dikwils niet, dan ten einde van twee of drie jaaren, meer of min, dat hij tot den eindpaal van zijnen arbeid, tot het oogmerk, het geen zo ongemaklijk te bereiken was, geraakt; trots op zijne zege, haast hij zich, om die aan de ouders van de overwonnene te gaan aankondigen; de getuigen worden geroepen, de dogter ondervraagt[132], men vordert haare bekentenis, men eischt bewijs, dat zij verrast is geworden, dat zij vergeefsche pogingen aangewend heeft om zich te verdedigen, als dan is haare hand aan den overwinnaar toegestaan, van wien men nog een uitstel vordert, om verzekert te zijn, of de Juffrouw zich zal kunnen gewennen om met hem te leeven; van dit oogenblik af, bevrijd van allen arbeid, maakt hij zonder hinder zijn hof aan zijne aanstaande bruid, die zelfs niet treurig is van verlost te weezen van den last haarer talrijke kleederen. Het is zeldzaam, dat zij deeze tweede proef lang uitrekt, welhaast geeft zij, in tegenwoordigheid van de bloedverwanten, haare toestemming aan haar man, en dit is voldoende om hem in alle zijne rechten te doen treden. De plegtigheden en het huwelijksfeest worden in een vergadering der naastbestaanden voltrokken, die zich op het voorbeeld der getrouwden om het zeerst dronken drinken, de veelwijverij schijnt aan de Koriaken verboden te zijn, echter heb ik ’er gezien, die zich deeze zonder den minsten schroom veroorloofden.

Lijkplegtigheden.

Derzelver lijkplegtigheden gelijken veel na de oude instellingen van het heidendom, tans nog bij verscheide woeste volkeren van het nieuwe halfrond in gebruik. Wanneer een Koriak gestorven is, vergaderen zijne naastbestaanden en zijne vrienden om hem de laatste eer te bewijzen; zij rechten een houtmijt op, waarop men een gedeelte der rijkdommen van den overleedenen en een voorraad van leevensmiddelen plaatst, als rendieren, visch, brandewijn, in een woord, alles wat men meent, dat hij noodig kan hebben, om de groote reis te doen, en om niet van honger in de andere waereld te sterven. Indien het een zwervende Koriak is, word hij door zijne rendieren naar de houtmijt gebragt, zo het een Koriak is, die een vaste woonplaats heeft, word hij door zijne honden getrokken of door zijne naastbestaanden gedraagen; het lijk word met deszelfs fraaijste kleederen en leggende in een soort van doodkist ten toon gestelt; daar ontfangt hij het laatst vaarwel van de omstanders, die, van toortzen voorzien, het zich een eer rekenen, om spoedig hun bloedverwant of vriend in asch te doen verteeren. Zijn verlies veroorzaakt geen andere droefheid, dan alleen het gemis van zijn bijzijn, en niet die wegens eene eeuwige scheiding; men kent daar geen rouw, en de lijkplegtigheid word door een Bacchusfeest onder de naastbestaanden geeindigt, alwaar de dampen van den drank en tabak langzamerhand het aandenken aan den dooden verdrijven; na verloop van eenige maanden weduwe geweest te zijn, is het aan de vrouwen geoorloft om weêr te hertrouwen.

Deeze bijgeloovige gebruiken bij de lijkplegtigheden in acht genomen, en de kortstondige droefheid van hun, welke een wezen overleeven, dat hun waard kon zijn, dit alles is na mijn inzien een ontegenzeggelijk bewijs van hunne onverschilligheid voor het leeven, waar van de korte duurzaamheid hun nog verbaast nog bedroefd. Hun godsdienstig zamenstel streelt hun waarschijnlijk met de vertroostende hoop van een voortduurend bestaan; de dood is in hunne oogen niets anders dan een overgang tot een ander leeven, wanneer zij de waereld verlaaten, gelooven ze niet, dat zij ophouden te genieten, het zijn andere genoegens, die ze zullen wedervinden; dit vleijend vooroordeel, het welk ik reeds door het verhaal van mijn eerste gesprek met Bumiavin heb doen kennen, geeft de beste reden van zijne twijffelingen in godsdienstige zaaken, en van de woeste kloekmoedigheid zijner landsgenooten. Dog hunne ongerijmde leerstellingen vereisschen eene meerdere ontwikkeling, hoe zeer de dienst, waar van ze den grondslag uitmaaken, zeer eenvoudig is, en dat het wonderbaare daar van weinig verleidends in zich bevat; zie hier, waar in het geslachtregister der Koriaksche Goden bestaat[133].

Godsdienst.

Zij erkennen een Opperst Wezen, Schepper van alle dingen; volgens het denkbeeld deezer volkeren, bewoont hij de zon; welkers vuurige bol hun toeschijnt het paleis, de throon van den beheerscher der natuur te weezen; misschien verwarren zij hem met dat hemelsch vuur, het welk zij vooronderstellen zijn verblijfplaats te zijn. Het geen mij dit deed denken, was, dat ze hem nog vreezen nog aanbidden; geene gebeden worden tot hem opgezonden; de goedwilligheid, zeggen ze, is zijn hoofdbestaan, hij zou geen leed kunnen doen; al het goede, het geen op deeze aarde gebeurt, daalt van hem af; schijnt het na dit alles niet, dat de vertooning der onafgebrooken en algemeene weldaaden van den Koning der schitterende lichten, die aan alles op het aardrijk leeven, werking en kracht geeft, dit blind vertrouwen hun heeft ingeboezemd, met dit licht des waerelds als haar beschermgod voortestellen?

De oorsprong van het kwaad is volgens hun niets anders dan een booze geest, die met het volmaakte goede weezen de beheering van de natuur deelt[134], hun magt is gelijk; zo veel als de een zich bezig houd met het geluk der menschen, zo sterk zoekt de ander dezelve ongelukkig te maaken; de ziektens, de stormen, de honger, allerlei rampen zijn deszelfs werk en de werktuigen zijner wraak; om hem te ontwapenen is het, dat het eigenbelang zich verbind en waar op de godsvrugt zich toelegt; het afgrijzen, het welk deeze dreigende godheid in alle de harten verspreid, is de gewaarwording, welke den eerbied voorschrijft, de dienst, dien men hem toezwaait, bestaat in zoenofferhanden; men offert hem jonggebooren beesten, rendieren, honden[135], de eerstelingen van de jagt en vischvangst, en al het kostbaare, wat men maar bezit; de gebeden, die men tot hem opzend, bestaan in verzoeken of in dankzeggingen; men heeft geene tempels, geene heiligdommen, alwaar zijne aanbidders zich moeten verzamelen; overal kan men deeze ingebeelde godheid eerbiedigen; hij hoort den Koriak, die hem alleen in de woestijn aanbid, even als het vereenigt gezin, dat zijn gunst meent te verwerven met zich in hunne yourte godvrugtig dronken te drinken; want de gewoonte der dronkenschap is bij dit volk een godsdienstige oeffening en de grondslag van alle plegtigheden geworden.

Die Duivel, die gedugte geest, is zonder twijffel dezelfde als de Koutka, van wien de Kamschatsche Chamans zich de dienaars en de werktuigen zeggen te zijn; hier, even als in het schier-eiland, jaagt de geheimzinnige taal van deeze toveraars het bijgeloof vrees aan, en verwerft hun den eerbied van de menigte; zij oeffenen de genees- en heelkunde met denzelfden uitslag; deeze uitsluitende bedieningen, die men meent, dat veeleer door de hulp der ingeeving ondersteunt worden, dan wel door de verkreegene kundigheden der ondervinding, vergewissen hen van eene onbepaald gezag; overal worden ze geroepen, en bij voorraad worden hun de betuigingen van erkentenis toegezwaaid; zij vorderen uit der hoogte al het geene hun behaagd, en ontvangen als een schatting al het geen men hun aanbied; altoos is het onder voorwendzel van eene aangenaame offerhande aan den God, welken zij doen spreeken, dat zij zich het beste en fraaijste toeeigenen, het welk de inwoonders van deeze streeken bezitten; men moet niet gelooven, dat door het ten toon spreiden van eenige deugden, door een streng voorkomen, of door eene stipter zedekunde, deeze bedriegers hunne misleide onderhoorige betoveren; zonder teugel nog geweeten, doen zij hunne ondeugden te meer gelden, en betoonen des te minder maatigheid; daags voor derzelver toverplegtigheden neemen ze eene houding aan, als of ze den geheelen dag vasten zouden, dog des avonds stellen zij zich schadeloos, met zich moukhamorr, zijnde dat dronkenmaakend vergift, het welk ik beschreeven heb, op te laaten disschen, zij drinken en eeten daar van tot verzadigens toe, deeze voorbereidende dronkenschap strekt tot een goed begin, het is waarschijnlijk, dat zij den volgenden dag daar van nog gewaarwording hebben, het geen hun die verhitting van hooft bezorgt, welke derzelver redenloosheid vermeerdert, en hen de nodige krachten bijzet om zich aan hunne buitenspoorige vervoeringen te kunnen overgeeven.

Taal.

De taal der Koriaken heeft de minste overeenkomst met die der Kamschatters; de uitspraak van dezelve is veel scherper en langzaamer, dog ze is gemaklijker, ze bezit niet die vreemde klanken, die uitblaazingen, welke even moeijelijk in het spreeken als in het schrijven zijn[136].

Nu blijft mij nog overig om eenige bijzonderheden omtrent de zwervende Koriaken optegeeven; dog maar maatig te vreden over de aantekeningen, welke ik omtrent dit onderwerp heb getragt op te zamelen, zal ik mij voorbehouden om de waarheid daar van vast te stellen op mijn aankomst bij den broeder van Oumiavin, alwaar ik de voorwerpen onder mijn bereik kan hebben.

Toebereidzelen tot mijn vertrek.

Zedert mijne aankomst te Ingiga had de Heer Gaguen, toegeevende aan mijne verzoeken, zich bezig gehouden met de middelen te beraamen, om mij ten spoedigsten te doen vertrekken; indien dit van mij afgehangen had, zou ik ’er niet langer dan vierentwintig uuren verbleeven zijn; ongelukkig waaren mijne honden afgemat[137], en men zou in de geheele stad niet dan een klein aantal, en welke altans niet beter waaren, hebben kunnen verzamelen; men sloeg mij dan voor om rendieren te neemen, ik stemde daar in des te gereeder toe, dewijl ik daar door meende meer spoed te zullen maaken, en ook reeds zedert lang begeerte gehad had om daar van de proef te neemen; men verborg voor mij niet de meerdere ongemakken, waar mede deeze manier van reizen verzeld is, meerdere vermoeijenissen en minder rust, op dit alles zou ik moeten staat maaken; dog mijn ongeduld beschoude niets anders dan de mogelijkheid om voorwaards te komen, en om het vermaak te genieten van de gezwindheid dezer dieren zelfs door de ondervinding te kunnen beoordeelen.

Notes in this chapter

Note 1 · Geduurende mijn verblijf te Poustaretsk had de Heer Commandant onze Kamschatsche leidslieden afgedankt. Eenige hoorden in den omtrek van BolNote 2 · Alle de zwervende Koriaken vlugteden insgelijks voor ons, ten einde niet genoodzaakt te weezen van ons de behulpzaame hand te bieden.Note 3 · Dit volk woont ten zuiden der Tchouktchis op de Oost-kust.Note 4 · Deeze tent was van lijnwaat. Ik had dezelve van den Heer Vorokoff gekogt, voor dat ik van Poustaretsk vertrok.Note 5 · Deeze geruchten waaren door de ontrouwe berichten van den Ingenieur Bogenoff geloofbaar geworden, men zal zich herinneren, dat hij ons verzeNote 6 · Dit detachement was van veertig mannen geweest, dog op de begeerte van Kabéchof, wierd het met tien Kosakken versterkt, die te Kaminoi aankwNote 7 · Men zeide mij hier, dat dit volk, gewaarschuwt van mijne aanstaande reis door Ingiga, waarschijnlijk mij te gemoet zou komen, al was het maaNote 8 · Ziet het eerste deel Bladz. 188.Note 9 · Mijn geleide bestond dus uit vier mannen, te weeten, Golikoff, den soldaat, dien ik van Poustaretsk mêe gebragt had, en twee anderen uit hetNote 10 · De schaarschheid van honden te Kaminoi, en de slegte staat van de mijne, had den Heer Schmaleff doen besluiten, om mij die van het detachemeNote 11 · De leezer zal zich herinneren, dat ik als toen in eene Kamschatsche kleeding was.Note 12 · De trouwloosheid der Koriaken heeft bijna altoos getracht om den haat der Tchouktchis tegens de Russen aantestooken, het zij door valsche beNote 13 · Dat is te zeggen, de geenen, die zich aan geene zijde van de Kaap Tchouktchi ophouden, in de landkaarten bekend onder den naam van TchoukotsNote 14 · Het is aan de vrees van des nagts door de Koriaken te zullen overvallen worden, dat men deeze voorzorg moet toeschrijven.Note 15 · De veelwijverij is bij dit volk in gebruik; men zou ook kunnen zeggen, dat het daar aan de vrouwen geoorloft is meer dan een man te hebben, Note 16 · Ik had te meer grond om hem te verdenken, dewijl de aanvang zijner reden mij de middelen herinnerde, die hij het voorige jaar gebruikt had, Note 17 · Men kan zich geen lelijker mensch voorstellen; zwaarlijvig en in een gedrongen, het aangezicht van de kinderziekte en door verscheiden lidteNote 18 · Die rechtbank word in het Russisch nijenei-zems-koisond, of laag grondgericht genaamd; de rechters, die daar zitting in hebben, worden beurtNote 19 · Zij bedienen zich daar toe van geene doeken nog servetten, zij neemen een stok, en schrapen die af, met dit afschrapzel wrijven en maaken zeNote 20 · Dus noemen zij deeze stormwinden.Note 21 · Zij roepen onophoudelijk werda, uit vreeze van door de omleggende Koriaken verrast te zullen worden, welkers oproerige en stoute aart hun meNote 22 · De Russen noemen deeze soort van marter kounits.Note 23 · Hij was voornamelijk afgeschrikt door de vasten, die men weet, dat bij de Grieksche kerk zeer gestreng en meenigvuldig zijn.Note 24 · Ik moet erkennen, dat ik geen reden heb van mij zo veel over de zwervende Koriaken te beklaagen. In het algemeen heb ik hen veel openhartigeNote 25 · De zwervende Koriaken toonden zich langen tijd nog onhandelbaarder, de onafhangelijkheid, aan welke zij gewoon waaren, die natuurlijke onrusNote 26 · Alle de Koriaken, die ik op mijn weg van Poustaretsk af ontmoet heb, leeden niet minder gebrek als de inwoonders van dit gehugt; berken-schoNote 27 · De rivieren in de nabuurschap van deeze Ostrogs, zijn bijna alle zo klein, dat met de minste koude dezelve geheel digt raaken, en geduurendeNote 28 · Men bediend zich daar van in de Russische huizen, om de insecten te verdrijven.Note 29 · Het is waarschijnlijk, dat de schoone niet altoos ongevoelig is, en dat zij even ongeduldig als haar minnaar om deezen werkzaamen proeftijd Note 30 · Dit is even het zelfde bij de Tchouktchis, en ook eertijds bij de Kamschatters, voor de invoering van het Christendom.Note 31 · Zij neemen echter ook eenige mindere Goden aan; sommigen zijn een soort van huisgoden, beschermers van hunne boersche daken. In de meest in Note 32 · Ik heb dikwils op mijn weg overblijfzels van honden, en gedoode rendieren gevonden, die aan paalen opgehangen waaren, het welk dan blijken gNote 33 · De leezer kan deeze twee taalen vergelijken uit het woordenboek, het welk hij aan het einde van dit dagverhaal zal vinden.Note 34 · Ik dankte uit dien hoofde mijne wegwijzers af. Ik heb tot hier toe van mijne reiskosten niet gesprooken, om reden, dat zo lang ik met den He
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings