EERSTE DEEL. (continued 3)
Reading edition
1788. Februarij Den 10. Te Nijenei Kamschatka.
Feest gegeeven door den Heer Major Orléankoff.
Het geen mij echter des te meer verwonderde, was het gestrenge, dat bij de pligtpleegingen in acht genomen wierd. Het onderscheid der rangen scheen mij met de uiterste naauwgezetheid gade geslaagen te worden; de plichtpleegingen en gebruiken, alle deeze koele beleeftheden gaven bij de opening van het feest een zekere gemaaktheid, die meer verveeling dan vermaak voorspelden. De maaltijd was allerpragtigst voor het land; ik zag onder andere geregten een groot getal van verschillende soupen opbrengen. Deeze waaren verzeld van koude vleeschspijzen, waar van men terstond veel gebruik maakte. Bij het tweede geregt, kreegen wij het gebraad en pasteijen, dog dit alles kondigde minder weelde dan wel overdaad aan; de dranken waaren gemaakt van verscheidene vrugten, aan deeze streeken eigen, gekookt en met Franschen brandewijn gemengt. Men bediende bij voorkeur en bijna geduurig brandewijn van het land, gemaakt uit slatkaiatrava of zoet gras, waar van ik te vooren gesprooken heb; deeze likeur heeft zo als ik gezegt heb geen onaangenaamen smaak, zelfs is ze geurig, men went zich des te gewilliger aan deeze brandewijn, om dat ze minder ongezond is, dan die uit graanen gemaakt word: alle de gasten raakten ongevoelig in een vrolijken luim, hunne reden was niet lang bestand tegen de dampen van een zo koppigen drank; welhaast heerschte de uitgelatenste vreugde over tafel. Op dit luidrugtige en pragtig gastmaal volgde een vrij wel zamengesteld bal. Het gezelschap was zeer vrolijk, en men danste ’er tot aan den avond Russische en Poolsche contredanssen; het bal wierd door een zeer aartig vuurwerk geeindigt, het geen de Heer Orléankoff gemaakt had, en zelfs aanstak, het was niet groot, dog de uitwerking voldeed in allen opzichte. Ik vermaakte mij met de verbaasdheid en opgetogene verrukking van de meeste der aanschouwers, die weinig denkbeelden van dit soort van vermaaken hadden, men zou ze allen geschilderd hebben; onbeweeglijk van verwondering, schreeuwden zij eenpaarig bij het opgaan van iederen vuurpijl; hun leedweezen over den korten duur hier van vermaakte mij niet minder. In het vervolg moest men al die lieden den lof daar van hooren vermelden, en in het heengaan herhaalde ieder al zuchtende de genooten vermaaken van dien dag.
Ik wierd den volgenden dag bij den protapope, oom van de bruid verzogt, alles was op den zelfden voet als daags te vooren, uitgezondert het vuurwerk. De protapope is, gelijk ik reeds gezegt heb, het hoofd van alle de Kamschatsche kerken; ieder priester van dit schiereiland is aan hem ondergeschikt, en hij beschikt over alle de geestelijke zaaken, hij houd zijn verblijf te Nijenei. Het is nog een vrij jeugdige grijzaart, een breede witte baard hangt hem tot op de borst, en geeft hem een waarlijk achtbaar aanzien. Zijn ommegang scheen mij toe vol geest, vrolijk en gepast te weezen om zich den eerbied en de achting van deeze volkeren te verwekken.
Rechtbanken te Nijenei.
Te Nijenei zijn twee rechtbanken; voor de eene worden de zaaken van het bestier gebragt, en de andere neemt kennis van alle de verschillen tusschen de Kooplieden; de regeeringspersoon, die daar in voorzit, is een soort van Burgermeester, ondergeschikt aan de bevelen van den Gorodnitch of Commandant van de stad. Men heeft hier boven gezien, dat ieder van deeze rechtbanken van het rechtsgebied te Okotsk afhangt, en dat men van alle zaaken aan den bevelhebber van deeze laatste stad rekenschap moet geeven.
Dog het geen mij te Nijenei het belangrijkste voorkwam, en het geen ik niet met stilzwijgen kan voorbijgaan, bestaat daar in, dat ik hier negen Japoneezen aantrof, die in den afgeloopen zomer derwaarts van de Aleutische eilanden gebragt waaren door een Russisch vaartuig, geschikt tot den handel in otters.
1788. Februarij Den 11. Te Nijenei Kamschatka.
Een van deeze Japoneezen verhaalde mij, dat hij zich met zijne makkers op een vaartuig van hun land had ingescheept, om zich naar de meest zuidelijke Kourilsche eilanden te begeeven, met vooruitzicht om daar met de Eilanders handel te drijven, zij volgden de kust en waaren ’er niet ver van verwijderd, wanneer hun zo een verschrikkelijke storm overviel, dat zij ver daar van afdreeven, en geheel verdwaalden. Volgens zijn verhaal, het geen mij echter zeer verdagt voorkwam, bevoeren zij de zee bijna zes maanden, zonder land te zien. Buiten twijffel hadden ze levensmiddelen in overvloed. Eindelijk vertoonden zich de Aleutische eilanden aan hunne oogen: vol van vreugde beslooten zij daar aan te landen, zonder te weeten waar dit best te onderneemen; zij wierpen één anker digt bij een van deeze eilanden uit, en een sloep bragt ze allen aan land. Zij vonden daar Russen, die hun voorstelden om te zaamen hun schip te gaan ontlaaden en het in veiligheid te brengen; dan deeze Japoneezen wilden daar in niet toestemmen, het zij uit mistrouwen, het zij dat ze in der daad geloofden, dat het den volgenden dag gemaklijker zou zijn. Zij hadden veel reden om zich over dit verzuim te beklaagen: want in den zelfden nagt wierp een hevige zee-wind het schip op de kust; men wierd zulks niet dan met het aanbreeken van den dag gewaar, en men had veel moeite om het kleinste gedeelte van de lading en eenige stukken van het schip te bergen, welk laatste bijna geheel van welriekend hout gemaakt was. De Russen, die hen wel onthaald hadden, deeden als toen al het geen in hun vermogen was om deeze ongelukkigen hun verlies te doen vergeeten; zij bragten hun alle vertroosting toe, en deeden dezelven eindelijk het besluit neemen om hun naar Kamschatka te volgen, werwaards zij terugkeerden; mijn Japonees voegde ’er bij, dat zij in veel grooter getal geweest waaren, dog dat de vermoeijenissen, die ze op zee geleeden hadden, en vervolgens de gestrengheid van de lucht, veele van zijne makkers had doen omkomen.
Bijzonderheden wegens het opperhoofd van deeze Japoneezen.
De geen, die met mij sprak, scheen over de anderen een zeker blijkbaar gezag te voeren, men wist van hem, dat hij de Koopman was, en dat de overigen alleen matroozen waaren of onder zijn bevel stonden. Dit was ten minsten zeker, dat ze hem een bijzondere achting en eerbied toedroegen, zij zijn alle overstelpt van droefheid, en toonen de levendigste ongerustheid, wanneer hij ziek is of hem iets onaangenaams wedervaart; geregeld zenden ze tweemaal daags iemand uit hun om hem te bezoeken. Men kan zeggen, dat hij hun geen minder vriendschap toedraagt, want daar gaat nooit een dag voorbij, zonder dat hij hun op zijn beurt bezoekt, en hij zorgt met de grootste oplettenheid, dat hun niets ontbreekt. Zijn naam is Kodaïl, zijn aangezicht heeft niets vreemds, zelfs heeft hij een aangenaam voorkomen; zijn oogen zijn niet getrokken als die van de Chineezen, hij heeft een langen neus en een baard, dien hij vrij dikwils afscheert, hij is omtrent vijf voet lang en vrij wel gemaakt, hij droeg het hair op de Chineesche manier, dat is te zeggen, dat van het midden van zijn hoofd een vlegt van de lengte zijner hairen af hong, die wijders rondom afgeschooren waaren, dog men heeft binnen kort hem daartoe gebragt om dezelve te laaten groeijen, en ze op onze manier vast te binden; hij is zeer bevreest voor de koude, de warmste kleederen die men hem gegeeven heeft, kunnen hem daar naauwlijks voor beschutten; hij bewaart en draagt altoos onder deeze die van zijn land, ze bestaan in de eerste plaats in een of verscheide zeer lange zijde hemden, even als onze nagtjaponnen, daar over trekt hij ’er een van wol, het geen zou kunnen doen gelooven, dat deeze laatste stoffe kostbaarder in hunne oogen is, misschien geschied deeze schikking ook gemakshalve, dog dit is mij onbekend. De mouwen van deeze kleederen zijn wijd en open. Niet tegenstaande de strenge luchtsgesteldheid, heeft hij altoos de armen ontbloot en den hals open, alleen maakt men hem, wanneer hij uitgaat, een doek aan den hals vast, dog hij doet ze af zo dra hij in een vertrek komt, hij zegt zulks als dan niet te kunnen verdraagen.
Deszelfs meerderheid boven zijne landgenooten heeft hem eenig aanzien verschaft; dog deeze heeft ’er ongetwijffeld veel minder aan toegebragt, dan wel zijn levendige geest en zagtheid van aart; hij woont en leeft bij den Heer Major Orléankoff; de vrijheid waar mede hij, het zij bij den Commandant, het zij elders, binnen treed, zou onder ons voor onbeschaamdheid of ten minsten voor grove lompheid gehouden worden; zonder omslag zet hij zich aanstonds zo gemaklijk als hem mogelijk is, en wel op den eersten stoel, dien hij maar aantreft, hij vraagt terzelver tijd al wat hij nodig heeft, of wel neemt hij het zelfs, wanneer het maar onder zijn bereik is; hij rookt bijna zonder ophouden, zijn pijp is kort en met zilver vercierd, daar kan weinig tabak in, dog hij vuld ze elk oogenblik. Het rooken is voor hem een zodanige behoefte, dat men veel moeite heeft gehad om hem te beduiden, dat hij zijn pijp niet over tafel gebruikte. Zijn doordringend oordeel is zeer werkzaam, hij bevat alles, wat men hem wil doen begrijpen, met eene verwonderlijke vlugheid, boven al schijnt hij zeer nieuwsgierig en een groot waarneemer. Men heeft mij verzekerd, dat hij naauwkeurige aantekening houd van al het geen hij ziet, en van het geen hem wedervaart, en in der daad de voorwerpen en de gebruiken, die hij onder zijne oogen heeft, zijn zo afwijkende van die, welke zijn vaderland oplevert, dat alles hem stof tot aanmerkingen verschaft: oplettend op het geen gebeurd, en in zijne tegenwoordigheid gezegt word, schrijft hij zulks op uit vreeze van het te vergeeten; de teekens, die hij maakt, scheenen mij ten naasten bij dezelfde als die der Chineezen, dog de manier van schrijven is verschillende, deeze schrijven van de regter naar de linker zijde,[85] en de Japoneezen van de hoogte naar de laagte;[86] hij spreekt genoeg Russisch om zich te doen verstaan, echter moet men aan zijne uitspraak gewoon zijn, om verkeering met hem te hebben; hij spreekt ongemeen snel, het geen veroorzaakt, dat men veel van hem verliest, of dat daar door de betekenis veranderd word; zijne antwoorden zijn in ’t algemeen levendig en natuurlijk, nooit ontveinst hij zijn manier van denken, en men kan zich niet openhartiger over een ander uitlaaten, dan hij doet. Zijn gezelschap is aangenaam en zijn humeur altoos vrij gelijkvormig, hoewel zeer geneigd tot wantrouwen. Heeft hij het een of ander verlegd, aanstonds verbeeld hij zich, dat hem zulks ontvreemd is, het geen hem dikwils een ongeruste houding geeft. Ik bewonderde zijne maatigheid, die waarlijk het tegengestelde is van het geen men in dit land ziet. Wanneer hij voorneemens is van geen sterken drank te gebruiken, is het onmogelijk om hem overtehaalen van ’er van te proeven, hij eischt die wanneer hij ’er lust toe heeft, dog nooit gaat hij zich daar in te buiten. Ik merkte nog op, dat hij op de wijs der Chineezen zich in het eeten van twee kleine stokjes met de grootste behendigheid bediende.
Japansche muntspecien.
Ik verzogt hem om muntspecien van zijn vaderland te zien, en hij beieverde zich om mijne nieuwsgierigheid te voldoen. De gouden munt is een plaat van omtrent twee duim lang, niet dik en bijna ovaal, verscheiden Japansche teekens zijn op deeze stukken gegraveerd: het goud scheen mij toe zeer goed te zijn, zonder eenige vermenging, het buigt zich zo als men begeert. De zilveren specie is vierkant, minder groot en dik, en van minder zwaarte dan het goud, nogtans verzekerde hij mij, dat de laatste in Japan meer waarde had. Het koper geld is volmaakt het zelfde als het cache der Chineezen; het is rond en ten naasten bij van grootte als de Fransche twee oortjens stukken. In het midden is het in het vierkant doorboord.
1888. Februarij Den 11.
Koopmanschappen die een gedeelte van de lading uitmaakten van het Japansche schip.
Ik deed hem nog eenige vraagen over den aart der Koopmanschappen, die men uit hun schip geborgen had, en ik begreep uit zijne antwoorden, dat ze voornamelijk bestonden in kopjes, schaaltjes, doozen en andere fraaij verlakte zaaken van dit soort; ik vernam nog, dat ze daar van een gedeelte in Kamschatka verkogt hadden.
Ik twijffel niet, of men zal mij deeze uitweiding over die Japoneezen wel ten goeden houden, ik kan mij niet voorstellen, dat men ze ongepast zal vinden, ze zal kunnen dienen om een volk te leeren kennen, dat wij zo zeldzaam in het geval zijn van te zien en waarteneemen.
Den 12.
Vertrek van Nijenei Kamschatka.
Na omtrent drie dagen te Nijenei Kamschatka doorgebragt te hebben, vertrok ik den 12 des namiddags ten één uur, om mij weder bij den Heer Kasloff te vervoegen, dien ik zeker was van te Yelofki te zullen aantreffen; ik keerde dan te rug, ten einde mijn weg te vervolgen, dien ik verlaaten had. Ik kwam vrij tijdig te Tchoka, het laatste dorp, dat ik doorgetrokken was, om mij naar Nijenei te begeeven, en het welk, gelijk men gezien heeft, twee en twintig wersten van daar gelegen is. Hier heerscht een hevige en bijna geduurige wind uit het westen, men vind daar van de reden in de legging van dit dorp aan de rivier, tusschen twee ketens van bergen, welke door deeze gescheiden word, en die zich vijfentwintig wersten langs deszelfs twee oevers uitstrekken.
1788. Februarij Den 13.
Ik bragt den nagt te Kamokoff door, en den volgenden morgen bereikte ik in weinig uuren het Ostrog van Kamini of van Pierre, van daar nam ik den weg op Kartchina, onderweeg trok ik voor bij drie meiren, waar van het laatste zeer uitgestrekt was, en weinig minder dan vier a vijf uuren omtrek heeft. Ik sliep in dit laatste Ostrog, veertig wersten van het voorige en gelegen op de rivier van Kartchina[87].
1788. Februarij Den 14.
Ik vertrok van daar met het aanbreeken van den dag, en niettegenstaande het slegte wêer, dat ik geduurende dien geheelen dag ondervond, reisde ik evenwel de zeventig wersten, die ik nog tot Yelofki afteleggen had: dit Ostrog is op de rivier van denzelfden naam gelegen, en van bergen omgeeven.
Ik voeg mij weder bij den Heer Kasloff te Yelofki.
De Heer Commandant prees mijnen gemaakten spoed, dog ik had mij te vergeefs gevleid, dat het oogenblik van onze hereeniging ook dat van ons vertrek zou weezen; de zaaken zijner bediening, die hem derwaarts geroepen hadden, waaren nog niet afgeloopen, het geen hem noodzaakte om zijn verblijf te verlengen; daar en boven hoopte hij, dat de Heer Schmaleff ook niet lang zou agterblijven, dewijl, wanneer wij onze reismaat in aanmerking namen, het mogelijk geweest was, dat hij ons te Yelofki aangetroffen had. Wij bleeven ’er nog vijf dagen, zo om de zaaken te eindigen als om hem te vergeefs te wagten; de Heer Commandant aan mijn ongeduld toegeevende bewilligde in ons vertrek op den 19 des morgens zeer vroeg.
1788. Februarij Den 19.
Storm die ons op weg overviel.
Wij deeden in het begin vier en vijftig wersten vrij langzaam af, dog in den agtermiddag wierden wij door eenen ijsselijken storm uit het westen en noord-westen overvallen; wij bevonden ons in het open veld, de wervelwinden waaren zo hevig, dat het ons onmogelijk was verder te komen; de sneeuw, daar door bij vlaagen opgenomen, vormde in de lucht eenen dikken nevel, en onze leidsluiden wilden, niettegenstaande de kennis, die zij van de wegen hadden, niet meer instaan voor het verdwaalen. Wij konden hun maar niet beweegen om ons verder te brengen, het was echter onmenschelijk hier op de genade van een zo geweldigen orcaan te blijven leggen; wat mij betreft, ik erken, dat ik zeer mismoedig wierd, wanneer onze geleiders voorsloegen om ons digt bij een bosch te brengen, het welk zij ons zeiden niet ver afgelegen te zijn, en alwaar wij ten minsten ons eenigermaate in veiligheid konden stellen. Wij aarzelden niet om van hunnen goeden wil gebruik te maaken, dog voor dat wij dien weg verlieten, die onmogelijk te onderscheiden was, moesten wij nog wachten, tot dat alle de sleeden van ons gevolg bij een waaren, anders hadden wij gevaar geloopen, om van elkander te geraaken en elkander te verliezen; de vereeniging geschied zijnde, bereikten wij dit bosch, het geen gelukkig op den afstand, dien men ons gezegd had, gevonden wierd; omtrent ten twee uuren nadenmiddag hielden wij stil.
Noodwendige stilhouding bij een Bosch.
Manier waar op de Kamschatters hun bed op de sneeuw vervaardigen.
De eerste voorzorg van onze Kamschatters bestond daar in, om een gat in de sneeuw te graaven, welke ter dezer plaats ten minsten zes voeten diep was, anderen bragten hout aan, in een oogenblik was het vuur aangestoken, en de ketel geplaatst; een sobere maaltijd en eenige maaten brandewijn herstelden welhaast al ons volk; toen de nagt aankwam, hield men zich met de middelen bezig, om dien zo goed mogelijk op ons gemak doortebrengen, ieder werkte aan zijn bed, het mijne was in mijn vezock, alwaar ik mij in kon neerleggen, dog niemand als de Heer Commandant en ik hadden een zo gemaklijk rijtuig. Hoe, zeide ik tot mij zelfs, zullen het die arme menschen met slaapen maaken? Ik was welhaast buiten ongerustheid omtrent hun; de wijze, waar op ik hun derzelver bed zag toebereiden, verdiend verhaald te worden, hoe zeer ze ’er niet veel werk van maaken; na eerst een gat in de sneeuw gemaakt te hebben, bedekten zij het zelve met kleine takken van boomen, en wel de dunste, die zij vinden konden, vervolgens wikkelden zij zich in een Kouklanki, en na het hoofd in de kap, die ’er aan vastgemaakt was, gestoken te hebben, lagen zij zich neder even als op het beste bed des waerelds; wat onze honden betreft, deeze wierden uitgespannen en aan de boomen rondom vastgemaakt, alwaar zij den nagt zo als gewoonlijk op de sneeuw doorbragten.
1788. Februarij Den 20.
De wind sterk geminderd zijnde, begaven wij ons voor den dag wederom op weg, wij hadden nog dertig wersten afteleggen om ons naar Ozernoi te begeeven, alwaar wij voorneemens geweest waaren om den voorigen nagt te slaapen; wij kwamen daar des morgens ten tien uuren aan, dog onze honden ten uiterste vermoeid zijnde, waaren wij genoodzaakt aldaar het overige van den dag en zelfs den nagt te blijven in hoop, dat de wind, die in den agtermiddag wederom met de grootste hevigheid begon op te steeken, in dien tusschentijd zou bedaaren.
Ostrog van Ozernoï.
Het Ostrog van Ozernoï ontfangt zijn naam van een meir in deszelfs nabuurschap; de rivier Ozernaïa loopt langs dit dorp, dog ze is van weinig belang; het huis van den toijon is de eenigste isba, die ik te Ozernoï gezien heb, en men zeide mij, dat ik ’er tot aan de stad Ingiga geene meer zou aantreffen; daar en tegen telde ik vijftien balagans en twee yourtes. Ik behoorde hier deeze onderaardsche wooningen te beschrijven, dog dewijl deeze klein zijn in vergelijking van die, welke ik welhaast gelegenheid zal hebben waarteneemen, wil ik liever de beschrijving tot dat tijdstip uitstellen.
Den 21.
Wij vertoefden den 21. nog te Ozernoi, om daar te vergeefsch een Sergeant van het gevolg van den Heer Commandant aftewachten, dien hij naar de stad Nijenei-Kamschatka had afgezonden.
Den 22.
Den volgenden morgen begaven wij ons naar Ouké, wij waaren daar zeer vroeg; als hebbende maar zes en twintig wersten afgelegt, wij beslooten niet verder te gaan, om aan den Sergeant gelegenheid te geeven van zich weder bij ons te kunnen voegen, gelijk men hem bevolen had, dog hij kwam niet.
Ostrog van Ouké.
Te Ouké vind men geen eene isba, dit Ostrog bestaat alleen uit een twaalftal balagans en twee ijourtes, men had ’er een voor den Heer Kasloff schoongemaakt, en wij bragten daar den nagt door.
1788. Februarij Den 23.
Wij verlieten dit dorp met het aanbreeken van den dag, ter halver weg wierden wij een aantal balagans gewaar, die alleen maar, zo men ons verhaalde, bewoond worden ten tijde van den vischvangst; niet ver van daar, zagen wij de zee weder, en wij reeden ze eenigen tijd langs. Ik wierd zeer verhinderd om in persoon te kunnen ontdekken, tot op welken afstand ze digt lag, of welke de strekking van dit gedeelte der oostkust van Kamschatka is. Een noordewind overviel ons, en voerde ons de sneeuw met zo veel gewelds in de oogen, dat men maar alleen moest denken om ze afteweeren; daar en boven hing ’er over de zee een nevel, die van den oever af begon, en zich wijd scheen uittestrekken. Dit duistere gordijn verborg dezelve bijna geheel aan het oog; de bewoonders des lands, die ik ondervroeg, antwoordden mij, dat wij langs eene niet zeer ruime baaij gekomen waaren, en dat de zee tot op dertig wersten ver van de kust met ijs bedekt was.
Te Khaluli een met leer bedekte baidar.
Ik vond te Khaluli, een Ostrog aan de rivier van deezen naam, zes en zeventig wersten van Ouké, en niet ver van den zeekant gelegen, niet meer dan twee yourtes en twaalf a dertien balagans, dog ik zag daar met vermaak een baidar met leer bedekt. De lengte van deeze schuit of boot was omtrent van vijftien a agttien voeten, en de breedte van vier voeten, het geraamte was van vrij dunne planken, het welk als latwerk aangelegt was. Een langer en zwaarder stuk hout dan de andere diende voor de kiel, de dwarshouten waaren met riemen vastgemaakt, en dit alles overdekt met verscheide vellen van zeepaarden en zeewolven van de grootste soort; de wijze waar op deeze vellen toebereid en digt aan een genaaid waaren, zo dat het water niet in de schuit kon doordringen, behaagde mij het meest, ze scheen mij van gedaante als de onze, dog minder rond, ook had ze die zwier niet, aan de uiterste einden enger, eindigde ze in een punt en was aan de kiel plat, de ligtheid dezer vaartuigen zeer geneigd tot omslaan, heeft deeze zamenstelling noodzaaklijk gemaakt, waar door ze meer evenwichts verkrijgt; deeze baidar was onder een loots geplaatst, die gemaakt was om ze voor de sneeuw te bewaaren. De toijon van Khaluli ons zijn yourte ingeruimd hebbende, verbleeven wij daar des nagts, want wij moesten tot den volgenden morgen wagten, eer wij ons op weg konden begeeven; de wind was na onze aankomst meer opgestoken, en verminderde niet voor des nagts.
1788. Februarij Den 24.
1788. Februarij Den 25.
Ten tien uuren des morgens hadden wij Khaluli uit het gezicht verlooren; wij waaren het oude dorp van dien naam voorbijgetrokken, het gene onlangs verlaaten is uit hoofde van deszelfs slegte gelegenheid. Wij vonden wat verder eenige verlaaten wooningen, welke eertijds het dorp van Ivaschkin uitmaakten, om dezelfde reden eenige wersten van zijn eerste standplaats overgebragt, vervolgens zagen wij de zee weder, en wij volgden nog geduurende eenigen tijd de Oostkust; zij vertoonde ons ter deezer plaats eene andere baaij, die ik gaarne op mijn gemak had willen beschouwen; dog de dikke nevel, die van den oever af over de zee hing, liet mijn oog niet toe om tot aan den anderen kant van het ys te zien; alleen scheen het mij toe, dat de nevel opklaarde, naar maate dat de wind, die tot hier toe west en noordwest geweest was, meer naar het noordoosten liep.
Ostrog van Ivaschkin.
Ivaschkin legt veertig wersten van Khaluli en nabij de zee; twee yourtes en zes balagans maaken dit dorp uit, het is aan een kleine rivier van denzelfden naam gelegen, die geheel toegevroozen was, even als die, welke wij overgekomen waaren.
Den 26.
Wij vonden te Dranuki den Heer Haus, een Russisch Officier.
Wij sliepen in dit dorp, alwaar de vrees voor een orcaan, waar mede wij, zo men ons zeide, bedreigd wierden, ons een gedeelte van den volgenden dag deed blijven; wij kwamen met de vrees vrij, en hoe zeer het laat genoeg was, wanneer wij tot ons vertrek beslooten, konden wij echter nog tot Dranuki geraaken, als zijnde de overtogt maar dertig wersten. De gelegenheid van dit Ostrog is dezelfde als die van het voorige; wij vonden daar den Heer Haus, een Russisch Officier, hij kwam van Tiguil, en bragt aan den Heer Commandant verscheide zaaken tot de natuurlijke historie betrekkelijk.
1788. Februarij Den 27.
Aanmerklijke en vrij gemaklijke baaij.
Wij vertrokken met het krieken van den dag van Dranuki. In den agtermiddag reeden wij over eene baai, welkers breedte omtrent uit vijftien wersten, en de lengte uit vijfentwintig a dertig bestaat, aan den ingang is ze weinig meer dan vijf wersten breed, ze word door de zuidkust geformeerd; deeze is een laage grond, die afneemt naar maate ze zich in zee uitstrekt, de baaij loopt west-noord-west en oost-zuid-oost. Het scheen mij toe, dat in het west-noord-westen van deszelfs ingang nabij Karagui, de scheepen veilig konden ankeren tegens de zuiden westen en noorde winden; het zuidelijk gedeelte vertoont geene zo goede ankerplaats; de bewoonders des lands verhaalen, dat zich daar verscheide zandbanken bevinden. Ik was verplicht mij op hun zeggen te verlaaten, dewijl het ys en de sneeuw mij hinderlijk waaren om ’er meerder zekerheids van te bekomen.
Ostrog van Karagui, het laatste van Kamschatka.
Wij leiden deezen dag zeventig wersten af, en des avonds kwamen wij te Karagui; dit dorp ligt op eene hoogte, van waar men de zee ontdekt, deszelfs wooningen bestaan in drie yourtes en twaalf balagans, aan den voet van welke de Karaga langs loopt; deeze rivier valt in de zee op eenige snaphaanschoten afstands van dit dorp, het laatste van Kamschatka, want men rekend geen gehugt, dat honderd wersten verder ligt, en alwaar zich weinig Kamschatters bevinden.
1788. Februarij Den 28.
Daar wij verplicht zijn alhier voorraad van gedroogden visch aftewachten, welke agtergebleeven en geschikt is om onze honden in de woestenijen, die wij doortrekken moeten, te voeden, zal ik van dit verblijf gebruik maaken om verscheiden aanmerkingen, die ik in de voorige en in dit dorp gemaakt heb, afteschrijven; ze zijn niet in die orde geplaatst, waar in ze mij voorgekomen zijn, dog men moet in overweeging neemen, dat de snelle voortgang in onze reis mij daar niet altoos meester van liet[88].
Te Karagui Beschrijving der yourtes.
Ik zal eerst met de yourtes beginnen, die ik nog niet heb kunnen beschrijven, hoe zeer deeze mij toegescheenen hebben eene bijzondere aandagt te verdienen; deeze vreemde wooningen staan onder den grond, gelijk ik reeds gezegt heb[89], en het dak dat ’er boven uitkomt, heeft de gedaante van een afgesneede kegel; dog om ’er een juister denkbeeld van te verkrijgen, stelle men zich voor, een groot vierkant gat van omtrent zes a zeven toises of halve roeden middellijns en van agt voet diepte, de vier zijden bekleed met balken of planken, en alle de tusschenruimtens van deeze muuren met aarde, stroo of gedroogd gras en steenen gevuld; op den bodem van dit gat zijn verscheide paalen geplant, welke dwarsbalken ondersteunen, waar op het dak draagt; het begint gelijks gronds en komt vier voet daar boven uit, deszelfs dikte is twee voeten, de afhelling niet steil, voor het overige is het even als de muuren. Aan den top is een vierkant gat; deeze opening heeft vier voet lengte en drie voet breedte; hier is het, dat de rook moet doorkomen[90], en dat men in de yourte binnen treed met behulp van een ladder of ingekipte balk, die van buiten tot aan de opening van den ingang komt, welke voor mannen en vrouwen beide geschikt is. Men acht het voor een schande, wanneer men door een zeer laage poort ingaat, die aan een der zijden van de yourte gevonden word; om de beschrijving der uitwendige vertooning van deeze wooningen te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat ze van eene vrij hooge palissadeering omringt zijn, zonder twijffel om dezelve tegens de stormen of den val van de sneeuw te beschutten; anderen meenen, dat deeze omheiningen eertijds tot borstweeringen aan deeze volkeren verstrekten, om zich tegens derzelver vijanden te verweeren.
1788. Februarij Den 28. Te Karagui.
Inwendig maakzel en vercieringen der yourtes.
Zo dra men in deeze woeste wooningen neergedaald is, wenschte men ook er weder uit te weezen; het gezicht en de reuk word daar beide aangedaan, het eenigste vertrek, dat het binnenste gedeelte uitmaakt, is omtrent tien voet hoog; eene verhevenheid van vijf voet breed, en bedekt met half versleete vellen van rendieren, zeewolven of van andere dieren, loopt rondom het vertrek; deeze verhevenheid is op zijn hoogst een voet van den grond[91] en diend gemeenlijk tot een bed aan verscheide huisgezinnen. Ik heb in eene enkelde yourte meer dan twintig persoonen, zo mannen, vrouwen, als kinderen geteld; al dit volk eet en slaapt de een onder den anderen; zonder schroom of schaamte, voldoen ze aan alle de behoeftens der natuur, en nooit beklaagen zij zich over de kwaade lucht, die men in deeze plaatzen inademt. Het vuur brand ’er bijna altoos, gewoonlijk is de haardsteede in het midden van de yourte of aan een der zijden geplaatst; Des avonds gebruikt men de voorzorg om het gloeijende vuur bij een te zamelen, en het gat te sluiten, hetgeen aan den rook ten doortogt verstrekt; door dit middel bewaart men de warmte geduurende den geheelen nagt. Bij het schijnzel van een duistere lamp, waar van ik reeds de gedaante en de bedorven lucht heb leeren kennen, ontdekt men in een hoek van het vertrek[92] eene slegte afbeelding van den eenen of anderen heiligen, geheel blinkende van smeer en zwart van den rook; voor die beelden is het, dat deeze volkeren zich nederbuigen en hunne gebeden verrichten; het overige huisraad bestaat in banken en in drinkschaalen van hout of van boomschors gemaakt, de geenen die voor de keuken dienen zijn van yzer of koper, alle zijn ze van eene walgelijke morsigheid; overblijfzelen van gedroogden visch zijn hier en daar verspreid, en ieder oogenblik ziet men vrouwen of kinderen bezig om stukken van zalm-vellen te roosteren, dit is een hunner meest geliefkoosde geregten.
Kleeding der kinderen.
De kleeding der kinderen trok mijn aandagt door deszelfs zonderlingheid; men verzekerde mij, dat ze volmaakt na die der Koriaken gelijkt, zij bestaat in een enkeld kleed, namelijk, in een rendierenvel, dat elk gedeelte van het lighaam omwind en daar om sluit, zodanig dat deeze kinderen aan alle kanten daar in genaaid schijnen; eene opening om laag, van vooren en agter, verschaft de mogelijkheid om ze te reinigen; deeze opening is overdekt met een ander stuk vel, het geen na willekeur vastgemaakt en opgeligt word; dit ondersteunt een pak mos[93], dat men op de wijze van een doek tusschen de beenen van het kind aanlegt, en het welk men ververscht, naar maate het zelve vuil word. Behalven de gewoone mouwen zijn ’er nog twee anderen aan het kleed vastgemaakt, in dewelke men de armen steekt, wanneer het kind koud is, de uiterstens daar van zijn geslooten, en het binnenste is met mos gevuld. Men zet het ook een kap op van het zelfde vel als zijn kleed, dog in de yourtes zijn de kinderen meest altoos bloots hoofds, en de kap hangt hun op de schouders. Zij hebben ook nog voor een gordel een band van rendieren vel. Hunne moeders draagen ze op den rug door middel van een riem, die langs het voorhoofd van de vrouw en onder de billen van het kind heen gaat.
De toijon van Karagui, bij wien wij ons verblijf hielden, was een oude oproermaaker; men had veel moeite gehad om hem tot zijn pligt te doen wederkeeren, en hij veroorzaakte ons eenige ongerustheid door de volstrekte weigering, die hij deed om ons visch te bezorgen.
1788. Februarij Den 29. Te Karagui.
Taal der Inwoonders van dit Ostrog.
De zeden der inwooners van dit Ostrog hebben veel overeenkomst met die van hunne nabuuren, de Koriaken; deeze gelijkvormigheid word men niet minder in de taal dan in de kleeding der kinderen gewaar. Ik had gelegenheid zulks den volgenden dag van onze aankomst gade te slaan.
Eenige Koriaken brengen ons twee levendige rendieren.
Vernomen hebbende, dat in den omtrek zich twee horden of benden van Koriaken met rendieren bevonden, zonden wij hun aanstonds iemand toe, om hun voortestellen van ’er ons eenige van te verkoopen, zij lieten zich niet lang verzoeken, denzelfden dag bragten zij ons twee levendige rendieren. Deeze toevoer kwam van pas om ons volk gerust te stellen, dat voor gebrek aan levensmiddelen begon te vreezen; echter bedreigde het gebrek nog meer onze honden, dewijl de voorraad van visch niet aankwam; men doode dan in allen spoed een rendier, dog toen het op den prijs aankwam, vonden wij ons zeer belemmerd om met de verkoopers te handelen; ze spraken nog Russisch nog Kamschatsch, en de teekens, die ze gaven, waaren niet minder dan verstaanbaar; wij hadden elkander nooit begreepen, indien niet een inwoonder van Karagui ons voor tolk had gediend.
Onderscheid tusschen twee soorten van Koriaken.
Men onderscheid twee soorten van Koriaken; de geenen, welke eigentlijk met dien naam bestempelt worden, hebben eene vaste verblijfplaats; de andere, die rond zwerven, zijn onder de benaaming van Koriaken met rendieren bekend[94]; zij bezitten daar van groote kudden, en om ze te voeden, brengen zij ze in die streeken, waar de mos in overvloed te vinden is; zijn deeze weilanden afgegeeten, gaan zij anderen zoeken: zij zwerven dus zonder ophouden, hun verblijf houdende onder tenten van vellen, en leevende van hunne rendieren.
Deeze dieren zijn hun niet minder van dienst voor de reis, als de honden voor de Kamschatters. De Koriaken, die bij ons kwamen, wierden door twee rendieren getrokken, dog de wijze van ze voortespannen, en te mennen, als mede de gedaante van de slêe, vorderen eene bijzondere beschrijving; het zal best zijn, zo ’t mij voorkomt, om dit uittestellen tot het oogenblik, waar in ik, bij deeze volkeren reizende, beter in de gelegenheid zal zijn om naauwkeurige waarneemingen te doen.
Aankomst van onze leevensmiddelen.
Deeze zo verlangde leevensmiddelen bekwamen wij eindelijk den 29 des avonds; ze wierden ons aangebragt door den Sergeant, dien wij zedert verscheide dagen wachteden; wij namen ons voor om den volgenden morgen te vertrekken, dog in den nagt verhief zich een der hevigste weste en noordweste winden; die orcaan was van sneeuw verzeld, ze viel in zulk een overvloed, dat wij genoodzaakt wierden ons vertrek uittestellen. Om ons daar toe te noodzaaken was een zodanig verschriklijk wêer nodig, want de aankomst van onzen voorraad had ons ongeduld verdubbeld; deeze was van weinig aanbelang en onze behoefte zo dringend, dat er terstond aan begonnen wierd, zo dra dezelve ontfangen was; het was dus ons belang om de rustplaatzen te verkorten, ten einde de voorraad niet opgebruikt was, voor dat wij de woestenijen doorgetrokken waaren.
1788. Maart Den 1. Te Karagui.
Des morgens bedaarde de wind, dog de sneeuw hield aan, en de lucht dreigde met een anderen storm voor het einde van den dag, deeze begon ook in der daad zich te laaten hooren tegens twee uuren in den agtermiddag, en duurde tot aan den avond.
Beroemde Kamschatsche danseresse.
Om ons afleiding te geeven, stelde men ons voor om een proef te neemen van de begaaftheden eener vermaarde Kamschatsche danseresse, te Karagui woonachtig; het geen men ’er ons van verhaalde, wekte onze nieuwsgierigheid op, en wij deeden haar komen; dog zij weigerde, het zij uit hoofdigheid, of uit gemelijkheid, om te danssen, en scheen in het minste geen belang te stellen in onze noodiging; te vergeefs tragte men haar te beduiden, dat ze hier door zich onwellevend en zelfs oneerbiedig tegens den Heer Commandant gedroeg; alles was vrugteloos; gelukkig hadden wij brandewijn bij de hand, eenige volle glaazen scheenen haar te doen veranderen; ter zelfder tijd begon een Kamschatter op ons verzoek voor haar te dansen, en met de stem en gebaarden haar optewakkeren; langzamerhand wierden de oogen van deeze vrouw vuuriger, haare houding wierd stuiptrekkende; haar geheele lighaam beefde op de verhevenheid, waar op zij gezeten was, de ophitsingen en het heftig gezang van haar dansser, beantwoorde zij door gelijke poogingen met de stem, en door met het hoofd, het welk op allerhande wijze draaide, de maat te slaan. Welhaast wierden de beweegingen zo geweldig, dat zij zich daar op niet houden kon, zij wierp zich op den grond, en daagde op haar beurt het manspersoon uit door schreeuwen en door nog klugtiger verdraaijingen des lighaams. Het is moeijelijk om het belagchelijke van haar dans uittedrukken, alle haare ledemaaten scheenen verplaatst te zijn, zij beweegde die met zo veel kragts als snelheid, de handen bragt zij aan haar boezem met een soort van woede, ontbloote dien en vatte ze aan, even als of ze die benevens haare kleederen wilde verscheuren. Deeze vreemde vervoeringen waaren van nog vreemder gebaarden verzeld; in een woord, het was geen vrouw meer, maar wel eene Furie; In haare verblinde, krankzinnigheid zou zij zich in het vuur geworpen hebben, het welk in het midden van de yourte aangestoken was, indien haar man zich niet gehaast had om ’er een bank voortezetten, ten einde haar zulks te beletten; hij gebruikte daar en boven de voorzorg van geduurig bij haar te blijven; wanneer hij zag dat ze geheel buiten kennis was, en zich aan alle kanten nederwierp als mede dat ze genoodzaakt was, wilde zij staande blijven, van zich aan haar voordansser vast te houden, nam hij haar in zijn armen en bragt haar op de verhevenheid; ze viel daar op neder als een klomp, zonder bewustheid en buiten adem; ze bleef bijna vijf minuuten in dien staat, ondertusschen hield de Kamschatter, grootsch op zijne overwinning, niet op met zingen en danssen. Tot haar zelfs gekomen hoorde deeze vrouw naar hem; somtijds stond zij niettegenstaande haare zwakheid op, en bragt onverstaanbaare klanken uit; men zou gezegt hebben, dat zij deezen moeijelijken tweestrijd weder wilde beginnen, haar man wederhield haar, en verzogt dat ze mogt uitscheiden, dog de overwinnaar zich verbeeldende van niet vermoeid te kunnen worden, ging voort met haar aantezetten; wij moesten van ons gezag gebruik maaken, om hem het stilzwijgen opteleggen; niettegenstaande de lofspraaken, die aan de begaaftheden der vertooners gegeeven wierden, moet ik bekennen, dat ik echter het toneel niet bevallig vond, ik zal meer zeggen, ik zag het met weerzin.
Liefhebberij van deeze volkeren voor den Tabak.
Mannen & Vrouwen, alles rookt en kaauwt hier tabak; door eene toebereiding, die mij niet bekend is, vermengt men dezelve met asch, om, zo als men zeide, ze des te sterker te maaken; de inwooners, aan welke wij snuif aanboden, bragten ze niet aan hun neus, maar aan den mond; ik bezag hunne pijpen, zij hadden dezelve gedaante als die der Chinezen, alle waaren ze van been en zeer klein; wanneer ze rooken, wagten ze zich wel om den rook uitteblaazen; ze zwelgen dien met smaak in.
Afscheid der toyons, die ons tot een geleide gedient hadden.
Alle de toijons der Ostrogs, door dewelke wij van Ozernoi af doorgetrokken waaren, hadden ons, uit achting en tot eene eerbetooning voor den Heer Kasloff, tot aan Karagui uitgeleide gedaan.
Den tweeden dag na onze aankomst, hadden zij van ons afscheid genomen om ieder naar hun dorp te rug te keeren; hunne jongste groet was zeer hartelijk; na nogmaals op nieuw vergeeving aan hun Commandant gevraagt te hebben, dat ze hem niet beter op zijn reis hadden ontfangen, betuigden zij hem derzelver levendigste aandoeningen over de scheiding van hem, even als of ze hem in het midden der grootste gevaaren gelaaten hadden, ze booden hem alles aan wat zij bezaten, kennende geen andere blijken van erkentenis. Zij vervoegden zich even zo aan mij, met nadruklijk beede, om van hun het een of ander te willen aanneemen, te vergeefs weigerde ik zulks, dit maakte hunne verzoeken des te dringender, en om ze te vergenoegen, was ik genoodzaakt hunne geschenken aan te neemen.
Blijken van genegenheid, die mij de Kamschatters gaven.
Hier vind ik mij genoodzaakt om aan het geheele Kamschatsche volk, het geen ik gaa verlaaten, mijne verplichtingen te vervullen, welke derzelver handelingen ten mijnen opzichte van mij vorderen. Het vermaakt mij, wanneer ik mij voor den geest breng het verplichtend onthaal, het geen ik van het zelve genooten heb; ik heb deszelfs herbergzaamheid en zagtäartigheid recht gedaan, dog ik heb niet genoeg uitgeweid over de blijken van genegenheid, welke deeze goede luiden mij gaven. Daar zijn, zo ik meen, geene opperhoofden van Ostrogs, die mij niet eenige kleine geschenken deeden; dan eens was het een sabelmarter of vosse-vel, dan eens vrugten of visch, en zodanige andere zaaken, die zij dagten, dat mij aangenaam zouden weezen. Ik mogt mij tegens hunne aanbiedingen verzetten, zij kwaamen geduurig weder op het zelfde en noodzaakten mij om het aanteneemen, men zou gezegt hebben, dat zij zeer gezet waaren om het onrecht, dat zij zo lang den Franschen naam aangedaan hadden, ten mijnen opzichte te verbeteren; dikwils bedankten zij mij, dat ik hun ten onzen opzichte andere denkbeelden gegeeven had; somtijds waaren zij ook geneigd om daar berouw over te toonen, wanneer zij bedagten, dat zij mij niet meer zien zouden, en dat mijne landgenooten zeldzaam in het geval waaren van door hun schier-eiland te reizen.
1788. Maart Den 2.
Vertrek van Karagui en gedwonge omweg door het losgaan van het ijs in eene baaij.
Wij vertrokken des morgens ten één uur van Karagui met redelijk stil weer, het geen den geheelen dag aanhield, de eenigste tegenspoed, dien wij op onze reis ondervonden, was, dat wij niet, gelijk wij gehoopt hadden, eene baaij konden overtrekken, die door den wind van daags te vooren was los gegaan, wij moesten dezelve dus omreizen. Deeze baaij is diep, ze is agt a tien wersten breed, en de richting van haar loop scheen mij toe noord-oost en zuidwest te weezen, het ys was alleen maar tot aan deszelfs mond gebroken, en van daar was ze weer digt tot in zee: met den omweg, tot welke deeze ontdooijing ons noodzaakte, kan onze dagreis op vijftig wersten bepaald worden.
Gesteltheid van onze rustplaatzen in het open veld.
Bij het vallen van den nagt hielden wij in het open veld stil; aanstonds waaren de tenten opgeslaagen. Onder de grootste, den Heer Kasloff toebehoorende, wierd zijn en mijn vezock met de portieren tegen elkander geplaatst, zo dat wanneer wij de glazen, die van talkbladen waaren, neerlieten, wij gemaklijk zamen spreeken konden; de overige sleeden waaren twee aan twee rondom onze tent geplaatst, en de tusschenruimte van de eene slee tot de andere was met lijnwaat of vellen bedekt, onder welke onze geleiders en de luiden van ons gevolg zich in veiligheid konden stellen en hunne bedden maaken; dusdanig was de gesteldheid onzer rustplaatzen in het open veld.
Waar in ons avondeeten, onze eenigste maaltijd, bestond.
Zo dra als de ketel overgehangen was, dronken wij thée, vervolgens was men bezig met het avondeeten in gereedheid te brengen, het geen elken dag onze eenigste maaltijd was. Een Corporaal had het bestier als Hofmeester en als Kok; de geregten, die uit zijne handen kwamen, waaren nog talrijk nog lekker, dog de spoed waar mede hij ze toebereide, en onze honger maakte ons daar omtrent toegeevende. Hij diende ons gewoonlijk een soup, met beschuit van zwart brood en rijst of gort, voor, en ziet hier hoe hij ze vervaardigde: hij nam een stuk osse- of rendiere-vleesch, en voor dat hij die in het kookende water deed, sneed hij ze aan zeer dunne stukjes, die in een oogenblik gekookt waaren.
Daags voor ons vertrek van Karagui had men ons tweede rendier gedood en begonnen; wij vergastten ons op deszelfs merg; ik vond ze raauw of gekookt zeer smakelijk; wij deeden ook de tong kooken, en ik weet niet ooit iets beters gegeeten te hebben.
1788. Maart Den 3.
Onze honden beginnen gebrek te lijden, verscheiden raaken om het leeven.
Wij hervatteden onze reis in den vroegen morgen, dog het was ons onmogelijk meer dan vijf-en dertig wersten afteleggen; de wind was veranderd; wederom in het westen en in het zuid-westen gekomen, verhief hij zich op nieuw met eene groote hevigheid en wierp ons den sneeuw in het aangezicht. Onze leidslieden hadden veel te lijden, echter nog minder dan onze honden, waar van verscheiden op weg omkwamen, uitgeput van vermoeidheid; de overigen konden ons uit zwakheid door gebrek aan voedzel niet voorttrekken, men gaf hun niet meer dan het vierde van hun gewoon rantsoen, en naauwlijks hielden wij voor hun nog voor twee dagen voorraad over.
Een Soldaat naar Kaminoi gezonden om aldaar onderstand te zoeken.
In deezen nood zonden wij een soldaat naar het Ostrog van Kaminoi, om aldaar onderstand te zoeken, en om ons te gemoet te doen komen het geleide, hetwelk den Heer Kasloff daar moest afwachten: Dit was een wagt van veertig mannen, die men hem van Ingiga op de eerste tijding van den opstand der Koriaken toegezonden had.
1788. Maart Den 4. Te Gavenki.
Aankomst in het dorp van Gavenki.
Beschrijving van Gavenki.
Wij hadden nog maar vijftien wersten afteleggen, om het dorp of vlek van Gavenki te bereiken; wij hoopten aldaar visch voor onze honden te vinden, en in dit vertrouwen waagden wij het om hun des avonds een dubbelde portie te geeven, ten einde dezelve in staat te stellen, om ons derwaarts te geleiden. Na den nagt even als den voorigen doorgebragt te hebben, begaven wij ons des morgens ten drie uuren op weg, wij verlieten den oever van de zee niet, tot aan Gavenki, alwaar wij ten tien uuren aankwamen; dit dorp is dus genaamd ter oorzaake van deszelfs slegte vertooning en elendigen staat[95], men ziet ’er in der daad niets anders dan twee yourtes, die dreigen intevallen, en zes slegt gebouwde balagans van kwaad krom hout, het welk de zee somtijds op den oever werpt, want ’er is hier geen boom in de nabuurschap; alleen ontdekt men van ver eenig zeer slegt en zeer dun gezaait heestergewas. Het verwonderde mij niet te verneemen, dat ’er onlangs meer dan twintig inwoonders vrijwillig verhuist waaren om elders eene betere gelegenheid optezoeken; tegenwoordig bestaat de bevolking van dit gehugt in vijf geslachten, dat van den toijon ’er onder begreepen; daar en boven teld men onder dit getal twee Kamschatters, die van het eiland Karagui zich hier zijn komen nêerzetten. Men zeide mij de reden van hunne verplaatzing niet, dog ik twijffel of ze bij die verandering wel gewonnen zullen hebben.
Twist tusschen één van onze Sergeanten en twee Inwoonders van Gavenki.
Straf der schuldigen.
Wij waaren nog geen uur te Gavenki, of ’er ontstond verschil tusschen een Sergeant van ons gevolg en twee boeren van het dorp, bij wien hij zich vervoegt had om hout te verkrijgen; deeze antwoorde zeer bars, dat ze het zelve niet geeven wilden; uit de eene woordenwisseling tot de andere raakten de hoofden verhit, de Kamschatters, weinig bevreest voor de bedreigingen van den Sergeant, trokken hunne messen[96], en vielen op hem aan, dog op dit oogenblik wierden zij door twee van onze Soldaaten ontwapend; zodra de Heer Commandant van deeze daad van geweld onderricht was, gaf hij bevel, dat men een voorbeeld stelde door de schuldigen te straffen; hij deed ze voor de yourte brengen, waar in wij ons bevonden, en hij nodig oordeelende om de andere inwoonders vrees aan te jaagen, kwam buiten om zelfs de straf te zien uitoeffenen, de toijon, die bij mij ter gezelschap gebleeven was, begon als toen zich tegens mij onvergenoegd te toonen over de strengheid, met welke men zijne twee landgenooten behandelde; zijn gezin omringde mij, terwijl het zelve nog harder schreeuwde dan hij. Ik was alleen, echter beproefde ik om hen gerust te stellen, wanneer ik gewaar wierd, dat de Heer Kasloff zijne wapenen vergeeten had; ik sprong naar onze sabels op de beweeging, die de toijon maakte om naar buiten te gaan, en ik volgde hem van nabij. Reeds had hij zich bij den Heer Commandant gevoegd, en ruide alle zijne buuren op, hij verzocht, met een groot geschreeuw, dat men de misdadigers losliet, hij was, zeide hij, hun eenigste rechter, het kwam alleen hem toe om ze te straffen; die oproerig geschreeuw beantwoorde de Heer Kasloff alleen met een donker gelaat, het geen de onbeschaamde boeren en derzelver opperhoofd verbaasde; deeze sprak nog eenige woorden, dog men greep en noodzaakte hem, om bij de kastijding, die hij meende te beletten, tegenswoordig te zijn; van de twee oproermaakers, die de straf ondergingen, was de een een jongman van agttien jaaren, en de ander een man van agtentwintig a dertig, ze wierden ontkleed en op den grond gelegd, twee Soldaaten hielden hun de beenen en de handen vast, terwijl vier anderen een hagelbui van slaagen op hunne schouders deeden vallen; men sloeg ze dus den een na den ander met rijsjes van gedroogd denne hout, die hun lighaam vol bloed maakten; op de voorbede der vrouwen, welke overal van een mêedogender aart zijn uit hoofde van de zwakheid haarer sexe, wierd de straf afgebroken, men gaf haar den jongman over, aan wien zij op het oogenblik eene vermaaning gaaven, welke hij gemakkelijk missen kon, want hij was niet in staat om ze te hooren, en nog minder om in gedagten te neemen van zich voor de tweede keer te willen verzetten.
De Inwoonders weigeren ons visch.
De gestrengheid, waar van de Heer Commandant zich in deeze gelegenheid bediende, was des te noodzaaklijker, dewijl wij hier reeds den besmettelijken overgang van den onrustigen aart der Koriaken ontwaar wierden. De zeden van deeze het tegenovergestelde zijnde van die der Kamschatters, welke wij verlieten, deeden ons die der bewoonders van Gavenki twijffelen, of het nog wel het zelfde volk was. Zo veel reden wij hadden om over den iever en de goedaartigheid der anderen te vreden te zijn, zoo veel te meer moesten wij ons beklaagen over de hardnekkigheid en de bedriegerij van deeze. Welke aanzoeken wij ook bij hun deeden, wij konden maar geen visch voor onze honden verkrijgen, zij verzekerden ons koeltjes, dat zij ’er geen hadden, hunne dubbelzinnige antwoorden verraadden hun, en het duurde niet lang of onze leidsluiden wierden ’er de valschheid van gewaar, met alles te doorsnuffelen ontdekten ze onderaartsche bewaarplaatzen, alwaar deeze lieden bij onze aankomst hunnen voorraad verborgen hadden. Niettegenstaande de voorzorg, die ze gebruikt hadden om ’er het spoor van te verbergen, door ze kunstiglijk met aarde en sneeuw te bedekken, wierd in korten tijd alles door onze honden opgespoord, wien door hunne neuzen en den honger de weg geweezen wierd; op het gezicht van hunne diepe kelders en van den visch, dien men ’er uithaalde, bragten deeze boeren de slegtste redenen voort om zich te rechtvaardigen, deeze verdubbelden onze verontwaardiging, en zonder een overblijfzel van medelijden met hun, hadden wij alles weggenomen, dog wij vergenoegden ons met ’er een gedeelte van te neemen.
Visch, dien men op deze kusten vangt.
Uit het geen wij in deeze kelders vonden, scheen het, dat men salm, haring, kabeljaauw, zeepaarden en verscheide andere halfslagtige dieren op deeze kusten vischt.
Meir in den omtrek van Gavenki.
Men vind geen bron nog rivier in de nabuurschap, maar alleen een meir, dat het water aan de inwoonders van Gavenki verschaft; zij gebruiken des winters de voorzorg om het ijs, waar mede het zelve bezet is, te breeken, waar van ze groote stukken t’huis brengen, vervolgens werpen ze die in een soort van bakken, die in de yourte opgehangen worden ter hoogte van een manslengte; de warmte is daar sterk genoeg om het ijs langzamerhand te doen smelten, en het is hier, dat ieder water komt haalen, wanneer men dorst heeft.
Men ziet bij dit dorp een berg of een soort van verschanssing in de manier van deeze volkeren, die daar eertijds in hunne oproerigheden de wijk namen.
1788. Maart van den 5. tot den 9.
Vertrek van Gavenki.
Wij hielden ons te Gavenki maar twaalf a dertien uuren op; wij vertrokken van daar des nagts om ons naar Poustaretsk te begeeven, het welk ’er meer dan twee honderd wersten van afgelegen is; wij hadden vijf volle dagen nodig om dien overtogt te doen, nimmer was onze reis nog zo moeijlijk geweest; wij hadden ons over het wêer van den eersten dag niet te beklaagen, dog den volgenden overviel ons de sneeuw en de stormbuijen; de een volgde de ander zonder tusschenpoozing en met zo veel hevigheids, dat onze leidslieden ’er verblind van wierden, vier treden voor hun uit konden zij niets onderscheiden, zij zagen zelfs de slee niet, die hun oogenbliklijk volgde.
Onze wegwijzer doet ons verdwaalen.
Tot overmaat van ramp, was de wegwijzer, dien wij te Gavenki genomen hadden, oud en kort van gezicht, ook deed hij ons somtijds verdwaalen, als dan liet hij ons stil houden, en ging alleen voorwaards om een punt van verzameling te zoeken, maar hoe zulks te vinden in eene zo uitgebreide vlakte, met sneeuw bedekt, en alwaar men nog bosch, nog berg, nog rivier gewaar word? Alle oogenblikken faalde de ondervinding van onzen leidsman door het slegte weêr, niettegenstaande de ongelooflijke kundigheid, die hij van deeze wegen had; het geringste heuveltje of heestertje was genoeg om hem weêr op den weg te helpen; daar hij zich echter somtijds wel eens bedroog, meenden wij dagelijks wel twintig wersten besteed te hebben aan omwegen, die hij ons veroorzaakte.
De honger beroofde ons van de honden.
Ten einde van twee dagen waren mijne honden op een enkelden visch gebragt, die onder allen verdeeld wierd. Het gebrek aan voedzel benam hun welhaast de krachten, naauwlijks konden zij ons trekken, de een viel neder onder de slagen van onze geleiders, de ander weigerde langer dienst te doen; verscheiden bleeven op de plaats van gebrek dood; van de zevenendertig honden voor mijn vezock gespannen, wanneer ik van Bolcheretsk vertrok, had ik er niet meer dan drie-en-twintig overgehouden, en nog waaren dezelve zeer zwak; de Heer Kaslof had insgelijks veele van de zijnen verlooren.
Het gebrek wierd op het laatst zo groot, dat wij ons op het punt gebragt zagen van niet uit deeze woestijn te kunnen koomen; onze honden volstrekt geen visch meer hebbende, waaren wij verplicht, om ze in het leeven te behouden, van hun van onzen eigen voorraad te geeven, dog derzelver aandeel was maatig; de voorzichtigheid beval ons de gestrengste bezuiniging.
Wij laaten ons reisgoed op het midden van den weg.
In deeze droevige omstandigheid verlieten wij onze goederen op het midden van den weg, onder bewaaring van eenige onzer leidsluiden, en na, onder het voorspan van deeze sleeden de minst slegte honden uitgekoozen te hebben, om de geenen, die ons ontbraken, te vervullen, vervolgden wij onzen weg.
Nieuwe zwaarigheden.
Wij waaren niet buiten moeijelijkheid nog ongerustheid; het water begon ons te ontbreeken, de eenigste kleine beek, die wij onder weg vonden, was bevroozen, wij moesten besluiten om ons met sneeuw te laaven. Gebrek aan hout was eene andere verlegenheid; geen boom stond ’er op onzen weg, wij reisden somtijds een werst, om een slegt heester gewas, dat geen voet hoogte had, te ontdekken, alle, die zich aan ons oog aanboden, wierden ook dadelijk afgesneeden en mede genomen, uit vrees van ’er verder op geen te zullen vinden, dog deeze waaren zo klein en zeldzaam, dat ze niet voldoende bevonden wierden om onze spijs te kooken. Er was dus geen gelegenheid om ons te verwarmen, echter was de koude allerstrengst, en de traage voortgang van onze reis gaf ons gelegenheid om te klappertanden; bij iederen tred waaren wij genoodzaakt stil te houden, om de honden aftespannen, die de een na den ander stierven.
Ik zou geen verhaal kunnen geeven, wat in deeze omstandigheden binnen in mij omging, de geest had meer dan het lighaam te lijden; de ongemakken, die ik met mijne medemakkers doorstaan moest, gingen mij het minste aan het hart, hun voorbeeld en mijne jeugd deeden mij alles met kloekmoedigheid verdraagen; dog mijne standvastigheid verliet mij, zo dra ik aan mijne brieven dagt; nagt en dag waaren dezelve onder mijne bewaaring, ik raakte ze niet dan met schrik aan. Het ongeduld om mijne zending te vervullen, de voorstelling der tegenspoeden, die ik te overwinnen had, de onzekerheid van daar in zullen slaagen, alle deeze denkbeelden ontrusten mij te gelijk, ik zogt ’er mij wel van te ontdoen, dog een oogenblik daar na bragt mij eene nieuwe tegenkanting weder tot deeze hoopelooze aanmerkingen.
Middelen, waar van wij ons bedienden, om onze honden te doen voortgaan.
Wanneer wij van Gavenki vertrokken, hadden wij de oostkust verlaaten, die van het westen vertoonde zich aan ons oog, wanneer wij nog twee wersten van Poustaretsk af waren, zo dat wij dit gedeelte van Kamschatka in deszelfs geheele breedte doorkruist hadden, het welk, gelijk men gezien heeft, maar twee honderd wersten of vijftig uuren is; wij deeden deezen togt meer te voet dan in sleeden, onze honden waaren zo zwak, dat wij liever verkoozen ons te vermoeijen, om dezelve eenigzints te gemoet te komen, echter liepen ze daarom zelden te gaauwer; onze leidsluiden konden hun niet doen voortgaan, als met zich zelfs even als de honden aantespannen, om dezelve onze rijtuigen te helpen voorttrekken, en wij hitsten ze aan met hun een neusdoek te toonen, die even als de visch in een gedraaid was, zij volgden dit lokaas, dat voor hun uit vluchte, naar maate zij het zelve naderden om het te vatten.
1788. Maart Den 9. Te Poustaretsk.
Aankomst te Poustaretsk.
Het was door dit middel, dat wij ons oogmerk bereikten, om den berg, die naar Poustaretsk leid, overtekomen. Ik rekende mij behouden, wanneer ik in dit gehugt aankwam, uit hoofde van het vrindelijk onthaal, het geen ons de vrouwen beweezen. Wij vonden ’er zes, die ons te gemoet kwamen, en die ons met de dwaaste betooningen van vreugde inhaalden. Wij begreepen uit eenige woorden, welke zij ons zeiden, dat hunne mannen naar het Ostrog van Potkagornoï gegaan waaren, om walvischvleesch te haalen; zij geleiden ons naar haare wooningen, rondom ons zingende en danzende als uitgelaaten. Eene onder haar ontdeed zich van een parque van een jong rendier, om ’er den Heer Commandant mede te omhangen; de anderen betoonden haar genoegen over onze aankomst, welke zij volgens haare verzekeringen niet wagtten, door een luidruchtig geschater van lagchen; dit was niet zeer waarschijnlijk, dog wij gedroegen ons, of wij zulks geloofden, in de hoop van daar door gemaklijker te zullen kunnen handelen.
Vergeefsche naspooringen om visch te vinden.
Wij kwamen den 9. des namiddags ten drie uuren te Poustaretsk, en ons eerste werk was om alle de bewaarplaatzen van de visch te doorzoeken. Hoe groot was ons verdriet, wanneer wij ze ledig vonden! wij hielden op het oogenblik de Inwoonders verdagt, dat ze dezelfde voorzorg als die van Gavenki gebruikt hadden; en ziet daar ons bezig met die vrouwen te ondervraagen, en met aan alle kanten te graaven, in de overtuiging, dat de voorraad verborgen was. Hoe meer men het ontkende, zo veel te meer vermeerderden wij onze naspooringen; dan deeze waaren vrugteloos en wij konden niets ontdekken.
Treurig schouwspel het welk onze honden ons opleeverden.
In dien tusschentijd had men onze honden uitgespannen, om ze volgens gewoonte op reijen vast te maaken; zo dra ze aan de paal waaren, vraten ze derzelver riemen en tuigen op, in een oogenblik was alles verslonden; te vergeefsch tragte men om hun daar af te houden, het grootste gedeelte ontvlugte in het veld, alwaar zij ginds en herwaards zworven, alles opeetende, wat hunne tanden verscheuren konden; alle oogenblikken stierven ’er eenigen, die te gelijker tijd een prooij voor de anderen wierden; deeze wierpen zich op deeze doode lighamen en scheurden ze aan stukken, ieder lid wierd den roover betwist door een troup mededingers, die hem met gelijke hevigheid aanvielen: zo hij onder de menigte leggen bleef, was hij op zijn beurt het voorwerp van een nieuw gevegt[97]; op de afschuwelijke vertooning van hun zich dus onderling te zien verscheuren, volgde het droevig schouwspel van de geenen, die de yourte belegerden, alwaar wij ons verblijf hielden. Deeze arme dieren waaren zodanig vermagerd, dat men ’er meelijden mede hebben moest, zij konden zich naauwlijks beweegen, door hun klaagend en geduurig gehuil scheenen ze ons te smeeken, om hun te helpen, en tevens ons te verwijten de onmogelijkheid, waar in wij waaren om het te kunnen doen; verscheidene die zo veel van de koude als van den honger te lijden hadden, lagen zich neder aan den rand van de uitwendige opening, in het dak van de yourte gemaakt, en waar door de rook uittrekt. Hoe meer ze de hette gevoelden, hoe digter ze daar bij naderden; eindelijk vielen zij voor onze oogen in het vuur, het zij uit zwakheid, of dat ze het evenwicht verlooren.
De Soldaat, die naar Kaminoi gezonden was, moest onderweg blijven.
Weinig oogenblikken na onze aankomst zagen wij den leidsman van den soldaat, die den 3. naar Kaminoi gezonden was, om aldaar onderstand te haalen, te rug komen, hij gaf ons te kennen, dat onze zendeling zelf de spoedigste hulp nodig had, dat hij het geluk had gehad om twaalf wersten ten noorden van Poustaretsk eene slegte verlaate yourte aantetreffen, dat hij zich daar in veiligheid tegens de winden geplaatst had, die hem tien reizen hadden doen verdwaalen, dat de voorraad, dien wij voor hem en voor zijne honden medegegeeven hadden, gebruikt was, en dat hij daar met ongeduld afwagte, dat men hem uit de verlegenheid kwam redden, dewijl het hem anders onmogelijk was uit zijn schuilplaats te komen, nog om de bevelen, waar mede hij belast was, uittevoeren, nog om zich wederom bij ons te voegen.
Bode naar Potkagornoi gezonden, om aldaar walvischvleesch te gaan haalen.
De Heer Kasloff, wel verre van zich door deezen nieuwen tegenspoed te laaten neêrslaan, boezemde ons moed in, wanneer hij ons de laatste hulpmiddelen, die hij voorneemens was in het werk te stellen, mededeelde; reeds had hij op de verzekering, die men ons gegeeven had, dat ’er een walvisch nabij Potkagornoi op het drooge voorvallen was, iemand derwaarts gezonden, de meeste spoed was hem aanbevolen, en hij moest zo veel vleesch en vel van dien visch medebrengen, als hij maar krijgen kon.
1788. Maart Den 10. Te Poustaretsk.
De Sergeant Kabéchoff vertrekt naar Kaminoi, met het overschot van onzen voorraad.
Deeze hulp nog onzeker zijnde, stelde ons de Heer Commandant voor, om de weinige levensmiddelen, die ieder van ons voor zijne eigen honden meende te bewaaren, opteofferen; de vraag was om ’er ons van te ontdoen ten behoeven van den Sergeant Kabéchoff, die zich aanbood om naar Kaminoi te gaan. In den nood, waar in wij ons bevonden, was de minste straal van hoop genoegzaam om ons te doen besluiten van alles te waagen; wij omhelsden dan deezen raad met vervoering, ons geheel en al op den iever en de kundigheid van dien Sergeant verlaatende.
Hij vertrok den 10. van de nodige onderrichtingen en van het overschot van onzen voorraad voorzien. In deszelfs weg moest hij onzen armen soldaat opneemen, en van daar den last gaan vervullen, waar van deeze zich niet had kunnen kwijten. Na alle deeze maatregelen genomen te hebben, vermaanden wij elkander tot geduld, en wij zogten ons van onze bekommernissen aftetrekken, in afwachting, dat het de voorzienigheid behaagen mogt ons daar van te bevrijden. Ik gaa van deezen tijd gebruik maaken om rekenschap te geeven van de waarneemingen, die ik te Poustaretsk gemaakt heb.
1788. Maart van den 10. tot den 12. Te Poustaretsk.
Beschrijving van Poustaretsk en de omliggende streeken.
Dit gehugt is op het hangen van een berg, die door de zee bespoeld word, gelegen, want men kan geen rivier noemen[98], het geen eigentlijk maar een zeer naauwe golf is, die zich tot aan den voet van deezen berg uitstrekt; het water is brak en in het geheel niet drinkbaar; om daar aan te gemoet te komen, dronken wij bezonken sneeuw, het welk ons eenigste zoet water was; twee yourtes, alwaar omtrent vijftien persoonen in leeven, maaken het geheele gehugt uit, men kan ’er ook nog eenige balagans onder rekenen, welke de inwoonders met het begin van den zomer betrekken, zij hebben die eenige wersten van de yourtes af, en meer voorwaards in de velden gebouwd.
Spijze der inwoonders gedurende ons verblijf aldaar.
Zij brengen daar den zomer met visschen door, en om hunnen voorraad voor den winter te verzamelen; naar het voedzel, dat ik hun zag gereed maaken en gebruiken, te oordeelen, moet de visch er niet overvloedig zijn; geduurende ons verblijf bepaalde zich hunne spijze tot vleesch of vet van walvisschen, tot raauwe boomschors, en tot boomknoppen met olie van walvisschen, zee-wolven of vet van andere dieren; zij verhaalden ons, dat ze somtijds in volle zee kleine kabbeljaauwen gevangen hadden; ik weet niet of ze ’er in den een of anderen hoek van verborgen hadden, dog wij hadden zo veele naspooringen gedaan, en wij zagen hun zulke slegte cier maaken, dat ik hun eindelijk waarlijk zo arm geloofde, als ze scheenen te zijn.
Wijze, waarop de rendieren gevangen worden.
Hunne manier om de rendieren te vangen, die in een groot aantal in deeze streeken gevonden worden, is niet minder zeker als gemaklijk; ze omzetten eene zekere uitgestrektheid gronds met palissaden, laatende daar in alleen eenige openingen: het is in deeze naauwe doortogten, dat zij hunne netten of strikken spannen, zij scheiden zich vervolgens van elkander, om de rendieren in deeze strikken te jaagen. Deeze beesten, zich zoekende te redden, loopen daar in en raaken met den hals of de hoornen vast; daar ontkomen ’er altijd een groot getal, die de strikken breeken of de palissaden omwerpen; echter heeft ééne jagt, door twintig of dertig menschen ondernomen, wel eens meer dan zestig rendieren uitgeleverd.
Bezigheden der vrouwen.
Behalven het huishoudelijke werk zijn de vrouwen belast met de vellen van verschillende dieren te bereiden, bijzonder van de rendieren, en met dezelve te verwen en te naaijen; zij schraapen dezelve eerst af met een scherpen steen, die in een stok vastgemaakt is. Na ’er het vet afgehaald te hebben, gaan ze voort met afschraapen, ten einde ze dunder en buigzaamer te maaken; de eenigste couleur, waar van zij gebruik maaken om ze te verwen, is een zeer donker rood, zij trekken het zelve uit een boomschors in het Russisch Olkhovaïa-déréva genaamt, en bij ons onder de naam van elze bekend; men laat deeze schors kooken, vervolgens vrijven zij daar het vel mede, tot dat de verf wel doordrongen is; de messen, welke dienen om vervolgens deeze vellen te snijden, zijn geboogen en waarschijnlijk van de uitvinding dezer volkeren.
Zeer dunne rendieren zenuwen, door dezelfde vrouwen toebereid, verstrekken hun tot draaden, zij verstaan het naaijen zeer wel, haare naaldens komen van Okotsk en zijn niet buitengewoon, derzelver vingerhoeden gelijken na die van onze kleermaakers, ze plaatzen die altoos aan den voorsten vinger.
Manier van tabakrooken.
Bij mijn doortogt van Karagui heb ik opgegeeven de wijze, waar op deeze volkeren tabak rooken, dog ik kan niet voorbij ’er nog eens van te spreeken, om de nadeelige gevolgen daar van te doen kennen, waar van ik hier verscheide voorbeelden gezien heb; derzelver pijpen[99] kunnen naauwlijks een vingergreep tabak bevatten, het geen zij tot verveelens toe herhaalen; en zie hier, hoe ze zulks verrichten; door den rook met geweld doorteslikken, in plaats van denzelven uitteblaazen, worden zij langzamerhand dronken, zelfs tot dien trap, dat ze in het vuur zouden vallen, indien ze ’er na bij waaren. Gelukkig heeft de gewoonte hun geleerd, om de gewaarwording van deeze bezwijming optevolgen, zij gebruiken de voorzorg van zich nedertezetten of zich aan het eerste voorwerp, dat zij vinden, vast te houden. Hun flaauwte duurt ten minsten een vierendeel uurs, geduurende welken tijd zij in eene zeer gevaarlijke omstandigheid zijn, het klamme zweet overdekt hun lighaam, de kwijl loopt van de lippen, de ademhaaling is moeijelijk en van een gestadigen hoest verzeld. Wanneer zij in deezen staat geweest zijn, meenen zij smakelijk gerookt te hebben.
Kleeding.
Vrouwen nog mannen draagen hier hemden; hun gewoone kleeding heeft ’er bijna de gedaante van, ze is minder kort en van een rendieren vel gemaakt; wanneer zij uitgaan, trekken zij ’er een, dat warmer is, overheen; des winters draagen de vrouwen in plaats van rokken, gevoerde broeken[100].
Den 12.
De Heer Schmaleff voegt zich weder bij ons.
Den 12. kwam de Heer Schmaleff wederom bij ons, zijn terugkomst was ons des te aangenaamer, vermits wij zeer ongerust over hem wierden; het was zes weeken geleeden, dat wij van hem gescheiden waaren[101], en bijna was er een maand verstreken na het bepaalde tijdstip, waar in wij ons weder hereenigen moesten. Er bleef hem weinig voorraad over, dog zijne honden beter zijnde dan de onze, maakten wij daar van gebruik om onze goederen aftehaalen, die wij genoodzaakt geweest waaren van onder weg te laaten, en waar van wij zedert onze aankomst geen het minste naricht bekomen hadden.
1788. Maart van den 12. tot den 17. Te Poustaretsk.
De zuidweste wind, die ons op reis zo zeer gehinderd had, bleef met dezelfde hevigheid geduurende verscheide dagen waaijen, vervolgens liep dezelve in het noord-oosten: dog het wêer wierd ’er des te slegter door.
Het scheen, als of de vertoornde natuur ook tegen ons zamenspande om de zwaarigheden te vermeerderen en onze ellende te verlengen. Ik beroep mij op een ieder, die zich immer in eene zodanige omstandigheid bevonden heeft, hem is bekend, hoe smertelijk het valt van dus door telkens wederopkomende beletselen gekluisterd te zijn; men mag alles aanwenden om zich afleiding te bezorgen, en zich met geduld te wapenen, op den duur worden de krachten uitgeput en de reden verliest haare werking; niets maakt ons lijden onverdraaglijker, dan wanneer wij ’er geen einde aan zien.
Bedroevend antwoord van den Sergeant Kabétchoff.
Wij ondervonden dit alles maar al te zeer, wanneer wij de brieven van Kaminoi ontfingen. Kabéchof melde ons, dat van daar geen hulp te wachten was; de van Ingiga afgezondene manschap was buiten staat om ons te gemoet te komen; over twee maanden reeds te Kaminoi gekomen, had dezelve niet alleen hun voorraad van leevensmiddelen gebruikt, maar ook daar en boven dat geene, het welk voor ons was geschikt geweest; de honden verscheurden elkander even als de onze, en de veertig manschappen zagen zich tot het uiterste gebragt; onze Sergeant voegde daar bij, dat hij aanstonds naar Ingiga, als onze eenigste toevlucht, gezonden had; zijn afgezondene kon niet dan binnen eenige dagen terugkomen; dog hij twijffelde of hij wel een voldoend antwoord mêe zou brengen, dewijl deeze stad niet anders dan slegt voorzien kon weezen van levensmiddelen en van honden, na de aanzienlijke afzending, die dezelve daar van gedaan had.
De Heer Kasloff ontfing de tijding van zijne bevordering.
Dit droevig bericht benam ons alle hoop, en wij rekenden ons verlooren; onze mistroostigheid en droefheid was zodanig, dat de Heer Kasloff in het eerst ongevoelig was voor de nieuwstijding van zijne bevordering, die hij met denzelfden bode ontfing. Een brief van Irkoutsk komende, melde hem, dat de Keizerin uit erkentenis voor zijne gedaane diensten hem van het bevelhebberschap van Okotsk tot dat van Yakoutsk bevorderd had. In alle andere omstandigheden zou deeze gunst hem van blijdschap verrukt hebben, hier door verkreeg zijne werkzaamheid een ruimer veld, en meer gelegenheid om zijne bekwaamheid in de kunst van regeeren te oeffenen, dog hij was ’er verre af, om de voordeelen van zijn nieuwe bediening te berekenen, alle gewaarwordingen moesten voor die van ons gevaar wijken, en hij was ’er als van overstelpt.
Ik vorm het denkbeeld om van den Heer Kasloff te scheiden.
In een zo hagchelijk oogenblik moest ik aan een ingeeving des Hemels toeschrijven het denkbeeld, dat eensklaps in mij ontstond, om van den Heer Kasloff te scheiden. Wanneer ik daar op doordagt, gevoelde ik het onvriendelijke omtrent hem, en het verdrietige, dat daar in voor mij gelegen was; ik wilde mij daar van ontdoen, dan te vergeefsch: in weerwil van mij zelfs moest ik ’er bij stil staan, ik dagt aan mijn vaderland, aan mijne bloedverwanten, aan mijn plicht. Derzelver onoverwinlijk gezag behaalde de overwinning, en ik ontdekte mijn voorneemen aan den Heer Commandant. Op het eerste aanhooren scheen hem dit ontwerp buitenspoorig, en hij liet niet af met het zelve te bestrijden. De begeerte om het uittevoeren verschafte mij antwoorden op alle zijne tegenwerpingen. Ik bewees hem, dat, wanneer wij bij den anderen bleeven, wij ons de een den ander de middelen benamen om onzen weg te vervolgen; wij konden niet te zamen vertrekken zonder eene aanmerkelijke versterking van honden. Onder de geenen, die ons overbleeven, bevonden ’er zich maar zeven en twintig, die redelijk waaren, alle de anderen waaren of dood of onbekwaam om te dienen[102]; wanneer een van ons toestemde om aan den ander deeze zeven en twintig honden aftestaan, zou de laatste daar door in de mogelijkheid geraaken van voorwaards te komen, en zijn vertrek zou den geenen, dien hij verliet, ontslaan van de zorg, om nog dit klein getal van uitgehongerde honden te voeden. Maar, antwoorde mij de Heer Kasloff, zult gij niet altoos eenige leevensmiddelen voor dezelve nodig hebben? en hoe zult gij ze die verschaffen?
Wij bekomen van Potkagornoi Walvisch vlees en vet.
Ik wist maar al te veel op deeze aanmerking intebrengen, wanneer men ons zeide, dat onze afgezondene van Potkagornoi was te rug gekomen; gelukkiger geslaagd dan alle de andere, bragt hij ons in een groote hoeveelheid walvisch-vleesch en vet aan, mijne vreugde was op dat gezicht uitermaate, alle de zwaarigheden waaren verdweenen, ik dagt reeds van Poustaretsk vertrokken te zijn. Op het zelfde oogenblik geraakte ik weder met den Heer Commandant op mijn voorstel, die nu geen zwaarigheden meer kon inbrengen, mijn iever moest prijzen, en eindelijk in mijn verzoek instemde, ’er wierd vastgesteld dat ik uiterlijk den 18. alleen zou vertrekken; van dien tijd af hielden wij ons bezig met de noodwendige schikkingen, die ter uitvoering van dit ontwerp nodig waaren.
De rust onder de Koriaken hersteld.
Alles beloofde mij nu een goeden uitslag; onder de droevige nieuwstijdingen, die wij van Kaminoi bekomen hadden, waaren ’er echter eenige zeer vertroostende. Men verzekerde ons onder anderen, dat wij in onzen doortogt geene hinderpalen zouden ontmoeten, de rust was onder de Koriaken hersteld, en om ons daar van te overtuigen, hadden zij begeert, dat eenige uit hun den soldaat, die met brieven aan den Heer Commandant belast was, zouden vergezellen; de zoon van het Opperhoofd der oproerigen, genaamt Eitel, was aan het hoofd van dit geleide; hij zeide ons, dat zijne landgenooten ons zedert lang met ongeduld wachtende waren, en dat zijn vader voorneemens was om den Heer Kasloff ten bewijze van zijnen eerbied te gemoet te komen.
Het onthaal, ’t welk wij den Koriaken aandoen.
Verblijd, dat wij niets meer te vreezen hadden, ten minste van dien kant, bevlijtigden wij ons, om aan deeze Koriaken ons genoegen over hunne welwillenheid ten onzen opzichte te betuigen, wij gaven hun alle geschenken, die onze toestand ons toeliet, namelijk van tabak, stoffen en verscheidene zaaken, die ik geduurende mijn reis op zee gekogt had, en van andere, die de Heer Graaf de la Perouze mij had agtergelaaten. Wij gaven ’er hun ook voor derzelver ouders, dog onze voornaamste zorg bestond daar in, om ze zo dronken als mogelijk was te maaken, ten einde zij wel te vreden over ons onthaal zouden weezen; wij moesten dezelve naar hunnen smaak behandelen, daar en boven word dit bij hun voor de grootste beleeftheid gehouden.
Zij belasten zich met twee mijner mantelzakken.
Ik sloeg deeze Koriaken voor om zich met twee mijner mantel-zakken te belasten; in het eerst scheenen ze daar in geen zin te hebben, te meer om dat ik vorderde, dat ze tot aan Ingiga gebragt wierden; echter verkreeg ik op het laatst door vriendelijkheden en geld, dat zij dezelve op hunne sleeden mede namen; het belang alleen dreef hun om mij deezen dienst te bewijzen, dog ze was mij van zo veel nut, dat ik niet geloofde dezelve te duur betaald te hebben; daar door van mijn reisgoed ontlast, had ik alleen maar voor mijne brieven te zorgen; ik had daar en boven weinig vrees voor de zaaken, die ik aan deeze Koriaken toevertrouwde, dewijl de soldaat, met de brieven van Ingiga belast, met hun te rug keerde, en mij beloofde daar zorg voor te zullen draagen, als mede dat mijne begeerte getrouwelijk gevolgt wierd.
De Heer Kaslof stelt mij zijne brieven ter hand en geeft mij de nodige paspoorten tot mijne veiligheid.
Tot op het oogenblik van mijn vertrek was de Heer Kaslof bezig[103] met zijne brieven te vervaardigen, waar mede ik volgens afspraak mij belasten zou; hij gaf mij een podarojenei of paspoort, die mij tot aan Irkoutsk van dienst kon weezen, en waar heen hij nog daar en boven schreef, dat men mij alle de nodige hulp moest verschaffen. Die vrijgeleibrief was een bevel aan alle de Russische Officieren en andere onderdaanen van de Keizerin, die ik tot daartoe ontmoeten mogt, om mij alle gemak te bezorgen, ten einde ik mijn reis met alle zekerheid en spoed kon vervolgen. De voorzigtigheid van den Heer Commandant verzuimde niet om alles toetebrengen, wat mij van dienst kon weezen; hij had geen meerdere voorzorgen kunnen gebruiken, al was ik ook zijn geliefdste broeder geweest.
Mijne aandoeningen, wanneer ik van den Heer Kasloff moest scheiden.
Hier moet ik ophouden, want ik kan de ontroering niet wederstaan, die ik ondervind, wanneer ik overweeg, dat ik dien beminnenswaardigen man gaa verlaaten, aan wien de hoedanigheid van zijne ziel, nog meer dan de bevalligheid van zijn verstand, mij voor altoos verbonden heeft.
De edelmoedige opofferingen, die hij voor mij heeft gedaan, weegen in dit oogenblik op mijn hart, en ik moet mij verwijten van dezelve begeert te hebben; wat kost het mij niet, om hem alleen in deeze woestijn agter te laaten, zonder voor mijn vertrek te weeten, hoe hij ’er zich zelfs uit zal redden! Het beeltenis van zijne treurige omstandigheid vervolgt en ontroert mij. Ach! laat ik het nog eens herhaalen, om tot het besluit te koomen van mij van hem te verwijderen, niettegenstaande het verbod, het geen mij de Heer Graaf de la Perouze daar omtrent gedaan had moest ik ongetwijffelt alleen gedrongen worden door de overtuiging, dat mij geen ander middel overbleef om spoedig mijne brieven over te brengen; zonder deeze reden, zonder dit eenige oogmerk mijner zending, zou niets mijne begeerte om te vertrekken in mijne oogen kunnen verschoonen. Mogt het getuigenis, dat mijne erkentenis altoos zal afleggen, zo omtrent de door den Heer Kasloff aan mij beweezene weldaaden, als omtrent den iever, dien hij in den dienst van zijne Souvereine betoonde, iets tot zijne bevordering en tot zijn geluk toebrengen! als dan zou aan het mijne niets anders ontbreeken, dan het vermaak van hem weêr te zien en hem te omhelzen.
Einde van het eerste Deel.
