TWEEDE DEEL. (continued 2)
Reading edition
Om mijne begeerte te voldoen en mij in staat te stellen van mijne reis zonder hinderpaalen voorttezetten, besloot de Heer Gaguen van deswegens met de opperhoofden der zwervende Koriaken uit de nabuurschap een overleg te maaken; bij gevolg deed hij dezelve verzoeken om bij hun te komen; twee dagen daar na zag ik twaalf van deeze Prinsen aankomen, benevens verscheide andere Koriaken, welke de Commandant insgelijks had doen waarschuwen.
Na de gebruikelijke pligtpleegingen[138] bragt hij mij in de vergadering; ter zelver tijd wierd hun door een tolk kortelijk uitgelegd, wie ik was, het gewicht mijner zending en dat ik noodwendig hunne hulp noodig had. Op dit kort voorstel ontstond ’er een algemeen gemor, te vergeefs wilde men de volstrekte beveelen van de regeering ten mijnen opzichte doen gelden, het geschreeuw verdubbelde zodanig, dat het in het eerst onmogelijk was elkander te verstaan en de oorzaak van hun misnoegen te weeten; onder dit verward geroep ontdekte men eindelijk, dat zij zich beklaagden, om dat zij alleen de heerendiensten moesten draagen, terwijl de Koriaken, die steeds op eene bepaalde plaats woonachtig zijn, daar van scheenen uitgeslooten te weezen. Om welke reden genooten zij deeze beledigende vrijheid? door welk voorrecht smaakten deeze vreedzaame kluizenaars in derzelver yourtes een gerust verblijf? waarom deeze niet even als zij aan den voorspandienst onderworpen? Deeze zeer gegronde vertoogen, welke echter met tekens van ongenoegen uitgesproken wierden, begonnen mij zeer verlegen over den uitslag mijner vraag te maaken, wanneer een oude Prins eensklaps opstond, „Is dit het oogenblik, riep hij uit, waarin wij ons moeten beklaagen? Indien men van onzen iever misbruik gemaakt heeft, is deeze vreemdeling daar voor verantwoordelijk? heeft hij daar door minder recht op onze goede diensten? Ik beloof hem de mijne, ik neem op mij van hem zo ver te geleiden, als hij noodig zal oordeelen, stemt alleen toe om hem bij mij te brengen, bevind ’er zich niemand onder ulieden, die hem deezen geringen dienst wil bewijzen”?
Op deeze woorden was de verlegenheid op alle de aangezichten geschilderd; de oproerigste wierden verstomd; na een oogenblik stilzwijgens wilde zich ieder over het verwijt, het welk hij vreesde verdient te hebben, zuiveren. Ik ontving verschooningen en aanbiedingen zonder ophouden; ieder trachte de voorkeur te verkrijgen, om mijn persoon, mijn gevolg en mijne goederen tot aan de Stoudénaïa-reka of koude rivier overtebrengen, aan welkers oever de gedienstige Koriak, welke zich verbonden had om mij tot leidsman te dienen, woonachtig was; alle de zwaarigheden vereffend zijnde, vernam men na den dag van mijn vertrek, het welk ik op den tweeden dag daar na of den 5 April bepaalde, en de geheele vergadering verplichte zich om op den bepaalden dag tot mijn dienst te zijn; de oude Prins, die zo edelmoedig mijne zaak bepleit had, onttrok zich het eerst aan mijne dankzeggingen, dewijl hij op het oogenblik vertrok, onder voorwendzel van verscheide toebereidzelen ten zijnent te moeten maaken voor mijne aankomst; hoe groot was mijn genoegen, wanneer ik vernam, dat hij, aan wien ik deeze verandering in de geneigtheden was verschuldigt, de broeder van Oumiavin was, dien ik zo zeer verlangde te leeren kennen!
Van dit oogenblik liet de Heer Gaguen niet af om alle mogelijke zorg te besteeden tot de toebereidzelen van mijn vertrek; hij liet onder zijn oog verscheide kleine tarwebroodjes en een voorraad van roggebeschuit vervaardigen; een gedeelte der leevensmiddelen, welke hij tot zijn eigen gebruik in gereedheid had, wierd tegens mijn wil en dank bij mijn reisgoed ingepakt; hij voegde daar eenige geschenken bij, die hij mij noodzaakte om aanteneemen door de bevalligheid en de aanhoudende verzoeken, waar mede hij dezelve vergezelde. Eindelijk, ik kan alle zijne beleeftheden, die hij mij bewees, niet optellen: ieder uur leverde geduurende den tijd, welken ik bij hem doorbragt, bewijzen op van zijne heuschheid en zorgvuldigheid; deeze dienden niet minder als de rust ter herstelling van mijne gezondheid, waar over ik niet te roemen had zedert de verkoudheid, welke ik na mijn vertrek van Poustaretsk had opgedaan.
Den 5.
Wanneer ik den 5, gelijk bepaald was, mij gereed bevond om te vertrekken, zag ik tot mijne uiterste verwondering mijne leidslieden niet aankomen. Verscheide persoonen wierden aanstonds uitgezonden om hen optespooren, dog de dag verliep, zonder dat men ’er iets van vernam; het was reeds nagt, toen zij kwamen opdaagen, wanneer de een zo wel als de ander onverwachte beletzelen voorwende.
1788. April Den 6.
Bijgeloovigheid van mijne soldaaten.
Den volgenden dag wederom een andere tegenspoed; dit was een zondag, en het bekommerd gemoed van mijne soldaaten weigerde van zich op weg te begeeven; moest ik derzelver schroom of liever angstvalligheid eerbiedigen? Want dit was minder godsvrugt dan wel bijgeloof; zij wierden niet terug gehouden door de heiligheid van den dag, maar alleen door het denkbeeld, dat zulks hun eenig ongeluk op den hals zou haalen; niettegenstaande de voorzorg, die ik gebruikt had om met hun een Russische mis te hooren, was ’er echter geen middel uittedenken, om hun tot vertrekken te doen besluiten. Na veele vergeefsche smeekingen en redeneeringen was ik genoodzaakt, om weder bij den Heer Commandant het middagmaal te gaan neemen, die op eene verplichtende wijze schertste met deeze nieuwe zwaarigheid, waar omtrent hij de beleeftheid had van zich geluk te wenschen; dog ziende, dat dezelve te veel invloed had op mijn vergenoegen, sloeg hij mij voor om mijn volk van hunne ingebeelde bevreestheid te geneezen; mijn antwoord was eene noodiging om zulks te doen, welke hij aannam. Op zijn bevel wierd oogenbliklijk aan al mijn volk zo Russen als Kosakken rijkelijk brandewijn geschonken; ongevoelig raakten de zinnen opgewekt, de vrolijkheid deed het vermeende gevaar vergeeten; die er het meest tegen hadden, zijn de eerste, welke verzoeken, dat men de rendieren voorspant; zo gezegt, zo gedaan en ziet daar mijne sleeden in gereedheid.
Afscheid van Oumiavin
In dien tusschentijd had ik eene ontmoeting, welke mij eenigen tijd ophield, dog waar over ik onophoudelijk lagchen moest. Oumiavin had uit genegenheid voor mij een geheelen roes gedronken; de levendigheid zijner aandoeningen over het verlaaten van mij deed hem allerlei dwaasheden bedrijven, dewelke hij zijne afscheidsgroeten noemde; hij ging, kwam te rug, en wilde aan alles helpen, naauwlijks was mijn slêe gereed, of hij meende die te moeten opligten om van derzelver zwaarte te oordeelen, dog de staat, waarin zich deeze goede Koriak gebragt had, deed hem het evenwicht verliezen, en door zijn val brak hij de punt van mijn sabel; zijne droefheid op het gezicht van dit kleine ongeluk was uitermaaten; ik zag hem zich aan mijne voeten werpen, die hij omhelsde en met zijne traanen besproeide, mij bezweerende van niet te vertrekken, voor dat ik hem zulks vergeeven had. Ik spande alle mijne krachten in om hem opteheffen, ik verzekerde hem van mijne vriendschap; hij bleef even halsterrig aan mijne knieën, en zijne traanen hielden niet op; het was eerst na verloop van een half uur, dat ik door onophoudelijke vriendelijkheden hem eindelijk gerust stelde.
Vertrek van Ingiga.
Ik ging te voet de stad uit, geleid door bijna alle de inwoonders, die, volgens hun zeggen, begeerte hadden om den eenigsten Franschman, welke tot hier toe onder hun verkeerd had, eere aan te doen; de Heer Gaguen en de Officieren van de bezetting wilden mij volstrekt tot buiten de poort brengen, alwaar, na herhaalde dankzeggingen van mijn kant over derzelver beleeftheden, en na de afscheidsgroet van mijne wegwijzers en verder gevolg ontfangen te hebben, onze scheiding plaats greep.
Ik neem een Reisgenoot met mij.
Van de vier soldaaten, die mijn gevolg bij mijn vertrek van Kaminoi uitmaakten, bleeven mij nu maar over Golikoff en Nédarézoff, ik had de twee anderen te Ingiga gelaaten, zijnde derzelver gewoone verblijfplaats; dog ik nam daar met mij op de aanbeveeling van den Heer Gaguen een jong Russisch koopman, genaamt Kissélioff, die mij verzogt had om met mij naar Okotsk te reizen. In onze meenigvuldige gesprekken had ik geduurende mijn verblijf te Ingiga in de gelegenheid geweest het aangenaame van zijn gezelschap te leeren kennen, en mijn geluk te waardeeren van hem tot reisgenoot te hebben.
Te vergeefs had ik mij voorgesteld om mijn slee zelfs te mennen, ieder een had zich daar tegens verzet, uit vreeze, dat onkunde en ongewoonte omtrent mijn nieuw voorspan mij in gevaar zou brengen; men had mij zeer aanbevolen van ten minsten mij den eersten dag te laaten rijden. Bij mijn rijtuig gekomen, vond ik in der daad mijn geleider reeds voor op gezeten; ik nam mijn plaats zonder veel acht op hem te geeven, dog hij draaide het hoofd om, en ik herkende in hem een Koriakschen prins genaamt Eviava; hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij het genoegen had van mij te geleiden, en vervolgens stelde hij zich in staat om weder in den trein te komen.
Beschrijving van een Koriaksche slêe.
Zedert lang ben ik den leezer eene beschrijving van een Koriaksche slêe verschuldigt; nu bevind ik mij in staat deszelfs nieuwsgierigheid te voldoen; mogt ik mijne beschrijving belangrijk genoeg inrichten, om over het lang uitstel verschooning te erlangen!
Op twee evenwijdige schaatzen, dat is te zeggen, op twee takken van boomen van zes en een half voet lengte en drie duimen breedte, vrij slegt geschaafd, en welkers voorste einden zich ter halver weg boogsgewijs verheffen, is het lighaam van de slêe geplaatst; het is eigentlijk maar een raam van latwerk, van twee voet en eenige duimen hoogte boven den grond; deszelfs breedte is van agttien duimen en de lengte vijf voet. Twee kleine stokken van omtrent vijf duimen in den omtrek verbinden het latwerk te zamen, het welk van grove latten, die de een in de ander gevoegd zijn, is gemaakt. Een sterker dwarshout als de twee voorigen vereenigt van vooren de uiterstens der latten, welke zich daar op dadelijk met de geboogene einden der schaatzen voegen en met riemen daar aan vast gemaakt zijn. Het onderste gedeelte van den raam draagt op boogswijze gekromde stokken, waar van de zijdelingsche punten te gelijk in deeze schaatzen komen; en het bovenste gedeelte eindigt van agteren op de wijze van een kleine overdekte koetskar, van zestien duimen hoogte en twee voet diepte, en als een halve cirkel gemaakt met korte stokjes in halve hoepen ingevoegt, ten naasten bij als de agterleuningen van onze tuinstoelen. Het is in deezen naauwen omtrek, dat men gewoonlijk of den voorraad van levensmiddelen, of een gedeelte der zaaken, die van een dagelijks gebruik zijn, plaatst. Wat mij aangaat, ik borg daar het kistje met mijne brieven, en ik ging daar op zitten, tot dat ik de plaats van mijn geleider innam. Zijn zitplaats is omtrent in het midden van den raam, niet ver van het dwarshout; hij zet zich daar schrijelings op, en zijne voeten rusten op de schaatzen.
Wijze waar op men de rendieren voorspant en ment.
Het voorspan is van twee rendieren, derzelver tuigen bestaan in een lederen halsband, die gedeeltelijk over de borst en tusschen de voorbeenen van het beest doorgaat, en op zijde eindigt in een riem, op de wijze als een trekzeel, welke van het rendier, dat van de hand loopt, aan het dwarshout van de slêe word vastgemaakt, en van het geen bij de hand loopt aan de schoor van een der boogsgewijze steunzels, die op denzelfden kant van het rijtuig gevonden word. Voor teugels gebruikt men twee lederen riemen, waar van het eene eind als een band onder aan de schagt van de hoornen van ieder rendier gehegt word[139]; wil men ter regterhand wenden, trekt men zagtjes de teugel naar die kant, terwijl men het dier dat buiten de hand is van agteren slaat; om links te rijden, is het voldoende eenige sterke schokken aan de regter teugel te geeven, en daar mêe het rendier het welk door deeze bestierd word aanteraaken; de linker teugel dient nergens anders toe, dan om het dier welke ze bereikt tegentehouden. Den rijder heeft daarenboven een stokje, welks eene eind van een soort van hamer voorzien is; dit is een horisontaal geplaatst been, het welk aan de eene zijde zeer dun is, het vertoont een punt van bijna twee duimen lang, die voornamelijk dient, om zonder te behoeven optehouden, de trekzeel der rendieren wanneer die om derzelver pooten verward raakt, na zich te trekken, het welk voor één der voornaamste handgreepen van den koetzier gehouden word; het andere einde van dit been is een weinig ronder en verstrekt tot een zweep, dog de slagen daar mêe toegebragt zijn veel smertelijker, men bedeeld ’er deeze arme dieren ook zo rijkelijk mede, dat men somtijds hun bloed ziet vloeijen, dewijl dit stokje zeer ligt aan breeken onderhevig is, gebruikt men de voorzorg van zich van een zeker aantal te voorzien, welke ter zijde van de slêe vastgemaakt worden.
Wij reisden zeer gemaklijk tot aan den avond; mijn eenigste ongenoegen bestond hier in dat ik bij gebrek van een tolk geen gesprek met mijn prinselijke leidsman kon voeren. Ik verloor daar door ongetwijffelt veel van het geen hij mij anders zou hebben kunnen verhaalen, en onze onderlinge stilzwijgendheid verfraaijde de weg niet in mijne oogen.
Rustplaats.
Wij hielden ten zeven uuren stil, wij moesten eenen berg, die aan onze Koriaken bekend was, bereiken, welke deeze voor de eerste rustplaats in onze reismaat hadden aangetekent. Te vergeefs zou ik verlangt hebben om een schuilplaats in de bosschen te zoeken[140], dewijl het gemak van den reiziger in het minste niet in de keus der rustplaatzen in aanmerking komt; dat der rendieren word alleen geraadpleegt, en de plaats, die het meeste mos opleevert, heeft altoos de voorkeur; ter halver weg van den berg wierden onze rendieren uitgespannen, men vergenoegde zich om dezelve aan leissels vasttemaaken, oogenbliklijk zag ik ze bezig met de sneeuw om te krabben, onder welke zij zeer wel hun voedzel weeten te vinden. Eenige treden verder wierd onze kookketel geplaatst, de duurzaamheid van onzen avondmaaltijd was evenredig aan deszelfs soberheid, ik verzogt mijn Koriaksche prins daar op, die bijzonder vergenoegt scheen over zulk een eerbewijs. Ik lag mij vervolgens op de sneeuw, alwaar men mij eenige uuren slaapens vergunde; de tijd verstreeken zijnde, kwam men mij onmeedogend wekken ten einde ons wederom op weg te begeeven.
Het is noodig te weeten, dat de Koriaken in togten van vier, vijf of zes dagen bijna geen rust neemen; de rendieren zijn gewoon om dag en nagt, twee of drie agtereenvolgende uuren te loopen, vervolgens spant men ze uit, om dezelve omtrent één uur te laaten weiden; waar na ze met denzelfden iever wederom vertrekken, en herhaalen dit alle dagen tot aan het einde van de reis. Hier uit kan men ligt opmaaken dat ik mij gelukkig rekende, wanneer men mij des nagts twee uuren lang de slaap vergunde; dog dit duurde niet lang, langzamerhand wierd ik genoodzaakt van mij aan de gewoonte mijner onbuigzaame geleiders te gewennen, en ik moet bekennen dat zulks mij moeijelijk viel.
Voor dat ik mijn slêe beklom, zeide mij Eviava dat hij de noodzaaklijkheid gewaar wierd om het rijtuig te verligten, dewijl het gewicht van twee persoonen op den duur te zwaar voor onze dravers zou vallen, en dat zo ik zelfs wilde beproeven om te mennen, hij zich op een der sleeden zou plaatzen, die ons leeg volgden, om ingeval van eenig ongeluk of verlies van rendieren te kunnen gebruikt worden; het voorstel was te zeer na mijn smaak, dan dat ik geaarzeld zou hebben om het zelve aanteneemen, ik vatte spoedig de teugels aan en begon mijne oeffenschool.
Ik begon zelfs te mennen.
Ik vond het zelve niet minder ongemaklijk, dan dat waaraan ik mij te Bolcheretsk onderworpen had, met dit onderscheid echter, dat ik als toen de eerste was, die lagchen moest om mijne menigvuldige tuimelingen, terwijl ik hier de verschrikkelijke proef van derzelver grootste gevaarlijkheid ten mijnen koste meende te ondergaan; het rendier, ter slinkerzijde aan het steunpunt van de slêe aangespannen zijnde, raakt deszelfs trekzeel bijna aan den linker voet van den rijder, die met eene geduurige oplettenheid moet zorgen, dat hij ’er niet in verwart. Eens miste mij dit, het zij uit agteloosheid of onervaarendheid, en een schok wierp mij over de linkerhand, terwijl mijn been in deeze noodlottige trekzeel bleef vastzitten; de geweldige stoot die ik in het vallen onderging, of, zo ik geloof, de hevige en oogenblikkelijke smert welke mij dit been veroorzaakte, deed mij onvoorzigtiglijk de leissels ontglippen om de hand daar aan te brengen; door welk middel mij nu te ontwarren? de rendieren denzelfden teugel niet meer gevoelende, sleepten mij met des te meerdere snelheid voort, iedere pooging die ik tot mijne verlossing aanwende, deed dezelve moediger en meer verhit worden; dus door mijne rendieren voortgetrokken sleepte mijn hoofd over de sneeuw en sloeg zonder ophouden tegen de schaats van de slêe; dat men zich mijne smerten voorstelle; ieder oogenblik scheen mijn been te zullen breeken; reeds begaven mij de krachten om te roepen, ik verloor mijne kennis, wanneer ik door eene werktuigelijke beweeging de linker arm juist op mijne leissels sloeg die ginds en herwaards slingerde; een nieuwe schok van het rijtuig deed mij den arm terugtrekken, en dit was genoeg om mijne rendieren optehouden welke ter zelfder tijd door eenige van mijn gevolg wierden ingehaald; de anderen liepen naar mij toe, niet anders verwachtende dan dat ik gevaarlijk gekwetst zou zijn. Ik vernam vervolgens van mijne soldaaten dat zij gevreest hadden van mij niet meer levendig te zullen vinden. Echter na eene flaauwte van eenige minuuten, zijnde een natuurlijk gevolg van de ontroering en schrik die ik gehad had, bekwam ik mijne zinnen en krachten allengskens wederom; ik geraakte met een sterke kneuzing aan het been en pijnen in het hoofd die geen de minste gevolgen hadden vrij, het genoegen dat ik aan dit gevaar ontsnapt was, deed mij de moed hervatten; ik beklom op nieuw mijn slêe en vervolgde mijn weg even als of mij niets wedervaaren was.
Hier door omzichtiger geworden, gebruikte ik de voorzorg, om wanneer ik omviel, aanstonds mijne rendieren op te houden; want ik had alle reden mij gelukkig te achten, dat deeze in derzelver onstuimige woede mij niet tusschen de bergen vervoerd hadden[141]; en hoe zou men dezelve dan hebben kunnen agterhaalen? Somtijds brengt men drie of vier dagen door om ze te volgen, en het gelukt niet altoos om ze wederom te krijgen; dit bericht, het geen mij door onze Koriaken gegeeven wierd, deed mij voor mijne brieven beeven, terwijl de kist waar in die geplaatst waaren, op mijn slêe was vastgemaakt, en mij dus alle oogenblikken kon ontvoerd worden.
1788. April Den 7.
Dorp van Karbanda.
Ik liet ter slinkerzijde het dorp van Karbanda, gelegen aan den oever van de zee, omtrent negentig wersten van Ingiga; dat Ostrog is van geen het minste belang, na het geen men, ten minsten op de afstand van een werst daar van kan oordeelen: drie wersten verder, wierd ik aan dezelfde kant, twee yourtes en zes balagans gewaar, alwaar inwoonders van dat dorp de zomer komen doorbrengen.
Rustplaats in een gehugt aan den oever van de Noijakhona.
Wij reisden nog zeven wersten om onze bepaalde rustplaats te bereiken, namelijk, een slegt gehugt, in het midden van een klein bosch, het geen door de rivier Noyakhona bespoeld word; het bestaat uit eene enkelde yourte, en drie of vier balagans, daar woonen ’s zomers en ’s winters tien a twaalf Koriaken, die mij vrij wel ontfingen; ten minsten bevond ik mij daar onder dak, en dit was zeer veel voor iemand die dikwils genoodzaakt was in de open lucht, en op een bed van sneeuw te slaapen.
1788. April Den 8.
Des morgens tegens twee uuren, lieten wij onze rendieren opzoeken, die van de wooningen verwijderd waaren, om reden van daar door beter in derzelver voedzel te kunnen voorzien, en ze voor de verslinding der honden van het gehugt te bewaaren. Wij begaven ons weder op weg, dog den dag leverde niets bijzonders op.
Eviava niet recht weetende waar de yourte van Oumiavin’s broeder gelegen was, stelde mij des avonds voor, om een berg die aan onze linkerhand nog overterijden, dewijl hij hoopte op denzelven een zijner landgenooten te zullen aantreffen, die misschien daar beter bekend zou weezen dan wij; na anderhalf uur wegs afgelegt te hebben, bereikten wij den top, van waar wij, de oogen ginds en herwaards slaande, te vergeefs zogten te ontdekken de wooning van dien andere zwervende prins; niets duide zijn verblijf aan, en de nagt belette ons gezicht zich verder uittestrekken. Eviava was mistroostig, dewijl ik zeer vermoeijd en weinig geschikt was om voorwaards te komen. Om hem genoegen te geeven, zeide ik hem dat hij alléén zijn vriend zou gaan opzoeken, en zich ter dezer plaats weer bij mij voegen, alwaar ik, terwijl ik hem wagtende was, zou uitrusten; na verloop van drie uuren, kwam hij zeer verheugd mij wakker maaken, hij had de prins Amoulamoula en zijne geheele horde gevonden; de een en den ander verzogten mij aanhoudend van de plaats waar ik mij bevond niet te verlaaten, voor den volgenden morgen, dewijl zij mij gezamentlijk wilden te gemoet komen. Ik was deswegens zeer wel te vreden, nadien ik daar door een goede nagt maakte.
1788. April Den 9.
Bezoek en geschenk, het welk ik van den Prins Amoulamoula ontfang.
Bij het aanbreeken van den dag zag ik deeze nieuwsgierigen verschijnen; het opperhoofd naderde mij het eerst, om zijne plichtpleeging op de Koriaksche wijs afteleggen, het geen hij, met een fraaije rood en zwartachtige vos, of séva-douschka tot een geschenk verzelde, welke hij onder zijn parque van daan haalde, en mij drong het zelve aanteneemen[142].
Uit erkentenis voor deeze beleeftheid, onthaalde ik de geevers op brandewijn en tabak, waar van ik mij rijkelijk te Ingiga voorzien had, en na dat ik hen had betuigd, hoe gevoelig ik voor hun verplichtend onthaal was, nam ik van hen afscheid, voorzien van alle de noodige onderrichtingen, welken wij verlangen konden om onzen weg wel te bestieren.
Hoe zeer de sneeuw zeer dik lag, en geene vastheid had, zo liepen echter onze rendieren met een verwonderenswaardig gemak en snelheid voort, zij hebben dit boven de honden vooruit, dat derzelver voeten meer oppervlakte beslaande, minder inzakken; men behoeft deeze met geene raketten voor uit te loopen om hen den weg te baanen; dog de honden worden niet zo spoedig moei, en bij gevolg bevrijden die de reizigers van de onaangenaamheid, van om de twee of drie uuren te moeten ophouden.
Onder weg, schoot ik verscheide patrijzen, uit de menigte die wij ’er van zagen is het optemaaken, dat ze zich in deeze streeken komen verlustigen; eenige wilde rendieren namen op onze aankomst de vlugt en lieten mij naauwelijks den tijd om ze te kunnen beschouwen, gelukkig dat ik door den overvloed van mijnen voorraad niet in verzoeking geraakte om dezelve te schieten.
Aankomst bij den Broeder van Oumiavin.
Op den middag konden wij reeds de Stoudé Naïa-reka onderscheidentlijk zien, en ten één uur waaren wij die overgetrokken, of liever wij bevonden ons bij den broeder van Oumiavin, bij wien Eviava aangenomen had, mij te zullen overbrengen.
Mijn nieuwe Gastheer kwam mij aan het hoofd van zijn gezin te gemoet; hun genoegen over mijne aankomst blonk hen ten oogen uit, ieder beieverde zich het zeerst om mij te naderen; de aanspraak van den ouden vorst was kort, dog hartelijk en vervuld van die genegenheid welke hij mij reeds betoond had; hij verzogt mij, om van hem en alle de zijnen te willen gebruik maaken alle hunne bezittingen waaren tot mijn dienst, ieder bevlijtigde zich als toen om mijne sleeden en andere zaaken onder dak te brengen, ik had alleen maar aan mijne brieven te denken, en om deeze zelfs te kunnen draagen, moest ik hen uitleggen dat ik dit kistje nooit verliet.
In de yourte getreden, betaalde ik de postkosten aan den prins Eviava. Ik had twaalf sleeden ieder met twee rendieren bespannen; de weg dien wij afgelegd hadden beliep honderd vijf en tagtig wersten, dus was ik voor mijne vier en twintig rendieren, zeven roubels en veertig Kopecks verschuldigt[143]; wanneer mijn goeden leidsman deeze som ontfing verbaasde hij zich over mijne edelmoedigheid; wat ik ook deed om hem te betoogen, dat het als geen gift kon aangemerkt worden, het geen ik hem wettig schuldig was, het was onmogelijk om hem mijne berekening te doen bevatten; zijn oude deun bleef altoos dat hij nimmer een zo braaf man aangetroffen had: hem te betaalen om dat hij mij had verplicht, scheen in zijne oogen een daad van verhevene deugd; uit zo veele lofspraaken, zou men de Russen kunnen verdenken, van meerdere bezuiniging in het werk te stellen; men meent in der daad, dat hunne reizen door deeze streeken niet zeer kostbaar zijn.
Wij hielden ons vervolgens met ons middagmaal bezig, het geen aller vrolijkst was, Eviava en mijn gastheer aten met mij, de brandewijn wierd niet gespaard, en mijne verrukte gasten herinnerden zich niet, ooit zulk een goeden cier gemaakt te hebben.
Bijzonderheden wegens mijne gastheer.
Het overige van den dag hield ik mij bezig om alles wat mij omringde natespooren en te ondervraagen, dog de leezer zal mogelijk begeerig zijn, meer bijzonder de braave Koriak te leeren kennen, die mij met zo veel beleefdheids ontfing.
Hij is ook Oumiavin genaamd, en in zijne kindsheid onder de naam van Siméon gedoopt, waar door hij van zijn broeder onderscheiden word, hij erkende in de beste trouw dat hij geen het minste denkbeeld had van de Christelijke Godsdienst; men had zo weinig zorg gedraagen om de jong bekeerde te onderwijzen, dat hij in het minste geen bewustheid had van zijne verplichtingen, nog van de eenvoudigste leerstukken der Evangelische wet; overgegeeven aan het onzinnig mengsel der dwaalingen van zijn land, en van eenige uitwendige gebruiken van het Christendom, waar van hij zich een gewoonte gemaakt had[144], vond hij gelukkig in zijn hart de grondbeginzels van eene natuurlijke zedeleer, die alleen zijne daaden bestiert.
Even als alle de Koriaken, is hij klein van persoon en bruin van couleur; op zijn aangezicht vertoont zich zijne ziel, een klaarblijkelijke openhartigheid en goedaartigheid, die het geheel van zijne gestalte oplevert, doet een gunstig vermoeden van hem opvatten, en, zijn sneeuw wit hoofdhair, als mede de gelijkmaatigheid van zijne wezenstrekken verschaffen hem een waarlijk verheven aanzien; hij is aan de regter arm verminkt, door de gevolgen van een zeer gevaarlijk gevegt het geen hij tegens een beer gevoerd had; de schrik had zijne medemakkers van den anderen verspreid, alleen bood hij aan het dier tegenstand, en hoezeer hij maar van een mes voorzien was, gelukte het hem eindelijk van het zelve ter neer te werpen en te dooden; de jagt is zijn grootste vermaak, niet minder behendig dan stoutmoedig, word hij ook voor een zeer gelukkig jager gehouden.
Ontwerp van Siméon Oumiavin.
Dog het was boven al door zijne krachtige geestvermoogen dat hij mij veel achtingswaardiger en belangrijker voorkwam; het ontwerp dat hij gevormd had, en waar van het te bejammeren is dat men de uitvoering belet heeft, kon niet anders dan uit wel geordende harssens voortkomen, ten minsten duid het veel gezond verstand aan, en meer opmerkzaamheid als men wel bij zijne landsgenooten zou verwachten, ziet hier wat daar toe aanleiding gaf.
Zedert lang viel het, dit onbuigzaame en jaloursche volk omtrent hunne vrijheid, moeijelijk om zich aan het denkbeeld te gewennen van schatting-schuldigen van Rusland te weezen; het gestrenge bestier der bevelhebbers wierd door deeze wilden voor een dwingelandsch misbruik van magt gehouden; en inderdaad, onder het getal der mindere officieren, waaren ’er zonder twijffel veelen die zich geweldenarijen veroorloofden omtrent de nieuwe onderdaanen van het Russische rijk.
Siméon Oumiavin was de eerste, welke door deeze knevelarijen tot den opstand verwekt wierd; nog meer verbitterd door de hardvogtigheid der afperssers, dan wel over hunne plunderingen, was hij bij zich zelfs overreed dat een zodanig gedrag niet door eene Souveraine kon goedgekeurd worden, welkers goedheid en rechtvaardigheid men niet ophield te roemen, deeze schrandere aanmerking maakte op zijn geest de grootste indruk, en deed zijne natuurlijke kloekmoedigheid ontwaaken; dadelijk eenige diergelijke slachtoffers, die even als hij van de onrechtvaardigheid deezer kleine dwingelanden veel te lijden hadden verzamelt hebbende, deelde hij hen zijne overleggingen, en zijn voorneemen mede.
„Mijne broeders! zeide hij tot hen, gevoelt gij het gewicht uwer ketenen? Zijn wij gebooren om die te draagen, om den prooij van deeze gierige bewindvoerders te zijn, wier begeerlijkheid, onder het dagelijks misbruik van hun gezag, ons beschouwd als een goed het geen zij na hun welgevallen kunnen verteeren en gebruiken? wat hindert ons om ons van dien geessel te verlossen? het is niet door de wapenen dat wij zulks moeten beproeven; de onzen zouden onvoldoende zijn, en onze vijanden zouden des te gedugter uit hunne assche te voorschijn komen, dog laaten wij onderneemen de onmeetelijke ruimte der landen doortetrekken, welke zij hebben weeten te doorloopen om tot ons te komen; laaten wij onze klagten doen hooren tot in het verblijf van onze Keizerin; het is onder haar naam en niet op haar bevel dat men ons knevelt, dat men ons berooft; zo veele kwaade behandelingen, zo veele schelmerijen worden door de wijsheid van haare regeering geloogenstraft; haare onwaardige bewindslieden zijn de eerste om de zagtheid daar van te verkondigen; spoeden wij ons aan haare voeten te werpen en onze klagten voortestellen; zij is onzer aller moeder, zij zal aan het geschrei van een gedeelte haarer onderdaanen gehoor geeven, die zij niet anders kan kennen en beoordeelen dan uit de leugenachtige verhaalen van haare afgezanten”.
Deeze redevoering, die ik hier zodanig mededeel als mij dezelve ten naasten bij door Oumiavin opgegeeven is, bezielde alle de gemoederen met gelijke verontwaardiging en iever. Ieder wilde om het zeerst naar Petersburg, de vermogendste en de stoutmoedigste verkreegen de voorkeur; het vrij wel spreeken van de Russische taal verwierf den ontwerper van dit denkbeeld, de eer om aan het hoofd van de bezending geplaatst te worden, welke van een meenigte kostbaare zaaken tot geschenken voorzien wierd; te Okotsk gekomen, hadden onze reizigers onderstand noodig, zij vervoegden zich aan den bevelhebber, hem verzoekende van hun de noodwendigheden te verschaffen, om ten minsten tot Irkoutsk te kunnen geraaken: dan deeze had kennis van hun besluit gekreegen, hij voorzag het gevaar daar van, en nam maatregelen om derzelver togt tegen te gaan. Onder het spitsvondig voorwendzel van dadelijk de goedkeuring van het generaal gouvernement te zullen vraagen, hield hij hen geduurende eenige maanden bij zich. In dien tusschentijd deed hij alle de raderen der verleiding speelen; redeneeringen, vleijerij, alles wierd in het werk gesteld om hen van derzelver reis te doen afzien; dog ook alles was vrugteloos, zij bleeven onverzettelijk; als toen nam men toevlucht tot geweld, duizend strikken wierden hen gespannen; door de vervolging, de opkooping (monopole) wist men hun onaangenaamheden te berokkenen; en om hun voor dit alles te straffen, noodzaakte men hen eindelijk om wanhoopend en schaamrood te rug te keeren over de opoffering en het verlies van het grootste gedeelte hunner goederen en rendieren.
De treurige ondervinding hier van deed het opperhoofd van het Koriaksche bondgenootschap den moed niet verliezen. In zijne oogen was dit een nieuw bewijs voor de noodzaaklijkheid van zijn voorneemen, en van deszelfs uitvoering; zedert hield hij zich daar altoos mêe bezig, in de hoop, dat eenmaal de omstandigheden hem gunstiger zouden weezen; wanneer ik bij hem kwam, brande zijn hart nog van verlangen om die reis te onderneemen; „Ja, zeide hij tot mij, ik zou niettegenstaande mijne hooge jaaren op het oogenblik vertrekken; mijn oogmerk zou niet meer het zelfde zijn, en zeker zou ik diergelijke hindernissen niet meer te vreezen hebben, want alle onze bevelhebbers verdienen tegenswoordig ons vertrouwen en onze lofspraaken, mijne begeerte zou, daar heenen strekken om onze souveraine te zien, somtijds, voegde hij ’er bij, zoek ik mij een denkbeeld te vormen van haar prachtig verblijf, van den rijkdom en de verscheidenheid, die daar heerscht; dit vernieuwt mijne aandoeningen van haar niet te hebben kunnen beschouwen in het midden van haare grootheid en roemrijke regeering. Zij zou ons eene godheid toegescheenen hebben, en het getrouw verslag, dat ieder van ons des wegens aan zijne landgenooten had kunnen mededeelen, zou in alle de harten den eerbied en de onderwerping hebben ingeprent; veel meer geketend door de liefde, als weleer door de vrees, is ’er niemand onder ons, die niet met blijdschap de schattingen, met gematigdheid opgelegd, zou willen voldoen; wij hadden onze nabuuren geleerd om haare regeering te beminnen, wanneer wij hen getuigen gemaakt hadden van ons geluk en van onze dankbaarheid.”
Bijna alle mijne gesprekken met deezen welmeenenden Koriak, waaren van dien aart: ik heb gemeent dezelve hier te moeten afschrijven; om de afbeelding van zijne hoedanigheden geheel te schetzen; dat het mij nu geoorloofd zij van ’er nog eenen trek bij te voegen.
Edelmoedige trek van deezen Koriakschen Prins.
De verbaazende kosten, welke hij gemaakt had, scheenen zijn geheelen ondergang na zich te zullen sleepen; hij had lang werk om zijne kudde weder aantevullen, welke, in zijne afweezendheid, uit gebrek aan oppassing en door de ongetrouwheid der wachters, versmolten was; het was in dit oogenblik, dat hij zich noch edelmoediger betoonde. Eenige maanden te vooren had een zijner naastbestaanden alle zijne rendieren verlooren, en zag zich tot de dienstbaarheid gebragt. Siméon Oumiavin kwam ter zijner hulp, en leende hem zonder intrest eene kleine kudde. Bij zijne terugkomst van deszelfs mislukte zending, weigerde hij, niettegenstaande zijnen uitersten nood, dezelve te rug te neemen, dewijl hij die niet genoegzaam vermeerderd vond, om daar van een zeker getal aan zijnen schuldenaar, ingeval die zijn schuld afdeed, te laaten behouden.
Kudde van rendieren.
Dit is in der daad de eenigste rijkdom van dit zwervende volk; het opperhoofd van een horde bezit zelden minder dan twee of drie honderd rendieren; verscheiden hebben ’er drie à vier duizend; de kudde van Siméon Oumiavin kon als toen op agt a negen honderd beloopen, welkers gezicht mij het grootste vermaak verschafte.
Op de kruin van een berg, in de nabuurschap van de Stoudenaïa-reka, zag men die menigte van rendieren, dan eens bij den anderen, dan wederom verstrooid, zoekende de mos onder den sneeuw; zelden dwaalen ze af en altijd vind men ze zonder moeite wederom; des avonds van mijne aankomst zag ik deeze vertooning; men verzamelde ze, om er het getal, dat ik benoodigt had, uittekiezen; in minder dan een quartier uurs was zulks gedaan: op het geschreeuw der herders naderden de tamgemaakte rendieren; de jongen, en die geenen, welken vrij van of buiten den dienst waaren, liepen ter zijde weg; die, welken de sleeden voorttrekken, en de onhandelbaaren wierden in een kring gejaagd, en door middel van een strik, dien men dezelve met eene bijzondere behendigheid omwierp, bemagtigde men ze spoedig; de keus gedaan zijnde, wierden die voor mij geschikt waaren afgezondert, en indien men die niet vastgemaakt had, zouden zij zich spoedig bij de anderen gevoegd hebben.
Men spant de wijfjes gemeenlijk niet voor, deeze worden bewaard tot voortplanting van het geslacht. In den herfst worden ze gepaard, en in de lente werpen ze haare jongen; de jonge mannetjes, voor de sleeden geschikt, ondergaan de ontmanning ten naasten bij op dezelve wijze als de honden in Kamschatka.
Onder eene kudde, vind men altoos drie of vier rendieren tot de jagt aangelegt; de natuurlijke neiging (instinct) van dit dier is onbegrijpelijk; hij jaagt al weidende: ontmoet hij een wild rendier, dan bootst hij dikwils, zonder eenig teken van vreugde of verwondering te geeven, al graazende den gang en alle de gewoontens van het zelve na, dat somtijds zonder den strik te bemerken zich bij den ander vervoegt; welhaast ziet men ze te zaamen speelen, hunne hoornen vlegten zich door een, zij verlaaten elkander, keeren wederom, vlugten en vervolgen zich beurtelings; geduurende dit speelen weet het tamme rendier langzamerhand zijn prooij onder het bereik van het schot van den jager te brengen. Met een wel afgericht rendier heeft men het vermaak het beest levendig te vangen, het is genoeg om aan de hoornen van den eersten een strik vast te maaken, dien hij al speelende om de hoornen van zijn tegenpartij vastmaakt, hoe meer de een pogingen aanwend om ’er zich van te ontdoen, hoe vaster de strik toegaat, en de ander meer en meer na zich toetrekt, ten einde zijn meester tijd te geeven om ’er bij te komen: dikwils gebeurt het ook, dat het wilde rendier de list mistrouwt, en zich aan het gevaar door de vlugt onttrekt.
Wanneer een Koriak des morgens uit zijne yourte te voorschijn komt, ziet men zijne rendieren zich rondom hem verzamelen, ten einde hunnen drank te bekomen, die derzelver grootste lekkernij uitmaakt, dit is menschenpis, dien men zorgvuldig in potten of in korven verzamelt[145]. De geheele kudde werpt zich om het zeerst op deezen drank, die in een oogenblik verzwolgen is, hoe groot de portie ook zijn mag.
Geschenk van Oumiavin.
Siméon Oumiavin liet in mijn bijweezen een jong rendier dooden, zijnde het beste, dat hij bezat, men sneed het in stukken, om tot voorraad voor mij te kunnen dienen, en hij voegde ’er de helft van een wild rendier bij, waar van het vleesch mij nog sappiger voorkwam; hij gaf mij ook vier zeer fraaije rendieren vellen[146]. Wij keerden vervolgens naar zijne yourte, alwaar ik den nagt op mijn matras doorbragt, die ik in een hoek had doen uitspreiden.
Yourte van de zwervende Koriaken.
Hoe zeer de benaaming het zelfde is, heerscht er echter geene de minste gelijkheid tusschen de wooningen der zwervende Koriaken, en de onderaardsche verblijfplaatzen der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben; het schijnt, dat de Russen, niet weetende, hoe de verschillende legerplaatzen van deeze volkeren te benoemen, voor die allen maar den naam van yourte aangenomen hebben, zonder zich te bekommeren over deszelfs oorsprongelijke betekenis, namelijk, die van onderaardsch verblijf; de yourtes, waar van hier gesprooken word, zijn, om eigentlijk te spreeken, tenten, die in de gedaante van hutten op den grond geplaatst zijn. Om ’er de fondamenten van te stellen, doed men niets anders dan den omtrek op de sneeuw aftetekenen, die sneeuw, welke binnen de lijn gevonden word, werpt men naar buiten; vervolgens plaatst men op gelijke tusschenwijdte een groot aantal stokken, die zich van boven zamenvoegen, en de een aan den ander tot ondersteuning dienen; deeze boersche timmeragie word door een slegt dak van bereide rendieren vellen bedekt, het zelve bevat den geheelen buitensten omvang van de yourte, van deszelfs grondvesten af[147] tot op eenige voeten afstand van den top, die open blijft om van binnen lucht te geeven, en een doortogt aan den rook te laaten; hier spruit uit voort, dat men in het midden van de woonplaats aan den regen en sneeuw is blootgestelt, alwaar die zonder eenige tegenstand doordringt; echter plaatst men daar de haardstee, en de keuken; het gezin, en de knegts, die de kudden bewaaken, slaapen onder pologs, zijnde een soort van huisjes of zeer laage tenten, bij verdeelingen rondom en tegens het behangzel van de yourte gerangschikt; deeze pologs zijn even als de vierkante tentjes der Tchouktchis.
Men kan aan de ongestadigheid van dit zwervende volk de uitvinding hunner wooningen toeschrijven; de overbrenging van het huis zeer gemaklijk zijnde, kost het hun weinig moeite om te besluiten van eene andere streek te gaan bewoonen. Bij de eerste behoefte of de minste verdrietelijkheid word de tent opgenomen; men maakt de stokken langs de sleeden vast, op dewelke de bekleedzels met het reisgoed ingepakt word. Wanneer de nieuwe grond uitgekoozen is[148], zet men zich daar zodanig neder, dat men ieder oogenblik wederom opbreeken kan: men laat dienvolgens bij de wooningen de gelaaden sleeden staan; en de goederen worden niet ontpakt, dan naar maate men dezelve benoodigt heeft.
1788. April Den 10.
Vertrek.
Wanneer ik bij Siméon Oumiavin aankwam, vond ik daar twaalf sleeden tot mijne vervoering geschikt; het eerste, dat die prins deed, was mij te verzekeren, dat hij mijn leidsman zou zijn, en dat hij mij, indien het noodig waare, tot aan Yamsk zou vergezellen. Ik was over dit verplichtend aanbod zeer te vreden, en den 10. namen wij des morgens ten agt uuren de reis aan; des middags trokken wij de Tavatoma over, na dat wij reeds vijfentwintig wersten afgelegd hadden.
Warme bronnen van Tavatoma.
Begeerig om eene warme bron te zien, die Oumiavin mij in de nabuurschap aanwees, bond ik raketten aan, om te voet een klein bosch doortegaan, aan welkers zoom dezelve een beek vormt van zes voet breed, die in de Tavatoma valt. Ik scheide van mijn gevolg aan de bogt, welke die rivier ter deezer plaats beschrijft. Ik was met hen overeengekomen, dat zij geduurende dien tijd den hoogen berg, die ter onzer rechterhand lag, zouden overrijden, en daar, terwijl ze mij wachtende waaren, onze rendieren laaten weiden, en al het nodige tot het middagmaal gereed maaken; Ik, alleen van den Heer Kissélioff verzeld, moest twee wersten gaan om aan de bron te komen.
Deeze heeft het voorkomen, als of ze uit verscheide anderen bestaat, welken uit een berg ter slinkerzijde van de rivier hervoortkomen, en zich in derzelver val vereenigen. Een dikke rook verheft zich wolksgewijze boven dit water, dog het verspreid geen de minste kwaade lucht, de hette is zeer sterk, en de kooking onophoudelijk; het zelve heeft eenen onaangenaamen en bijtenden smaak, welke zwavel en zoutdeelen aanduid, mogelijk zou men door de ontbinding daar ook ijzer en koper in ontdekken, dit is zeker, dat de steenen, die ik langs de beek opraapte, allen van dien aart scheenen, als of ze door een vuurspuwenden berg uitgeworpen waaren; dog ik moet meede opgeeven het uitwerkzel, dat dit water op ons voortbragt. Ik had ’er maar even den mond mêe gespoelt, en ter zelver tijd waschte de Heer Kisséliof zich daar meede het aangezicht; een half uur daar na, wierd zijn vel opgezet, en mijn tong en gehemelte van het vel ontbloot: lang bleef mij het ongemak bij, dat ik niets heets, of dat van een sterken smaak was, kon gebruiken.
Mijne nieuwsgierigheid voldaan zijnde, begonden wij weer te denken om tot ons gevolg te rug te keeren; tot dat einde meenden wij een zeer steilen berg tegens over dien, waar deeze heete wateren ontspringen, te moeten overklimmen; dog verplicht zijnde van onze raketten aftedoen, die ons veel meer agter dan voorwaards deeden gaan, moesten wij denzelven op handen en voeten overklauteren; het drie vierde gedeelte van den berg beklommen hebbende, verzogt ik, overstelpt van vermoeijdheid, en daar en boven vreezende, dat ik mij in den weg bedroogen had, mijn reismakker, die meerder dan ik geoeffend was om dus over de sneeuw voort te kruipen, dat hij zou tragten den top te bereiken, van waar ik hoopte, dat hij onze sleeden zou ontdekken; hij slaagde daar in, en na een uur wagtens en ongerustheids, zag ik den goeden Oumiavin verschijnen, die mij een slêe bragt; wij waaren volgens zijn zeggen waarlijk verdwaald, en Kisséliof had meer dan tien maalen gedagt te zullen bezwijken, voor dat hij onze kleine legerplaats vond; men begaf zich bij mijne aankomst wederom op weg en wij hielden niet dan zeer laat stil, wanneer wij meer dan vijfentwintig wersten van de heete bronnen van Tavatoma afwaren.
1788. April Den 11.
Wij meenden den 11. tot aan de keten van bergen te komen, die Villéguinskoikhrébent genaamd word, dog dit was onmogelijk; bij het eindigen van den dag begonden wij ze eerst te ontdekken; wij wilden ze ten minsten zo digt naderen, om zeker te zijn van ze den volgenden morgen te kunnen overtrekken.
1788. April Den 12.
Bergen van Villegui.
Een ieder onzer dagt er nabij te zijn, echter waaren wij ’er nog agt wersten van af, na deezen togt gedaan te hebben, moesten wij de kleine rivier[149] die langs den voet van die bergen slingert, overrijden, vervolgens kwamen wij aan den Villégui, den hoogsten van allen, en die aan den zelven keten den naam geeft. Op het eerste gezicht schijnt hij ongenaakbaar. Eene naauwe engte vertoonde zich aan ons, en wij ondernaamen het om hem te beklimmen op het goed vertrouwen, dat wij in onzen princelijken geleider stelden; vier uuren waaren naauwlijks voldoende om op den top te geraaken; daar verloor ik den moed, wanneer ik zijne verbaazende hoogte in aanschouw nam; dat men zich inderdaad eenen ontzagchelijken klomp voorstelle, die ten minsten honderd toises of vijftig roeden bijna lijnregte hoogte heeft, omzoomt met rotsen en steenen, waar op de sneeuw niet is kunnen blijven leggen, maar door de orcaanen weggevoerd is; het weinige, dat ’er op is gebleeven, maakt den weg zo glibberig, dat ieder oogenblik onze rendieren neervielen; niettegenstaande onze pogingen om de sleeden te ondersteunen veroorzaakte de steilte, dat deeze telkens agter uit raakten, het geen ons ook geduurig deed terug deinzen, uit vrees, dat ze op ons mogten vallen, het was met ons gedaan geweest indien de voet gemist had; menigmaal wierd ik gewaar, dat, wanneer ik mij aan een rots hield, die ik meende vast te zijn, dezelve mij onder de hand begaf en als dan verloor ik het evenwicht. Zonder de hulp van Oumiavin en van mijne soldaaten, die naast mij opklommen, en welken mij ter juister tijd tegenhielden, zou ik ongetwijffelt ter neergestort hebben; wanneer ik om hoog was, kon ik niet zonder afgrijzen den weg beschouwen, dien ik gekomen was, het gezicht van het gevaar, het geen ik geloopen had, veroorzaakte mij eene zodanige beklemdheid, dat ik genoodzaakt was mij neer te zetten.
Het was ’er verre af, dat ik mij behouden rekende, ik moest wederom afklimmen; mijn ieverige Koriak beduide mij zeer naauwkeurig tot mijne geruststelling, hoe ik zulks onderneemen moest, zijn onderricht benam mij wel de vrees voor ongelukken, dog echter niet alle ongerustheid: ik had een gedeelte van mijn reisgoed onder aan den voet van den berg laaten staan; wie zal het zelve durven gaan haalen, zeide ik tot mij zelfs? de moedige Oumiavin belaste zich daar mede, en vertrok aanstonds met eenige manschap.
Een hevige dorst verslond mij: de kruin van den berg was wel met sneeuw bedekt, dog hoe zou men dezelve doen smelten! geen heester zagen wij om ons heen; de hoop van ’er in de laagte te zullen vinden deed mij besluiten om mijn geleider niet aftewachten, maar van zijne raadgeevingen in het klimmen gebruik te maaken; wij begonnen met onze rendieren uittespannen; zij wierden agter de sleeden vastgemaakt, op ieder van welken zich twee menschen plaatsten; wij lieten ons vervolgens afglijden, even als de inwoonders van Petersburg, die zich op die wijs in de Carneval met ysbergen vermaaken, welken zij op de Néva vervaardigen; met behulp van onze stokken hielden wij het rijtuig tegen, en bestierden het zelve; in minder dan agt of tien minuuten waaren wij om laag; gelukkig wierd ik eenige kleine cederboomen gewaar, welhaast hadden wij vuur, en ik kon mij verfrisschen; het was als toen twee uuren in den namiddag, ten zeven uuren waaren wij allen weer bij den anderen. Oumiavin kwam onbeschadigd bij ons, dog zo vermoeid, dat wij niet langer dan tot negen uuren konden voortreizen.
1788. April Den 13.
De volgende dag was minder moeijelijk voor ons, dan wel voor onze rendieren; de sneeuw lag meer dan drie voet dik, en zo los, dat de dieren tot den hals daar inzonken; verscheiden weigerden volstrekt dienst te doen, wij moesten ze op de weg agter laaten; dit is ook een ongemak in het reizen met rendieren, wanneer men een grooten togt agter den anderen wil afleggen; men mag ze spaaren zo veel men wil, zo dra ze moede worden, is men genoodzaakt op te houden of ze agter te laaten, als dan is het niet meer mogelijk om ze van de plaats te doen gaan.
Den 14.
Ik hoopte den 14. des morgens te Toumané te weezen; wij hadden niet meer dan tien wersten afteleggen, wanneer een hevige wind ons overviel, en ons sneeuwvlaagen aanbragt, die ons geheel verblinden; genoodzaakt om onzen togt langzaamer interichten, konden wij dit dorp niet bereiken dan des namiddags ten vier uuren.
Ostrog van Toumané.
Deszelfs ligging is ten zuidwesten van Ingiga, op den afstand van vierhonderd veertig wersten, in een klein boschje, dat door de rivier Toumane drie wersten van deszelfs mond gescheiden word. Drie yourtes, even zo veel houten magazijnen en een twaalftal balagans maaken dit Ostrog, en twaalf geslachten deszelfs bevolking uit; hoe zeer de rivier zeer vischrijk was[150], heb ik echter sommige inwoonders, het zij uit luijheid, het zij uit een bedorven smaak, zich met berken schors, in walvischtraan gedoopt, zien voeden.
1788. April Den 14. en 16.
Oumiavin is genoodzaakt mij te verlaaten.
Het slegte wêer hield den 15 en 16 aan, dog te vergeefs zou ik mij op weg hebben willen begeeven, onze rendieren waaren buiten staat, om mij verder te brengen. Oumiavin durfde mij zulks niet zeggen; uit zijne treurigheid ontdekte ik reeds, het geen hij voor mij verbergen wilde; op het eerste woord, het geen ik deswegens tot hem voerde, verzogt hij reeds verschooning, even als of ik recht had gehad mij over hem te beklaagen, om dat hij zich in de onmogelijkheid bevond, van mij volgens zijne belofte naar Yamsk te brengen. Ik had veel moeite om hem te doen begrijpen, dat ik van zijnen goeden wil volmaakt overtuigd, en hem dankbaarheid voor alle zijne beweezene diensten verschuldigt was, ik moest bijna boos worden, om hem eenige geschenken te doen aanneemen, welken ik bij de kosten van de post meende te moeten voegen.
1788. April Den 15. en 16.
Op zijn raad drong ik sterk bij de inwoonders aan, om mij alle de honden te bezorgen, die zij krijgen konden; dog de naauwkeurigste navorschingen verschaften mij ’er maar een gering aantal; en om die, welken ik noodig had, aantevullen, kon men geen ander hulpmiddel uitdenken dan de jongen en zelfs de wijfjes, die binnen kort werpen moesten voortespannen; de edelmoedigheid deezer lieden ging zo verre, dat ze een gedeelte van derzelver voorraad van gedroogden visch, die niet groot was, ten mijnen behoeven afstonden.
1788. April Den 17.
Vertrek van Toumane.
Des daags van den 17. ging de wind leggen, dog de lucht bleef met zwarte wolken belaaden, die niet veel goeds voorspelden; na dat ik echter van mijn getrouwen Siméon Oumiavin en van mijne vrienden te Toumané afscheid genomen had, vertrok ik des namiddags ten een uuren, verzeld van mijn geleide en al mijn reisgoed, op vijf open sleeden. Ieder voorspan was van agt a tien honden; ik nam een man te meer om mij voor koetzier te dienen, dewijl ik geen sterkte nog moeds genoeg bezat om ’er mij langer van te kunnen ontdoen; deeze vermoeijende oeffening had mij de krachten benomen.
Storm.
Het leed niet lang, of wij bereikten de zee, waar op wij ons begaven, ten einde zeven bergen te ontwijken, die den gewoonen weg ten uitersten moeijelijk maaken; naauwlijks hadden wij vijftien wersten gedeeltelijk over het ijs, gedeeltelijk langs den oever, afgelegt, alwaar wij tot ons geluk genoodzaakt wierden te rug te komen, dewijl de sneeuw op nieuw met een zo onstuimigen wind nederviel, dat dezelve onze sleeden deed waggelen en de honden te rug stiet. Mijne leidslieden waarschuwden mij spoedig van het gevaar, en uit vrees van te verdwaalen, waaren zij van oordeel, om daar digte bij een schuilplaats te zoeken in een verlaaten yourte, die hun bekend was.
Verlaaten yourte, die ons ter schuilplaats verstrekt.
Zij is gelegen aan eene kleine rivier genaamt Yovanna, twintig wersten van Toumané: wij kwamen daar verkleumd van de koude, en met sneeuw bedekt; ieder wilde om het eerst daar in nederklimmen, ten einde zich in veiligheid voor den wind te stellen, dog vier voet sneeuw bedekte deszelfs opening; wij plaatsten onze sleeden in reijen, vervolgens baanden wij ons een doortogt met onze raketten, bij gebrek van schoppen; deeze arbeid duurde een uur; wij hadden geen ladder om er inteklimmen; de stoutmoedigste waagde het om ’er in te springen, en de anderen volgden hem; wij vielen op een hoop geheel bevroozen zeewolven, en waar van sommigen half verscheurt waaren, ongetwijffelt door verslindende dieren, aan wien in het hevigste van den winter deeze onderaardsche wooning veelmaals ter schuilplaats zal gediend hebben. Eene ledere zegen, in een hoek gesmeeten, was het eenigste kenteeken, dat menschelijke weezens dit hol bezogt hadden. Het is waarschijnlijk, dat eenige Koriaken uit de omleggende streeken daar van hun voorraadschuur gemaakt hebben; de wanden waaren behangen met ijsschotzen, die in krisstallijnen droppen afhingen; en waarlijk ik kon deeze wooning niet beter dan bij een ruime ijskelder vergelijken; ze is vierkant, en heeft vijf voet diepte op tien voet breedte.
Terwijl wij bezig waaren om de zeewolven ter zijde te plaatzen, ten einde meer ruimte te hebben om ons te kunnen nederleggen, maakten mijne geleiders onze honden vast[151] en gaven hun derzelver rantsoen van gedroogden visch; terzelver tijd ontstak men het vuur, om ons te warmen en om onzen avondmaaltijd gereed te kunnen maaken; daar na lag ik mij op het lederen net, het welk wij in de yourte gevonden hadden: een zeewolf diende mij tot een hoofdkussen; mijne medgezellen volgden mijn voorbeeld na, en behalven de onaangenaamheid van een weinig digt bij den anderen te leggen, bragten wij eenen zeer goeden nagt door, wij hadden aan de Koriaken van mijn gevolg een geheelen hoek ingeruimd, dog zij lagen de een op den ander, en konden zich zelfs niet uitstrekken; echter beklaagde zich geen van hun deswegens, nog scheen ’er zelfs eenige aandagt op te vestigen. Ik zag hen even als de aapen neerhuiken, het hoofd in hun parque winden, vervolgens met de elleboogen op de knie-ën leunende, zo rustig inslaapen, als of zij wel op hun gemak geplaatst waaren geweest.
1788. April Den 18.
Den volgenden dag veranderde de wind, dog even geweldig als die van daags te vooren, was hij ons nog hinderlijker; hij joeg den rook weer in de schoorsteen, zo dat wij ’er bijna van verstikten en blind wierden. Toen beslooten wij, dat men geen vuur zou aansteeken dan tegens eetenstijd.
Ik wilde beproeven, of ik dit ongemak niet door eenige schikkingen van buiten kon verhelpen; wanneer ik buiten kwam, dagt ik door den wind omver gesmeeten te zullen worden. De Heer Kisséliof, die mij volgde, raakte zijn muts kwijt, hij wilde die met eenigen van onze leidslieden naloopen, dog te vergeefs! wanneer hij zich maar vijftien passen van onze schuilplaats verwijderd had, verloor hij die reeds uit het gezicht, zonder te weeten, naar welken kant zich te wenden, om die wederom te vinden, het was alleen door het beantwoorden van zijn geroep, dat wij hem den weg konden aanwijzen.
Door veel arbeids verkreegen wij eindelijk een genoegzaam verheven wal tegens den wind, ten einde een vrijen doortogt aan den rook te geeven: van toen af hadden wij dag en nagt vuur, dog niettegenstaande onze oplettenheid van het aan den gang te houden, waaren wij dikwils geheel van de koude bevangen; de vogtigheid was niet minder onverdraagelijk als de koude; het gestadige vuur deed de stukken ijs, welken ons omringden, ongevoelig smelten; boven ons vormden zich duizenden van gooten, het water stroomde onder onze voeten, en tot overmaat van ongeneugte begonden de zeewolven te ontdooijen en van zich een bedorven lucht te verspreiden. Die, welke uit onze ligchamen uitwaassemde[152], was meer dan genoeg om van onze schuilplaats een wezentlijken afgrond te maaken; daar het onmogelijk was de lucht te zuiveren, zogten wij ten minsten ons van onze buuren, de zeewolven te ontdoen; mijne leidslieden waaren de eerste in voortestellen, van daar mede zo lang onze honden te voeden, als wij genoodzaakt waaren in deeze schrikkelijke spelonk te blijven. Ik gaf daar aan des te gereeder mijne toestemming, uit hoofde dat ik door mijnen weinigen voorraad van gedroogden visch met dezelve spaarzaam te werk moest gaan; door mij dien, welke het goed geluk ons aanbood, toeteeigenen, benadeelde ik ongetwijffeld eenige ongelukkige bewoonders van deeze kusten; dog wanneer men tot het uiterste gebragt is, is de eigenliefde somtijds geoorlooft.
Den 19.
Onverduldig om onze reis te vervolgen, zond ik mijne Koriaken naar buiten om te zien, hoe het wêer was; na verloop van twee minuuten zag ik ze half bevroozen nederwaarts komen; derzelver kleederen en mutsen waaren als ééne sneeuw, de koude had hen zodanig bevangen, dat zij de tanden niet van elkander konden krijgen. De slegte staat, waarin zij zich bevonden, scheen invloed op hun bericht te hebben; dog onder al derzelver verhaalen trof mij dit het meeste, dat sommige rotsen, eenige treden van onze yourte afgelegen, van waar men ze daags te vooren nog ontdekken kon, geheel onzichtbaar geworden waaren.
1788. April Den 20.
Het wêer schijnende te bedaaren, en het sneeuwen optehouden, gaf ik de noodige bevelen tot ons vertrek; reeds waaren onze honden voorgespannen, en wij buiten de yourte gehijst, wanneer een schrikkelijke storm alle onze genomen maatregels in wanorder bragt; de sneeuwvlaagen begonnen op nieuw, wij moesten spoedig naar binnen gaan, ons gelukkig achtende, dat wij wederom een schuilplaats konden vinden. Een oogenblik daar na bevond ik mij gantsch niet wel. Het is mij onbewust, of dit een uitwerkzel was van den schielijken overgang der koude in de warmte, of van de walgende uitwaassemingen, die ik inademde, wanneer ik mij op nieuw in dien afgrond wierp, dan wel, van den spijt, welke mij door zo veel tegenspoeds veroorzaakt wierd; dit is zeker, dat ik meer dan een quartier uurs buiten kennis was. Ik ondervond bij deeze gelegenheid den iever van mijne soldaaten, terwijl de een op mij een vloed water neerstorte, wreef de ander mij intusschen zo hevig met sneeuwvlokken, dat ik geloof, dat hij mij het vel zou hebben weggevreeven, om mij maar weer te doen bijkomen.
Bijzonderheden nopens het plan mijner reis.
Mijne overdenkingen waaren na deeze flaauwte even zo treurig, als de omstandigheden, waar in ik mij bevond; ik beschouwde het plan van mijne reis door zo veele hinderpaalen en genoodzaakte rustdagen geheel omvergeworpen. Ik vreesde, dat ik mij niet voor het losraaken der rivieren naar Okotsk zoude kunnen begeeven; echter was dit onvermijdelijk, indien ik van den nog overigen tijd, die tot de sleedevaart geschikt was, wilde gebruik maaken, om tot de plaats te komen, genaamd het kruis van Yndoma of Yndomskoikrest. Van daar tot aan Yakoutsk was het zeker, dat ik door den omweg, dien ik mij voorgestelt had, over de rivieren Yndoma, de Maija en Aldann[153] te neemen, de verhinderingen, door den dooij veroorzaakt, zou ontsnappen, welke de wegen zelfs voor de paarden onbruikbaar maakt; dog in mijne bereekening moest ik geen oogenblik verliezen; een onvoorziene hindernis van éénen dag kon ’er mij een van meer dan twee maanden berokkenen; men moet zich in mijne plaats stellen, om te kunnen beoordeelen, hoe weinig bemoedigend dit vooruitzicht was; ik kan betuigen, dat de dreigende gevaaren mij veel minder verbaasden.
1788. April Den 21.
Eindelijk wierd het den 21. mogelijk om ons op reis te begeeven: de lucht was geduurig bezet, de nevel zeer dik, dog de wind gaan leggen, het geen ons deed besluiten om te vertrekken, niettegenstaande het vooruitzicht op een nieuwen orcaan, die ons in eene vreesselijke verlegendheid zou gebragt hebben, want wij konden voor onze aankomst te Yamsk op geen schuilplaats hoopen; wij keerden naar de zee, op welke wij ten naasten bij twee wersten van de kust aanhoudend voortreisden; wij meenden het echter best te weezen, om tegens den avond weder naar den oever te keeren, ten einde aldaar stil te houden; het ijs was zeer effen, en de plaatzing van ons kleine leger aan geene zwaarigheden onderhevig.
Den 22.
Het wierd vroeg opgebrooken, en om de bogten van den oever te vermijden, begaven wij ons weer op de ruimte; daags te vooren hadden wij eenige baaijen gezien, dog in verre na zo groot niet, als die, welke wij deezen dag in den agtermiddag overreeden; wanneer wij ’er vlak voor waaren, ontstond ’er ongelukkig een storm, die mij geene waarneemingen hoegenaamd toeliet.
Baaij Iret.
Ik vernam van mijne leidslieden, dat deeze baaij den naam van de rivier Iret draagt, welke daar invalt; dat dezelve bijna geheel geslooten is en des zomers bij een laage zee droog loopt, de watervogels worden ’er in dat jaarsaisoen bij meenigte gevonden; men komt van Yamsk en deszelfs nabuurschap die, wanneer ze in het ruijen zijn, met netten vangen of met stokken doodslaan; de ondiepte van deeze baaij, die overal waadbaar is, moet de onderneemingen der jagers begunstigen.
Bij het vallen van den avond trokken wij wederom naar den oever, en wij sloegen ons in een schoon mastbosch nabij de rivier Iret ter neder.
1788. April Den 23.
Aankomst te Yamsk.
Deeze dag leverde niets bijzonders op; de wind overviel ons vrij geweldig in het midden van eene vlakte, die omtrent vijf en twintig wersten uitgestrektheids heeft. Ik nam nogmaals toevlucht tot mijn kompas, en wij hadden nog geen vijftien wersten afgelegt, of de lucht klaarde geheel op; wij ontmoeteden op deeze hoogte een sergeant van Okotsk afgezonden; een weinig verder vertoonde de rivier Yamsk omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering zich aan ons oog; zijn loop volgende, ontdekten wij ter regterhand een visschers wooning, die zich daar alleen des zomers verzamelen. Ik trok nog zes wersten over het ijs, en vervolgens kwam ik in dit Ostrog, het geen meer dan honderd vijftig wersten van Toumané afgelegen is; dewijl het mij aan beschuit begon te ontbreeken, was ik niet alleen genoodzaakt daar te slaapen, maar ’er zelfs een gedeelte van den volgenden dag te blijven, om mijnen voorraad te vernieuwen.
De Sergeant, die aldaar het bevel voert over de bezetting, uit twintig man bestaande, ontfing mij zeer beleefd; op de aanbeveeling van den Heer Commandant te Ingiga beieverde hij zich, om alles wat ik noodig had, voor mij gereed te doen maaken, en hij gaf mij alle onderrichting, die ik maar verlangde.
1788. April Den 24.
Beschrijving van dit Ostrog.
Het Ostrog of het fort Yamsk is op den oever van de rivier van denzelfden naam, omtrent tien wersten van deszelfs mond gelegen, alwaar ze een baaij vormt, die van uitmuntende ankerplaatsen schijnt voorzien te weezen, dog verscheiden zeer uitsteekende kaapen en eene groote meenigte van klippen, waar mede deszelfs inkomen, om zo te spreeken, als omzoomt is, maaken deeze des te gevaarlijker, naar maate van den engen doortogt, en noodzaakt de scheepen een geruimen tijd te laveeren, of een gunstigen wind aftewachten om dezelve doortevaaren, want men verzekert, dat die vaartuigen moeijelijk bij den wind zeilen. Uit dit alles is optemaaken, dat, indien die oord van meer belang was en meer bezogt wierd, er ook gewis het schipbreuk lijden meer gemeen zou weezen[154].
Men telt te Yamsk vijf en twintig houten huizen, waar van een gedeelte ter plaatze, waar ook de kerk gevonden word[155], met eene vierkante palissadeering omgeeven is, op dezelfde wijs als die te Ingiga, dog van eene mindere hoogte en dikte; de bevolking bestaat in twintig geslachten, die ten naasten bij even als de Russen leeven.
Wijze waar op de Inwoonders het zout maaken.
Zij hebben een manier om zout te maaken, welke mij niet bekend is; al het hout, dat de zee somtijds op den oever werpt, word met de grootste zorgvuldigheid opgezameld; zo dra het droog is, verbrand men het zelve, vervolgens kookt men de assche, en het overblijvende bezinkzel is een zeer wit zout.
Kleeding der zwervende Tongousen.
Twee dagen voor mijn aankomst te Yamsk was van daar eene horde van zwervende Tongousen vertrokken; om mij den spijt te vergoeden, dat ik ze niet had kunnen zien, toonde men mij derzelver plechtgewaaden, zo wel van de mannen als vrouwen; zij draagen geen hemden, dog een soort van borstlap, die van agteren vastgemaakt word, en tot op de knieën als een voorschoot afhangt; deeze is met rendieren hair geborduurd, en met glaskoraalen van verschillende couleuren vercierd: men behangt dezelve van onderen met yzeren en koperen plaaten en een groot aantal schelletjes. Onder dit voorschoot hebben zij een vellen broek of hansop, en lange geborduurde laarzen van rendieren vel, waarvan het hair naar buiten gekeerd is, dienen hen tot een schoeizel; een lang kamizool bedekt de schouders, aan het einde der mouwen worden handschoenen vastgehegt, welken onder het gewrigt der hand open zijn, ten einde er dezelve door te kunnen steeken; dit kamisool, dat zeer naauw op de borst en aan het lijf is, eindigt bijna op de helft der deijen, en is op dezelfde wijs met borduursel en glaskoraalen vercierd; onder de ribben begind een staart van twee voet lang, dog die niet zeer dik is en agterwaards afhangt, ze is van geverwd zee-wolven hair; derzelver hulsel is een kleine ronde muts, waar van de wangen de ooren bedekken; de geheele kleeding bestaat uit jonge rendieren vellen, met randen van een sabel marter, bever, of diergelijke kostbaare pelterijen voorzien.
De kleeding der vrouwen is ten naasten bij dezelfde, alleen is ’er geen staart nog handschoenen aan vast, en haare muts is op de kruin van het hoofd open; deeze opening is van omtrent twee duimen middellijns, waar door ongetwijffelt het hair heen gaat.
Zodanig zijn de plechtgewaaden van dit volk. In den winter hangen zij gevoerde en veel dikker kleederen om, dog zij gebruiken de voorzorg, om die bij het intreeden in de yourte afteleggen; de vrees van ze te bederven doet hen aanstonds de slegtste aantrekken, en bij de geringste behoefte ontkleeden zij zich geheel.
Op deezen dag begon de zon te schijnen, en den naderenden dooij aantekondigen; derhalven voorzag ik mij van walvischbeenen plaaten, om die onder de schaatzen van mijne sleeden in geval van noodzaaklijkheid vast te maaken; en volgens raad van de bewoonders, gegrond op de ondervinding der reizigers in dit saisoen, nam ik de partij van des nagts te reizen, ten einde over dag, wanneer de zon op zijn sterkst was, te kunnen uitrusten. Ik vertrok van Yamsk des avonds ten elf uuren; onze caravane bestond uit negen groote sleeden of nartas[156].
1788. April Den 25.
Berg, genaamt de Babouschka.
Bij het aanlichten van den dag bevonden wij ons aan den voet van eenen der hoogste bergen des lands, omtrent vijftig wersten van Yamsk. De Koriaken hebben aan denzelven den naam van Babouschka, of Grootmoeder gegeeven; zij verhaalen, dat op deszelfs kruin een oude tovenaarster begraven legt, die even zo vermaard als gevreest is; mijne leidslieden hielden staande, dat ’er in dit gedeelte van de waereld geen hooger berg gevonden word; dog derzelver bijgeloovige vrees had na mijne gedagten eenigen invloed op hun denkbeeld, want de Villégui scheen mij veel stilder te weezen, ten minsten had ik meer moeite om ze overtetrekken. Boven op de Babouschka gekomen, voorzagen mijne geleiders derzelver voeten van krammen in de gedaante van kleine drievoetjes, vervolgens maakten zij dwars onder de sleeden vrij groote stokken vast, om ze in het afdaalen tegentehouden; men had eigentlijk geen andere voorzorg behoeven te neemen dan de sleeden met den Oschtol of met yzer beslagenen stok te bestieren, ook kwamen wij zonder eenig toeval om laag; de bewoonders van dit land beschouwen echter deeze afdaaling als gevaarlijk, voor al wanneer de sneeuw zich in de oneffenheden opeenhoopt, welke daar worden gevonden, en die als dan zo veele onzichtbaare en bij gevolg onvermijdelijke klippen worden; ook ben ik niet vreemd van te gelooven, dat daar meenigmaal reizigers omkoomen.
Ziet daar volgens alle waarschijnlijkheid den oorsprong der vrees, welke deeze Babouschka aan de Koriaken inboezemd; door een natuurlijk gevolg van hun vooroordeel zijn zij zeer tot dankbaarheid geneigt, wanneer zij zich buiten gevaar zien; die, welke mijn gevolg uitmaakten, beieverden zich om derzelver offerhanden, te weeten tabaksbladeren, stukken visch, yzer &c. op de kruin van den berg agter te laaten, ter plaatze, alwaar zij voorgeeven, dat de tovenaarster rust; anderen hadden daar reeds voor hun oude yzeren krammen, messen, stukken van wapenen en pijlen agtergelaaten. Ik bespeurde daar onder anderen een werpspiets der Tchouktchis, met yvoor bezet, en ik ging derwaarts om ze weg te haalen, met voorneemen om dezelve te bewaaren, mijne geleiders dit ziende gaven een schreeuw, waardoor ik terug gehouden wierd; „Wat gaat gij beginnen, zeide een hunner tot mij? wilt gij ons doen omkomen? zulk een heiligschennis zou ons het grootste ongeluk berokkenen, en gij zoud uwe reis niet kunnen volbrengen”. Deeze redevoering zou mij over den beangstigden propheet hebben doen uitschateren van lagchen, indien ik de hulp van alle deeze luiden niet nodig had gehad; om mij dezelve verder waardig te maaken moest ik hunne dwaaling eerbiedigen, en ik hield eene houding, even of ik daar in deel nam; dog naauwlijks hadden zij zich omgekeerd, of ik nam deeze schrikverwekkende pijl weg om die tot een gedenkteeken van de dwaaze bijgeloovigheid deezer volkeren te bewaaren.
Ostrog van Srednoi.
Het eerste dorp, dat ik aantrof, was Srednoi; deszelfs ligging heeft iets schilderachtigs, aan den oever van de zee, en aan den ingang van eene diepe baaij, die zich tusschen het land verliest, terwijl ze het bed voor eene kleine rivier vormt, welkers water nooit brak is; de Koriaken, die daar woonen, onthaalden mij zeer vriendlijk; ik rustte eenige uuren uit in een der twee yourtes, die met verscheide magazijnen de eenigste wooningen van dit Ostrog uitmaaken; deeze yourtes zijn op dezelfde wijs gebouwd, als die der Koriaken, welken een vast verblijf hebben; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve niet onderaardsch zijn, en dat men ’er door een deur gelijks gronds ingaat; de mosselen zijn aan deeze kust eigen en de inwoonders maaken daar van derzelver voornaamste voedzel.
Des avonds vervolgde ik, van andere honden voorzien, mijne reis: ik reed omtrent agt wersten over de rivier Srednoi. Op verscheiden plaatsen brak het ijs onder onze sleeden; de stoutmoedigheid en de behendigheid mijner leidslieden onttrok ons aan het gevaar; wanneer ze genoodzaakt zijn aan wal te komen om het rijtuig te ontlaaden, gebruiken zij de voorzorg, om de raketten aan derzelver voeten gelijk en schoon te maaken, ten einde daar door meer oppervlakte op het ijs te beslaan; dog het geen ons meer hinder aanbragt, terwijl wij op deeze rivier reisden, was de yzel: onze honden konden niet op de pooten blijven staan, ieder oogenblik viel de een op den ander.
1788. April Den 26.
Ostrog van Siglann.
Voor den middag kwamen wij aan het Ostrog van Siglann, aan de rivier van denzelfden naam gelegen; dit is het laatste dorp van het land der Koriaken, het welk geen meerdere uitgestrektheid, nog meerdere bevolking bevat dan het voorige, en daar van zevenenzeventig wersten verwijderd is: men ziet daar eene yourte op de wijze der Yakouters gebouwd, dog ik stel de beschrijving daar van uit tot op mijn komst onder dit volk. Ik bleef zo lang te Siglann, als noodig was om de schaatsen van onze sleeden in order te doen brengen, namelijk om daar aan de walvischbeenen plaaten te hegten, welken door het smelten van de sneeuw noodzaaklijk wierden, en ik vertrok des avonds ten vijf uuren van daar.
Eerst reed ik over eene baaij, welke haaren naam van dit dorp ontleent; ze scheen mij toe vrij groot en wel geslooten te weezen, uitgenomen in het zuid en zuidwestelijke gedeelte: derzelver kust is bijna overal zeer hoog, en ze is zo lang, dat ik agt uuren tijds noodig had om tot den westelijken uithoek te geraaken; verder kwam ik aan eenen niet minder aanmerkelijken inham, genaamt de baaij van Olas. Niettegenstaande onzen snellen voortgang waaren wij echter tien uuren bezig om dien op deszelfs grootste breedte overtetrekken.
1788. April Den 27.
Des anderen daags, omtrent ten drie uuren in den namiddag, hield ik te Ola, een Toungous Ostrog, honderd veertien wersten van Siglann, stil: het zelve is gebouwd op een zandoever, aan den mond van de rivier Ola, die ter deezer plaats breeder wordende een kleine haven vormt, waar agter de Toungousen zich in den wintertijd begeeven, zij waaren zedert weinig dagen van daar vertrokken, om zich naar de tien yourtes te begeeven, die het dorp Ola uitmaaken, en welke zij in den zomertijd bewoonen.
Yourtes der Toungousen.
Deeze zijn niet onder den grond, even als die der Kamschatters, en de meesten der Koriaken, die een vast verblijf hebben; zij zijn veel langer en beter gebouwd; dikke balken onderschraagen de muuren, en in den top van het dak is van het eene eind tot het ander eene naauwe opening; de haardstêe beslaat ook de geheele lengte van het huis; omtrent agt voet boven het vuur, dat den gantschen zomer aangehouden word, maakt men den voorraad van visch en zeewolven aan dwarsbalken vast, ten einde dezelve te droogen en te rooken, want dit is het voornaamste nut, het welk deeze wooningen aanbrengen; twee deuren, de eene over de andere aan de twee einden geplaatst, verschaffen de mogelijkheid, om de boomen en verbaazende groote stukken hout, waar mede men het vuur aan den gang houd, binnen te brengen. Ieder geslacht heeft deszelfs bed in afgescheiden huisjes aan de zijden van de yourte; dat, waar in ik mij begaf, was met afschutzels verdeeld, die uit bereide vischvellen bestonden, welken aan elkander genaaid en met verschillende couleuren geverwt waaren; deeze kakelbonte tapijten zijn niet onbevallig.
De yourtes voor den winter geschikt zijn rond[157], en even als de zomerwooningen op den grond geplaatst, groote stukken houts, die recht over einde staan, maaken de muuren daar van uit; het dak heeft dezelfde helling als de onzen, en deszelfs top is open om den rook door te laaten; deeze huizen zijn gelijks gronds van een deur voorzien; sommigen zijn van binnen door een soort van galderij doorsneeden, waar door de colomlucht gebrooken word, zo dat de rook er des te vrijer uittrekt.
Opschik der Toungouse vrouwen.
Eenige oogenblikken na mijn aankomst te Ola, ontfing ik een bezoek van verscheidene vrouwen, waar van sommigen op de Russische, en anderen op de Toungouse wijze gekleed waaren. Dewijl ik mij verwonderd toonde van ze allen zo netjes te zien, verhaalde men mij, dat het thans het feest van het dorp was, en dat het daar en boven tot haaren opschik behoorde, van zich aan de vreemdelingen met alle haare cieraaden te vertoonen; onder de vercierselen, welken het meest bij haar in achting zijn, schijnen ze de voorkeur te geeven aan het stikzel met glascoraal: men ziet ’er, die van een zeer goeden smaak zijn, ik wierd ’er onder anderen een op de laars van een jong meisje gewaar, de tekening daar van was met eene bevallige zwier ingericht; hier door wierd niets van het schoone van het been weggenomen, het zelve was met een vel zeer fraaij bekleed, op het welke een soort van kleine vrouwerok nederhong.
Gelaatstrekken, en aart van de Toungousen.
De gelijkenis tusschen de Toungousen en de Russen is zeer sterk, ze hebben dezelfde trekken en de eige taal, de mannen zijn sterk en wel gemaakt, onder de vrouwen vind men eenige gedaantens, die na de Azianen zweemen, dog zij hebben geen platte neuzen en breede aangezichten even als de Kamschatters en de meesten der Koriaken; de zagtaartigheid en herbergzaamheid maaken de hoofdtrekken van het Toungouse volk uit; het heeft hen aan geen iever ontbroken om mij al de hulp toe te brengen, die ik van nooden had, dog derzelver vermoogen is zo bepaald, dat zij niet meer dan een gedeelte mijne honden konden verruilen.
Wanneer wij dit dorp verlieten, reeden wij over de zee; het ijs maakte ons deezen nagt zeer bezorgt, het geduurig gekraak, het geen wij onder ons hoorden, was niet geschikt om ons zeer gerust te doen zijn.
1788. April Den 28.
Met het aanbreeken van den dag bereikten wij het vaste land om een steil voorgebergte overtetrekken. Onze weg was zodanig afgemeeten, dat wij voor zeven uuren weder op de zee dagten te weezen, dog de afdaaling was moeijelijker, dan men mij gezegd had; wij moesten ons een weg door een berkenbosch baanen. Een mijner geleiders, die zich even als de anderen van boven van den berg naar beneden liet gleijen, wierd door een slêe omvergeworpen, die hem een schok toebragt, juist wanneer hij wilde draaijen; hij wilde zich aan de stam van een boom vasthouden, en viel ongelukkig op de punt van zijn met yzer beslagen stok; hij was hier door in de zijde gekwetst en kreeg eene sterke kneuzing aan het hoofd; wij waaren genoodzaakt om hen op een slêe, waar op reisgoed gelaaden was, te leggen.
Ongelukkige tegenspoed.
Een ander ongeval wachtte mij aan den voet van deezen berg; de zee was reeds losgeraakt; welk een gevaar had ik geloopen! daar ik den geheelen nagt op dezelve gereist had; mijne leidslieden waaren op dit gezicht niet minder verbaasd dan ik: „Wat zal ervan ons worden, riepen zij uit? nu zullen wij nog met veel grooter zwaarigheden te worstelen hebben”. Ik verborg mijne ongerustheid, terwijl ik hen moed zogt in te boezemen; wij volgden eenigen tijd den oever van de zee: een diep stilzwijgen heerschte onder al mijn volk, de verlegenheid was op de aangezichten geschilderd.
Na verloop van een half uur hield hij, die zich aan het hoofd van den trein bevond, eensklaps stil, roepende, dat hij geen weg meer zag. Ik meende in het eerst, dat de zwaarigheden door de vrees in zijn oog vergroot wierden, en ik zond mijn soldaat Golikoff met den ervaarensten mijner wegwijzers om denzelven optespooren. Bij derzelver terugkomst verzekerden mij de een zo wel als de ander, dat ’er geen mogelijkheid was om verder te komen. Golikoff was van oordeel, dat wij moesten te rug keeren, en een weg landwaarts in zoeken; mijne leidslieden verworpen dien raad, staande houdende, dat het bijna onmogelijk was, om van deezen kant den berg, dien wij afgedaald waaren, weder overtetrekken, dog in de vooronderstelling, dat wij dit oogmerk konden bereiken, zou dan nog de omweg veel te groot en te gevaarlijk weezen, uit hoofde van den spoedigen dooij en de onkunde van den weg, dien men zou moeten volgen; eindelijk stelden zij mij voor om onze sleeden te verlaaten, daar het kostbaarste uitteneemen, en te besluiten om de baaij overtetrekken met van de eene ijsschots op de ander te springen; dog de stroom begon dezelve wegtevoeren en de zee was er mêe bedekt, het is gemaklijk nategaan, dat ik weinig lust betoonde om deeze manier van reizen te onderneemen, waar toe echter deeze volkeren soms genoodzaakt zijn. Ik wist niet wat te kiezen, eindelijk besloot ik om zelf te gaan onderzoeken, of ik langs den oever niet een bruikbaaren weg kon ontdekken.
Weg over een lijstwerk van ijs.
Deeze bestond uit een keten van rotsen, die bijna in deszelfs geheele lengte aan de zee eene platte oppervlakte voordoet, en bij gevolg niets van een zandoever heeft; de zee had in het wegvoeren van deszelfs ijs eene lijst ter zijde van deezen ontzaglijken muur agtergelaaten, dog dit soort van kroonlijst was niet meer dan twee voet breed, somtijds nog maar de helft, en deszelfs dikte was zelden meer dan een voet; wij zagen agt voet laager de golven tegen de rots staan, en een onnoemlijk getal klippen uit het midden der baaren zich wel den voeten boven deszelfs oppervlakte verheffen.
Wel verre van door deeze vertooningen den moed te laaten zakken, begaf ik mij op het gevaarlijke lijstwerk; stoutmoediger geworden door deszelfs stevigheid, ging ik zagtjes voorwaards langs den kant, met den buik tegens de rots aan; ik zag niets waar aan ik mij kon vasthouden, behalven eenige inschietende hoeken, waar aan ik mij plaatste om adem te scheppen, wanneer ik de openingen, die zich van tijd tot tijd onder mijne voeten vertoonden, overgestapt was, want op sommige plaatsen was het ijs geheel van elkanderen afgescheiden en verscheiden van deeze gaapingen waaren twee of drie voet breed. Ik erken, dat ik in het eerst mij zeer bevreest gevoelde, en dezelve niet dan al beevende oversprong; bij een misstap, of bij de minste verbijstering was ik verlooren, nimmer zouden mijne reisgezellen mij hebben kunnen vinden of te hulp komen; na drie quartier uurs op zulk eenen moeijelijken weg doorgebragt te hebben, bereikte ik het andere einde van de rots; ik was niet zo dra daar gekomen, of ik vergat het gevaar van den togt om alleen aan mijne brieven te denken. Ik had dezelve onder de bewaaring mijner soldaaten gelaaten, dog aan mij alleen was de zorg toevertrouwd om ze in veiligheid te stellen; de genoomene proef gaf mij daar hoop toe, en zonder aarselen keerde ik te rug, trotsch op mijne gedaane ontdekking.
Mijn gevolg veroordeelde reeds mijne stoutmoedigheid, die zij voor roekeloosheid hielden; ze scheenen zelfs verwonderd van mij weer te zien. Ik verborg voor hun niet, dat de weg gevaarlijk was „dog dewijl mij niets overkomen is, voegde ik er bij, waarom zoud gijlieden het dan niet waagen om mij te volgen? Ik gaa dien togt nog eens onderneemen, en ik hoop bij mijne terugkomst u allen gerust te zullen vinden, en gereed om mij na te volgen”.
Ter zelfder tijd nam ik mijn brieventas en het kistje, waar in mijne depeches beslooten waaren; mijne twee soldaaten Golikoff en Nédarézoff, wier behendigheid ik meermaalen ondervonden had, beslooten mij te vergezellen; zonder derzelver hulp zou het mij niet mogelijk geweest zijn dit vertrouwd pand in veiligheid te kunnen brengen; wij droegen het zelve beurtelings, en gaven het de een aan den ander over; de laatste, die het aannam, namelijk die geen, welke op deeze naauwe borstweering den voortogt had, wierp het spoedig in een hol van de rots, ging eenige treeden voorwaards, en de anderen na hem komende, namen het er wederom uit en begonnen op nieuw den zelven arbeid. Het is mij onmogelijk mijne gewaarwordingen geduurende deeze overvoering meedetedeelen; bij iederen stap over deeze openingen vreesde ik, dat mijn kistje in zee zou vallen, dikwerf scheen het ons uit de hand te zullen glijden, en het bloed stolde mij in de aderen, even als had ik den dood voor oogen. En ik weet waarlijk niet, waar toe mij de wanhoop zou vervoerd hebben, indien ik het ongeluk had gehad van het zelve te verliezen; ik kon eerst vrijelijk ademhaalen, wanneer ik dien schrikkelijken last in veiligheid gesteld had, en toen was ik even zo van vreugde getroffen, als ik te vooren met zorg was aangedaan geweest.
Deeze tweede gelukkige uitslag boezemde mij zo veel vertrouwen in, dat ik niet langer aan de mogelijkheid twijffelde om onze sleeden over denzelfden weg heen te kunnen brengen. Ik deelde die gedagten aan mijne soldaaten meede: door mijn voorbeeld en de gelukkige proef, die zij genoomen hadden, aangemoedigd, keerden zij vrolijk met mij terug om ons gevolg te zoeken: op mijn bevel had men een gedeelte der honden uitgespannen; men hegtte aan de vier hoeken der sleeden lange riemen, die ik voor en agter liet vasthouden; wij wierden daar van wel haast de nuttigheid gewaar, somtijds waaren onze rijtuigen breeder dan het lijstwerk en steunden maar op eene schaats, dus zou de zwaarte ze na den anderen kant hebben doen overhellen, indien ze niet met alle kracht waaren tegengehouden; somtijds moest men dezelve ter plaatze, waar het ijs zich scheidde, spoedig oplichten, om ze in evenwicht te houden; de welgespierde armen van mijne geleiders bezweeken onder den last, en onze vereenigde krachten waaren naauwlijks toereikende om ze staande te houden: men mogt zich zo goed mogelijk vasthouden, het was echter te vreezen, dat de een met den ander zou mêegesleept worden, of dat het ijs eensklaps onder onze voeten zou bezwijken; dog wij raakten met den schrik vrij.
Wij gingen wederom te rug om onze overige honden aftehaalen; men zou gezegd hebben, dat deeze arme dieren meer het gevaar dan wij inzagen, zij huilden en kroopen agterwaards, voor al op de ongemaklijkste plaatzen; te vergeefs spoorde men dezelve door de stem aan, men moest ze slaagen geeven en met geweld na ons toehaalen. Daar waaren ’er vier, die het zij door den wederstand, welken zij booden, of door derzelver domheid, niet even als de anderen wisten overtespringen; de eerste verongelukte voor onze oogen, zonder dat het mogelijk was het beest eenige hulp toetebrengen[158], de tweede bleef aan zijne voorpooten hangen; een mijner leidslieden, door zijn makker vastgehouden, gelukte het, al bukkende dit arme dier weder te krijgen; de twee anderen wierden door derzelver leissel ondersteund en gemakkelijk gered.
Tot deeze verscheidene heen en weergangen besteedden wij zeven uuren arbeids in eene geduurige bekommering. Zo dra zagen wij ons niet buiten gevaar, of wij dankten den hemel, even als luiden, die den dood ontsnapt waaren, wij omhelsden elkander met blijdschap, even of ieder onzer deszelfs leeven aan de hulp van zijn meedemakker verschuldigt was: in een woord, ons genoegen wierd veel beter ondervonden, dan ik in staat ben om het zelve uittedrukken.
Men maakte allen spoed om onze beschadigde sleeden te herstellen; vervolgens vervorderden wij onzen weg over een zandigen oever, met keizelsteenen bezet, welkers breedte en vastheid ons geen den minsten schroom overliet; na verloop van twee uuren ontmoeteden wij niet ver van het ostrog Armani verscheiden sleeden, die ledig naar Ola terugkeerden, en die bij gevolg genoodzaakt zouden weezen den eigen weg te neemen; wij waarschuuwden de geleiders van dezelve, terwijl wij hen een gelijken goeden uitslag toewenschten.
Twee yourtes, de eene voor den zomer, en de andere voor den winter geschikt, maaken het dorp van Armani uit, langs het welk de rivier van denzelfden naam vloeit omtrent een en tagtig wersten van Ola. Ik trok hier door, en hield omtrent drie honderd treeden verder bij een Yakouter stil, die zedert dertig jaaren in eene yourte, in het midden van een groot mastbosch, woonachtig is, en bij wien men mij verzekert had, dat ik een geschikter verblijf zou vinden.
Rustplaats bij een Yakouter.
In deszelfs afweezenheid ontfing mij zijne vrouw ongemeen wel; zij bood ons melk aan, benevens een zuurachtigen drank, bestaande uit gekarnde melk van eene merrie, genaamd koumouiss. Deeze drank kwam mij niet onaangenaam voor, en mijne Russen dronken daar van met veel vermaak, niettegenstaande derzelver bijgeloovigen afkeer van alles, wat van een paard komt. Intusschen kwam de man t’huis; dit was een goede grijsaard, die nog sterk en gezond was; na dat hij van de oorzaak mijner reis door zijn vrouw en door mijn soldaat Golikoff onderricht was, welke laatste te Yakoutsk gebooren mij ten tolk diende, beieverde zich mijn gastheer om de beste plaats van zijn huis schoon te laaten maaken, ten einde ik mij ter rust kon begeeven. Ik wierd door het geloei van de kudde, die in de yourte kwam, wakker; agt koeijen, een stier en verscheiden kalveren besloegen met ons het binnenste van de wooning; niettegenstaande dit gezelschap heerschte ’er een zekere zindelijkheid, en de lucht, die men daar inademd, is zuiver en gezond; deeze Yakouter brengt zijn leeven niet door met visschen, en het droogen van dezelve, zo als de Koriaken en de Kamschatters, zijnde dit een voedzel, waar van hij weinig werk maakt; het onderhoud van zijne runderen en de jagt, deszelfs eenigste bezigheden, voldoen aan alle zijne behoeftens; hij heeft daar en boven tien paarden, die hem toebehooren, en welken tot allerlei arbeid dienen; deeze zijn in een perk op een weinig afstands van de yourte geplaatst, alwaar alles eene zekere welgeschikte order aanduid, en vrede en vrolijkheid inboezemd. Ik weet niet of het bijzijn van de kudde, het gezicht en de goede smaak van de melkspijs eenige bekoorlijkheid aan onzen maaltijd bijzette, dog het kwam mij voor, dat ik zedert lang zulken goeden cier niet gemaakt had; de huisheer gebruikte voor mijn vertrek de voorzorg, om eenige stukken wild op mijn voorraad-slêe te doen laaden.
1788. April. Den 29.
Het Fort Taousk.
Wij scheiden denzelfden avond zeer vergenoegt de een van den ander; ik reisde den gantschen nagt, en des morgens bevond ik mij, na twee en veertig wersten afgelegd te hebben, in het Fort van Taousk; dit Ostrog, alwaar wij volgens onze gewoonte den dag doorbragten, is aan de rivier Taou geleegen; het bestaat uit omtrent twintig isbas, eene kleine kerk, die door den pastoor van Okotsk bediend word, en een gebouw, waar in men de schattingen bewaard: dit magazijn is met palissaden in de gedaante van bolwerken omheint; twintig Yakouters, twee van derzelver Prinsen en eenige Koriaken, welke de bekoorlijke gelegenheid derwaarts heeft getrokken, maaken al de inwoonders van Taousk uit; de bezetting word door vijftien soldaaten uitgemaakt, onder het bevel van een sergeant genaamd Okhohu; ik verbleef bij hem tot aan den avond.
Dorp Gorbé.
Ik trok des nagts door het dorp Gorbé, het geen door Yakouters en een zeer klein getal van Koriaken bewoond word; met het aanbreeken van den dag zagen wij de zee niet meer; wij hadden eerst langs de Taou gereeden, dewijl wij ons niet op het ijs durfden waagen, vervolgens waaren wij ongevoelig landwaarts in geraakt, wij reisden voorts over het veld en op de rivier Kava, zonder een eenige wooning te ontdekken.
1788. Maij Den 3.
Op het oogenblik, waar in wij ons gereed maakten, om in het midden van een mastbosch stil te houden, verhief zich eensklaps een storm, die ons sneeuw in overvloed aanbragt; mijne tent, over de sleeden gehangen, die met reisgoed geladen waaren, verstrekte ons ten schuilplaats; dog wij moesten ook de kookketel overhangen; mijne geleiders bezig zijnde met hout te zoeken, wierden tot boven den gordel met sneeuw bedekt, en zelfs zonken ze met derzelver raketten tot aan de knien toe ’er in. In den agtermiddag veranderde de wind en de lucht klaarde op; dadelijk beklommen wij onze sleeden, dog de dikte van de sneeuw noodzaakte ons om ’er beurtelings aftekomen, om een weg voor onze honden te baanen.
1788. Maij Den 4.
Des morgens trokken wij den berg van Ine over, twee honderd zeventig wersten van Taousk afgeleegen; deszelfs hoogte is gelijk aan die van de Babouschka. Op den top gekomen, beving ons de koude zodanig, dat wij daar stilhielden om vuur aan te maaken; na vijf uuren reizens vonden wij den zeeoever weder, welken wij op eenigen afstand van Iné verlieten, alwaar wij bij het vallen van den avond aankwamen.
Dorp Iné.
Dit dorp is omtrent dertig wersten van den berg geleegen, aan welken het zelve zijn naam geeft; het is door Russen en Yakouters bevolkt, welken in Isbas en Yakoutsche yourtes woonachtig zijn, zij dragen zorg voor een stoeterij van meer dan twee honderd paarden, die wij tien wersten van het dorp ontwaar wierden: ik dagt daar ander voorspan te neemen, en dadelijk te vertrekken, dog ik wierd mijnes ondanks opgehouden door de moeijelijkheid om honden te krijgen; het opperhoofd van de plaats was smoordronken; wij konden eerst, na een uur lang alle moeite aangewend te hebben, het getal, dat wij benoodigd hadden, verkrijgen.
Vijfentwintig wersten van Iné, (alwaar ik, om des te meer spoed te kunnen maaken, mijn reisgoed onder de bewaaring van mijn getrouwen Golikoff had agtergelaaten, met bevel van mij zo spoedig mogelijk te volgen;) trok ik voorbij twee yourtes, door Yakouters en Toungoussen bewoond; dit gehugt word Oulbé genaamd. Wat verder ontmoette ik verscheide convooijen van meel, die men naar de nabuurige dorpen bragt om ’er beschuit van te maaken, geschikt ter verzorging van de scheepen van den Heer Billings, waar van ik binnen kort nader geleegenheid zal hebben om te spreeken.
1788. Maij Den 5.
Aankomst te Okotsk.
Wij kreegen de zee weder in het oog, ik reisde zeven en veertig wersten, zonder den oever te verlaaten, alwaar ik een gestranden walvisch en verscheiden zeewolven zag; boven op den berg van Marikann, namelijk op den afstand van vijf en twintig wersten, had ik het genoegen de stad Okotsk te ontdekken, dog ik moest daar een storm uitstaan, die mij een nieuw verwijl deed vreezen. Niets dan mijn ongeduld volgende, trok ik voorwaards, met het besluit van alle tegenspoeden te braveeren: mijne kloekmoedigheid wierd echter niet op de proef gesteld; aan den oever van de zee weêrgekomen, was de lucht reeds bedaard, en ik kon mijne nieuwsgierigheid voldoen met een verongelukt en op de kust geworpen schip te bezichtigen. Eindelijk, na al beevende de rivier Okhota overgereeden te hebben[159] kwam ik in den agtermiddag ten vier uuren, alleen van Nédarezoff verzeld, binnen Okotsk.
Ik begaf mij naar den Heer Majoor Kokh, die in afweezendheid van den Heer Kasloff het bevel voerde, dien hij benevens mij zedert lang verwachtte; de brief van deezen Commandant onderrichte hem van de oorzaak onzer scheiding, en ik verhaalde hem daar van kortelijk de droevige omstandigheden. Ik wilde mij spoeden, om mij aan Mevrouw Kasloff te vertoonen, ten einde haar de brieven ter hand te stellen, welken haar gemaal mij toevertrouwd had, dog zij was op haar buitengoed vier wersten van Okotsk. Ik was zo vermoeid, dat de Heer Kokh niet wilde toestaan, dat ik mij dien dag derwaards begaf. Een boode bragt de brieven en mijne ontschuldiging over, en gaf tevens kennis van mijn voorgenomen bezoek tegens den volgenden morgen; de beleefde Majoor, oordeelende dat ik voornamelijk rust noodig had, geleide mij op het oogenblik naar het vertrek, het welk in het huis van den Heer Kasloff voor mij geschikt was. Ik vond daar alle die gerieflijkheden, waar van ik zedert mijn vertrek van Ingiga bijna het gebruik verlooren had: in den tijd van drie honderd vijftig uuren had ik maar eenmaal in een bed te Yamsk geslaapen.
1788. Maij Den 6. Te Okotsk.
Bij mijn ontwaaken ontfing ik het bezoek van den Heer Kokh, en de voornaamste Officieren en Kooplieden van de stad; onder dezelve bevond zich de Heer Allegretti, Heelmeester, benoemd voor den togt van den Heer Billings; de gemaklijkheid, waar meede hij het Fransch sprak, zou mij hem voor een landsgenoot hebben doen begroeten, indien hij mij niet bij het aanspreeken zelfs verwittigd had, dat hij een Italiaan was; deeze ontmoeting was mij des te aangenaamer, dewijl ik op nieuw pijn op de borst bespeurde. Ik aarselde niet om hem deswegens te raadpleegen, en mijne dankbaarheid schept een welgevallen, in hier opentlijk te betuigen, dat ik aan zijne kundigheden, en aan de zorg, die hij geduurende mijn verblijf voor mij gedraagen heeft, mijne geheele geneezing verschuldigt ben.
De Heer Kokh bragt mij vervolgens ten zijnent om het middagmaal te houden, wanneer wij nadere kennis maakten[160]; zijne oplettenheid omtrent mij ging zelfs zo ver, dat hij duizenderlei ontwerpen van vermaaken vormde, die hij mij met veel iever mêedeelde, in de hoop van mij eenigen tijd bij hem te zullen houden.
Indien mijn plicht mij alle vrijwillig verwijl niet verboden had, geloof ik dat het mij moeite zou gekost hebben, om zijne dringende noodiging, en het genoegen, dat ik in zijn gezelschap smaakte, te wederstaan; dog getrouw aan mijnen last, moest ik mijn geneigtheid en rust aan den spoed van mijne reis opofferen. Ik stelde dit aan de beoordeeling van mijn gastheer, die mijne redenen gehoor geevende, eindelijk mijne begeerte om hem te verlaaten verschoonbaar vond; hij hield zich ook aanstonds bezig met het noodige te verzorgen, om aan mijn verlangen te hulp te koomen.
Genomen maatregelen om mij rendieren te bezorgen.
Zedert mijn aankomst had het niet opgehouden met regenen; luiden uitgezonden, om de wegen te bezichtigen oordeelden dezelve vooral met honden onbruikbaar; volgens derzelver berichten, liet mij de dagelijksche voortgang van den dooij geen hoop over om voorttespoeden dan alleen door het gebruiken van rendieren; om ’er mij te bezorgen zond de Heer Kokh een boode aan eenige zwervende Toungoussen, zedert weinig dagen van Okotsk vertrokken.
Bezoek afgelegt bij Mevrouw Kasloff te Boulguin.
Deeze maatregelen genomen zijnde, gingen de Heer Majoor en ik naar Boulguin, het lusthuis van Mevrouw Kasloff, die mij als den vriend en den medgezel der gevaaren van haar man ontfing. Ons geheele gesprek liep over dit voorwerp haarer tederheid; terstond vorderde zij een verhaal van onze rampen op het oogenblik van onze scheiding; te vergeefs zogt ik alles, wat deeze beschrijving voor haar te treurig kon maaken, te verzagten, haare gevoeligheid raadde reeds, wat ik voor haar verbergen wilde, en was ’er des te meer over aangedaan. Ik bevond mij weinig in staat om haar gerust te stellen, want ik was zelf niet vrij van ongerustheid over deezen beminnenswaardigen bevelhebber; dog door den Heer Kokh geholpen, vertoonde ik een vrij gerust gelaat; ik nam mijn toevlucht tot gissingen; hij verzamelde van zijn kant de meest vertroostende waarschijnlijkheden, en wij stelden eindelijk deeze tedere vrouw gerust met haar op de nabijzijnde terugkomst van den Heer Kasloff te doen hoopen. Deeze dame, te Okotsk gebooren, scheen de beste opvoeding genooten te hebben; zij spreekt het Fransch met zeer veel bevalligheid. In de stilte haarer afzondering, stelde zij al haar genoegen daar in, om haare dogter, omtrent drie jaaren oud, en het levendig afbeeldzel van den vader, wel optevoeden.