Note 151 — TWEEDE DEEL. (continued 2)
Reading edition
De sneeuw viel in zulk een overvloed, dat die arme dieren onder deszelfs dikte als begraaven waaren, dog gewoon aan het slegte wêer, verzamelen zij zich in gelederen en steeken altoos den neus in den wind, zo dat de warmte van derzelver adem, terwijl die hun koud bekleedzel doordringt, voor de ophaaling een vrijen doortogt laat: zij weeten ook zeer wel, wanneer dit dekzel te zwaar word, het zelve afteschudden.