TWEEDE DEEL. (continued 4)
Reading edition
1788. Julij. Te Yakoutsk.
Ontmoeting van den Heer Billings.
Dog van alle zijne verplichtende aanbiedingen was mij geene aangenaamer, dan dat hij mij de gelegenheid verschafte om dien zelven avond met de Heer Billings te eeten. Ik was zeer verlangend om hem te leeren kennen, en ik wachtte met ongeduld het oogenblik van onze zamenkomst af; ons beider beroep van reiziger gaf al aanstonds tusschen ons zekere vereeniging, men zou gezegt hebben dat onze vriendschap reeds jaaren bestaan had; echter waaren wij beiden zeer omzichtig, van de gesprekken verwijderende al wat maar eenigzints betrekking kon hebben tot de onderwerpen van onze wederzijdsche zending; ik bewonderde daar in de snedigheid en de voorzigtigheid van den Heer Billings: geduurende mijn verblijf alhier, nam ik eens het middagmaal bij hem; des morgens en des avonds begaven wij ons beiden bij de Heer Marklofski[203], en nimmer ontsnapte hem in onze redeneeringen eene onbescheide vraag.
Het jammerde hem zeer dat hij op zijnen togt onze fregatten niet ontmoet had; hij zou zijn geluk en roem gesteld hebben in het vervullen van de edelmoedige oogmerken zijner Souvereine, met aan den Heer Graaf de la Pérouse al dien onderstand en hulp te verschaffen, die hij zou hebben kunnen toebrengen; dit was eene schuld, zeide hij, van welke hij zich wilde, en ook niet anders kon kwijten dan in mijn persoon; en waarlijk, er zijn geene diensten uittedenken, die hij niet tragtte mij te bewijzen.
Het paardrijden mij zeer vermoeid hebbende, raadde men mij de Lena tot aan Irkoutsk optevaaren; zulks geviel mij zeer, dewijl mij daar door rust belooft wierd, en de vertraging die het mij veroorzaakte, op het hoogst vier of vijf dagen zou beloopen. Zo dra ik mijn besluit genomen had, diende de Heer Billings mij van zijnen goeden raad en zorgde voor de keus en de verkrijging van een schuit; van mijne tent deed hij twee zeilen maaken, gaf mij een zijner Soldaaten, die bekwaam voor Stuurman was, en verschafte mij in een woord al dat geene wat hij tot mijne overtogt noodig oordeelde.
Beschrijving van de Stad en de Haven van Yakoutsk.
De vijf dagen die ik te Yakoutsk doorbragt, wierden tot de toebereidzelen voor mijn vertrek besteed: ik had echter tijds genoeg om optemerken, dat deeze stad de fraaijste en de meest bevolkte was van alle die geenen, welken ik tot nog toe, in de verbaazende uitgestrektheid lands dat ik doorkruist had, had gezien.
Zij is aan de westzijde van de Lena gebouwd; de huizen zijn van hout, dog ruim en gemaklijk, dat van den Commandant staat vlak tegens de haven over; de meeste kerken zijn van steen. Een arm van de rivier[204], die voorwaards loopt, terwijl ze een bogt tot aan de muuren van de stad beschrijft, vormt dat geen het welk men de haven noemt, die bij laag water droog loopt; de vaartuigen, door den Koophandel herwaards gebragt, zijn niet anders dan barken; het grootste gedeelte derzelver dient tot overvoering van de levensbehoeftens, als zout en meel door de regeering derwaards gezonden; de Kooplieden huuren of koopen van die vaartuigen, tot overvoering van derzelver koopmanschappen, welke vaartuigen men uit den omtrek van den oorsprong van de Lena bekomt, alwaar dezelve gebouwt worden.
Inwoonders.
De Yakouters komen niet in de Stad dan tot verrichting hunner zaaken; over het algemeen is dezelve niet dan door Russen bewoond. In de gewoontens en gebruiken word men de uitwerkzels der beschaafdheid gewaar; de inrichting van de gezelschappen, de vrolijkheid die daar in heerscht, alles werkt met de belangens van den handel zamen, om onder de inwooners die werkzaame onderlinge verstandhouding te onderhouden, dewelke de bron der rijkdommen en de aangenaamheid des leevens uitmaakt[205].
Den 5. tot den 9.
Vertrek van Yakoutsk en vaart op de Lena.
Na dat ik mij op nieuw van leevensmiddelen voorzien had, vertrok ik des morgens ten een uur van Yakoutsk; reeds kondigde de schemering de opkomende dageraad aan (het is bekend dat men des zomers op de hoogste breedtens, den overgang tusschen nagt en dag geduurende meer dan eene week, naauwelijks bemerkt), zo dat men reeds duidelijk de zandbanken kon onderscheiden, waarmeede den oever tot aan de eerste post bezoomt is; dewijl wij die niet altoos vermijden konden, verzogten mijne geleiders, of de menschen die mijn vaartuig voorttrokken, ons ieder oogenblik, van ons even als zij te water te begeeven, om over die ondieptens te geraaken; het gebeurde ook dikwijls, niettegenstaande de ontzagchelijke breedte van de rivier, dat wij beslooten naar de overzijde te roeijen, in de hoop van daar eene gemaklijker doortogt te zullen vinden; dog dan dreef de geweldige stroom ons een halve werst min of meer agterwaards; groote ysschotzen vertoonden zich nog langs de oevers; men verzekerde mij dat ’er diergelijken het geheele jaar door te zien waaren.
Ik zal dag voor dag hier geen verslag van mijne vaart ter nederstellen; de aanmerkingen welke ze mij verschaft heeft zijn van te weinig belang, om den leezer met de verveelende eenvormigheid der dagelijksche kleinigheden bezig te houden.
Posthuizen en plaatzen waar men andere persoonen bekomt; welke lieden tot deezen dienst gebruikt worden.
De postroutes zijn afgedeeld; deeze beloopen dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, en zelfs tagtig wersten[206]. Dat men daar uit de straf der ongelukkigen beoordeele, die tot den dienst van de post veroordeeld zijn, namelijk, om de vaartuigen van de eene wisselplaats tot de andere te trekken; deeze schrikkelijke heerendienst, maakt de straf van de gebannene en kwaad doenders, in eene tusschenruimte van bijna twaalfhonderd wersten uit. Zij deelen deezen arbeid met de paarden; dog wanneer de schuit aan den grond raakt, of dat het voorttrekken belemmeringen ondergaat, moet de mensch de plaats van het beest vervangen, en het is in de moeijelijkste oorden dat deszelfs arbeid te pas komt; de eenigste verkwikking welke deeze boeven voor dien schrik verwekkenden arbeid genieten, bepaald zich tot eenige maaten meel, die de regeering hen toelegt; de Yakoutsche Prinsen uit de omgelegen streeken zijn ook verplicht van in derzelver onderhoud te voorzien, en ingeval van noodzaaklijkheid, hen manschappen en paarden te leenen.
1788. Julij van den 5. tot den 14. Vaart op de Lena.
Veelen van deeze ellendelingen zijn getrouwd; zij bewoonen met hun gezin half gesloopte isbas, die hier en daar langs den regter oever verspreid zijn; de regen noodzaakte mij op zekeren dag, om een schuilplaats in eene deezer wooningen te zoeken; ik verkoos die welke de meeste vertooning maakte; wanneer ik daar binnen trad, meende ik door de bedorve lucht die men ’er inademt te bezwijmen, en ik weet geene woorden te vinden, om het afschuwelijk tafereel der ellende welke mijn oog trof, te schetsen; wel verre van in dit huis eene veilige plaats gevonden te hebben, zag ik mij na verloop van een quartier uurs geheel overstroomt; het water viel stroomsgewijs van alle de hoeken van het dak, en ik verkoos wederom liever in mijn vaartuig te gaan.
De vischvangst en de jagt verschaffen voorts aan deeze bannelingen, die al de snoodheid van hunnen imborst bewaard hebben, bezigheid; ze worden alleen door het belang of de vrees bestierd. Op de nadering van een schuit beproeven ze altoos om zich door de vlucht aan den moeijelijken arbeid te onttrekken, waar aan zij door het gezag onderworpen zijn; meer dan eens hebben zij mij dien trek gespeeld; ik kwam aan eene wisselplaats: van de vijf of zes mannen die zich altoos, ten dienste van de reizigers gereed moeten houden, was ’er geen een te vinden; ze waaren allen naar de bosschen gevlucht, en mijne geleiders van de voorige wisselplaats[207], zagen zich genoodzaakt van ook nog deeze postweg afteleggen. Ik stelde deeze ongelukkigen des te gewilliger schadeloos, dewijl ik menigmaal, wanneer ik hen afdankte, derzelver beenen geheel bebloed zag.
Eens, stelden zij mij op een morgen geheel te leur: een postschuit de rivier afkomende, kwam ons digt voorbij; Golikoff waakte op zijn beurt; mijne doortrapte fielten verzogten hem verlof om met hunne makkers te verwisselen, zij wisten hem zo wel te beduiden dat dit in ons voordeel was, dat hij er in toestemde; begeerig om mij ons geluk meedetedeelen maakte hij mij wakker, dog het was om mij te vertoonen, dat onze gaauwdieven op de loop gingen, in plaats van zich naar de schuit te begeeven die agter ons heen dreef. Op dit gezicht kan men zich de verlegenheid van Golikoff voorstellen; hij wist niet hoe hij zich voor mij verschoonen zou, want wij moesten besluiten om onze schuit tot aan de volgende wisselplaats voorttetrekken; gelukkig waaren wij ’er niet ver meer van verwijderd; de menschen die de postschuit derwaards gebragt hadden bevonden zich daar nog; mijne twee soldaaten hadden hen spoedig overgehaald om ons voort te trekken. Ik geloof zelfs dat ik derzelver goede wil aan de onbeschofte bevelen van Golikoff verschuldigt was; onze ontmoeting had hem zo misnoegd gemaakt, dat ik geen mogelijkheid meer zag, om hem met gemaatigdheid te werk te doen gaan; „Gij weet niet, zeide hij tot mij, hoe men deeze Schelmen bestieren moet; ’er is geen ander middel dan de stok: ik moest u maar navolgen, dan zagen wij ons op iedere post aan beledigingen blootgesteld, of in dezelfde ongelegenheid die wij zo even komen te ondergaan”.
van den 14. tot den 29. Vaart op de Lena.
de Stad Olekma.
Wij kwamen echter zonder verdere onaangenaamheden te Olekma[208]; deeze stad, de eerste zedert Yakoutsk, is van daar zeven of agt honderd wersten verwijderd, hoe zeer de post maar op zes honderd berekend word; ze legt aan de uitwatering van de rivier die deszelfs naam voert, is niet groot, vrij slegt bebouwd en leverd geene bijzonderheden op. Ik verbleef daar maar twee uuren.
Ontmoeting van een Toungousser.
Eenige wersten van daar naderde mij een kleine praauw; één man bestierde dezelve alleen, hij bood mij berkenschors aan, die hij in de nabuurige bosschen had afgeplukt; mijne soldaaten verzogten mij dadelijk dat ik daar van koopen zou, om ons vaartuig mêe te overdekken; mijn koopman was een Toungousser, hij behoorde tot een huisgezin het welk zich op den linker oever neergezet had[209]. Ik verzuimde deeze schoone gelegenheid niet om dit volk van nader bij te leeren kennen; ik liet dan mijn schuit aan den regter oever vast maaken, en ging alleen van Golikoff verzeld, in het schuitje van den Toungousser over, die even zo vergenoegd was als ik, over het bezoek dat ik bij zijne naastbestaanden ging afleggen.
Toungoussche praauwen.
Al aanstond trok de gedaante en de ligtheid hunner praauwen mijne aandagt; zeer afgerond vertoonen ze weinig oppervlakte, het geen ze aan omslaan onderhevig maakt; het beloop van het schuitje is van latwerk, de boorden zijn van genaaide en geteerde berken schors, en de twee einden worden langzamerhand naauwer en eindigen puntig; men houd de riem in het midden, om zich beurtelings van de twee schoppen te bedienen die aan deszelfs einde vastgehegt zijn.
Vriendelijk onthaal eener Toungousse horde.
De vreugd van deeze Toungoussers in mij te zien was zeer uitbundig; ter gelijker tijd omringd, vergast, geliefkoosd, wist ik niet hoe ik aan alle hunne vriendschaps betuigingen zou beantwoorden. Een jong rendier wierd gedood en aan mijne voeten neergelegd; wanneer ze mij dit geschenk aanbooden, jammerde het deeze goede menschen, dat derzelver armoede hun van de middelen en het vermaak beroofde om mij van meer nut te kunnen weezen. Ik was zelfs niet in staat om veel giften te doen, en mijne erkentenis bestond alleen daarin, dat ik hun eenige van mijne kleederen agterliet.
Wooningen, gelaatstrekken, Godsdienst, rijkdommen en gewoontens der Toungoussen.
Daar zij even als de Koriaken rondzwerven, hebben zij ook ten naasten bij dezelfde leevenswijze; derzelver yourtes zijn niet zo groot, en met berkenschors bedekt; dit maakt het eenigste onderscheid uit; ieder geslacht heeft het zijne; de voornaamste verciering van binnen bestaat in een kleine houten afgod, hebbende een wanschapen hoofd en eene menschelijke gedaante; Zij omhangen het zelve met hunne kleederen, waar bij ze tot meerdere opschik een groot getal ringen, schellen, en andere stukken van metaal voegen; Ziet daar hun heiligen Nicolaas, welke naam zij hem, bij zinspeeling op den beschermheilige der Russen, geeven.
Bij mijn doortogt te Yamsk, heb ik de kleeding der Toungoussen beschreeven; nu blijft mij nog overig van derzelver gelaatstrekken, zeden en manier van reizen te spreeken.
Ze zijn kleinder dan de Yakouters, en hebben even als de Kamschatters in een getrokken oogen, een platte neus, en een breed aangezicht; ze zijn niet minder gastvrij, derzelver hoofdcaracter schijnt de zagtmoedigheid en de openhartigheid te weezen. In zaaken van den Godsdienst, bezitten zij de domme ligtgeloovigheid der Koriaken, dewijl zij alle de dwaasheden der afgoderij voor geloofswaarheden aanneemen, de Chamans zijn insgelijks de voorwerpen van hun vertrouwen en eerbied; overal heerschen deeze bedriegers, door het verspreiden van schrik en verbaastheid.
Na de jagt en de vischvangst[210], welken deeze geslachten geduurende die jaargetijden, tot een meerder vast verblijf noodzaaken, geeft hen niets meer weezentlijker bezigheid, dan derzelver rendieren; deeze dieren maaken al hun rijkdom uit, en betaalen met woeker alle de zorgen die zij daar aan besteeden; niet alleen verstrekken deeze dieren tot voedzel en kleeding van dit volk[211], dog daarenboven laaten zij zich, gedwee onder de hand die ze bestiert, door derzelver meesters, zo vrouwen als mannen beklimmen, en voeren hun met een snellen tred overal, waar derzelver grilligheid hen roept[212]. In plaats van de rendieren voor een slêe te spannen, zo als de Tchouktchis en de Koriaken gewoon zijn, leert men die onder de man loopen, en aan de beweegingen van een toom aan derzelver hoornen vastgestrikt, gehoorzaamen; het zaal is even als de onzen opgetooid en van dezelfde grootte, dog zonder stijgbeugels; eene zeer zwakke buikriem houd het vast, en de ruiter die waggelt, heeft geen ander hulpmiddel dan een lange stok waar meede hij het beest kastijd; men begrijpt dat deeze oeffening veel hebbelijkheids vereischt; het reisgoed word in kleine mandjes beslooten, die met rendieren vellen bedekt en aan het zadel vastgemaakt zijn; deeze hangen aan iedere kant op de zij van het beest; wanneer zij stil houden, worden deeze geladene goederen op eene geregelde wijze rondom de yourtes geplaatst.
Het dorp Pélodoni; boeren die met de postroute belast zijn.
Mijne scheepvaart wierd eindelijk minder onaangenaam, en wel zo dra ik Pélodoni bereikt had; dit is een groot dorp welkers inwoonders Russen en afstammelingen van de eerste landbouwers van Siberien, genaamd Starogili, zijn; daar wierd ik van die gevaarlijke bannelingen verlost; ik had vervolgens geene andere geleiders dan braave boeren, die mij even zo veel ievers als beleeftheid betoonden; de wooningen waaren niet zo ver van elkander verwijderd, en beloofden des noodig ten minsten eenige hulp. In ieder deezer dorpen bevinden zich zes menschen, geschikt voor den dienst van de post: geen het minste voorrecht steld hun voor derzelver moeite schadeloos; even als alle de Russische boeren zijn zij grondeigenen, betaalen dezelfde rechten aan de kroon, en moeten recruten verschaffen; de voortbrengzels van derzelver oogst niet voldoende zijnde om hen het geheele jaar te voeden, zijn zij genoodzaakt graanen te koopen en daar van voorraadschuuren aanteleggen; nimmer was de rogge zo duur verkogt als dit jaar; het poud of het gewigt van drie en dertig a vier en dertig fransche ponden, kostte zeventig a tagtig kopees.
Vitim is het naastgelegenste dorp aan het voorige; daar het in allen opzichte naar de Russischen dorpen gelijkt, meen ik de moeite te kunnen spaaren om ’er eene beschrijving van te geeven; de kerken zijn daar zeldzaamer als de cabacs of kroegen.
Aanteekeningen omtrent de Léna.
De vogels zijn in den omtrek en aan de oevers van de Léna zeer overvloedig; wolken van muggen waar meede dezelve bedekt is, geeven oorzaak tot derzelver zamenschooling; om deeze insecten te verdrijven, gebruikten wij de voorzorg van een voorraad van paarden-mest meede te neemen, die zonder ophouden in onze schuit brandde; dog een ander onvermijdelijk ongemak op deeze rivier, is het ongedierte welke zij voortbrengt; hoe meer men zich baad hoe meer de zelve vermenigvuldigen.
De Stad Kirinsk.
Omtrent vier honderd wersten van Péledoni, voer ik voorbij Kirinsk of Kiringui, een kleine stad, langs welke de Léna, en een weinig verder de Kiringa loopt. Onder deszelfs huizen waar van geen één eenige vertooning maakt, onderscheid men de kerk die van steen is.
1788. Julij Den 29.
Den oever langzaamerhand breeder en zandachtiger wordende, wierden wij dikwijls door paarden getrokken;[213] de lijnen braken wel eens, dog ik maakte mij deswegens niet ongerust; het genoegen van voorttespoeden boezemde mij een blind vertrouwen in, waar voor ik echter welhaast gestraft wierd. In de nagt van den 29 stootte mijn schuit op een rots, welke de duisterheid voor ons verborg; de lijn brak door de geweldige schok, en ons vaartuig was in een oogenblik met water vervuld; wij hadden naauwlijks de tijd om het zelve naar de kant te brengen, die wij niet dan door vereenigde poogingen konden bereiken; dadelijk ging ik op een der paarden zitten en plaatste mijn kistje voor mij; wij waaren maar vier wersten van een Dorp, en dus was het gemaklijk om dadelijk hulp te verkrijgen; men ging mijn schuit opzoeken die geduurende den dag vermaakt wierd, en den volgenden morgen hervatte ik mijne togt.
Augustus Den 1.
Wanneer ik het dorp Usting verliet, zag ik eene aanmerkelijke zoutgroef, en wat verder drie zavodes of koper smelterijen.
1788. Augustus Den 4.
Ik verlaat mijn vaartuig.
Mijn vaartuig was voor de tweede maal gebrooken, en ik had het zelve nog eens in der haast doen vermaaken; dog dien dag wanneer het roer, door onophoudelijk langs den grond te schuuren, weg gevoerd wierd, als meede een soort van kiel het geen men onder het zelve vastgemaakt had, verliet ik de schuit, die ten voordeele van mijn getrouwe Golikoff was.
Den 5.
Ik voorzie mij van paarden en vervolgens van een kibitk.
Ik voorzag mij te Toutouze, omtrent drie honderd zeventig wersten van Irkoutsk gelegen, van paarden, en na het kleine vlek van Virkhalensk doorgetrokken te hebben, bereikte ik, des namiddags ten twee uuren dat van Katschouga, alwaar de reizigers zich gewoonlijk ontscheepen om de bogt van de Léna te vermijden, die daarenboven ook welhaast onvaarbaar word; men vind in dit dorp de Kibitks[214] of Russische rijtuigen op vier wielen, die door bannelingen en van tijd tot tijd door Bratskis gereeden worden.
Aanmerkingen omtrent de Bratskis.
Tusschen Katschouga en Irkoutsk is een step of onbebouwde streek, welke alleen door die Bratskis bewoond word, zijnde dit eene bevolking van herders, die men voor afstammelingen van de Tartaaren zou houden, dewijl zij zo veel gelijkenis met deeze hebben. Zy vertoonen iets woest en wild in derzelver gedaante, ook zijn het groote dieven; men nam er een onder mijn oog gevangen die vee gestolen had; derzelver kudden zijn talrijk en bestaan uit ossen, koeijen, paarden en voornamelijk uit schaapen; mijne snelle voortgang belette mij, van mij in derzelver wooningen te begeeven, en daar door omtrent hunne zeden uitgebreider aantekeningen te maaken.
1788. Augustus Den 6. Te Irkoutsk.
Aankomst te Irkoutsk.
Wij reeden over verscheiden bergen door ysselijke slegte wegen, die mijn arme Golikoff sterk deeden klaagen, dewijl hij half verbrijzeld was, door het geduurig schokken van ons helsch rijtuig, waar van hij voor de eerstemaal de proef had. Eindelijk, na dat wij het klooster van Voznéssenskoï, van waar men Irkoutsk begint te ontdekken, aan onze regterhand hadden laaten liggen, kwamen wij aan den kleinen arm van de rivier, die onder de muuren van de stad heenloopt, en welke men overtrekt zonder dat men van het rijtuig behoeft aftestappen. Daar, wierd ik door een schildwagt aangehouden, die volgens zijne orders, de Heer Commandant wilde gaan waarschuwen; dog zich vergenoegd hebbende met mijn naam en qualiteit, het welk ik hem op schrift gaf, stond deeze soldaat mij toe van hem voor uittegaan; het was omtrent des avonds ten elf uuren wanneer ik in deeze hoofdstad binnen trad, hebbende zedert mijn vertrek van Yakoutsk twee duizend vijfhonderd vierennegentig wersten afgelegd.
Ik stapte bij den stadsopzigter (à la police) van mijn rijtuig, ten einde daar een logement te vraagen; de Kwartermester of wijkmeester bragt mij in een huis, waar van den Heer, wel verre van aan het bevel te gehoorzaamen, het geen hem wierd gegeeven om mij te ontfangen, zich niet eens verwaardigde van optestaan, ten einde ons reden van zijne weigering te geeven. Ik zag het oogenblik gebooren worden waar in den opzichter, vergramd door eene zo onbeleefde wederstand, zijn gekrenkt gezag wilde wreeken; echter gelukte het mij om hem tot bedaaren te brengen, en ik verzogt hem dat hij voor mij een ander verblijf wilde uitzoeken. Intusschen was de Gorodnitsch of bevelhebber van de plaats, de Heer Majoor Dolgopoloff onderricht van mijne aankomst, en van de kleine onaangenaamheid die mij bejegend was; hij begaf zich dadelijk ter plaatze, waar ik naauwlijks bezit van genomen had, verzogt verschooning op verschooning wegens, dat men mij op eene onbeschofte wijze rondgeleid had, om mij eindelijk zulk een slegt verblijf te geeven, en niettegenstaande al het geen ik ten voordeele daar van wilde bijbrengen, noodzaakte hij mij echter om het zelve te verlaaten en met hem te gaan. Ik verloor geenzints bij deeze verandering, men kan zich geen welgeschikter en cierlijker verblijf voorstellen dan dat, waar hij mij bragt; het was eene reeks van verscheiden vertrekken, allen fraaij met huisraad opgeschikt; en vercierd met schilderwerk in kalk; dog het geen mij het meeste trof was den oplettenden iever waar meede men mij bediende, en in alles voorkwam.
1788. Augustus Den 7.
Bezoek bij de Gouverneur afgelegt.
De volgende morgen, kwam de Heer Dolgopoloff mij afhaalen, om mij aan den Gouverneur, de Heer Generaal Majoor Arsénieff voortestellen; ik overhandigde hem de brieven van de Heer Kaslof, uit hoofde van de afwezendheid van den Gouverneur Generaal de Heer Jacobi, die zich als toen te Petersburg bevond. Ik was bijzonder vergenoegt over de wijze waar op de Heer Arsénieff mij ontfing; na mij met beleeftheden overlaaden te hebben, vorderde hij dat ik van geene andere tafel dan van de zijne zou gebruik maaken, en maakte mij met zijn gezin bekend,[215] welkers eensgezindheid, verstand en vrolijkheid, van zijn huis een waarlijk aangenaam verblijf vormt, en den toon aan het gezelschap geeft, het welk door zoveel aangenaamheid derwaards gelokt word.
Te Irkoutsk. Belooning die ik voor Golikoff verkreeg.
Ik maakte van de goede geneigtheid en verplichtende aanbiedingen van den Heer Gouverneur gebruik, om mijn Soldaat Golikoff met nadruk aan hem aantebeveelen; de ontelbaare diensten welken mij deezen braave man beweezen had, zijne getrouwheid, zijne verkleeftheid in alle gelegenheden waaren nog meer voor hem pleitende dan ik zelf, en de Heer Arsénieff wilde een zo goed voorwerp bij zich houden; dog de eerzucht van den armen Golikoff[216] bepaalde zich om in de bezetting van Yakoutsk ingelijfd te worden, werwaards hij door de hartelijke liefde voor zijn Vader in die stad woonachtig, en door zijne genegenheid voor de Heer Kasloff geroepen wierd, dewijl hij zich gelukkig achtte om onder het bevel van dien Heer te dienen; diergelijke gevoelens vermeerderden de belangneeming welke mijne verhaalen reeds hadden ingeboezemd, en mijn begunstigde verkreeg dadelijk de gunst die ik voor hem verzogt had.
Ik ging vervolgens bij de Heer Poskatschinn, de bijzondere vriend van den Heer Kasloff, een bezoek afleggen, wiens aanbeveeling mij allerleie beleeftheden verzorgde. Ik vond daar een Roomsch priester, naar Siberien gezonden om de hulp van zijne bediening aan de Christenen der Roomsche kerk te verschaffen; hij houd deszelfs gewoonlijk verblijf te Irkoutsk.
1788. Augustus Te Irkoutsk.
Beschrijving van de stad Irkoutsk.
Deeze stad, de hoofdplaats van de landvoogdij van Irkoutsk en Kolivanien, is gelegen op den oever van de Angara en nabij de uitwatering van de Irkout die haar deszelfs naam meededeelt; men ziet in haare uitgebreide omtrek verscheide steenen huizen, en kerken met tigchelsteenen gebouwd: de houte huizen zijn groot en gemaklijk aangelegd, de bevolking is talrijk en de gezelschappen luisterrijk; de meenigte van Officieren en regeerings perzoonen welke dezelve uitmaaken, hebben daar de gebruiken en gewoontens van Petersburg ingevoerd. Er bevinden zich aldaar geene lieden van aanzien of zij houden rijtuig; de rang en de waardigheden bepaalen het getal der paarden welken men voor deeze rijtuigen, die met de onzen overeenkomen, spant.
Ik heb reeds gezegt dat alle de rechtbanken der nabuurige provincien onderhoorig zijn aan die geenen welken in deeze stad gevonden worden; zij is ook de zetel van een Aartsbisschop, een zeer eerwaardig prelaat, die de Opperpriesterlijke diensten in de geheele uitgestrektheid van dit gedeelte des Russischen rijks uitoeffent.
Koophandel van Rusland met China.
Dog het is voornamelijk aan den handel dat deeze hoofdstad deszelfs luister verschuldigt is; door haare ligging is zij de stapelplaats van die, welke tusschen Rusland en China gedreeven word; het is bekend dat deezen handel te land geschied; dan eens is dezelve zeer uitgebreid, dan eens kwijnende en dikwils afgebroken geweest, ook heeft ze zo veele veranderingen ondergaan, dat het volgens mijne gedagten, niet onvoeglijk zal zijn om tot den oorsprong van deeze verstandhouding opteklimmen, ten einde zich een denkbeeld te kunnen vormen van deszelfs tegenwoordig bestaan, en van den aanwasch waar voor die vatbaar zou kunnen zijn.
De eerste betrekkingen zijn reeds in het midden der voorige eeuw begonnen, omtrent het tijdstip van den inval der Mantchousche Tartaaren, die, na dat zij een geruimen tijd de noordelijke provincien van het Chineesche rijk hadden verwoest, eindigden met het zelve geheel te overheeren. Het was aan een landvoogd van Tobolsk dat Rusland de eerste denkbeelden verschuldigt was, over de geschiktste middelen om dien handel te beginnen; dezelve waaren de vruchten van eene pooging te Pekin, door eenige vertrouwde persoonen door hem derwaards gezonden, ondernomen; wel verre van door den slegten uitslag deezer zendelingen afgeschrikt te weezen, vereenigden zich eenige Russische en Siberische Kooplieden, om van derzelver ontdekkingen, indien het mogelijk waare, nut te trekken. In het jaar 1670 vertrok derzelver Caravaane, welke met nieuwe inlichtingen en ondubbelzinnige bewijzen van voordeel terugkwam; van toen af vermeenigvuldigden de maatschappijen, de togten wierden meermaalen ondernomen en de stigtingen uitgebreid.
Zo veele vorderingen verwekten bij de Chineezen argwaan, die beslooten daar aan paalen te stellen, sterktens wierden opgericht ten einde een nabuur tegentehouden, die ieder dag voorwaards komende zo door de rivier Amour, als door de oostelijke zee en de Selinga, ongevoelig de grenzen van China naderde; Deeze verweerende maatregelen waaren de oorsprong van zeer hevige verschillen, tusschen de twee rijken omtrent derzelver grenspaalen; daar vielen eenige vijandelijkheden voor, en eindelijk eene openbaaren oorlog; verscheidene jaaren wierden doorgebragt met het belegeren van steeden, beurtelings ontmanteld en weder hersteld, tot dat eindelijk in 1689, de twee hoven, door de bemiddeling van de Paters Jesuiten Gerbillon en Pereira, van wegens de Keizer van China gemagtigt, een verdrag van vreede en eeuwigduurende vriendschap[217] te Nertschinsk slooten, het welk op twee steenen of paalen, op de grenzen van ieder rijk geplaatst, moest gegraveerd worden.
Het zelve verzekerde wederzijds de vrijheid van den koophandel, aan alle onderdaanen der beide mogendheden, welken van vrijgeleibrieven van derzelver hoven voorzien waaren: echter wist China zich voor deszelfs toegeevendheid zeer wel schadeloos te stellen, door de afstanden die ’t zelve van Rusland gevorderd had, het welk bij deeze gelegenheid, niet alleen een aanzienlijk gedeelte van deszelfs bezittingen, maar ook de scheepvaart op de rivier Amour tot aan de oostelijke zee, verloor.
Tot schadeloosstelling, of in de hoop van meer voordeel van deezen handel te zullen trekken, gelastte de Tzar[218] Pieter de Groote in 1692 aan Ysbrand Yves, een Hollander van geboorte, die zich in zijn dienst bevond, om aan het hof van Pékin voor de Caravaanen, het genot van de voorrechten het welk het jongste verdrag aan de bijzondere persoonen toestond, te verzoeken; den uitslag van het gezantschap beantwoorde aan de verlangens van het hof van Petersburg; de Caravaanen wierden toegelaaten, en dewijl het zelve aan zich het uitsluitend recht behield om die te zenden, genoot het ook al het voordeel[219]; deeze reizen duurden drie jaaren; de Russische Kooplieden welken de Caravaane uitmaakten, waaren in een Caravensera opgeslooten; alwaar de ruilingen geschiedden, en geduurende derzelver verblijf te Pékin, wierden ze ten koste van den Keizer onderhouden.
Deeze eensgezindheid was tusschen de twee mogendheden van geen langen duur; nieuwe onlusten door het slegt gedrag, de dronkenschap, en de beledigende handelwijzen van eenige Russen, in het midden zelfs van de Chineesche hoofdstad, verwekt, dreigden andermaal derzelver handel te vernietigen; het gezantschap van Ismaëloff hield ze echter staande: door de bekwaamheid van deezen onderhandelaar, Capitein van de lijfwagt van den Tzar, wierden de wanordens hersteld, en de klagten gestild; het misverstand wierd door het vertrouwen en de zekerheid opgevolgd: om zodanige gelukkige geneigtheden te behouden, bleef Laurent Lange te Pekin onder den titel van Agent der Caravaanen.
Na het vertrek van dien gezant, gingen de zaaken agterwaards, en de buitenspoorigheden van de Russen vermeerderden; hier door wierd de trotsheid en het wantrouwen, de Chineezen zo eigen, opgewakkerd; de weigering om verscheide Mongolsche horden uitteleveren, die zich aan den Tzar onderworpen hadden, voltooide verder, van de Keizer te verbitteren; hij bande alle de Russen uit zijne staaten, en zedert dit oogenblik was alle gemeenschap tusschen de twee volkeren afgebrooken.
In 1727, gelukte het de Graaf Ragouzinskoi, Russisch gezant bij den opvolger van den wraakzugtigen Kan-hi, om de verbintenissen van Koophandel door een verdrag te vernieuwen, dat onherroepelijk de paalen van ieder rijk vaststelde,[220] en de Kooplieden aan een onveranderlijk reglement onderwierp; gemaakt om voor altoos alle bronnen van verdeeldheid te doen opdroogen.
Hier door wierd het aan het Hof van Petersburg vrijgelaaten om alle drie jaaren eene Caravaane naar Pékin te zenden; het getal der Kooplieden wierd op twee honderd bepaald; op derzelver aankomst aan de Chineesche grenzen, moesten zij daar van aan den Keizer kennis geeven, ten einde dat een Chineesch Officier hen zou komen af haalen, en tot aan de hoofdstad geleiden, alwaar zij op kosten van den Keizer zo lang als derzelver handel duurde, zouden onderhouden worden; men kwam nog overeen dat de koopgoederen van bijzondere persoonen niet over de grenzen zouden komen, en deeze het voorrecht niet genieten van in alle de Chineesche en Mongolsche bezittingen te mogen handelen. Ingevolge daar van wees men hun twee plaatsen op de grenzen van Siberien aan, de eene genaamd Kiakhta, na eene beek die deszelfs omgelegen streeken bewaterd, de andere Zurukhaire[221], gelegen op den linker oever van de Argoiin, en zij waaren gehouden om derzelver koopwaaren in de magazijnen van deeze twee steeden opteslaan.
Niettegenstaande de plegtige bekragtiging van alle de bedingen van dit verdrag, ondervond de uitvoering van het zelve ongetwijffelt tegenstand; de zuurdeessen van het misnoegen geraakte aan het gisten, of de kwaade trouw hernieuwde de hairkloverijen: hoe dit ook zij, men zag in den tijd van zeven en twintig jaaren niet meer dan zes Caravaanen uit Rusland vertrekken; na de afzending van de laatste, geraakte deeze handel aan het kwijnen, zijnde een noodzakelijk gevolg van het wantrouwen.
Ik gaa de opgaaf der bezwaaren voorbij, welke de Chineezen ten lasten van de Russen meenden te hebben; verscheiden bekende geschiedschrijvers hebben verslag van de klagten gegeeven, welken veroorzaakt wierden door de agter elkander volgende verhuizingen van de Kalmouksche Tartaaren, en van eene meenigte Toungoussers die allen door het hof van Petersburg vriendelijk ontfangen wierden; men heeft deszelfs behendige staatkunde zich beurtelings gemaatigd en bedreigende zien gedraagen, dog teevens altoos ontwijkende om China genoegen te geeven.
Deeze twisten duurden tot op de komst van de regeerende Keizerin op den throon; naauwlijks had Catharina II. de teugels der regeering in handen genomen, of zij zag ten voordeele van haar onderdaanen, van den uitsluitenden handel in pelterijen, en van het zenden der Caravaane naar Pékin af; deeze daad van rechtvaardigheid en weldaadigheid, het verstand en het hart van deeze souvereine waardig, was echter niet voldoende om aan den handel deszelfs voorige werkzaamheid weder te verschaffen: de vijandschap tusschen de twee rijken wierd nog meer aangezet door de omstandigheid van die zelfde Toungoussers, die, geen behaagen meer vindende in, en misnoegt over derzelver nieuwe verblijfplaats, zich eensklaps aan de Russische heerschappij onttrokken, en naar hun vaderland keerden, ten einde zich weder onder het Chineesche gebied te stellen.
Zedert heeft men gezien dat de twee volkeren alle verbittering hebben afgelegt, zich oprechtelijk vereenigt, en dat de goede verstandhouding tusschen de kooplieden van dag tot dag meer toenam en belangrijker wierd; naar maate dat de Russische comptoiren te Kïakhta, het welk bevolkt, vergroot en versterkt is geworden, vermeenigvuldigden, begaven ook de Chineezen zich naar hun vlek Zurukhaire of Naïmatschinn; door wederzijdsche commissarissen wierden de ruilingen bestierd, en de Mongolsche taal wierd in de onderhandelingen gebruikt, dewelken door tolken geschiedde.
Het is ’er verre van daan dat de Russen het voordeel van den handel zouden genieten; de Chineezen, die zich altoos in maatschappijen vereenigen, zijn oneindig ijveriger omtrent het waarneemen hunner belangens en veel omzichtiger in hunnen handel, ook weten zij altoos de prijs der Russische Koopmanschappen te bepaalen, en deeze behendiglijk daar heenen te leiden, om hunne Koopmanschappen, volgens de eerst gestelde prijs, waar van zij nooit afgaan, te koopen, de Thee, bij voorbeeld, verschaft hun een onnoemlijk voordeel[222]; zij verkoopen die zo duur, dat de koopers vervolgens genoodzaakt zijn om zich daar van met verlies weder te ontdoen; om zich deswegens schadeloos te stellen, tragtten deeze derzelver pelterijen, waar van de Chineezen groote liefhebbers zijn, in prijs te vermeerderen; dog derzelver loosheid doet hen tegens die bedriegerij op hunne hoede zijn.
Ik zou te langwijlig worden indien ik hier alle de zaaken wilde optellen die bij deeze ruilingen in aanmerking komen; Ik verzoek den nieuwsgierigen leezer om het werk van Coxe of Pallas in te zien, die beide dit onderwerp zeer breed hebben behandeld, volgens de naspooringen welken zij omtrent den uit- en invoer in den jaare 1777 gedaan hebben, begrootten zij het geheel van deezen handel op vier millioenen roubels; dog zedert dien tijd, bevestigen verscheiden geloofwaardige verhaalen dat dezelve aanmerkelijk is verminderd; tegenswoordig zelfs kan men zeggen dat ze geheel te niet geloopen is[223].
Toebereidzelen tot mijn vertrek.
De toebereidzelen tot mijn vertrek bestonden alleen in het koopen van een Kibitk[224]. Ik was nu niet meer door het meedeneemen van leevensmiddelen belemmerd, ook was ik zeker van op iedere wisselplaats zo veel te zullen vinden als ik zou noodig hebben; de Heer Gouverneur gaf mij een poradojenei of vrijgeleibrief tot Petersburg. Er wierd vastgesteld dat ik door een soldaat van de bezetting zou vergezeld worden, wiens kloekmoedigheid en getrouwheid beproeft was, en dat een der postbodens van het Cabinet van den Heer Gouverneur Generaal, door wien deeze bijzonder aanbevolen was, zich met mij zou begeeven; ten einde mij op mijn togt door zijn raad en ondervinding de behulpzaame hand te bieden.
1788. Augustus Den 10.
Mijn afreize en laatste trek van de genegenheid van Golikoff voor mij.
Ik nam van den Heer Arsénieff afscheid; zijn zoon en de Heer Dolgopoloff wilden mij volstrekt tot aan de eerste wisselplaats uitgeleide doen, niettegenstaande alle mijne aangewende poogingen om zulks voortekomen; wij stapten in het rijtuig, wanneer den braaven Golikoff geheel in traanen zwemmende, mij smeekte dat ik hem de vrijheid wilde vergunnen om mij even zo ver als die twee Heeren te mogen volgen, dit was voor hem, zeide hij tot mij, de aangenaamste belooning die ik hem kon toestaan; deeze jongste trek van genegenheid doorgriefde mij het hart, en ik ontwaarde dat ik, wanneer ik hem zijn verzoek toestond, niet minder gelukkig was dan hij.
Na dat ik de rivier Angara[225] met een pont was overgevaaren, bereikten wij in weinig tijds de plaats onzer scheiding; terwijl ik mijne dankzeggingen en afscheidsgroet aan den Heer Commandant en de Heer Arsénieff hernieuwde, tragtte Golikoff, zich agter het rijtuig schuil houdende, zijne traanen te verbergen, terwijl hij mij aan de zorg van den soldaat die hem zou opvolgen aanbeval; wanneer mijne paarden in gereedheid waaren, berste eensklaps zijne wanhoop uit, hij schoot toe en omhelsde mijne knieën, onder het uitroepen dat hij mij nimmermeer verlaaten zou. Ik mogt hem bij herhaaling zeggen, dat het niet van mij afhing om hem mêe te neemen, dat hij zulks wel wist, dog niets kon baaten; mijne redeneeringen, mijne vriendelijkheden, niets vermogt op hem om mij los te laaten; men moest hem van mijne voeten en vervolgens van het rijtuig het geen hij gegreepen had, wanneer hij mij verloor, afscheuren; nimmer, geloof ik, onderging mijne aandoenlijkheid heftiger aanval, ik vertrok zeer bedroefd; de smert, van de aandrift mijner dankbaarheid niet te hebben kunnen volgen[226] door aan den wensch van dien waardigen man te voldoen, kwelt mij nog heden, en daar blijft mij niets anders overig dan de hoop, dat zulks ter zijner kennis zal komen, want ik durf mij niet vleijen hem eenmaal te zullen wederzien.
1788. Augustus
Bijzonderheden van mijne reis.
Ik vind mij nu genoodzaakt om van de order, die ik in het opgeeven mijner dagelijksche aantekeningen gehouden heb, aftezien; mijne reis tot Petersburg is zo spoedig volbragt, namelijk van den 10 Augustus tot den 22 September, dat het mij onmogelijk is geweest om dezelve met mijne voorige naauw gezetheid optetekenen; om dezelve reden zal men de kortheid mijner aanmerkingen wel willen verschoonen; het land dat ik doorliep is daarenboven zo menigmaal door getrouwe en bekwaame pennen beschreeven; deeze reizigers hebben zo veel bekoorlijks en belangrijks in derzelver verhaalen verspreid, dat men mij van verwaandheid en letterdieverij zou moeten beschuldigen, indien ik ondernam breedvoeriger uitteweiden, over een onderwerp het geen zij grondig onderzogt hebben, terwijl ik naauwlijks de tijd gehad heb om het zelve oppervlakkig te bespiegelen; verscheidene van deeze werken zijn eerst onlangs geschreeven, en de nieuwsgierigheid van den leezer zal daar stof genoeg aantreffen om die te voldoen[227]: Ik zal mij dus bepaalen om van niets anders dan het geen mij in persoon betreft, te spreeken.
Eerst trok ik een kleine streek van Bratskis bewoond, door; zou dit het volk niet zijn het welk door de Franschen Burates genaamd word? Voorbij Oudinsk kwam ik te Krasnoyarsk, alwaar ik vier en twintig uuren stil hield om den as van mijn rijtuig te laaten herstellen; deeze laatste stad ontleent deszelfs naam van den roodachtigen en steilen oever van de Yéniséi die langs deszelfs muuren loopt.
Woestijn van Baraba of Barabinskoi-step.
Vervolgens bereikte ik de woestijn genaamt Barabinskoi-step; de dienst van de post word daar door bannelingen van allerleie soort verricht, welkers wisselplaatzen vijf en twintig, en somtijds vijftig wersten de eene van de andere gelegen zijn; deeze ongelukkigen hebben dezelfde levenswijze, als die geenen die mij van Yakoutsk tot aan Péledoni bragten; zij zijn niet gedienstiger, nog minder woest; in luiheid schijnen ze de anderen te overtreffen.
Gewoon aan de vrugtbaarheid, aan den rijkdom der velden in den omtrek van Irkoutsk, bebouwd door de arbeidzaame Starogili kan het oog zich vervolgens niet zonder moeite aan deeze onbebouwde vlaktens gewennen; men gevoeld zich aangedreeven om deeze treurige strijdigheid aan de onverschilligheid van deszelfs snoode bewooners toeteschrijven, hoe zeer men echter wel bemerkt dat de grond onvrugtbaar is; men zou meenen dat de natuur, in overeenstemming met de openbaare wraak die hen vervolgt, zich ten hunnen opzichte eene stiefmoeder betoond; het aardrijk waar heen den arm der gerechtigheid hen verstooten heeft, schijnt hun met weerzin te draagen, haare uitgedroogde schoot onttrekt zich aan derzelver bebouwing.
1788.
Voorval in deeze woestijn.
Mijne postbode die den rang van Sergeant had, behandelde deeze ellendigen niet met die bescheidenheid als wel gevoeglijk was; om zich te doen gehoorzaamen, deelde hij dikwils stokslaagen uit, en mijne vertoogen dien aangaande konden hem van zijne haastigheid niet geneezen, welke hij gewoon was zijne dagelijksche zonden te noemen. Eens ontkwam hij het gevaar om die op eene schrikkelijke wijs te moeten boeten; aan een wisselplaats gekomen, vonden wij geen paarden; de man welke dien dag den dienst moest waarneemen, had de strafwaardige stoutmoedigheid gebruikt om hooij te gaan haalen; twee uuren verliepen er; niemand kwam te voorschijn, en mijn courier neemt het besluit om van mijn soldaat verzeld, paarden te gaan zoeken, met het vaste voorneemen om zich van de eerste die zij vinden zouden meester te maaken; na verloop van een half uur kwamen zij zeer bezweet terug, mij maar één paard aanbrengende; om ’er zich meester van te maaken, waaren zij genoodzaakt geweest van te vegten; terwijl zij bezig waaren met mij te verhaalen hoe zich de zaak toegedraagen had, kwam hij, die zij als den aanvaller voorstelden, naar mij toeloopen om zich te beklaagen, dat men hem de helft van zijn baard afgescheurd had; op het zelfde oogenblik wierd ik van meer dan vijftig persoonen omringd, die ik niet wist van waar ze gekomen waaren, want toen ik in het dorp aankwam, hadden wij niemand dan den Starost kunnen ontdekken; Ieder overlaadde om het zeerst mijn courier met scheldnaamen; ik had lang werk eer ik gehoor kon krijgen; deeze in plaats van mij te helpen om de gemoederen tot bedaaren te brengen, word onze postillon gewaar die van het veld te rug kwam; hij loopt naar hem toe, en zijn arm doet hem het verwijl dat hij ons veroorzaakt had duur betaalen; de man met de afgescheurde baard wilde zijn makker wreeken, dog op bevel van mijn sergeant courier, wist mijn soldaat hem zulks te beletten, en ik zag mij genoodzaakt om hem uit zijne handen te verlossen; door geweldig schreeuwen, door bidden en smeeken, bragt ik eindelijk de strijdenden tot bedaaren; Ik had alle reden om over mijne gemaatigdheid, te vreden te weezen; de getuigen waaren woedende over de behandeling, hun gebuur aangedaan; ongetwijffeld zouden zij ons vermoord hebben, indien ik niet op staande voet, aan mijne twee onbedagtzaame, bevoolen had, van naar mijn rijtuig weder te keeren, en onzen voerman aantezetten om zijne paarden voortespannen; men wilde hen vervolgen, dog het gelukte mij de meenigte tegen te houden, en zij geraakten met eenige scheldnaamen vrij; zo dra ik de misnoegden ter neer gezet had, spoedde ik mij om bij mijn Kibitk te komen, en rekende mij eerst in veiligheid wanneer ik buiten hun bereik was.
Aankomst te Tomsk.
Ik was zeer bevreest dat deeze gebeurtenis rugtbaar zou worden; echter wierd ik tot aan de stad Tomsk, alwaar deeze woestijn eindigt, geen het minste blijk van beweeging gewaar; mijne luiden brandende van begeerte om derzelver klagten voor den Capitein Ispraunik te brengen, riepen mij tot mijn uiterste leedweezen tot getuige; dien Officier deed mij de gevaarlijke gevolgen van deeze zaak begrijpen, en de onmogelijkheid om de goede order en de ondergeschiktheid te kunnen bewaaren, indien deeze bannelingen van Baraba niet gestrengelijk gestraft wierden: dienvolgens was zijn voorneemen om zich naar de plaats te begeeven ten einde een voorbeeld te stellen.
Wie de Commandant was.
Mijn bezoek bij den Commandant van Tomsk deed mij welhaast dit onaangenaam voorval vergeeten. Ik vond in hem een Franschman genaamd de Heer de Villeneuve: hij bekleed den rang van Colonel; hij ontving mij als een landsgenoot, en dit is genoeg gezegd om een begrip te kunnen vormen van onze onderlinge blijdschap wanneer wij elkander zagen; het scheen mij toe als of ik reeds voet in Frankrijk gezet had.
Aanmerking over de stad Tomsk.
Tomsk is vrij fraaij; een gedeelte van de stad ligt op eene hoogte alwaar het huis van den Commandant de meeste vertooning maakt, het ander daald nederwaards tot aan de rivier Tom; ik bleef ’er niet langer dan noodig was om de wielen van mijn rijtuig te doen vermaaken.
Ontmoeting van bannelingen naar Nertschinsk gezonden.
Ik ontmoette verscheiden benden van bannelingen of galeiboeven,[228] en men waarschuwde mij van op mijne hoede te zijn; daar ’er zeer dikwils ontsnappen, zijn de boeren genoodzaakt dezelve zo wel plichtshalven als tot hunne eigen veiligheid optezoeken; niets is inderdaad gemaklijker voor deeze bannelingen dan op den weg te ontsnappen; ze worden wel door wagten begeleid, dog nooit aan elkander geketend; Ik heb er tot tagtig toe in de bosschen gezien die dezelfde bestemming hadden; zij waaren in hoopen van vier, vijf, zes mannen en vrouwen gescheiden, die den een den ander somtijds op den afstand van twee of drie wersten volgden; die galeiboeven worden vervolgens in de verschillende mijnen van Siberien verdeeld; deeze gingen naar Nertschinsk.
Overtogt van de Ob of de Obi.
Ik moest de voornaamste rivieren van deeze provincie overvaaren, als de Oka, de Yéneséi, de Tom, de Obi welke de Russen de Ob noemen; Op deeze laatste liep ik groot gevaar in een kleine pont die in zulk een slegten staat was, dat ze in het midden van de rivier vol water liep; wij zouden ons niet gemaklijk hebben kunnen redden, indien ik niet de voorzorg gebruikt had van aan die pont, een nog kleinder schuitje vastgemaakt te hebben, en zo de bewooners van den anderen oever ons niet spoedig vaartuigen aangebragt hadden.
Komst te Tobolsk, en beschrijving van de stad.
Voor dat ik te Tobolsk aankwam, toog ik tweemaal over de Irtisch, de laatste bij de mond van de Tobol; deeze hoofdstad tusschen die twee vloeden gelegen, moet één der fraaijste steden van Siberien geweest zijn, dog zij was onlangs een prooij der vlammen geworden, waar door het grootste gedeelte der stad in assche was gelegd; te vooren was ze in twee-en verdeeld, in de laage en hooge stad: de eene gebouwd op het plat van een berg vertoonde verscheide fraaije steenen gebouwen; het andere bestond uit houten huizen, die de eerste door de vlammen verteerd wierden; langzaamerhand sloegen ze over naar het bovenste gedeelte van de stad en de steenen gebouwen, alwaar ze niets dan de muuren overlieten; Ik was dit treurig schouwspel niet wagtende, het maakte eene zo levendige als diepe indruk op mij; nimmermeer zal ik het verbijsterd gelaat vergeeten der ongelukkige inwoonders die, van de grootste tot de kleinste, met allen iever, dog in een diep stilzwijgen aan den arbeid waaren, om derzelver verlies te herstellen; reeds begonnen de overblijfzels der verwoestingen door het vuur aangericht te verdwijnen, en men zag de eerste beginzelen van eenige huizen en winkels oprijzen, alle in steen herbouwd: het is waarschijnlijk dat het overige van deeze stad even hegt en sterk zal hersteld worden.
Catherinenburg; Goudmijn in deszelfs omtrek.
Wanneer ik dezelve verliet, trok ik voor de derdemaal de Irtisch over, om mij naar Catherinenburg of Yékatherinbourg te begeeven, alwaar ik vier en twintig uuren verbleef, ten einde de noodige verbeeteringen aan mijn rijtuig te laaten maaken; ik maakte van die tijd gebruik om een goudmijn in den omtrek te bezoeken, als meede de plaats alwaar men het koper geld slaat.
Aanmerking wegens de Tartaaren.
Ik zal den leezer wederom naar de schrijvers, die ik aangehaald heb verwijzen, om eene beschrijving te erlangen van de Tcheremissische, Tchouvaschissche, Votiaguissche en Tartarische Volkplantingen; Ik zal alleen omtrent deeze laatste zeggen, dat de zindelijkheid van het inwendige hunner wooningen mij verwonderd heeft; ongetwijffeld om dat ik mij een weinig te gemeenzaam met het tegengestelde gebrek onder de Kamschatters, Koriaken &c. gemaakt had; deeze Tartaaren hebben vaste woonplaatsen, zijn landbouwers en vermoogend in Graanen en Vee; zij belijden de Mahometaansche Godsdienst.
Kapzel der Tcheremissisch.
Het Kapzel der Tcheremissisch kwam mij zeer zonderling voor; dit is een stuk uitgebeiteld hout, van agt a tien duim lang en vier a vijf breed, het welk men bijna aan de wortel der hairen plaatst, zodanig dat het bovenste gedeelte van dit soort van kussen (toque) een weinig over het voorhoofd heen hangt, men maakt het zelve vast, vervolgens omwind men het met een witte neusdoek, die geschilderd of geborduurd is; de hardste couleuren, de tekeningen die het meest opgevuld zijn, genieten de voorkeur, en eene breede franje of een gouden of zilveren kant, naar maate van de pracht of het vermogen der bijzondere perzoonen, omzoomt deeze neusdoek, die zeer groot is en agterwaards afhangt; wat de kleeding aangaat, ik kan dezelve niet beter vergelijken dan met onze nagtjaponnen.
Ontmoeting van Heidens.
Eene Caravaane van heidens (Bohémiens) die ik ontmoette, zeide mij, terwijl zij mij tevens om geld vroegen, dat zij een kleine streek gingen bevolken en ontginnen op den oever van de Wolga niet ver van Saratoff.
De stad Casan.
De noodzaaklijkheid om mijn paspoort door de Gouverneur van Casan te laaten onderzoeken, en de moeijelijkheid om paarden te bekomen, dewijl ik aldaar laat aangekomen was, deed mij tot den dag in deeze stad verblijven; de Wolga die deszelfs muuren bespoeld, maakt deszelfs ligging aangenaam; deszelfs huizen zijn meest van hout, en de Kerken van steen: men verhaalde mij dat zij de zetel van een Aartsbisschop is.
Ongeval mij bejegend.
Aan geene zijde van de Wolga[229], eene rivier beroemd om deszelfs scheepvaart, en die in de Caspische zee uitwatert, reed ik voorbij de steden Kouzmodémiansk en Makarieff; deeze laatste vermaard door deszelfs lijwaat fabrieken is eigentlijk maar een vlek; Ik was niet ver van daar, en zo even het gevaar van een waggelende en slegt vastgemaakte brug ontkomen, wanneer mijne onverduldigheid mij bijna het leeven kostte; mijn postillon gaande gemaakt, door mijne herhaalde aanporringen, voerde mij zeer spoedig voort[230]: op eenmaal hoor ik tegens de bak van mijn Kibitk slaan; ik stak het hoofd buiten en ontfing een slag die mij in mijn rijtuig werpt; Een schreeuw van den courier die aan mijn zijde was, waarschuwde mij dat ik gekwetst was; In der daad, het bloed stroomde langs mijn voorhoofd; men hield stil en ik stapte van het rijtuig, men bevind dat de omkring van een der wielen gebrooken was, en waar van de scherpe kant mij des te sterker getroffen had, naar maate dat wij harder voortreeden; wanneer ik aan mijne wond raakte kwam mij dezelve breed en diep voor; ik meende zelfs te gevoelen dat mijn harssenpan beschadigd was, in een woord, ik beschouwde mijn einde nabij.
Hier kan ik met waarheid zeggen, dat mij de woorden ontbreeken om mijne overmaatige wanhoop afteschetsen; na zo veel tegenspoed, na zo veele gevaaren te boven gekomen te zijn, nu ik eerlang Petersburg meende te bereiken, waar na ik vierig verlangde om den besten der vaders aan mijn hart te drukken, die ik in geen vier jaaren gezien had; op het punt van in mijn Vaderland wedertekeeren; van mij van mijne zending te kunnen kwijten, door de overgifte van mijne belangrijke brieven; en in dit oogenblik te gelooven van door den doodelijke slag getroffen te zijn! Verbijsterd door deeze bedenking, voelde ik mijne knieën waggelen, mijn hoofd omdraaijen; Gelukkig deed mij de aangebragte hulp van mijn gezelschap tot mij zelfs komen; ik greep moed, deed mij het hoofd met een doek sterk vastbinden, het wiel wierd zo goed mogelijk vermaakt, en wij bereikten spoedig de laatste wisselplaats voor Nijenei-novogorod.
Ik liet mijn Kibitk in dit dorp, onder de bewaaring van mijn soldaat, aan wien ik bevel gaf om dezelve te doen vermaaken, en ze mij in de naaste stad wedertebrengen; terwijl men voor mij een post rijtuig aanspande, en daarop mijn kistje laadde, ging ik in een Kabac alwaar men op mijne wond van de sterkste brandewijn goot; en vervolgens stelde eene goede compres mij in staat om de vijfentwintig a dertig wersten afteleggen, die mij nog tot Nijenei-novogorod te doen stonden.
De Chirurgijn Majoor bij wien ik stil hield was afwezig; men bragt mij om hem aftewachten, in een wezentlijke spelonk; de begeerte om onbekend te blijven, en de onzekerheid van mijn toestand deed mij besluiten om mij niet bij den Gouverneur te laaten aanmelden; In den agtermiddag ging ik wederom te vergeefsch bij dien Chirurgijn; verdrietig over mijn lijden zonder te weeten hoe ik mijne kwetsuur zou behandelen, vernam ik of ’er dan niemand was die mij helpen kon; men wees mij naar een podléker of tweede Chirurgijn, die men eindelijk na veel tegenstribbelens van zijne kant bij mij bragt; zijn voorkomen gaf mij geen groot denkbeeld van zijne bekwaamheid en maatigheid; hij had al de onbeschoftheid en de waggelende gang van een dronk mensch; echter behield de noodzaaklijkheid om mijne wond te laaten peilen, de overhand op mijne afkeerigheid, om mij aan zodanige handen overteleveren; dog den ellendeling had zijne instrumenten vergeeten; wie zou gelooven dat een speld het sondeeryzer was, het welk hij ter leen vroeg? het onderzoek gedaan zijnde; zeide hij mij al stamerende, dat mijn bekkeneel open, dog in het minst niet beschadigd was, en dat ik door brandewijn met water gemengd er op te doen, mijn reis kon vervolgen; hij wilde mij vervolgens aderlaaten, dan het denkbeeld om mijn arm aan deezen dronkaard te waagen deed mij beeven; na dat ik hem bedankt, betaald en heen gezonden had, stapte ik weer in mijn Kibitk, mij gelukkig achtende, dat ik van de konstbewerking en van hem die ze verricht had, bevrijd was.
Nijenei-novogorod.
Nijenei-novogorod ligt zo als algemeen bekend is, aan de Wolga, en gelijkt in allen opzichte naar de Russische steeden; men beroemde zich, bij mijn doortogt van aldaar een troup nationaale toneelspeelers te bezitten.
1788. September.
Komst te Moscou.
Wanneer ik Wladimer verliet, bereikte ik spoedig Moscou; de fransche Vice-Consul de Heer de Boffe, deed al wat in zijn vermogen was om de bekwaamste heelmeesters optezoeken, ten einde mijne kwetsuur te onderzoeken; zij stelden mij allen gerust, hoe zeer ik vrij hevige hoofdpijnen gewaar wierd; Ik was des te meer daar over opgebeurt, dat ik deswegens niets te vreezen had, dewijl ik terzelfder tijd eene nieuwstijding vernam die anders wel geschikt was om mijne smerten te vermeerderen; de Heer de Boffe verhaalde mij, dat mijn vader zich niet te Petersburg bevond; dierhalven, zou ik in de vooronderstelling dat ik gevaarlijker getroffen, en dat die stad de eindpaal mijner reis en van mijnen loopbaan zou geweest zijn, de vertroosting zelfs niet genooten hebben, van mijn leeven in de armen van hem te eindigen, aan wien ik het zelve verschuldigd was.
Aankomst te Petersburg.
Dewijl mijn rijtuig geheel in wanorder was, liet ik dat te Moscou agter, van waar ik met postrijtuig vertrok die telkens verwisselden, deeze waaren zo klein en ongemaklijk, dat ze ons zelfs niet voor de regen beveiligden; Ik trok door Twer, Vouischnei-Volotschok, Novogorod en Sophia digt bij Tsarsko celo gelegen,[231] en ik kwam des nagts van den 22 September te Petersburg; na dat ik in veertig dagen zes duizend wersten had afgelegd, waar onder ’er nog agt in noodwendige rustplaatsen verlooren waaren geraakt.
1788. September Den 23.
Ingevolge de bevelen van den Heer Graaf de la Perouze, overhandigde ik mijne brieven in handen van den Heer Graaf de Ségur, Minister Plenipotentiaris van den Koning bij de Keizerin; Ik had het geluk genooten van hem bij zijn aankomst in Rusland te leeren kennen, en ik rekende het onder de aangenaamste gebeurtenissen mijnes leevens van hem te Petersburg wedergevonden te hebben, om mij over de afwezigheid van mijn vader eenigzints te troosten. Niet alleen onthaalde mij die minister op het allervriendelijkst, maar hij zorgde daar en boven met eene belangneemende genegenheid voor mijne gezondheid; hij bood mij een zijner couriers aan, om mij op het overige van mijne reis te vergezellen en voor mij zorge te draagen; daar ik echter door de hulp van zijn heelmeester volkomen genezen was, bedankte ik de Heer Graaf de Segur voor zijn verplichtend aanbod, dewijl ik hem van geen man wilde berooven, wiens dienst hij noodig zou kunnen hebben.
1788. September.
Van zijne brieven voorzien, vertrok ik den 26 tusschen elf uuren en middernagt; Ik wierd twee dagen te Riga opgehouden door op nieuws genoodzaakt te zijn van mijn rijtuig te laaten herstellen; te Memel, moest ik agt uuren verliezen, eer de schippers bewogen konden worden, om mij den arm van de zee genaamt Courich haff in een storm overtezetten; Ik sliep te Berlijn, dewijl de Heer Graaf d’Esterno Minister Plenipotentiaris van den Koning aan dit hof, zijn verlangen betoond had om mij ook zijne brieven aantebetrouwen; Ik wierd wegens dit kort verwijl rijkelijk schadeloos gesteld, door de vleijendste aangenaamheden, die mij van wegens dien gezant bejegenden.
October. Den 17.
Komst te Versailles.
Eindelijk zag ik mijn Vaderland weder, en den 17 October des namiddags ten drie uuren kwam ik te Versailles; Ik stapte van mijn rijtuig voor de wooning van den Heer Graaf de la Luzerne, Minister en Staatssecretaris van de Zeemagt; Ik had de eer niet van bij hem bekend te zijn, dog de uitneemende goedgunstigheid waar meede hij mij ontfing, bereidde dadelijk mijn hart tot die dankbaarheid, welke ik hem in zo veele opzichten verschuldigd ben; in mijne oogen bestond de uitsteekende gunst die hij mij bewees, daarin dat hij mij dien zelven dag nog de eer verschafte van aan zijne Majesteit voorgesteld te worden, die zich verwaardigde om mij over verscheidene zaaken en omstandigheden betreklijk mijn reis te ondervraagen, om mij deszelfs verlangen te betuigen van ’er alle de bijzonderheden van te kennen, en in mij den volgenden dag daar voor de belooning te schenken, met mij tot Consul te Cronstadt te benoemen; eene belooning mij des te dierbaarder, dewijl daar door de lofspraak, des betoonden ievers van mijn geheele geslacht zo in de burgerlijke als staatkundige bedieningen, die aan het zelve zijn toevertrouwd geweest, hernieuwd en voltooid wierd.