Note 138 — TWEEDE DEEL. (continued 2)
Reading edition
In deeze bijeenkomsten bestaan de plichtpleegingen niet als bij ons, in eenige zoutelooze plegtigheden, of in koele beleeftheden, verzeld van eenige woorden zonder betekenis.
Naauwlijks is de vergadering gezeten, of de brandewijn word aangebragt, een bediende schenkt voor ieder vreemdeling in het rond drie vreesselijke groote glaazen, waar van een elders genoeg zou zijn om deswegens verschooning te vraagen; hier zou men zeggen, dat zulks alleen een aanzoek was om de dosis te doen verdubbelen of drie maal te vermeerderen; de Koriaksche drinker vergenoegd zich in der daad niet met het eerste glas; onder het aanneemen van het zelve ziet men hem tegens het geheele gezelschap vriendelijk glimlagchen, voor al tegens den heer van het huis, aan wien hij eene kleine buiging met het hoofd maakt, vervolgens verzwelgt hij de drie glazen het een na het ander, die ook weêr aanstonds volgeschonken en geleegd zijn, zonder dat iemand ooit het minste teken van afkeer geeft, zelfs niet de kinderen. Ik zag er een van zes a zeven jaaren, aan wien zijn vader een deezer glazen overgaf, en die het in eens uitdronk zonder zuur zien.
Bij deeze menigvuldige uitdeeling van brandewijn voegde de Heer Gaguen altoos eenige geschenken van ijzer, stoffen of tabak; hij is zelfs zo zorgvuldig, dat hij den smaak en de behoeftens van ieder persoon raadpleegt, de Tchouktchis en de Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, ontfangen van hem, wanneer zij te Ingiga komen, het zelfde onthaal, daar door heeft hij ongevoelig deeze woeste geesten weeten te temmen, en op hun een zeker soort van vermogen en gebied te verkrijgen; eene geringe schadeloosstelling der opofferingen, die hij dagelijks moet doen om aan deeze mildadigheden te gemoet te komen, want hij alleen draagt daar de kosten van, en de duurte van alle deeze zaaken in dit land moet hem deeze uitgaaven zeer lastig maken.