Note 21 — EERSTE DEEL.
Reading edition
Wanneer ik voor deeze Kamschatsche huizen stil stond, heb ik mij dikwils op derzelver gezicht de versmaadende verbaazing van onze Fransche Sybariten voorgesteld, den eenen zo trotsch op deszelfs uitgestrekte paleizen, den ander zo jaloersch van zijne fraaije en opgeschikte kleine vertrekjes, waar in de kunst van verciering alléén voor de vergezogte pracht in huisraad moet wijken: mij dagt ik hoorde hen uitroepen: hoe is het mogelijk, dat menschen deeze elendige hutten kunnen bewoonen? en nogtans is een Kamschatter onder zulk een stulp, waar van de bouworde tot de eerste jaaren der waereld schijnt te behooren, niet ongelukkig; hij leeft daar gerust met zijn gezin, hij geniet ten minsten het geluk van weinig behoeftens te kennen, daar door zelfs is hij minder nooddruftig, en mist alle voorwerpen waar mede hij zijn staat zou kunnen vergelijken.