Note 184 — TWEEDE DEEL. (continued 3)
Reading edition
Ik heb reeds van de spoedige groeijing gewag gemaakt, dagelijks wierd deszelfs vordering zichtbaarder; de zo lang ontbloote boomen verkreegen langzaam derzelver bladeren, en welhaast veranderden de velden in een uitgestrekte weide, met bloemen geschakeerd; welk een toneel voor een man wiens oog geduurende zes maanden niet anders dan bevroozene vloeden, en met sneeuw bedekte bergen en vlaktens beschouwd had! ik verbeeldde mij nu met de natuur te herleeven en van onder deszelfs puinhoopen opterijzen.