Note 165 — TWEEDE DEEL. (continued 3)
Reading edition
Dit was waarlijk veel gevergt; indien men in aanmerking neemt de bijzondere zwakte van deeze arme dieren, die den geheelen winter geen ander voedzel genieten dan takken van wilgen of berkenboomen, wat voor dienst kan men van dezelven na het genieten van zulk een voedzel verwachten! Om een zo langduurig vasten te kunnen doorstaan, hebben ze zeer de rust benoodigt, die men dezelve geduurende dit jaargetij toestaat; en zelfs kan men hen in het begin van de lente nog tot geen arbeid van belang gebruiken, voor en aleer de krachten door eene betere weide hersteld zijn geworden; naauwlijks zijn de velden door den dooij ontbloot, of zij verspreiden zich daar om het zeerst. Met welk eene graagte vallen zij op de eerste grasscheuten die de lente doet ontluiken, niet aan! zij bespieden, om dus te spreeken, die, welke beginnen uittespruiten; dog hoe spoedig de groeijing ook voortgaat, begrijpt men echter, dat ’er nogtans veel tijd verloopt, eer zij derzelver voorige krachten weder bekomen.