(1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
§ I.
§ II.
§ III.
Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen—
Opdat het mij zijn meening moog’ verhalen—
In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!
Reeds henen was dra ’t derde deel gespoed Der uren waarin alle sterren stralen, Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen, Zòò, dat herinnring nòg mij beven doet.
Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen Droegen mijn hart, en in zijn armen had Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;
Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde, Zag ’k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at.... En klagend vlood hij als in bitter leed.
Dit sonnet bestaat uit twee gedeelten: in het eerste gedeelte breng ik mijnen groet en vraag ik antwoord; in het tweede duid ik aan waarop geantwoord moet worden. Het tweede gedeelte begint hier: “Reeds henen was....”
§ IV.
Van dit gezicht af begon mijn natuurlijke geest belemmerd te worden in zijne werking, wijl mijne ziel geheel was overgegeven aan de bepeinzing dier Allerlieflijkste, zoodat ik binnen korten tijd van eenen zoo broozen en zwakken staat werd, dat het vele vrienden bij mijnen aanblik bekommerde; en velen, die vol nieuwsgierigheid waren, gaven zich moeite van mij te weten te komen wat ik van alle dingen het liefste voor anderen wilde verbergen. En ik, hun lastig aandringen bemerkend, antwoordde hen door den wil der Liefde, die mij zulks beval volgens den raad der Rede, dat Liefde degeen was die mij dus had doen worden: ik zeide Liefde, omdat ik in mijn gelaat zoovele harer teekenen droeg, dat ik het niet kon verbergen. En wanneer zij mij vroegen: “Om welke is het dat de Liefde u dus heeft verteerd?” dan zag ik hen glimlachende aan en zeide niets.
§ V.
§ VI.
§ VII.
Gij, die ’k voorbij langs Amor’s weg zie schrijden, Nu wilt aandachtig beiden: Zaagt ge ooit een smart gelijk de mijne groot? O wilt mijn klacht niet ongeduldig mijden: Hoort, hoe aan alle lijden Mijn ledig hart sleutel en toevlucht bood.
Niet naar gering verdienst mij te onderscheiden, Maar uit genâ bereidde Amor me een leven, zoet als geen genoot; En dikwijls hoorde ik heimlijk mij benijden: Wat deugd kon zulk verblijden Schenken een hart dat vreugde vroeger vlood!
Maar ’t lot kwam mij den overmoed ontstelen, Dien ’k zelf ontnam aan Liefde’s schoonen schat; En zòò arm bleef ik, dat Ik zelfs den moed mis ’t andren mee te deelen
En—als uit schaamt’ ’t gebrek dat hij bezat, Zoo menigeen der wereld wou verhelen— Des blijden rol blijf spelen, Terwijl mijn hart smelt in der tranen nat.
§ VIII.
Klaagt, al wie mint, nu ge Amor zelf hoort klagen, Vernemend zijner diepe droefnis reên: Veel vrouwen zag hij jammerend bijeen, Wier bitter leed erbarmen scheen te vragen,
Omdat de lage Dood wreed heeft verslagen Een edel hart, vol zoete lieflijkheên, Verwoestend wat het meest, na de eer, in een Minlijke maagd der wereld moet behagen.
Nu hoort wat laatste eer Amor haar bewees: Over der doode lieflijk beeld gebogen Zag ’k weenen hem in tastbare gedaant’,
En dikwijls hief hij zijn gelaat, betraand Omhoog, tot waar de ziel reeds was getogen Van haar, wier blijde schoonheid men ééns prees.—
Dit eerste sonnet bestaat uit drie gedeelten. In het eerste roep ik de Getrouwen der Liefde aan en wek ik hen op te weenen; en ik zeg dat hun Heer weent, en ik zeg dit opdat zij, vernemend de reden waarom hij weent, meer geneigd zullen zijn naar mij te luisteren. In het tweede verhaal ik deze reden; in het derde spreek ik van een eerbewijs dat de Liefde aan deze jonkvrouw betoonde. Het tweede gedeelte begint hier: “Veel vrouwen....”, het derde hier: “Nu hoort....”
O lage Dood! vijand der teedre harten, Oervader aller smarten, Doemsprake wreed en onafwentelbaar! Nu ’k met een hart van zorg en weedom zwaar, Droef-peinzend ommewaar, Blijve in uw blaam mijn tong vermoeinis tarten!
Om nog uw lage snoodheid te verzwarten, Roepe ik langs weg en markten, Uw ergste arglist uit; schoon ze openbaar Voor elk reeds is, opdat door deze maar Toorn moge ontbranden waar Anders slechts Liefde ontgloeien doet de harten.
Nu moet wel de aarde om haar ontluistring rouwen; Want wat er ’t hoogst te prijzen valt: de deugd, Bloeiend in blijde jeugd, Ontnaamt ge haar in deze hoofsche vrouwe.
Haar naam wil ik u verder niet ontvouwen: Elk kent hem wien haar schoonheid heeft verheugd. Nooit hope hij, wiens deugd ’t Hoogst heil niet heeft verdiend, haar weer te aanschouwen.
Dit sonnet bestaat uit vier gedeelten: in het eerste gedeelte roep ik den Dood aan met enkele zijner toepasselijke benamingen; in het tweede zeg ik, tot hem sprekende, de reden welke mij beweegt hem te smaden; in het derde gisp ik hem: in het vierde wend ik mij tot een onbepaald persoon, ofschoon deze in mijne bedoeling wèl bepaald is. Het tweede gedeelte begint hier: “Nu ’k met een hart....”; het derde hier: “Om nog uwe lage....”; het vierde hier: “Nooit hope hij....”
§ IX.
Onlangs, terwijl ik mijmerende reed, Moede en misnoegd om mijnen langen tocht, Zag ’k, halfweegs, vòòr mij doemen wie mij docht Amor, in pelgrim’s licht gewaad gekleed.
Zijn aanschijn was als van een man die leed: ’t Leek of hij tegen eigen wenschen vocht, Wijl, ’t hoofd omlaag, of hij te mijden zocht Der menschen blik, hij zuchtend verder schreed.
Hij zag me, en bij den naam riep hij mij toe, Zeggend: “Ik ben uit dit ver oord gekomen, Waar door mijn wil de Liefde uw harte bindt;
En ’k peins waar ’k nieuwe vreugden voor u vind.” Toen vulden zòò mij Liefde’s zoete droomen, Dat hij verdween en ’k niet bemerkte hoe.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste gedeelte zeg ik hoe ik de Liefde ontmoette en hoe hij mij verscheen; in het tweede zeg ik wat hij mij zeide, ofschoon niet geheel en al, uit vreeze mijn geheim te zullen verraden; in het derde zeg ik hoe hij verdween. Het begint hier: “Hij zag me....”; het derde hier: “Toen vulden zòò....”
§ X.
Na mijne terugkomst zette ik mij er toe de dame te zoeken, die mijn Heer mij genoemd had op den weg der zuchten. En opdat mijne woorden korter zijn mogen, zeg ik dat ik in weinig tijds haar zoodanig tot mijne bescherming maakte, dat maar al te vele lieden er over spraken op eene wijze, welke de hoofschheid te buiten ging, waardoor ik mij dikwijls zeer hard bedrukt gevoelde. En om deze reden, dat wil zeggen om dit overdreven gerucht, hetwelk mij schandelijk scheen te belasteren, gebeurde het dat de Allerlieflijkste, die de vernietigster is van alle kwaad en Koningin der deugd, langs eenen weg mij voorbij schrijdende, mij haren zoeten groet, in welken gansch mijne gelukzaligheid was gelegen, ontzegde. En, eenigszins van mijn voorgenomen plan afwijkend, wil ik trachten te doen verstaan wat haar groet door zijne deugd in mij verrichtte.
§ XI.
Zoo zegge ik dan, dat wanneer zij van ergens verscheen, door de hoop op haren wonderen groet, niemand meer mijn vijand bleef, maar een brand van liefde mij vervulde, welke mij iedereen die mij gedeerd had deed vergeven: en wanneer iemand mij dan iets gevraagd hadde, zou mijn antwoord alleen geweest zijn: “Liefde”, met een gelaat, omkleed van deemoed. En wanneer zij een weinig nader was aan het groeten, drong een geest van Liefde, alle andere zinnelijke geesten overwinnend, de zwakke geesten des gezichts naar buiten en zeide tot hen: “Gaat henen uwe Vrouwe te begroeten”, en hij bleef in hunne plaats. En wie de Liefde had willen kennen, hadde zulks gekund door de siddering mijner oogen te bestaren. En wanneer dit Allerlieflijkste Heil mij groette, was de Liefde niet zulk een hindernis dat zij mijne niet te bevatten gelukzaligheid verduisterde, maar als door eene overmaat van zoetheid werd zij zoodanig, dat mijn lichaam, hetwelk dan geheel en al onder hare heerschappij was, zich dikwijls slechts bewoog als een zwaar en onbezield ding. Zoodat het duidelijk blijkt dat in haren groet mijne gelukzaligheid woonde, welke dikwijls mijn bevattingsvermogen te buiten ging en overgolfde.
§ XII.
Mijn Lied, nu ga, en bid met zoetste zangen Amor, mijn Heer, dat hij u begeleid’ Naar mijn Meestres en zòò mijn zaak bepleit’ Dat ge vergeving voor mij moogt erlangen.
Mijn Lied, wel zijt ge hoofsch en zoo bescheiden Dat gij u onbevreesd Ook onverzeld zoudt ov’ral kunnen wagen; Doch om gansch zeker elk gevaar te mijden, Zult ge dien goeden geest, Amor, om zijn geleide en bijstand vragen; Wijl zij die luistren moet naar al uw klagen— Wen, als ’k geloof, haar hart zich van mij keert En Amor zelf u niet te spreken leert— Onvriendelijk wellicht u zoude ontvangen.
Hebt ge aldus mijn Gebiedster dan gevonden En medelij gevraagd, Spreek dan tot haar met zoete stem deez’ woorden; “Meestres, hij die mij tot u heeft gezonden, Wenscht, zoo het u behaagt, Dat ge uit mijn mond zijn verontschuldging hoorde. Liefde is ’t die zijn gezicht zoozeer verstoorde, Dat hij ùw schoon in andren waant te zien, En zoo zijn blik hèn hulde schijnt te biên, Toch in zijn hart naar ù slechts blijft verlangen.”
Zeg haar: “Meestres, zòò wankloos en volkomen Heeft hij u lief gehad, Dat ù getrouw te dienen al zijn dagen, Van aanvang af ’t hoogst doel was zijner droomen.” En zoo zij twijfelt, dat Zij ’t Amor, die de Waarheid zelf is, vrage. En smeek tenslotte dat het haar behage— Wanneer vergeving schenken haar verdriet— Dat zij voor haar te sterven mij gebied’, En dankbaar zal ik dit bevel ontvangen.
Maar zeg tot Hem, wien ’k al mijn heil moet danken, Vòòrdat hij henen gaat, Opdat hij haar mijn onschuld moog’ verzeekren: “’k Bid u terwille van mijn zoete klanken, Dat gij haar niet verlaat, Maar van uw trouwen slaaf tot haar blijft spreken. En mocht zij hem vergeven door ùw smeeken, Dat hem haar blik dien schoonen vree dan meld’”. Mijn lieflijk Lied, van Liefde zelf verzeld, Ga nu tot haar om eere en troost te erlangen.
Deze ballade bestaat uit drie gedeelten: in het eerste zeg ik haar waarheen zij gaan moet en spreek ik haar moed in opdat zij met te meer vertrouwen gaan moge; en ik zeg onder wiens geleide zij zich stellen moet indien zij veilig en zonder eenig gevaar gaan wil; in het tweede zeg ik datgene wat zij behoort te doen verstaan; in het derde geef ik haar verlof te gaan wanneer zij wil, haren gang aanbevelend in de hoede der fortuin. Het tweede gedeelte begint hier: “Hebt ge aldus....”; het derde hier: “Mijn lieflijk Lied....” Een of ander zoude hier kunnen tegenwerpen dat hij niet begreep tot wien mijne aanspraak in de tweede persoon zich richtte, aangezien de ballade niets anders is dan de woorden zelf welke ik spreek: en ik zeg daarom dat ik van zins ben dit bezwaar op te lossen en te verklaren in ditzelfde boekske op eene andere, nog twijfelachtiger plaats; en dan zal diegene die hier mocht twijfelen of op deze wijze bezwaar mocht maken, het wel begrijpen.
§ XIII.
Van Liefde spreken nu al mijn gedachten, Doch zòò verward is hun verscheidenheid, Dat de eene fel haar heerschappij bestrijdt, Terwijl mij de andre staag naar haar doet smachten;
D’een telkens weer mij drijft tot wilde klachten, En de aâr mij stilt met hoop van zaligheid; En dààrin slechts hoor ik eenstemmigheid, Dat zij alleen van Meelij heul verwachten.
Dus weet ik niet naar welke ik luistren moet; En wil ik spreken: ’k weet niet hoe of wat; Zoozeer ben ’k in der Liefde dool gevangen.
En wèl zie ik, dat wil ’k ooit rust erlangen, ’k Vrouw Meelij, die met mij nooit meelij had, Mijn vijandin, ter hulpe roepen moet.
Dit sonnet kan in vier gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg ik en zet ik uiteen, dat al mijne gedachten over de Liefde zijn; in het tweede zeg ik dat zij uiteenloopend zijn en verhaal ik van hunne verscheidenheid; in het derde zeg ik in welk opzicht allen het eens schijnen te zijn; in het vierde zeg ik dat ik, willende spreken over de Liefde, niet weet vanwaar mijne stof te nemen, en dat wanneer ik haar van hen allen nemen wil, ik mijne vijandin, Vrouwe Medelijden, moet te hulp roepen. Ik zeg “Vrouwe” bedoelende op eene schampere wijze te spreken. Het tweede gedeelte begint hier: “Doch zòò verward....”; het derde hier: “En daarin slechts....” het vierde: “Dus weet ik niet....”
§ XIV.
Bespotten zie ik u met de andre vrouwen Mijn aanschijn, want de reden kent ge niet Waarom het dus verandert en verschiet Telkens wanneer ’k uw schoonheid mag aanschouwen.
Zoo ge het wist: wèl zoude ’t u berouwen Dat ge mij niets dan die bespotting biedt. ’t Is wijl, wen Amor mij dicht bij u ziet, Hem vult zulk overmoedig zelfvertrouwen,
Dat, woedend onder mijn ontstelde zinnen, Hij deze doodt en gene gansch verdrijft, Om veilig, in hùn plaats naar u te staren.
Maar zòò niet is de Liefde in mij gevaren, Dat niet mijn hart toch tevens pijnen blijft Om mijn gemartelde en verdreven zinnen.
Dit sonnet verdeel ik niet in gedeelten, omdat eene verdeeling alleen gemaakt wordt om den zin der verdeelde zaak open te leggen; zoodat dit, aangezien het door zijne verhaalde aanleiding voldoende duidelijk is, geene verdeeling behoeft. Weliswaar bevinden zich onder de woorden, waarin de aanleiding tot dit sonnet verhaald wordt, eenige twijfelachtige woorden, namelijk waar ik zeg dat de Liefde al mijne geesten doodt en alleen die des gezichts in leven blijven, ofschoon dan buiten hunne werktuigen. En deze moeilijkheid is onmogelijk op te lossen voor wie niet in dezelfde mate der Liefde plichtig is; en voor hen die zulks zijn, is datgene wat die moeilijkheid zou oplossen duidelijk; en daarom is het niet goed voor mij deze moeilijkheid te verklaren, aangezien mijne woorden òf vergeefs zouden zijn òf overbodig.
§ XV.
Na deze nieuwe verandering werd ik sterk vervuld van eene gedachte welke mij zelden meer verliet, maar mij voortdurend weer hernam en aldus tot mij sprak: “Daar ge zulk een spotwaardig uiterlijk aanneemt wanneer ge in de nabijheid dier Vrouwe zijt, waarom dan zoekt ge haar te zien? Wanneer zij u daarnaar vroeg, wat zoudt ge hebben te antwoorden? aangenomen dat ge het vrije gebruik van al uwe vermogens hadt wanneer ge haar toespreken moest.” En eene andere, schuchtere gedachte, antwoordde op deze en zeide: “Wanneer ik mijne vermogens niet verloor en zoo vrij ware dat ik kon antwoorden, zoude ik haar zeggen dat, zoodra ik mij hare wonderbare schoonheid verbeeld, dadelijk ook een verlangen in mij opkomt om haar te zien, hetwelk van zoo groote kracht is, dat het doodt en verwoest in mijne herinnering al wat er tegen op zoude kunnen staan; en daardoor weerhouden mij de geleden smarten niet om opnieuw haren aanblik te zoeken.” Waarop ik, bewogen door deze gedachten, mij voornam eenige woorden te zeggen, in welke ik, mij tegenover haar verontschuldigend over mijn gedrag, ook zou verhalen van wat mij in hare nabijheid overkwam; en ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:
Al wat weerstreeft in mijnen geest moet sterven, Wanneer ’k, o Schoone Vreugd, tot u wil gaan. Maar “Vlucht” spreekt Amor, “wilt ge u niet verderven”, Als hij mij vindt in uw nabijheid staan.
Mijn aanschijn toont in wisselende verven Des harten strijd en zwijmend leune ik aan ’t Gemuurde, en ’t is of ik de steenen “sterven!” Hoor zuchten in dier wanhoop dronken waan.
Wie dus mij ziet bevlekt zijn ziel van zonde, Zoo mijn verbijstering hem niet verweekt Tot droeve deernis en een zachte klacht
Om Meelij, dat uw spot zòò diep verwondde Dat uit mijn brekende oogen het slechts smeekt Den Dood, van wien alleen ’t nog troost verwacht.
Dit sonnet kan in twee gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg ik de reden waarom ik mij niet houden kan naar mijne Vrouwe te gaan; in het tweede zeg ik wat mij overkomt doordat ik tot haar ga; en dit gedeelte begint hier: “Maar: Vlucht, spreekt Amor....” En dit tweede gedeelte is nog verder te verdeelen in vijven, volgens vijf verschillende mededeelingen: want in het eerste zeg ik wat de Liefde, geraden door de Rede, mij zegt wanneer ik in hare nabijheid ben; in het tweede zet ik den toestand van mijn hart uiteen naar het voorbeeld van mijn gelaat; in het derde zeg ik hoe alle zekerheid mij ontvalt; in het vierde zeg ik dat degeen die geen medelijden met mij betoont zondigt, omdat zulks mij eenigermate zou hebben getroost; in het laatste zeg ik waaròm men medelijden moet hebben, namelijk wegens den deerniswaardigen blik welke mij in de oogen komt; want deze deerniswaardige blik is verwoest, dat wil zeggen is voor een ander niet meer zichtbaar tengevolge van de spot mijner Vrouwe, welke tot een dergelijk gedragen diegenen medesleept die misschien zulk medelijden hadden kunnen betoonen. Het tweede gedeelte begint hier: “Mijn aanschijn toont....”; het derde hier: “En ’t is of ik....”; het vierde: “Wie dus mij ziet....”; het vijfde: “Om Meelij....”
§ XVI.
Nadat ik dit geschreven had, wekte dit sonnet het verlangen in mij op om ook eenige woorden te zeggen over vier andere zaken mijnen toestand betreffende, welke mij schenen door mij nog niet duidelijk te zijn gemaakt. De eerste van deze was aldus: dat ik mij dikwijls bedroefde wanneer mijn geheugen mijne verbeelding bewoog zich voor te stellen hoedanig Amor mij gemaakt had. De tweede was aldus: dat de Liefde mij herhaaldelijk plotseling zoo hevig besprong, dat er in mij niets anders levends bleef dan slechts ééne gedachte, welke van mijne Vrouwe sprak. De derde was aldus: dat wanneer die strijd der Liefde mij aldus bestookte, ik mij, bijna geheel ontkleurd, opmaakte om mijne Vrouwe te gaan zien, geloovende dat haar aanblik mij in dien strijd zou verdedigen, en vergetende wat mij door het naderen tot hare zoo groote lieflijkheid overkwam. De vierde was aldus: dat deze aanblik mij niet alleen niet verdedigde, maar zelfs de laatste rest mijns levens nog uit mij verdreef; en daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:
Dikwerf wanneer ’k bepeins het vreemd gedragen Waartoe mij Amor dwingt, wil ’t hart mij breken Van medelijden en ik hoor het klagen: “Ach, kon ooit smart een ander dus verweeken?”
Wen Amor mij bespringt om te verjagen Mijn zinnen en haast allen voor hem weken, Ontkomt er slechts ééne enkele aan zijn slagen, En die blijft, om van ù alleen te spreken.
En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht, Kom ’k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven, Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
Maar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht, Begint nog smartlijker mijn hart te beven En ’k voel hoe ’t leven uit mijn adren vliedt.
Dit sonnet kan worden verdeeld in vier gedeelten, volgens de vier zaken welke er in verhaald worden; en omdat deze zaken hierboven reeds uiteengezet zijn, houd ik mij niet op dan slechts om deze gedeelten door hunne beginwoorden aan te duiden; zoodat ik zeg dat het tweede gedeelte begint hier: “Wen Amor....”; het derde hier: “En dan, wijl ik....”; het vierde hier: “Maar zoo ik opzie....”
§ XVII.
”......oude eoikei Andros ge thnètou pais emmenai alla theoio.”
“Vedesti al mio parere ogni valore”
“A ciascun alma presa e gentil core”
Chi non merta salute, Non speri mai d’aver sua compagnia.
Wie niet het heil verdient Hope nooit haar gezelschap te hebben.
Whoso deserves not Heaven May never hope to have her company.
“Zoo ge de klagelijke stem kondet hooren Van mijne zuchten, wanneer zij mij verlaten, Zoudt ge mijn gelaat en kleur niet bespotten, Die ik geheel verwissel wanneer ik in uwe nabijheid ben.”