Note 1 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Negen malen welhaast na mijne geboorte was de hemel des lichts1 tot hetzelfde punt weergekeerd, voor zoover zijn eigen omloop betreft, toen mijnen oogen voor het eerst verscheen de glorierijke Vrouwe mijner Gedachte, die door velen, die niet wisten hoe haar te moeten noemen, Beatrice werd geheeten2. Zij had reeds zoolang in dit leven verwijld, dat zich gedurende haren tijd de bestarde hemel het twaalfde gedeelte van eenen graad naar het oosten bewogen had3: zoodat zij mij verscheen ongeveer in het begin van haar negende jaar en ik haar aanschouwde ongeveer aan het einde van het mijne. En zij verscheen mij omkleed met de edelste kleur, een bescheiden en eerzaam rood, omgord en getooid naar den trant welke haren zeer jeugdigen leeftijd betaamde. Op dit oogenblik, zegge ik naar waarheid, begon de geest des levens4, die in de verborgenste kamer des harten woont, zoo sterk te beven, dat hij tot in de geringste aderen zich schrikkelijk deed gevoelen; en bevende sprak hij deze woorden: “Ecce Deus fortior me, qui veniens dominabitur mihi”5. Toen begon de dierlijke geest, die woont in die hooge kamer, waarheen alle zinnelijke geesten hunne waarnemingen dragen, zich zeer te verbazen, en sprekende tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden: “Apparuit jam beatitudo vestra”6. Toen begon de natuurlijke geest, die woont in dat deel des lichaams, waar voor onze voeding wordt zorg gedragen, te jammeren en zeide weenende: “Heu miser, quia frequenter impeditus ero deinceps!”7. Van toen af, zegge ik, heeft Amor8 mijnen geest, die zoo schielijk met hem gehuwd was, beheerscht en begon hij eene zoo groote en zekere macht over mij te verkrijgen, door de kracht welke mijne verbeelding hem schonk, dat ik genoodzaakt was geheel en al naar het hèm beviel te handelen. Zeer dikwijls beval hij mij den aanblik van die jeugdige engel te zoeken; zoo dat ik in mijne jonkheid haar ook herhaaldelijk zocht; en ik zag haar van een zoo ongekend en lofwaardig wezen, dat men zekerlijk van haar kon zeggen die woorden van den dichter Homeros: “Zij scheen niet de dochter van een sterfelijk mensch, doch van eenen god.”9 En het geviel dat haar beeld, hetwelk voortdurend in mij was, ofschoon het mij met de koenheid der Liefde regeerde, ganschelijk was van eene zòò edele deugdzaamheid, dat het nimmer gedoogde dat de Liefde mij beheerschte zonder den trouwen raad der rede, in die zaken waar zulk een raad nuttig was te hooren. Doch daar een te lang vertoeven bij de hartstochten en handelingen eener zoo prille jeugd, eenigszins zou kunnen gelijken op verzinsel, zal ik daarvan afscheid nemen; en vele zaken overslaande, welke ik evenals het volgende zou kunnen verhalen, wil ik overgaan tot die woorden, welke in mijn geheugen in grooter paragrafen staan geschreven.