Note 43 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Enkele commentatoren, ook Rossetti, meenen dat Dante in deze paragraaf spreekt over de bruiloft van Beatrice zelf, die immers waarschijnlijk juist in dezen tijd, omstreeks 1287, huwde met Simone dei Bardi. Het is in de hoofsche poëzie geen gebruik ooit over het huwelijk der aangebedene te spreken. Des te waarschijnlijker lijkt het mij dat Dante er toch op deze wijze een toespeling op maakte.
Een argument voor de juistheid dezer opvatting is dunkt mij ook het antwoord dat Dante geeft aan zijn bezorgden vriend: “Ik heb mijn voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet kan terug gaan al wilde men”. Men heeft deze duistere woorden willen verklaren met een onnoozel: “ik was op het punt te sterven, ik was alhaast in de andere wereld.” Het komt mij voor dat deze woorden een geheel andere en zeer diepe beteekenis hebben. Zij willen zeggen dat voor Dante een nieuwe levensfase begon en de vroegere onherroepelijk is afgesloten. (Zie ook § XVII de “nieuwe stof” die hij wil gaan behandelen) Na Beatrice’s huwelijk toch is hij wel gedwongen tot een zuiver ideëele liefde. Ofschoon haar huwelijk den dichter Dante de gewenschte exaltatie eener geestelijke liefde bracht, moest zij den màn zeker pijn doen. Vandaar Dante’s buitengewone verwarring en ontroering. Andere argumenten in 35 en 36.