Note 25 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Op eenen dag gebeurde het dat deze Allerlieflijkste gezeten was dààr, waar gesproken wordt over de Koningin der Glorie25, en ik bevond mij op eene plaats, van welke ik mijne gelukzaligheid kon zien: en midden tusschen haar en mij, in rechte lijn, zat eene edele dame van zeer bekoorlijk aanschijn, die mij dikwijls aanzag, zich verwonderend over mijn staren, hetwelk bij haar scheen te eindigen; zoodat velen eveneens zich verwonderden. En zoo machtig werd mijne ziel aangegrepen, dat, toen ik die plaats verliet, ik achter mij hoorde zeggen: “Ziet, hoe gindsche dame het uiterlijk van dezen ontstelt”. En toen zij haren naam noemden, begreep ik dat zij dit zeiden van haar die in het midden gezeten had van de rechte lijn, welke uitging van de lieflijke Beatrice en eindigde in mijne oogen. Dit vertroostte mij ten zeerste, omdat het mij de zekerheid gaf dat mijn geheim dien dag niet door mijne blikken aan anderen bekend was geworden: onmiddellijk bedacht ik deze edele dame tot een scherm der waarheid te maken26; en zoo vaardig betoonde ik mij hierin binnen korten tijd, dat de meeste lieden die over mij spraken, waanden mijn geheim te weten. Achter deze dame verborg ik mij eenige jaren en maanden; en om den anderen het eerder te doen gelooven, maakte ik voor haar zekere gedichtjes, welke het niet mijne bedoeling is hier neer te schrijven, tenzij dan voorzoover zij betrekking hebben op de lieflijke Beatrice; en daarom laat ik ze allen terzijde, behalve dat ik iets er van zal over schrijven dat haren lof schijnt te bevatten.