Note 39 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Na het bovenbeschreven gezicht, reeds de woorden geschreven hebbende, welke Amor mij bevolen had te spreken, begonnen vele en vreemde gedachten mij te bestoken en te verzoeken, elke haast onwederstaanbaar: onder welke gedachten vier mij het meest de rust des levens verstoorden. De eerste van hen was deze: “Goed is de heerschappij der Liefde omdat zij het streven van haren getrouwe aftrekt van al wat laag is”. De tweede was deze: “Niet goed is de heerschappij der Liefde, omdat, hoe meer geloof haar getrouwe in haar stelt, hoe zwaarder en smartelijker weg hij moet gaan”. De derde was deze: “Het woord liefde is zòò zoet te hooren, dat het mij onmogelijk schijnt dat hare eigen werking in de meeste dingen anders dan zoet zoude zijn, aangezien de namen zich richten naar de genoemde dingen, gelijk geschreven staat: ‘Nomina sunt consequentia rerum’”39 40. De vierde was deze: “De Vrouwe, de liefde tot wie u aldus in het nauw brengt, is niet als andere vrouwen, zoodat zij gemakkelijk het hart zoude kunnen verlaten”. En elk dezer gedachten bestookte mij zoozeer, dat zij mij deed staan als een die niet weet langs welken weg zijne reis leidt, zoodat hij wil voortgaan, doch niet weet waarhenen. En als ik er over peinsde eenen gemeenschappelijken weg voor hen te zoeken, dat wil zeggen eenen, waarover zij het allen eens waren, bleek deze weg mij zeer tegen den zin: namelijk Medelijden aan te roepen en mij in hare armen te werpen. En verblijvend in dezen staat, kwam de begeerte in mij op er in rijmen over te schrijven; en ik schreef vervolgens dit sonnet, hetwelk begint: