← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Note 14 — (1274–1287).

Nico van Suchtelen translation

En terwijl ik over haar peinsde overviel mij een zoete sluimer, in welken mij een wonderbaar gezicht verscheen: het leek mij dat ik in mijne kamer eenen vuurkleurigen nevel zag, binnen welken ik de gedaante onderscheidde van eenen man van vreeswekkend aanschijn voor wie hem aanschouwden: maar toch scheen hij, wat hemzelf betrof, zoo vroolijk dat het verwonderlijk was: en sprekende zeide hij vele dingen, waarvan ik slechts weinig verstond, waaronder echter deze woorden: “Ego Dominus tuus”14. In zijne armen meende ik eene slapende gestalte te zien, naakt15, behalve dat zij mij gehuld leek in een kleed van teeder rood; welke gestalte ik na zeer aandachtige beschouwing herkende als die Vrouwe des Heils16, die mij den vorigen dag eenen groet had waardig geacht. En het leek mij dat de verschijning in de eene hand iets hield dat geheel en al brandde en het leek mij dat hij deze woorden tot mij sprak: “Vide cor tuum”17. En nadat hij eene pooze aldus gestaan had, leek het mij dat hij de slapende wekte, en zòò sterk was hij door de kracht van zijnen geest, dat hij haar dit voorwerp, dat brandde in zijne hand, deed eten; hetwelk zij weifelend at18. Hierna, kort daarop, veranderde zijne vreugde in bitterst geklag: en aldus klagend, nam hij de Vrouwe opnieuw in zijne armen en het scheen mij dat hij met haar hemelwaarts vlood: waarover ik in zulk eenen hevigen angst geraakte dat mijn lichte sluimer het niet kon verduren, maar afbrak en ik ontwaakte. En onmiddellijk begon ik te peinzen; en ik vond dat het uur waarop het gezicht mij verschenen was, het vierde uur geweest was van dien nacht: zoodat het duidelijk blijkt dat het het eerste uur was van de negen laatste uren des nachts. En steeds peinzend over wat mij verschenen was, nam ik mij voor het aan velen bekend te maken, die in dien tijd vermaarde troubadours waren: en omdat ik reeds uit mijzelf de kunst geleerd had in rijmen te spreken19, nam ik mij voor een sonnet te maken, in hetwelk ik eenen groet bracht aan alle Getrouwen der Liefde20; en hen verzoekend om hun oordeel over mijn gezicht, beschreef ik hen wat ik in mijnen slaap gezien had. En ik begon toen dit sonnet:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings