Note 33 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Eenige dagen na den dood dezer jonkvrouw gebeurde er iets33, tengevolge waarvan ik de bovenbedoelde stad moest verlaten en mij begeven in de richting dier streek waar de edele dame vertoefde, die mijne bescherming geweest was, ofschoon het doel mijner reis niet zoo verwijderd was als zij. En niettegenstaande ik in gezelschap van vele anderen was, mishaagde mij deze tocht, naar mijn uiterlijk deed blijken, zoozeer, dat mijne zuchten nauw bij machte waren de beklemming uiting te geven welke mijn hart gevoelde, omdat ik mij van mijne gelukzaligheid verwijderde. En toen verscheen mij in mijne verbeelding mijn allerzoetste Heer, die mij beheerschte door de deugd dier allerlieflijkste Vrouwe, als een pelgrim gekleed, licht en onaanzienlijk. Hij leek mij verbijsterd en zag ter aarde, behalve dat het mij nu en dan scheen dat zijne oogen zich wendden tot eene schoone stroomende en heldere rivier, welke vloeide langs den weg, waarop ik mij bevond. Het leek mij dat Amor mij riep en deze woorden zeide: “Ik kom van die dame, die langen tijd uwe bescherming is geweest en ik weet dat zij niet zal terugkeeren; en daarom heb ik dat hart, hetwelk ik u bij haar deed hebben, nu bij mij en breng het naar eene dame, die nu voortaan uwe bescherming zal zijn gelijk deze het was”; en hij noemde haar mij, zòò, dat ik haar goed kende. “Maar in elk geval, indien ge iets zegt van de woorden welke ik nu tot u heb gesproken, zoo doe het geheel op zulk eene wijze dat uit hen niet blijke de voorgewende liefde welke gij voor deze betoond hebt en welke gij nu aan eene andere zult moeten betoonen.” En deze woorden gezegd hebbende, verdween de verschijning geheel plotseling, tengevolge van het groote aandeel dat, naar het mij scheen, de Liefde mij van zich gaf: en, als veranderd in mijn uiterlijk, reed ik dien dag zeer zwijgzaam en vergezeld van vele zuchten. Toen de dag voorbij was begon ik hierover dit sonnet, hetwelk begint: