Note 45 — (1274–1287).
Nico van Suchtelen translation
Geloovende te moeten zwijgen, en “ofschoon ik mij daarna nooit meer (onmiddellijk) tot haar richtte.” Ook deze zinnen pleiten sterk voor de juistheid van het vermoeden omtrent Beatrice’s huwelijk. Het ware al heel verwonderlijk als Dante plotseling, eigenlijk zonder motief, het bezingen zijner Vrouwe gestaakt had; maar het kan niet verwonderen dat hij in zijn eerste smart meende nu ook maar voorgoed te moeten “afsluiten”, en evenmin dat hij dan later toch dit voornemen weer ontrouw wordt. Dat hij de drie sonnetten waarin hij zijn wanhopigen toestand schildert, in strijd met de chevallereske kieschheid, tot haarzelf richt, bewijst dat zij de vrucht zijn van een buitengewoon sterke ontroering. Dat hij haar echter, na dien eersten storm, niet meer direct aanspreekt, wordt eveneens door haar huwelijk, waardoor dit nog onbetamelijker, zooniet gevaarlijk wordt, verklaard.
Ten slotte is het opvallend dat de gedichten die nu volgen van een geheel anderen geest zijn dan de vorigen; zij behandelen inderdaad een “nieuwe en edeler stof”; zij zijn zuivere lofzangen, zonder verborgen bijbedoeling. Zij prijzen alleen, zij vragen niets. (Zie Inleiding.)