(Juli 1290–1292?)
Nico van Suchtelen translation
§ XXVIII.
§ XXIX.
Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het meeste behaagt.
§ XXX.
§ XXXI.
Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden; en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint: “Mijn oogen, droevend om ’t gepijnigd hart....” En opdat deze canzone aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden.
Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr; in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede begint hier: “Zoo woont de zaalge....”; het derde hier: “Mijn klaaglijk Lied....” Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie ik spreken wil. Het tweede begint hier: “En wijl ik weet....”; het derde hier: “En u verhalen....”. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Zoo woont de zaalge....”, spreek ik van hààr; en hierover maak ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden, en dit gedeelte begint hier: “Haar zuivre ziel....” Dit gedeelte kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent; in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede begint hier: “Maar om zijn diepe smart....”; het derde hier: “Met zuchten zwaar”. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Mijn klaaglijk lied....” spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven.
Mijn oogen, droevend om ’t gepijnigd hart, Hebben zooveel geleden door lang weenen, Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord; Dus, wil ik mij bevrijden van die smart Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen, Moet ik ’t beproeven met mijn klagend woord. En wijl ik weet hoe ’t ééns mij heeft bekoord Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken, Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht, Wil ’k, naar ik vroeger placht, Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken En u verhalen in mijn droeve klacht, Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen En met mij Amor liet van smart gebogen.
In ’t rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede
En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen.
Geen kou noch hitte was ’t die haar bedroog
En nam, als zooveel anderen, haar mede;
Maar ’t was haar groote nedrigheid alleen,
Die straalde zulk een glorie rond haar heen
En zoo den hemel met haar glans doorlichtte,
Dat God, verbaasd om ’t wonder dat hij schiep,
Voor zijn verlangen diep
Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte
Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven
Niet waardig was een schoonheid zòò verheven.
Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten,
Verklaard in ’t harer schoonheid waardig oord.
Wie niet om haren dood moet weenen heeft
Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten
Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord.
Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord,
Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen;
Zoodat geen rouw noch weedom het benart.
Maar om zijn diepe smart
Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen,
En van àl troost berooft zijn droevend hart,
Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen,
Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen.
Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood, Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen, Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt. En dikwijls wen ik peins over den dood, Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen, Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt. En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt, Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden, Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd En zinloos klaag en krijt En moet de menschen diepbeschaamd vermijden. En weenend roep ik in mijn eenzaamheid: “O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?” Dan troost haar naam me, als waar’ zij zelf verschenen.
Tranen van rouw en zuchten van verdriet Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken, Dat elk zou weenen die mijn lijden zag. Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken: Geen tong die ’t ooit te schilderen vermag. Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag U kunnen zeggen hoe mij ’t harde leven Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt En hoe mijn ziel dus kwijnt Dat iedereen: “U heb ik opgegeven” Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt. Maar zoo mijn woorden ’t u al niet vertelden: Zìj ziet mijn leed en zal ’t mij ééns vergelden.
Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga, En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen, Wier liefelijk vertrouwen Uw zusters menigmaal hebben verblijd. Nu ga! maar gij, die Droefnis’ dochter zijt, Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen.
§ XXXII.
Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier: “Hen dank ik ’t....”
O komt en luistert naar mijn zuchte’ en klachten, Gij eedle harten: Meelij roept u aan! Hen dank ik ’t, die zoo gansch ontroostbaar gaan, Dat ik in stille smart niet moet versmachten.
Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte Te storten schuldgen tol van traan op traan, En zoo mijn leed—zij hebben ’t lang gedaan— Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten.
Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon.
En raadloos zult ge mij beklagen hooren Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn.
§ XXXIII.
Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza’s eener canzone; de eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had.
De canzone begint: “Altijd, eilaas!” en heeft twee gedeelten: in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint: “Zoo mengen zich....” En zoo blijkt het dat in deze canzone twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder, de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint:
Altijd, eilaas! wanneer ik val aan ’t peinzen Dat ik hier nimmermeer De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel, Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen Mijn overdroeve ziel, Dat ik mijzelven vraag: “Waarom begeer Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven, Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot, Aanroep den zoeten Dood, Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven; Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid, Dat ik nu elken stervende benijd.”
Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten Tot ééne stage klacht, Die in den Dood mijn eenge troost begroet. Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten, Sedert mijn Vrouwe zoet Mij werd ontnomen door zijn wreede macht En harer schoonheid heerelijke pracht Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden, Ontbloeide tot een blanke heiligheid, Die Liefde’s licht verspreidt Eeuwig tot aller engelen verblijden: Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt Het wonder van zòò liefelijke deugd.
§ XXXIV.
Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft: in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed; in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede begint hier: “Ook Amor voelde....”; het derde hier: “Zij togen uit mijn borst....” Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend van de andere. Het tweede begint: “Maar zij die ’t diepste....” Op dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin, behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet in het andere begin.
Eerste begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid, God wonen deed waar hoogst-gebenedeid Maria troont onder de nedrigst-vroomen.
Tweede begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit; Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid, Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen.
Ook Amor voelde die herinnring komen, En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid, Sprak tot mijn zuchten hij: “Nu gaat en schreit” En nauwlijks konden zij hun smart betoomen.
Zij togen uit mijn borst weenende heen, En telkenmale als ik hen hoorde bracht Hun droeve roep de tranen mij in de oogen;
Maar zij die ’t diepste leden zeiden zacht: “O eedle geest! ’t is heên een jaar geleên Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen.”
§ XXXV.
Mijn oogen zagen ’t zoete mededoogen Lichten over uw stil en bleek gelaat, Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat En mijn gestalte, door de smart gebogen.
Ik dacht: “Dus heeft mijn donker leed bewogen Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat.” En vreezend in mijn hart voor het verraad Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen,
Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken, Wijl traan op traan van niet te stillen smart Opwelde als door uw deerenis ontkluist.
En tot mijn droeve ziel zeide ik: “Wel huist De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart, Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken.”
§ XXXVI.
Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam: zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe, die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten, heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Nooit deden Liefde....” en het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande verklaring. En dit is het:
Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard, En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard Stil-droevende oogen, ’wijl hun tranen leken,
Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken, Uw blik op mijn ellendig wezen staart, Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar ’t Om u verdeeld en van zijn heil geweken.
Ik kan mijn brandende oogen niet verweren Dat zij verlangend dikwijls wenden heen Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt;
Want u aanschouwend is weenen alleen ’t Hen ganschelijk verteerende begeeren, Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt.
§ XXXVII.
Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: “Vroeger placht ge te doen weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar, want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen; want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen verdrogen”. En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken, besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Gij oogen mijn....”,
en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: “Zoo spreekt mijn hart....” Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is door de voorgaande verklaring.
Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang, Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang Deedt tranen vloeien van diepst medelijden.
Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden; Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang, U niet genoeg herinnerd aan dien drang Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden.
Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw.
Want nooit behoordet, dan slechts in den dood, Gij onze doode Vrouwe te vergeten.— Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw.
§ XXXVIII.
De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde; en ik dacht over haar aldus: “Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon, jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat mijn leven rust zoude vinden.” En dikwijls genoeg dacht ik over haar nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen en zeide in mijzelf: “Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat denken!” Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: “Nu ge in zoo groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol heeft betoond.” Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....”. En ik zeg “lieflijke” omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het juist is de Begeerte “hart” te noemen en de Rede “ziel”, is duidelijk genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de eene uitspraak niet in strijd is met de andere.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede, spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: “Dies vraagt mijn ziel...”; het derde hier: “En ’t antwoordt haar....”
Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte, Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal, En spreekt van liefde zulk een zoete taal Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten.
Dies vraagt mijn ziel aan ’t hart: “Wie is die zachte, Die wil dat troost en vree weer in ons daal’? Dat niets in ons nog naar iets anders taal’, Tot zulke werking is haar deugd bij machte?”
En ’t antwoordt haar: “Eilaas, bezorgde ziel, Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen, Die van een nieuw verlangen mij vertelt;
En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen, Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel Wie ’t leed om ònze martelingen kwelt.
§ XXXIX.
Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was; en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen, en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende, wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen: en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: “Eilaas, door veler zuchten stage klacht....” En ik zeide “Eilaas” omdat ik mij er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is.
Eilaas! door veler zuchten stage klacht, Uit ’s harten droef herinneren geboren, Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren Den blik te zoeken die hun groet verwacht.
’t Is of in hen slechts één verlangen smacht: In tranen iedren lach van vreugd te smoren; Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren, Gelijk de kroon die martelaren wacht.
De zuchten en gepeinzen mijner rouwe Vervullen zòò mijn weedomzware hart Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot,
Omdat hij hen, de stille boôn der Smart, Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe En woorden, ach, over haar vroegen dood.
§ XL.
Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat, Verdiept wellicht in der herinnring droomen, Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen— Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad—
Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat, Nu gij doorschrijdt deez’ stad der Rouwe, stroomen; Als lieden die nog niets hebben vernomen Van haar verlaten, deerniswaardgen staat?
Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren, Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen:
Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren! En ieder woord over haar lieflijkheid Heeft het vermogen elkeen te doen weenen.
§ XLI.
Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint: “O komt en luistert”. Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint: “Boven die sfeer....”
hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt, en ik noem hem dan “pelgrim-geest” omdat hij geestelijk zoo hoog stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is, daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen, dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde gedeelte zeg ik: “Dan, vrouwen dier....” om te verstaan te geven dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte begint hier: “Een nieuw begrip....”; het derde hier: “En daar, waarheen....”; het vierde hier: “Hij schouwt haar zòò....”; het vijfde hier: “Maar ’k weet....” Men zoude het nog nauwkeuriger kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint:
Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;
Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen
Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt, Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen; Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d’eigen Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt.
Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen, ’t Verhalen wil, ’t droef hart dat hem doet spreken Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar.
Maar ’k weet: van Beatrice komt hij spreken; En heb ik haren zoeten naam vernomen, Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar.
§ XLII.
Einde.
Mas dieus vos a mandat a se venir Quar saubes luy e joy e pretz servir.