Note 14 — (Juli 1290–1292?)
Nico van Suchtelen translation
Na deze beproeving14 geschiedde het—in dien tijd waarop veel volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat15, hetwelk nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt—dat een aantal pelgrims door eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in mijzelf zeide: “Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken; zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden, die wij niet kennen.” Daarop zeide ik in mijzelf: “Ik weet dat, wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de bedroefde stad gaande.” Daarop zeide ik in mijzelf: “Indien ik hen eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook die ze hoorde zoude doen weenen.” Waarop ik, nadat zij uit mijn gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had; en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....”. En ik zeide “pelgrims” in de ruime beteekenis van het woord: want “pelgrims” kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten “Palmdragers” voor zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen; zij heeten “pelgrims” voor zoover zij naar het huis van Galizia16 gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten “Rome-gangers” voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij, die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet, omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt.