← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Note 11 — (Juli 1290–1292?)

Nico van Suchtelen translation

Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende11 op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot hen: “Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik.” Waarop ik, nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: “Weer zag mijn ziel....” en hetwelk twee beginkwatrijnen heeft12, zoodat ik het zal verdeelen volgens het eene en volgens het andere.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings