← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Note 13 — (Juli 1290–1292?)

Nico van Suchtelen translation

Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik, mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen13. Vandaar dat,—aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf medelijden hebben—ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf: “Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de edelste liefde.” En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings