← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

(1287–1290).

Nico van Suchtelen translation

§ XVIII.

§ XIX.

Gij vrouwen edel, die de Liefde kent, Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken; Niet wijl ’k haar lof ooit te voleinden reken, Maar te verlichten ’t overvol gemoed. Wen ik bepeins haar deugden zonder end. Brandt dus mijn hart dat ’k door mijn enkel spreken, Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken, Hadde ik niet alle driestheid ingeboet. Niet zòò verheven dat ik vreezen moet Machtloos tot lager stijl te zullen dalen, Maar zòò zal ’k van haar lieflijkheên verhalen Als het bij hààr past: gracelijk en zoet. En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen; Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen.

Een engel roept, gekeerd naar ’t goddlijk licht:

“O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen

Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen

Moge in der zaalgen midden nu weldra!

De hemel mist niets dan haar aangezicht

En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen.”

En alle heilgen juichen op die tale.

Slechts medelijden vraagt voor mij genâ;

En God spreekt: “Dat men dit van haar versta:

Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede,

Zoolang het mij behaagt, blijve beneden,

Waar één in vreeze is dat zij van hem ga,

En die ééns spreken zal tot de verdoemden:

In ’t hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd: Dus wil ’k u van haar englendeugd doen weten. En ’k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten, Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat, Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert, Bevriezen doet en alle heil vergeten. Sterven moet elk, of zich gelouterd weten, Die haren blik te dragen onderstaat. Wie zich voor waardig houdt haar in ’t gelaat Te schouwen, moog’ zijn hooge deugd betoonen, En zorg’ wie hoopt dat hem heur groet beloone, Door deemoed dat al zonde hem verlaat. Want zulk een macht werd haar door God beschoren. Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren.

Spreekt Amor van mijn Vrouwe: “Hoe ware ooit Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?” “God heeft”, dus denkt hij, “met een nooit volprezen En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt.” Geen parel werd met blanker tint getooid, Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen Vormde Natuur van stoffen uitgelezen; Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt. Wen open harer blikken poorte wijkt, Tijgt er een stoet van minnelijke geesten Om de oogen die haar schouwen te vermeestren En dra heeft elk van hen het hart bereikt; En geen kan haren mond, teeder omtogen Van Liefde’s lach, bewondren onbewogen.

Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat, Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken. Maak, dat ze in u, die ’k zoo schoon op mocht kweeken, Der Liefde jonge en teedre dochter zien. Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat, “Wijst mij den weg tot hààr” bescheiden smeeken, “Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken”. En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien’, Zult nimmer toeven ge onder lage liên; En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen, Dan slechts aan eedle manne’ en eedle vrouwen: Die zeker zullen snelle hulpe u biên. Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt, Breng hem mijn groet, zoo ’t voegt voor Amor’s kind.

Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede begint hier: “Een engel roept....”; het derde hier: “Mijn Lied, ik weet....” Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden; in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken, de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier: “Wen ik bepeins....”; het derde hier: “Niet zoo verheven....”; het vierde: “En slechts tot u....”. Vervolgens wanneer ik zeg: “Een engel roept....”, begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over haar op aarde zegt, en wel hier: “In ’t hemelsch rijk....” Dit tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden, welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam, een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: “Spreekt Amor van mijn Vrouwe”.... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar geheele persoon behooren, en wel hier: “Wen open....” Dit gedeelte is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen, welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest, dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was, waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Mijn Lied, ik weet....” voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang: en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is, vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat, om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren.

§ XX.

Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint:

Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één,

Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen,

Zoomin als ’t hoofd kan zonder rede leven.

Natuur bestemde ons hart tot Amor’s leen En heeft het hem tot vaste woon gegeven; En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een, Bij d’ander lang, den dag van ’t nieuwe leven,

Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt, En zoozeer ’t oog bekoort dat ’t in ’t gemoed Een hoog verlangen tot haar wordt geboren,

Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd, Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet. Zoo zal ook d’eedle man een vrouw bekoren.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad wordt. Het tweede begint hier: “Wen Schoonheid....” Het eerste kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint hier: “Natuur bestemde....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Wen Schoonheid....”, zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet: en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het zich omzet in de vrouw, namelijk hier: “Zoo zal....”

§ XXI.

Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint:

Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen, Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt; Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud, En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen

Dat hij verbleekt en ’t hoofd omneer gebogen, Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt; Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt. Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen!

In ’t hart dat haar hoort spreken wordt geboren Zoetste verteedring en een deemoed zacht; Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen!

Onzeglijk is ’t, onvatlijk, op wat wezen Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht: Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren.

Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: “Helpt Vrouwen....” Het derde begint hier: “In ’t hart....” Het eerste kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt, hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten uitwerkt. Het tweede begint hier: “Waar zij voorbij schrijdt....”; het derde hier “En wien zij groet....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Helpt Vrouwen....” geef ik te verstaan aan diegenen, tot wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende, dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg: “In ’t hart....” zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond: van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch zijne uitwerkingen kan vast houden.

§ XXII.

Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen, Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat; Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen?

Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe Liefelijk aangezicht in tranen baadt? Mijn hart zegt mij dat ’k om geen eigen daad Noch eigen droefenis u dus zie rouwen.

En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet, Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven; En hoe zij lijdt, verberg ’t mijn smeeken niet;

Schoon ’k zie hoe langs de smartgemerkte groeven Van uw gelaat een stroom van tranen vliet En ’t hart mij beeft nu ’t zoozeer u ziet droeven.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen, zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het tweede begint hier: “En komt ge waarlijk....” Hierop volgt dan het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben.

Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen? Uw stem gelijkt de zijne, doch in een Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken.

Ach, waarom klaagt ge als ware u ’t hart gebroken! Met jammer vult een elk uw droef gesteen; Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween, Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken?

Laat weenen ons en weenend verder schrijden; Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden.

Smart zelve staart uit haar gelaat u aan; Zòò dat wie van deez’ aanblik niet zou scheiden, Van droefnis aan haar voeten moest vergaan.

Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar aanwijs. Het tweede begint hier: “Ach, waarom klaagt ge....”; het derde: “Laat weenen ons....”; het vierde: “Smart zelve....”

§ XXIII.

Een lieflijk meisje, jong en teer van hart, Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten Waarop ’k den Dood dikwijls om redding vroeg. Zij zag mijn oogen overvol van smart. En luistrend naar mijn waanverwarde kreten, Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg, Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg. En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen, Leidden haar zachtkens henen En susten me, om tot rust mij te doen komen. Een zeide er: “Niet meer droomen!” En: “Waarom zoo ontroostbaar?” de andre vroeg. Toen riep ik met een stem, verstikt door ’t weenen, Mijn Vrouwe.... en ’t vreemde droombeeld was verdwenen.

Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad, En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken, Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen. Maar schoon ik ’t liefst mijn gansch beschaamd gelaat Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken, Dwong Liefde mij ’t te wenden tot hen heen. Het zag zoo vaal dat zij als over een Die sterven ging van mij schenen te spreken; Ik hoorde elkaar hen smeeken: “Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!” En telkenkeer zij zeiden: “Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween? En ’k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken: “Hoort, vrouwen, ’k zal u van mijn droombeeld spreken.”

Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan, En hoe zoo schielijk ’t leven weer moet vluchten, Weende in mijn hart Amor in droefnis groot; Waardoor ik, van verbijstering ontdaan, In mijn gedachten klagelijk verzuchtte: “Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood.” Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen; En als verwarde wanen, Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen; Tot ze, eindelijk gekomen Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood, Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en Roepend: “Ook gij zult sterven!” door hun tranen.

’k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar, Ontstellen mijn verdwalende gedachten In ’t naamloos oord waar ’k mij in droom bevond, ’k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar, Stil weenend of in jammerluide klachten, Die als een brand droegen hun droefnis rond. Toen leek het of de zonne langzaam zwond In duisternis en bleeke sterren schenen: ’t Was of ik hen zag weenen; En vogels vielen neder onder ’t zweven; En de aard begon te beven; Tot plotseling een bleek man voor mij stond, Die sprak: “Deed u de tijding nog niet weenen? Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!”

Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog En zag—een regen leek ’t van hemelsch manna— Een rij van englen keeren tot hun Heer. Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog, En allen zongen juichende: “Hosanna!” Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer. En Amor sprak: “Nu zwijge ook ik niet meer; Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede,” En leidde mij ter stede Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen, Ik zag: toen spreidden vrouwen Een witte wade over haar aanzicht neer, Dat, diepdeemoedig, als in stille bede, Niets scheen te zeggen als “Ik ben in Vrede!”

En zulk een deemoed lenigde mijn pijn Toen ’k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde, Dat ’k sprak: “O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet! Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde. Meelij, geen haat is ’t wat u komen doet. ’k Geloof dat ik u reeds gelijken moet, Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen, Aan ù zich te vertrouwen!” Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven; En hemelwaarts geheven Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet: “O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!” Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen.

Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het tweede begint: “Terwijl ik peinsde....” Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden, nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier: “Zoo had de smart....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Terwijl ik peinsde....” zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte begint hier: “Toen wektet gij me....”

§ XXIV.

Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken, Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord, En opziend zag van verre ik Amor naken, Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord.

“Nu zorg” riep hij “mij niet te schand te maken”. En lachen, lachen luidde in ieder woord. En nog terwijl zijn lippen aldus spraken, Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag ’k voort

En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr,

De plek waar ik in beven stond voorbij.

En Amor sprak—wél beeft mijn geest ’t vernomen— Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr, Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij.

Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend; het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe, nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: “Nu zorg riep hij....” het derde hier: “En nog terwijl....” Het derde gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier: “En Amor sprak....”

§ XXV.

§ XXVI.

De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden; en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: “Deze is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel”. En anderen zeiden: “Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!” Ik zegge, dat zij zich zoo lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf; opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:

Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen Is mijner Vrouwe minnelijke groet, Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen.

Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen, Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed; De Hemel zond tot de aarde een engel zoet, Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.

Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan, Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien, Die geen bevat zoo hij ’t niet ondervond;

En ’t is of van haar teerbewogen mond Een adem als van Liefde zelf komt vloeien, Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan.

Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve nalatend.

zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: “Het hoogste heil moet ieder hart verblijden....”, hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling.

Het hoogste heil moet ieder hart verblijden Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring; Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden, God danke in diepe verootmoediging.

Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden, Dat nimmer nijd der andren hart beving; Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden Van hoop, van liefde en van verteedering.

Haar blik maakt alles nederig en goed, En niet haarzelve alleen, maar allen schenken Haar lieflijkheên een glans van heiligheid.

En heel heur wezen is zoo wonderzoet, Dat niemand die haar zag aan haar kan denken Zonder een zucht om Liefde’s zaligheid.

Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: “Wel voegt het dat....”; Het derde hier: “Zoo zedig is....” Dit laatste gedeelte kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: “Haar blik maakt alles....”; het derde hier: “En heel haar wezen....”

§ XXVII.

Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht En mij gewend aan zijne heerschappij, Dat even hard als eerst mijn slavernij Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij, Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij, Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht. Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven, Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet Om mijne Vrouwe zoet, Of zij nog hooger heil mij konde geven. Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet, Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen ’t niet.

Klaagt al wie mint nu ge Amor zelf hoort klagen....,

Over der doode lieflijk beeld gebogen Zag ’k weenen hem (de Liefde) in tastbare gedaant.

van Liefde spreken nu al mijn gedachten.... (§ XIII)

Dikwerf wanneer ’k bepeins het vreemd gedragen Waartoe mij Amor dwingt.... (§ XVI)

Notes in this chapter

Note 1 · 11 Giovanna, Monna Vanna, was de “dame” van Cavalcanti. Het geven van een bijnaam (provençaalsch “senhal” = signal, teeken) was een oud trouNote 2 · Val welke eene. d’Ancona meent dat deze dame, wier vraag het oogenblik van de ideëele verandering der figuur van Beatrice en van het nieuwe Note 3 · Hunne woorden zag uitgaan. Mi parea vedere le loro parole uscire mischiate di sospiri. De commentatoren die Dante willen verbeteren door vedNote 4 · Niet tot alle vrouwen. Dante neemt het woord “donna” in zijn meer beperkte beteekenis, waarin het adjectief “gentile”, edel, lieflijk als heNote 5 · Over de beteekenis dezer canzone als eerste oorspronkelijke “meesterproef” zie mijn Inleiding.Note 6 · En die eens spreken zal etc. Deze regels hebben tot een geheele litteratuur aanleiding gegeven. Mij lijkt de meest voor de hand liggende, maNote 7 · De wijze dichter. Guido Guinizelli. Zie Inleiding en Aanhangsel.Note 8 · De verwekker. Folco di Ricovero Portinari, gestorven 31 December 1289. Hij was een aanzienlijk, rijk en vrijgevig man, o.a. stichter van eenNote 9 · Volgens gebruik. Volgens de Florentijnsche verordening kwamen de vrouwelijke bloedverwanten en buren in het sterfhuis bijeen, terwijl de andNote 10 · Hosanna in den Hooge.Note 11 · Door zeer nauwe verwantschap. Blijkbaar bedoelt Dante een zijner zusters.Note 12 · Ik ben de stem des roependen in de woestijn; bereidt den weg des Heeren. (Matheus III, 3.)Note 13 · Zekere woorden verzwijgend. Namelijk de woordspeling waarbij Monna Vanna slechts een voorloopster schijnt van nog grootere schoonheid. Aan dNote 14 · Monna Vanna en Monna Bice. Monna is de populaire verkorting van Madonna. Gevolgd door den voornaam duidt het woord alleen gehuwde vrouwen aaNote 15 · Volgens den filosoof. “De” filosoof in de middeleeuwen is steeds Aristoteles. Dante haalt hem waarschijnlijk aan uit de tweede hand.Note 16 · De taal van “oc”. Dante onderscheidde de Romaansche talen naar hun bevestigend bijwoord, in het provençaalsch “oc”, in het oud-fransch “oil”Note 17 · Ouder dan 150 jaren. Dit is slechts juist wat het Italiaansch betreft, de provençaalsche poëzie begint reeds tusschen het jaar 1000 en 1050.Note 18 · Om van de Liefde te spreken. Hier meent dus Dante nog dat de volkstaal alleen voor het minnedicht geschikt is; ook in het Convitto stelt DanNote 19 · Virgilius, Horatius, Ovidius en Lucanus behooren tot de dichters die Dante het meest bewonderde. (Hel IV. 90)Note 20 · Aeolus, u verleende.... (Aenëide I, 65).Note 21 · Wat gij, koningin, wenscht.... (Aenëide I, 76).Note 22 · Harde Dardaneërs.... (Aenëide III, 94).Note 23 · Veel, o Rome, hebt ge te danken aan de wapenen uwer burgers (Pharsalus I, 47).Note 24 · Noem mij, o Muze, den man. (Epistola ad Pisones V. 141).Note 25 · Middelen tegen de liefde.Note 26 · Oorlog bereiden zij mij, zie ik, zoo sprak zij.... (Remedia Amoris V. 2).Note 27 · Deze ééne stanza der zoogenaamde canzone vormt een gesloten geheel. De bouw is, behoudens de ééne verkorte regel, volkomen die van een sonneNote 28 · Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars Note 29 · Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te riNote 30 · ’k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden.”5Note 31 · Zooals de wijze dichter6 heeft geschreven;Note 32 · Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan—aldus behaagde het den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde—verliet hijNote 33 · Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang voortdurend Note 34 · Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen Note 35 · Madonna Vanna en Monna Bice14 komenNote 36 · Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen kunNote 37 · Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten; en Note 38 · en:Note 39 · (§ VIII) en:Note 40 · en:
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings