Note 11 — (1287–1290).
Nico van Suchtelen translation
Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen, zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde; en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: “Denk steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort ge zulks te doen.” En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame, die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar—wegens hare schoonheid, naar sommigen meenden—den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: “Deze eerste werd Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil zeggen: prima verrà, omdat “zij het éérst zou komen” op dien dag dat Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna11 is afgeleid van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende: “Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini”12. En het scheen mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: “Wie het zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk “Liefde” moeten noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft.” Waarop ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend welke het mij gepast scheen te verzwijgen13, daar ik in de meening was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint: