← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Note 7 — (1287–1290).

Nico van Suchtelen translation

Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan—aldus behaagde het den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde—verliet hij, die de verwekker7 geweest was van dit groote wonder als hetwelk de alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het—aangezien zulk een verscheiden smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed was,—zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld was van smart. En aangezien, volgens gebruik8 in bovenbedoelde stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende; zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder andere woorden hoorde ik er die zeiden: “Waarlijk, zij weent zòò, dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven.” Hierop gingen deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter, dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek, kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan tot elkaar spraken: “Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn, nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?” En na deze kwamen weer anderen voorbij die zeiden: “Hij die daar zit klaagt niet meer of minder dan als had hij haar gezien evenals wij”. Weer anderen zeiden van mij: “Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt, zoozeer is hij veranderd.” En terwijl aldus deze dames voorbij gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te zeggen—omdat ik hierin eene waardige stof vond—waarin ik alles zou opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde; in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het eerste: “Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen....” en het tweede: “Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings