Note 9 — (1287–1290).
Nico van Suchtelen translation
Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: “Noodwendiglijk moet het eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft”. En hierop greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen: in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden: “Ook gij moet sterven.” En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke tot mij zeiden: “Ge zijt gestorven”. En mijne verbeelding, aldus beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis; en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden; en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die zeide: “Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven verscheiden.” Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: “Osanna in excelsis!”9, en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: “Waarlijk, het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is”. En hierop scheen het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien; en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: “Ik zie het begin van allen Vrede”. In deze verbeelding overkwam mij eene zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep en zeide: “O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij; want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur draag”. En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag; en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken met eene werkelijke stem: “O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die u aanschouwt”. En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte, in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij verbonden was10, deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: “Slaap niet langer en wees niet zoo ontroostbaar”. En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: “O Beatrice, gezegend zijt ge”. En reeds had ik gezegd: “O Beatrice” toen ik, opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord, tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: “Hij gelijkt eenen doode” en onder elkaar te zeggen: “Laten wij toch trachten hem te troosten”. Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: “Ik zal u zeggen wat mij gebeurd is”. Hierop begon ik met het begin, en tot aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was, omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik schreef deze canzone: “Een lieflijk meisje, jong en teer van hart”, in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling: