← Table of contents
Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Note 1 — (1287–1290).

Nico van Suchtelen translation

Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen, als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder elkaar, van welke eene1, hare oogen op mij richtende en mij bij den naam aansprekende, zeide: “Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe, als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit, want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon zijn.” En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij, maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop zeide ik tot hen deze woorden: “Edele dames, het doel mijner liefde was reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren, heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden.” Daarop begonnen deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen, vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten2. En nadat zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het eerst tot mij gesproken had: “Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene andere bedoeling gesproken?” Waarop ik, peinzende over deze woorden, als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf: “Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?” En ik nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten, zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings